Het smeltende ego: Over kosmisch non-dualisme en klimaatverandering

Verschenen bij: Nieuw Wij, 7 oktober 2026.

"Wij smelten. We smelten gewoon en smelten en smelten. Het hart moet smelten, en wanneer het dat doet, openbaart zich een onbeschrijfelijke stroom van liefde."

(Paul Muller-Ortega)

In de zomer van 2018 gebeurde er iets vreemds met mij. Ik had een ervaring van smelten, alsof het ijzige bolwerk van mijn ego oplostte en ik versmolt met de wereld om mij heen. Ik werd 'één met het heelal' in een gevoel van alomvattende liefde. Met andere woorden: ik vóélde de waarheid van het non-dualisme — de oosterse spirituele filosofie die je zowel in het Hindoeïsme als het Boeddhisme aantreft, en die stelt dat wij allemaal manifestaties zijn van één kosmische kracht, de creatieve essentie van het universum.

Non-dualisme is overigens niet alleen een kwestie van gevoel. Het is ook een kwestie van helder nadenken. Want wat hedendaagse natuurkundigen en filosofen ons vertellen over de holistische eenheid van het heelal en de plaats van het bewustzijn daarin, suggereert sterk dat zoiets als non-dualisme waar is. Bovendien vervult het een dringende ethische beoefte die wereldwijd sterk wordt gevoeld. Juist in het licht van mondiale problemen als klimaatverandering is het een filosofie waarvan de tijd nu is gekomen. In deze beschouwing betoog ik dat alleen door onze fundamentele eenheid met elkaar, met de planeet en met de kosmos te erkennen wij de solidariteit kunnen opbrengen die nodig is om al die problemen het hoofd te bieden. En misschien is dat wel de positieve keerzijde van klimaatverandering: dat de opwarming van de aarde een 'mondiaal smelten van het ego' teweegbrengt — en daarmee haar eigen oplossing.

Mijn lange hete zomer van liefde

Wie nu een pikant strandverhaal verwacht, moet ik teleurstellen. Ik ben een gelukkig getrouwde vader van een 15-jarige zoon. Maar ik heb wél een ander verhaal te vertellen: een verhaal van spiritueel ontwaken.

De zomer van 2018 was een van de langste en heetste zomers die ooit in Nederland zijn gemeten — en in grote delen van Europa. Weer een record in een lange reeks van hittegolven, droogtes, tropische stormen en smeltend arctisch ijs. De laatste jaren zijn zulke records zo vertrouwd geworden dat ze haast gewoon lijken. Maar dat zijn ze niet: ze getuigen van de zorgwekkende realiteit van klimaatverandering.

Die lange hete zomer verklaart misschien ook mijn mystieke ervaring van spiritueel ontwaken: maanden van zonnig weer maken een mens nu eenmaal super ontspannen. Natuurlijk maakte ik me ook grote zorgen over de dreiging van klimaatverandering, niet in de laatste plaats vanwege onze zoon wiens toekomst op het spel staat. Maar de waarheid is dat ik ook ten volle genoot van die uitzonderlijke zomer van 2018. Ik voel me er een beetje schuldig over, maar het is wel zo.

We wonen in Zeeland, dicht bij het strand. Daar brachten we dan ook onze vrije dagen door: zwemmen, zandkastelen bouwen, frisbeeën, lezen over non-dualisme, mediteren, ijsjes eten. Kortom: het goede leven. In de namiddag fietsten we loom naar huis, douchten het zout en zand van onze gebruinde huid, en staken de barbecue aan. 's Avonds zat ik daar dan, mijn maag gevuld met vegaburger, friet en alcoholvrij bier, en keek vol verwondering naar het blauwe gewelf boven mijn hoofd en naar de zwaluwen die door de warme lucht zwierden.

En dan kwam het. Momenten van gelukzalige eenheid. Ik keek naar de mensen om me heen en had het vreemde gevoel dat 'zij mij zijn' of 'ik hen ben'. Wat er ook uit mijn ogen naar de wereld keek, keek ook uit hun ogen. Wat er ook in mij genoot van de zon, de zee, de smaak van ijs — het genoot op dezelfde manier in hen. Het voelde alsof het heelal van zichzelf genoot op het strand, zichzelf proefde, met zichzelf speelde. Een gevoel van alomvattende liefde welde in mij op en verzwolg mij, verzwolg alles en iedereen om me heen...

