Repressieve desublimatie: de seksuele revolutie verraden
Hoewel Marcuse met Eros en cultuur (1955) was uitgegroeid tot een van de belangrijkste theoretici van de seksuele revolutie, was hij uiterst kritisch op het feitelijke verloop ervan in de jaren ‘60 en ‘70. Zoals een tijdgenoot opmerkte, “vreesde Marcuse dat hij verkeerd begrepen was als apologeet van de seksuele promiscuïteit die zo’n prominent aspect is geworden van het hedendaagse Amerikaanse leven” (Robinson 1969, 239-240). De seksualiteit was wel vrijer geworden door de toegenomen welvaart, maar de vereiste socialistische omwenteling van het kapitalisme had geenszins plaatsgevonden. De bevrijde seksualiteit bleef binnen de repressieve kaders van het kapitalisme, onderworpen aan klasse-onderdrukking en surplus-afroming.

De seksuele revolutie had volgens Marcuse moeten leiden tot een esthetische ‘erotisering’ van de hele mens, zijn hele lichaam en zijn hele relatie tot de wereld (wat in de flower power tot op zekere hoogte gebeurde). In plaats daarvan echter bleef de bevrijde seksualiteit beperk tot de genitalieën; de rest van het lichaam moest als “arbeidsmiddel” dienstbaar blijven aan de kapitalistische economie (Marcuse 2022, 70). Maar ook de bevrijde genitale seksualiteit werd gecommodificeerd en als consumptie-artikel ingeschakeld in het kapitalisme. Simpel gezegd: seks werd een verdienmodel, niet alleen in de opkomende porno-industrie, maar in de economie als geheel: “Seksuele vrijheid is in die zin in overeenstemming gebracht met profijtelijk conformisme.” (Marcuse 2022, 109)
Repressieve desublimatie is Marcuse’s term voor deze kapitalistische inkapseling van de seksuele revolutie. Enerzijds werd de seksualiteit “gedesublimeerd” in die zin dat het libido werd bevrijd van de repressieve sublimering die Freud noodzakelijk achtte voor beschaving als zodanig. Anderzijds echter bleef deze desublimatie repressief in die zin dat de bevrijde seksualiteit binnen de exploitatieve kaders van het kapitalisme bleef en daarin profijtelijk werd gemaakt.

Met zijn notie van repressieve desublimatie, kortom, voorzag Marcuse welke rol de bevrijding van het libido zou spelen in het consumptieve laat-kapitalisme, waarmee hij anticipeerde op Lacans en Zizeks analyses van het hedonistische superego. Hoewel Marcuse niet letterlijk spreekt van permissief of hedonistisch superego, kan men stellen dat repressieve desublimatie bij hem in dezelfde richting wijst: waar “desublimatie” duidt op het permissieve aspect van de seksuele bevrijding, daar duidt het “repressieve” ervan op de kapitalistisch-maatschappelijke dwang die achter deze ‘bevrijding’ schuilgaat – een dwang die door het hedonistisch superego psychisch is geïnternaliseerd.
Repressieve desublimatie is volgens Marcuse niet iets wat het consumptieve welvaartskapitalisme toevallig overkwam; het was een actieve strategie van inkapseling. Waar, zoals gezegd, het kapitalisme zelf door de technologische vervanging van menselijke arbeidskracht de voorwaarden schept voor een vermindering van libido-repressie, daar moet het kapitalisme tegelijk een oplossing vinden voor de subversieve krachten die zo vrijkomen. Anders zou het bevrijde verlangen wel eens revolutionair kunnen worden:
“In het systeem heerst immers de vrees dat de gevestigde orde van overheersing ineen zal storten. Anders gezegd: om te overleven moet de beschaving het droombeeld afweren van een wereld die werkelijk vrij zou kunnen zijn.” (Marcuse 2022, 108)
Hoe verder de technologische ontwikkeling voortschrijdt, hoe dichter het door Marx voorziene “Rijk van de Vrijheid” genaderd wordt, hoe repressiever het kapitalisme moet worden om deze revolutionaire dreiging tegen te gaan: “Juist omdat de mens de vervulling van zijn verwachtingen nooit zo dicht genaderd is, is hij er nooit zo streng van afgehouden ze te vervullen.” (Marcuse 2022, 261) Na het techno-erotisch utopisme van Eros en cultuur (1955) volgde in 1964 dan ook het veel pessimistischere boek De eendimensionale mens.
Daarin onderzoekt Marcuse hoe de enorm ontwikkelde technologie, welvaart en vrijheid ingezet worden om de subversieve potenties ervan de kop in te drukken. Repressieve desublimatie is daarin slechts één strategie; een nauw verwante strategie is die van “repressieve tolerantie” – een van Marcuse’s meest controversiële begrippen. Repressieve tolerantie is een strategie om tegengeluiden en oppositionele bewegingen onschadelijk te maken: hen wordt een mate van formele, liberale vrijheid toegestaan, die echter in praktisch opzicht totaal kansloos en ongevaarlijk is, gezien de overweldigende kracht en consensus van de heersende orde. Een schijnvrijheid dus, die de heersende orde juist bestendigt. Want: “In zo’n geval wordt de vrijheid (van ideeën, van vergadering, van meningsuiting) een instrument om onderdanigheid goed te praten.” (Marcuse 2025, 13) In zekere is repressieve desublimatie bij Marcuse de seksuele variant van deze politieke schijnvrijheid.