Ontwaken uit de droom van gescheidenheid

Deze gedachten waren op zich niet nieuw voor mij. Met een achtergrond in de filosofie ben ik geïnteresseerd in het absoluut idealisme, de filosofische traditie die reikt van de Indiase Upanishads en het Helleense neoplatonisme tot Duitse en Britse idealisten als Schelling, Hegel en Bradley. Kort gezegd: volgens het absoluut idealisme bestaat alles omdat het wordt gedacht en ervaren door een ‘Universeel Ik’, dat op zijn beurt bestaat omdat Het zichzelf denkt en ervaart. Tot de zomer van 2018 was mijn interesse hierin puur theoretisch. Het idee dat het heelal één bewustzijn is, leek mij simpelweg plausibel. Maar nu werd het een ervaringswerkelijkheid. Ik begon de waarheid ervan te voelen.

Dat kwam deels doordat ik was gaan mediteren, gestimuleerd door mijn vrouw die een mindfulness-cursus volgde. Maar de uitzonderlijk lange hete zomer van 2018 speelde zeker ook een rol: door mij bijna letterlijk te 'smelten' maakte die mij ontvankelijker om de kosmische eenheid te voelen in plaats van alleen verstandelijk te begrijpen. Wat uiteindelijk de doorslag gaf, was het uitzonderlijke boek Tantra Illuminated van Christopher Wallis over de filosofische traditie van het Kasjmir-Shivaïsme (wat overigens weinig tot niets te maken heeft met de gecommercialiseerde sekstherapie die in het Westen als 'Tantra' wordt verkocht). Toen ik deze passage aan het strand las, voelde ik letterlijk de 'flits van herkenning' waar Wallis over spreekt. Daar was het: boem! Kosmische eenheid, kosmische liefde.

"Alle bewuste wezens zijn slechts verschillende vormen van één goddelijk Bewustzijn, dat door ontelbare paren ogen naar het heelal kijkt dat zijn eigen lichaam is... Wanneer je jezelf helder ziet, komt er een flits van herkenning: ook jij bent een microkosmische uitdrukking van dezelfde goddelijke kracht die dit hele universum schept, in stand houdt en weer oplost. Je angst en kleinzieligheid vallen weg, terwijl je harmonieus samenvalt met de kosmische dans van levensenergie... Een explosie van vreugde begeleidt de realisatie dat er niets te doen is, niets te bereiken, anders dan het volledig omarmen van de goddelijke kracht die zich door jou wil manifesteren, door de totaliteit van je diepste essentie uit te drukken in de volheid van elk moment, in een eindeloze stroom van zulke momenten." (Wallis 2013: 56, 62, 67)

Het Kasjmir-Shivaïsme, waar Wallis zo mooi over schrijft, is een specifiek voorbeeld van de bredere traditie van het absoluut idealisme. In Oosterse context heet dat gewoonlijk 'non-dualisme'. Je zou kunnen zeggen dat het absoluut idealisme van Plotinus, Schelling, Hegel en Bradley de Westerse variant hiervan is. De Westerse benaderingen zijn vooral theoretisch en intellctueel — gericht op kennistheoretische, ontologische en theologische vragen. De Oosterse benaderingen, hoewel theorie daarin zeker niet ontbreekt, richten zich meer op de ervaring van non-dualiteit als een existentieel transformerende ervaring: de sleutel tot verlichting en bevrijding van het lijden.

In de Oosterse filosofie wordt de non-duale ervaring gezien als het einde van het lijden dat inherent is aan het zijn van een schijnbaar geïsoleerd individu, dat tegenover een onafhankelijke wereld staat en daarin moet worstelen om zich te handhaven. Naarmate echter de illusie van het afgescheiden ego wegvalt, vallen ook zijn kleinzielige zorgen weg, zijn kibbelende sympathieën en antipathieën, zijn angsten en onvervulde verlangens. Wat overblijft is serene gelukzaligheid en een diep gevoel van liefdevolle eenheid met alles en iedereen.