Het resultaat van deze inkapselingsstrategieën, aldus Marcuse, is een “eendimensionale” maatschappij waarin de mentale ruimte voor fundamentele kritiek op en alternatieven voor de bestaande orde zo goed als is verdwenen. Met dit begrip van eendimensionaliteit reflecteerde Marcuse op de opkomst van de verzorgingsstaat en het consumentisme in de naoorlogse welvaartsmaatschappijen. Het ontluikende consumentisme van de jaren ‘50 en ‘60 stelde het kapitalisme niet alleen in staat om de focus van uitbuiting te verschuiven van arbeid naar consumptie (zoals boven uiteengezet), maar ook – volgens Marcuse – om de westerse arbeidersklasse te verzoenen met het heersende en exploitatieve kapitalistisch systeem:
“Waarom zou de omverwerping van de bestaande orde van vitaal belang zijn voor mensen die in bezit zijn van [...] mooie kleren, een goed gevulde provisiekast, een TV, een auto, een huis enzovoort, allemaal binnen de bestaande orde?” (Marcuse 1965, 270)
Ook al zijn de bevredigde behoeften volgens Marcuse “valse behoeften”, gecreëerd door reclame en cultuurindustrie, toch levert hun bevrediging voldoende amusement, plezier en genot op om mensen hun ellende te doen vergeten. Het consumptief genieten leidt tot “spontane aanvaarding” van de heersende orde (Marcuse 2023, 103).
Voor Marcuse was het vrijgekomen seksuele genot van repressieve desublimatie een cruciaal onderdeel van dit pacificerende consumentistisch genieten. Repressieve desublimatie is leuk “net zoals het racen met de buitenboordmotor, het aanduwen van de gemotoriseerde grasmaaier en het gasgeven in de auto”, maar het is “bevrediging op een manier die onderwerping genereert en de rationaliteit van het protest verzwakt” (Marcuse 2023, 105). Want waarom zou je tegen het kapitalisme in opstand komen als het zo lekker is? Ondanks dat de radicale studenten van mei ‘68 met De eendimensionale mens in de hand de barricaden op gingen (soms letterlijk), hun “vrije liefde” bevorderde juist de onkritische eendimensionaliteit van het heersende bewustzijn. Dat was, kort gezegd, het tragische zelfverraad van de jaren ‘60.
Repressieve desublimatie vs. klassenstrijd
Tegenover de eendimensionale maatschappij van het consumptieve laat-kapitalisme plaatste Marcuse de oudere “tweedimensionale” maatschappij van het klassieke, op uitbuiting van arbeid gebaseerde kapitalisme. Daarin hadden arbeiders tenminste nog een pijnlijk besef van de gapende kloof tussen hoe de maatschappij feitelijk is en hoe zij zou kunnen of moeten zijn. De arbeidersopstanden en revolutionaire crises van de 19de en begin 20ste eeuw getuigden van dit kritische bewustzijn, dat volgens Marcuse alleen mogelijk was dankzij een tweedimensionale “spanning tussen het ‘is’ en het ‘zou moeten’, tussen essentie en verschijning, potentialiteit en actualiteit” (Marcuse 2023, 125). Want alleen in naam van onderdrukte maatschappelijke mogelijkheden en realistische utopische alternatieven kan een heersende orde theoretisch bekritiseerd en – door politieke actie – praktisch getransformeerd worden.
Voor Marcuse als marxist was deze kritische tweedimensionaliteit materialistisch gefundeerd in de reële tegenstelling tussen arbeidersklasse en kapitaal. In de ellende, dromen en opstanden van het 19de eeuwse proletariaat schemerde het utopisch alternatief door, het “spook van het communisme” dat volgens het Communistisch Manifest de heersende machten de stuipen op het lijf joeg.
Dat in de 20ste eeuw de westerse welvaartsmaatschappijen eendimensionaal werden, duidde volgens Marcuse dan ook op het verdwijnen van de klassenstrijd. Zo was de eendimensionale maatschappij op haar beurt materialistisch gefundeerd in het Keynesiaanse klassencompromis, de “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid” die in de naoorlogse westerse verzorgingsstaten gestalte kreeg (Marcuse 2023, 26). Hun gemeenschappelijke belang bij constante economische groei “pacificeerde” de oude klassenstrijd tussen kapitaal en proletariaat: “Een allesoverheersend belang bij het behoud en de verbetering van de institutionele status quo verenigt de vroegere tegenstanders [...].” (Marcuse 2023, 26-7)

Repressieve desublimatie is volgens Marcuse het psychisch correlaat van deze eendimensionale ‘verzoening’ van de klassenstrijd. Het vrijgekomen seksuele en consumptieve genot draagt immers bij aan de “spontane aanvaarding” oftewel libidinale omarming van het kapitalisme. Nauw samenhangend daarmee zorgt repressieve desublimatie ook voor een navenante afname van de tweedimensionale spanning ‘tussen droom en daad’, – cruciaal voor kritisch bewustzijn.