Dit wordt vaak geïllustreerd met het beeld van een meer dat de lucht weerspiegelt. Normaal is het water gerimpeld door de veranderlijke (en verraderlijke) wind van onze gedachten en emoties, waardoor het beeld vervormd raakt. Maar bij de non-duale ervaring kalmeren de golven, wordt het water glad als een spiegel, en weerspiegelt het eindelijk de blauwe lucht erboven, met de stralende zon in het centrum. Die zon is een metafoor voor de creatieve essentie van de werkelijkheid — de bron van alle energie en leven, waarvan je nu realiseert dat het je diepste kern is.

"Net toen ik dacht dat ik eruit was, trekken ze me er weer in!"

Dat is ongeveer wat ik ervoer in 2018: een verlichtingservaring. Niet dat ik nu permanent verlicht ben — geenszins. Zoals veel spirituele zoekers zullen getuigen, zijn zulke roze gevoelens van alomvattende vreugde meestal niet permanent. Ze duren een tijdje, maar dan komt het dagelijks leven weer binnen. Het is net als bij maffiabaas Michael Corleone in The Godfather, die uit het mafia-leven wil stappen, maar ontdekt dat de banden met zijn vroegere persoonlijkheid niet zomaar verbroken kunnen worden. De mensen om hem heen blijven hem behandelen als de Capo di capi. Waarop hij vertwijfeld uitroept: "Just when I thought I was out, they pull me back in!"

De meeste spirituele zoekers die non-dualiteit beschouwen als het eindpunt van hun pad, hebben op wanhopige moment ongetwijfeld iets soortgelijks gedacht. De onvoorziene gebeurtenissen van het dagelijks leven trekken hen steeds terug in de dualiteit — ze worden nog steeds aangesproken als afgescheiden individuen. Je kunt ziek worden, je baan verliezen, een dierbare verliezen, terugvallen in een verslaving, of gewoon keihard je hoofd stoten. Elke negatieve ervaring kan je roze bubbel van kosmische eenheid doorprikken. Vandaar het belang van dagelijkse spirituele praktijken — sadhana in de Indiase filosofie, zoals yoga en meditatie — die je helpen de verlichtingservaring te stabiliseren en te integreren in het dagelijks leven.

De dreiging van klimaatverandering

In mijn geval was wat mij uit mijn roze droom schudde precies hetzelfde als wat mij erin had gebracht: de lange hete zomer van 2018. Zo opgetogen als ik was over het smelten van mijn ego, wist ik in mijn achterhoofd dat dit smelten — vanuit een ander perspectief — iets heel slechts was. Alsof de poolkappen zelf in mij smolten. Liggend op het strand, verlamd door de drukkende hitte, zag ik visioenen van smeltende poolkappen die in enorme stukken afbraken, met als gevolg verwoestende vloedgolven over de Zeeuwse dijken.

De opwarming van de aarde had mijn roze bubbel van kosmische vrede gecreëerd — en liet die bijna gelijktijdig weer uiteenspatten. Het is wetenschappelijk bewezen dat CO2-uitstoot de hoofdoorzaak is van klimaatverandering. Zelfs volgens gematigde scenario's zal de opwarming tegen het einde van deze eeuw rampzalige gevolgen hebben die de mondiale beschaving op haar grondvesten zullen doen wankelen. Toegegeven, de aarde is eerder opgewarmd en afgekoeld, maar zulke cycli namen miljoenen jaren in beslag. Nu bereiken we binnen tweehonderd jaar niveaus die in het verleden tot massa-uitstervingen hebben geleid.

Als we onze uitstoot niet drastisch verminderen, stijgt de gemiddelde temperatuur tegen 2100 met 3 tot 5 graden. Het arctisch ijs smelt versneld, de zeespiegel stijgt, kustgebieden overstromen. Kleine eilandstaten zullen verdwijnen. Extreme weersverschijnselen nemen toe en brengen de voedselvoorziening in gevaar. Gletsjers smelten, rivieren drogen op, drinkwater raakt op. Uitgestrekte gebieden worden onbewoonbaar. Het gevolg: miljoenen klimaatvluchtelingen. Europa worstelt nu al met een vluchtelingencrisis, maar het aantal klimaatvluchtelingen zal die doen verbleken. Het resultaat: politieke conflicten, instabiliteit, oorlog.

Maar zelfs toen mijn roze bubbel werd doorgeprikt, bleef het liefdevolle bewustzijn van kosmische eenheid bij mij. Sterker nog: het werd des te belangrijker. Want non-dualisme zou wel eens de spirituele stimulus kunnen zijn die mensen tot collectieve actie aanzet. Niet alleen om klimaatverandering aan te pakken, maar ook om armoede, oorlog, racisme en extreme ongelijkheid te bestrijden. Wat is inspirerender dan te beseffen dat jij, een schijnbaar afgescheiden individu, in werkelijkheid niet afgescheiden bent? Dat jij en de ander hetzelfde zijn — hetzelfde lijdende wezen dat lijdt omdat het nog niet beseft dat het één is? Wat bevordert mondiale verantwoordelijkheid en solidariteit beter dan de wetenschap dat jij en de wereld één zijn?

Kosmisch versus akosmisch non-dualisme

Hier is echter een belangrijk onderscheid nodig: dat tussen kosmisch en akosmisch non-dualisme. 'Akosmisme' betekent in de filosofie de ontkenning van de realiteit van de alledaagse, empirische wereld van veelheid. Het universum lijkt te bestaan uit talloze individuele objecten — atomen, bomen, mensen, planeten, sterren. Volgens het akosmisme is die veelheid uiteindelijk onwerkelijk, een loutere verschijning of illusie.

Non-duale filosofen zijn hier vaak toe geneigd: als de werkelijkheid één geheel is, moet de wereld van veelheid wel onwerkelijk zijn. Zulke akosmische vormen van non-dualisme gaan vaak gepaard met een ascetische ethiek van wereldverzaking. Om verlichting te bereiken moet het individu de empirische wereld achter zich laten — alleen dan realiseert hij het bevrijdende inzicht in 'het Ene' dat als enige werkelijk bestaat. Dit akosmisme vind je in het Oosten bij uitstek in de Advaita Vedanta en in mindere mate het Boeddhisme, en in het Westen bij denkers als Parmenides, Spinoza, Schelling en Bradley. (De term ‘akosmisme’ is overigens oorspronkelijk bedacht door de Duitse filosoof Jacobi in zijn bijtende kritiek op Spinoza’s substantie-monisme, waarin de wereld van verschillende individuen geheel lijkt te verdwijnen, aldus Jacobi.)

Daartegenover staat het 'kosmisch non-dualisme': een positie die de fundamentele eenheid van de werkelijkheid wel erkent, maar tegelijk de realiteit van de empirische wereld niet ontkent. De kosmos wordt gezien als een werkelijke manifestatie van het Ene. Voor kosmisch non-dualisme verschijnt het Ene áls de wereld van veelheid: de werkelijkheid is een eenheid-in-verscheidenheid, een geïntegreerd geheel met innerlijke complexiteit — niet een soort ‘blob’ van ongedifferentieerde eenheid, waar het akosmisch non-dualisme naar neigt. Daarom neigt het kosmisch non-dualisme niet tot wereldverzaking maar tot wereldbevestiging: een viering van het bestaan als manifestatie van het goddelijke. Verlichting wordt niet bereikt door de wereld te verwerpen, maar door haar te omarmen als je eigen Zelf. Dat leidt tot actieve betrokkenheid bij de wereld in plaats van afzijdigheid.

In het Oosten vind je dit in de oorspronkelijke Vedanta van de Upanishads en vooral in het Shivaïstisch Tantrisme. In het Westen bij het Neoplatonisme van Plotinus — die de extreme wereldverzaking van het gnosticisme verwierp — en bij Hegel, die zijn absolute idealisme deels ontwikkelde in kritiek op Schellings akosmisme.

De ethische waarde van kosmisch non-dualisme

Kortom, als we non-dualisme willen gebruiken om mondiale solidariteit te bevorderen, dan hebben we de kosmische versie nodig, niet de akosmische — die neigt juist tot een nihilistische onverschilligheid tegenover de wereld. Dat blijkt treffend uit Robert Pirsigs Zen and the Art of Motorcycle Maintenance, waarin de hoofdpersoon Phaedrus een college Oosterse filosofie volgt bij een professor met een voorliefde voor Advaita Vedanta:

"Toen de professor voor de vijftigste keer begon uit te wijden over het illusoire karakter van de wereld, stak Phaedrus zijn hand op en vroeg ijskoud of de atoombommen die op Hiroshima en Nagasaki waren gevallen dan ook illusies waren. De professor glimlachte en zei ja."
(Pirsig 1999, p. 144)

Precies daarom is het verschil tussen kosmisch en akosmisch non-dualisme zo cruciaal. Een activistische ethiek van universele solidariteit is precies wat onze lijdende wereld nodig heeft, verscheurd als zij wordt door steeds diepere verdeeldheid: tussen bezitters en bezitslozen, tussen etnische groepen, tussen seculiere samenleving en fundamentalisme, tussen massa en individu, tussen rechtspopulisme en een onverschillige politieke elite, tussen economische groei en een weerloze natuur die stikt in de vuilnisbelt die die groei produceert.

Dit zijn mondiale problemen die mondiale oplossingen vereisen — en dus ook mondiale solidariteit. Vandaar het ethische belang van kosmisch non-dualisme. Zodra de scheiding tussen zelf en ander overwonnen is, kun je niet langer onverschillig blijven voor lijden en onrecht. Je moet handelen, simpelweg omdat je in het helpen van anderen jezelf helpt — niet direct je individuele zelf, maar je onderliggende Zelf, de creatieve essentie van het universum waarvan alles en iedereen deel is. De non-duale leraar Jeff Foster zegt het zo:

"Het is mijzelf in Myanmar, het is mijzelf in de aardbeving. Het is mijzelf die honger lijdt in Afrika. Mensen horen de boodschap van non-dualiteit en denken dat het gaat om achterover leunen en niets doen... Maar eenheid herkent zichzelf in het gezicht van dat hongerende kind en kan zich in beweging zetten om zichzelf te helpen, niet uit medelijden, niet omdat je een goed mens moet zijn. Het komt niet voort uit een opgelegde moraal. Maar in het zien dat het allemaal Eén is, beweegt het zich om zichzelf te helpen." (Jeff Foster in Gilbert 2011, p. 37)

Laten we dus hopen dat de opwarming van de aarde ten minste dit positieve gevolg heeft: een mondiaal smelten van het ego, en daarmee een mondiale omarming van non-dualistische manieren van denken en ervaren. Dan hebben we een kans om onze problemen samen aan te pakken, als één mensheid, in harmonie met elkaar en met onze planeet. Dat dit niet helemaal speculatief is, blijkt uit de non-duale leer dat het ego een soort 'contractie' is van het kosmische geheel tot een schijnbaar afgescheiden individu — een samentrekking die zich lichamelijk uit in samengetrokken, gespannen spieren. Als kou ons lichaam doet samentrekken, zou warmte ons dan ook lichamelijk én mentaal kunnen doen ontspannen? Geest en lichaam zijn immers één. Misschien dat non-dualiteit daarom juist in de warmere delen van India ontstond. Laten we hopen dat de opwarming van de aarde wereldwijd een soortgelijk effect zal hebben.

Om & vrede!

Referenties

Gilbert, Eleonora (2011), Conversations on Non-Duality: Twenty-Six Awakenings. Cherry Red Books.
Pirsig, Robert M. (1999 [1974]), Zen and the Art of Motorcycle Maintenance. London: Vintage.
Wallis, Christopher D. (2013), Tantra Illuminated: The Philosophy, History, and Practice of a Timeless Tradition.
Boulder, CO: Mattamayura Press.

 

Marcuse’s eigen weg naar de Kritische Theorie

 

Om Marcuse te begrijpen, moeten we hem plaatsen in de context waarin hij als filosoof tot wasdom kwam, de Kritische Theorie. Maar Marcuse kwam allerminst als onbeschreven blad bij het Frankfurter Institut für Sozialforschung terecht. Jammergenoeg wordt deze persoonlijke voorgeschiedenis vaak overgeslagen in beschouwingen over Marcuse, alsof zijn filosofische betekenis uitsluitend in de context van de Frankfurter Schule gezocht moet worden en zijn toetreding tot het instituut in 1933 zijn ‘intellectuele geboorte’ was. Daarvoor had de jonge Marcuse echter al cruciale – praktische en theoretische – ervaringen opgedaan, die zijn latere denken diepgaand zouden beïnvloeden en deels zijn geheel eigen inflectie van de Kritische Theorie verklaren. 

Marcuse werd in 1898 in Berlijn geboren, in een welgesteld en geassimileerd joods middenklassegezin. Na zijn middelbare school werd hij in 1916 tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger opgeroepen maar diende uitsluitend in Berlijn (waar hij, naar eigen zeggen, vooral de stront van infanterie-paarden moest opruimen). Aan het eind van de oorlog sloot hij zich aan bij een socialistische soldatenraad, die deelnam aan de mislukte Spartakusopstand, waarbij Marcuse’s taak onder andere bestond in het terugvuren op scherpschutters van het proto-fascistische Freikorps. In die tumultueuze periode, toen uit de Duitse Revolutie van 1918-’19 de democratische Weimar-republiek ontstond, ontstond ook Marcuse’s levenslange engagement met het marxisme.

Na de oorlog studeerde hij literatuur in Berlijn en Freiburg waar hij in 1922 promoveerde op de Duitse Künstlerroman – een subgenre van de Bildungsroman, waarin de persoonlijke ontwikkeling van de kunstenaar en zijn problematische positie in de burgerlijke maatschappij centraal staat. Marcuse’s proefschrift was sterk beïnvloed door het vroeg-marxistische werk van Georg Lukács en anticipeert op het cruciale belang dat kunst en esthetica voor Marcuse’s latere filosofie hebben.

Na 1922 volgt er een intermezzo van ongeveer vijf jaar, waarin Marcuse onder andere zijn geluk beproeft als medewerker van een Berlijns antiquariaat. In het kader van zijn antiquarische werk stelt Marcuse een wetenschappelijke bibliografie samen van het werk van Friedrich von Schiller; met name diens filosofische brieven Über die ästhetische Erziehung des Menschen oefenen een grote invloed uit op Marcuse’s latere filosofie van de erotische rede.

Dan, in 1927, slaat er een filosofische bom in: Heideggers meesterwerk Sein und Zeit verschijnt, dat Marcuse datzelfde jaar nog verbluft leest. Na de trauma’s van de Eerste Wereldoorlog, het mislukken van Duitse revolutie en de politieke en economische chaos van de Weimar-republiek, raakte Heideggers existentiële fenomenologie bij de jongere generatie filosofen een gevoelige snaar. Zeker in contrast met de behoudende, stoffige en abstracte filosofie die aan de universiteiten werd onderwezen. Zoals de oude Marcuse in een terugblik opmerkt: “Wat gebeurt er nadat de revolutie is mislukt? Dat was een beslissende vraag voor ons. Er werd toen zeker filosofie onderwezen, het academische toneel werd gedomineerd door neokantianisme en neohegelianisme, maar toen verscheen plotseling Sein und Zeit als een echt concrete filosofie. Men sprak over Dasein, existentie, het Men, de dood, de zorg. Dat leek tot ons te spreken.” (Marcuse 1978: 125)

Marcuse voelt zich geroepen om zijn academische studie weer op te pakken en keert in 1928 terug naar Freiburg om bij Husserl en Heidegger fenomenologie te studeren. Hij blijft echter een – door Lukács beïnvloedde – marxist. Marcuse begint filosofisch een eigen stem te ontwikkelen en schrijft zijn eerste filosofische artikelen (verzameld in Marcuse 2005), waarin hij een originele zij het nog enigszins onbeholpen synthese van marxisme en Heideggeriaanse existentiële fenomenologie ontwerpt. Marcuse staat daarmee aan het begin van een filosofische stroming die na de Tweede Wereldoorlog een rol van betekenis zal spelen in de Europese filosofie, het existentialisisch-fenomenologisch marxisme (met denkers als Karl Kosik, Kostas Axelos, Jean-Paul Sartre en Maurice Merleau-Ponty).

In 1932 slaat er een tweede filosofische bom in: de publicatie van de net ontdekte Economisch-Filosofische Manuscripten van 1844 van de jonge Marx (ook wel de Parijse Manuscripten genoemd). Deze filosofisch complexe maar onafgemaakte manuscripten legden een bom onder de toen heersende “vulgair-marxistische” interpretatie van Marx als econoom en grondlegger van het “wetenschappelijk socialisme”, die materialistisch afstand had genomen van het burgerlijk humanisme en idealisme van de klassieke Duitse filosofie. In de Economisch-Filosofische Manuscripten zien we juist een uitgesproken humanistische Marx aan het werk, die het dialectisch idealisme van Hegel combineert met een socialistisch materialisme. Zo articuleert de jonge Marx een geheel eigen visie op het communisme, als de ultieme menselijke werkelijkheid waarin mens en natuur verzoend zijn en onvervreemde arbeid samenvalt met kunst.

Als een van de eersten schrijft Marcuse een recensie van de Economisch-Filosofische Manuscripten; hij noemt hun ontdekking en publicatie een “cruciale gebeurtenis in de geschiedenis van marxistische studies” (Marcuse 2005: 86) en gebruikt vervolgens opvallend Heideggeriaanse begrippen – zoals historiciteit, facticiteit en zorg – om de portee van Marx’ visie te analyseren. Voor Marcuse paste deze vroege, hegeliaanse Marx naadloos in zijn project om marxisme en existentiële fenomenologie te integreren. In een terugblik zal Marcuse zeggen: “Toen verschenen de Economisch-filosofische manuscripten van 1844. [...] Dit was, in zekere zin, een nieuwe Marx: iemand die echt concreet was en tegelijkertijd verder reikte dan het versteende praktische en theoretische marxisme van de partijen. Vanaf dat moment was de tegenstelling tussen Heidegger en Marx voor mij geen probleem meer.” (Marcuse 1978: 125)

In diezelfde periode schrijft Marcuse als student-assistent onder Heidegger een habilitatie over Hegel. Deze studie, gepubliceerd in 1932 als Hegels Ontologie und die Theorie der Geschichtlichkeit, is een verdere uitwerking van Marcuse’s pogingen om Heideggers fenomenologie, dialectiek en marxisme te verbinden. Marx wordt – voorzichtigheidshalve – niet bij naam genoemd, maar het is duidelijk dat de auteur naar het marxisme neigt. Toen Heidegger zich in 1933 bij de NSDAP aansloot – wat voor velen, Marcuse incluis, als een schokkende verrassing kwam – en namens de nazi’s rector werd van de univeriteit van Freiburg, besefte Marcuse dat Heidegger zijn Habilitationsschrift nooit zou goedkeuren. Gedesillusioneerd keerde Marcuse zich van zijn mentor af.

Vanaf dat moment speelt Heideggers filosofie geen expliciete rol meer in Marcuse’s denken, al blijft diens invloed subtiel op de achtergrond aanwezig, om met name in Marcuse’s latere denken over technologie weer expliciet op te duiken. Zoals Habermas later zal opmerken, heeft Heideggers fenomenologie ook een systematische invloed uitgeoefend op Marcuse’s interpretatie en toepassing van Freuds driftenleer (zie Habermas 1968: 10-11). Dit zal belangrijk blijken als we het vermeende ‘biologisme’ van Marcuse’s freudianisme bespreken.

Terug naar 1933. Als ‘marxistische Jood’ wist Marcuse dat zijn kansen op een academische loopbaan in nazi-Duitsland verkeken waren. Maar Marcuse had geluk en zijn leven zou snel een verrassende wending nemen. Door bemiddeling van Husserl, die zich als mede-Jood het lot van de jonge student aantrok, kwam Marcuse in contact met Max Horkheimer, sinds twee jaar directeur van het marxistische Institut für Sozialforschung. Horkheimer zag wel wat in deze jonge, belezen, originele filosoof en marxist, die – in Horkheimers ogen – gelukkig steeds meer van Heidegger loskwam. Zo kwam Marcuse in 1933 met alle bovengenoemde bagage op zak bij het Frankfurter Institut te werken.

Veel tijd heeft Marcuse echter niet in Frankfurt kunnen doorbrengen. Na Hitlers machtsovername kozen de veelal joodse medewerkers van het instituut ervoor om snel naar het buitenland te emigreren. In 1934 volgde Marcuse zijn collega’s naar Amerika, waar het instituut zich omdoopte tot Institute for Social Research en een samenwerkingsverband aanging met Columbia University in New York. In deze ballingschap beleefde het instituut zijn bloeiperiode, waarin de Kritische Theorie methodologisch werd uitgwerkt, de integratie van Freud in het marxisme zich consolideerde en klassieke teksten verschenen zoals Horkheimer en Adorno’s Dialectiek van de Verlichting (1947). Na de oorlog keerde het instituut in 1950 terug naar Duitsland, nam zijn oude naam weer aan en hervatte de samenwerking met de universiteit van Frankfurt. Marcuse volgde zijn collega’s echter niet terug naar het door nazisme, oorlog en Holocaust getekende vaderland; hij bleef de rest van zijn leven – als freudo-marxistische luis in de pels – in het kapitalistische Amerika wonen.

De Tweede Wereldoorlog bracht voor Marcuse ook andere uitdagingen met zich mee. In 1942 stopte hij als medewerker van het instituut, om als onderzoeker voor de Amerikaanse inlichtingendienst OSS (Office of Strategic Services, de voorloper van de CIA) bij te dragen aan de strijd tegen het fascisme in Europa. Hij werkte onder andere aan analyses van het nazi-regime en plannen voor de naoorlogse reconstructie van Duitsland. In 1950 stopte hij echter ook daarmee, mede omdat hij zich niet kon verenigen met de Koude-Oorlogspolitiek van de Verenigde Staten. Bijdragen aan de strijd tegen de nazi’s was één ding; bijdragen aan de waanzin van nucleaire wapenwedloop en rabiate communistenhaat was iets geheel anders.

Niet dat Marcuse als marxist voorstander was van het Sovjet-communisme – integendeel: in zijn boek Soviet Marxism (1958) laat Marcuse zien hoe de Sovjet Unie door de overheersende focus op militarisering en industrialisering steeds verder van Marx’ humanistische visie op het communisme af komt te staan. Daardoor verschilde het Sovjet-communisme volgens Marcuse uiteindelijk niet zo heel veel van zijn ideologische tegenhanger, het Amerikaanse kapitalisme: twee systemen die beide gebaseerd zijn op ontmenselijking en uitputting van de natuur.   

In 1954 begon Marcuse's universitaire carrière in Amerika, eerst aan de Brandeis University in Massachusetts, vanaf 1965 aan de University of California in San Diego. In die periode schreef hij zijn beroemdste boeken – Eros en cultuur (1955) en De eendimensionale mens (1964) – en raakte hij actief betrokken bij de radicaal-linkse studentenbeweging die in mei ‘68 haar hoogtepunt bereikte. Dan overkomt Marcuse iets unieks: hij groeit op zijn 70ste uit tot een filosofische ‘rock-ster’, die wereldwijd door linkse studenten op handen wordt gedragen en door het establishment wordt verketterd. Opnieuw, voor de tweede keer in zijn leven – na de revolutiejaren van 1918-’19 – was Marcuse nauw en actief betrokken bij radicaal-linkse politiek. Deze keerde vuurde hij echter geen geweren af maar vlammende toespraken tegen de Vietnam-oorlog en de “eendimensionale” welvaartsmaatschappij. Na 1970 begint Marcuse zich ook steeds duidelijker uit te spreken over het revolutionaire belang van feminisme en ecologie. 

Twee jaar voor zijn dood publiceert hij zijn laatste boek, The Aesthetic Dimension, waarmee hij terugkeert naar het onderwerp van zijn jeugd, toen hij als literatuur-student zijn eerste schreden op het filosofische pad zette: de revolutionaire betekenis van kunst. Daarmee sluit zich Marcuse’s cirkel. Op 29 juli 1979 overlijdt hij in Duitsland, tijdens een reis door zijn oude vaderland.

Kortom, al met al was Marcuse slechts negen jaar – van 1933 tot 1942 – officieel aan het Frankfurter instituut verbonden (al bleef hij daarna nog informeel gelieerd: hij bleef corresponderen met Horkheimer en Adorno en voerde in de jaren ‘60 en ‘70 meerdere publieke debatten met Habermas). In die relatief korte periode van negen jaar leverde hij echter met een handvol belangrijke essays in het Zeitschrift für Sozialforschung – het officiële tijdschrift van het instituut – en met één baanbrekend boek – Reason and Revolution: Hegel and the Rise of Social Theory (1941) – een substantiële bijdrage aan de vorming van de Kritische Theorie, waar de Frankfurter Schule bekend om is geworden.

Literatuur

Marcuse, H. (1978), “Theory and politics: A discussion with Herbert Marcuse, Jürgen Habermas, Heinz Lubasz and Telman Spengler”, in: Telos, vol. 1978, no. 38, pp. 124-153.

Marcuse, H. (2005), Heideggerian Marxism. Edited by Richard Wolin and John Abromeit. Lincoln and London: University of Nebraska Press.