Zoals Elsschot dichtte: “tussen droom en daad / staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. Dat impliceert dat de wensdroom als apart domein uitsluitend bestaat dankzij de strenge “wetten” en “praktische bezwaren” die de verlangde daad onderdrukken. Dat is precies waar Freuds begrip van sublimatie om draait: de libidinale energie die door de maatschappij verboden en onderdrukt wordt, wordt gekanaliseerd in nuttige beschavingsarbeid en gesublimeerd in wensdromen en hogere culturele uitingen. Aldus Freud: “De sublimering van driften [...] maakt het mogelijk dat hogere psychische activiteiten – van wetenschappelijke, artistieke, ideologische aard – in het culturele leven een zo belangrijke rol spelen.” (Freud 1999, 336)
De crux daarbij is volgens Marcuse dat deze psychisch-culturele sublimeringen een subversieve herinnering houden aan de libido-repressie die aan hun bestaan ten grondslag ligt: “In tegenstelling tot het genot van aangepaste desublimatie behoudt sublimatie het bewustzijn van de verzakingen die de repressieve maatschappij aan het individu oplegt, en daarmee de behoefte aan bevrijding.” (Marcuse 2023, 105) Vandaar de inherente ambiguïteit van hogere culturele uitingen: als gesublimeerde bevredigingen blijven zij praktisch ongevaarlijk voor de heersende orde, maar getuigen zij tegelijk ook van het repressieve karakter van die orde.
Zo bevatte de moderne kunst, ondanks haar burgerlijke karakter, altijd subversieve momenten en figuren die een kritische reflectie vormden op de maatschappij waaruit ze voortkwamen, zoals de aan lagerwal geraakte kunstenaars of prostituees in de romans van de 19e eeuw (zie Lijster 2024, 101). Bovendien is esthetische schoonheid, zo zegt Marcuse in navolging van de schrijver Stendhal, “la promesse du bonheur”, de utopische belofte van geluk, van het vervulde verlangen dat in de kapitalistische maatschappij onmogelijk is.
Het repressieve karakter van desublimatie zit volgens Marcuse dan ook deels in het feit dat de seksuele driften, juist omdat zij genitaal bevredigd kunnen worden binnen het heersende systeem, niet langer omgezet hoeven te worden in gesublimeerde uitingen, die de herinnering aan repressie en het verlangen naar bevrijding levend houden. Wat Marcuse (2023, 30) de “euforie in ongeluk” noemt, dwz. het consumptieve genot en de toegenomen seksuele bevrediging binnen de eendimensionale maatschappij, verdringt de utopische visie van vervuld verlangen in de kunst en laat zo de mensen hun reële lijden in het uitbuitende kapitalisme vergeten. Waar sublimatie, kortom, cruciaal is voor de kritische tweedimensionale “spanning tussen het ‘is’ en het ‘zou moeten’,” (Marcuse 2023, 125) daar is desublimatie repressief omdat zij deze spanning wegneemt en zo de mens verzoent met de heersende orde.
De neoliberale contradictie: Enjoy/Repress!
Wat we nu echter in het rechtspopulisme zien is dat de seksuele bevrijding van de jaren ‘60 in toenemende mate wordt teruggedraaid en vervangen door een strenge conservatieve moraal. In Marcusiaanse termen: we zien een versterking van de libido-repressie en een navenante afname van de desublimatie. In die zin heeft het Freudiaanse superego een (partiële) comeback gemaakt ten koste van het Lacaniaanse superego.
Uitgaande van Marcuse’s freudo-marxisme, waarin libido-repressie een psychische reactie is op economische schaarste, zouden we dan moeten concluderen dat de economische schaarste is toegenomen. Maar is dat zo? De afgelopen decennia zijn de westerse economieën juist gestaag blijven groeien. Maar we moeten ook vaststellen dat, door de neoliberale wending van de jaren ‘80 en ‘90, deze groeiende welvaart steeds ongelijker verdeeld is tussen de bezittende en werkende klasse, ten nadele van de laatste – zoals met name Piketty met een stortvloed aan historisch-economische data heeft laten zien. Het neoliberalisme betekende, kortom, een intensivering van de kapitalistische exploitatie van de werkende klasse, voor wie de kunstmatige schaarste is toegenomen. Vanuit Marcuse gezien is het dan logisch dat óók de surplus-repressie van het libido toeneemt. We kunnen het conservatiever worden van de seksuele moraal dus freudo-marxistisch verklaren vanuit de toegenomen kapitalistische klasse-onderdrukking onder het neoliberalisme.
Zoals gezegd vormde volgens Marcuse het klassencompromis tussen arbeid en kapitaal in de naoorlogse verzorgingsstaten de economische ‘onderbouw’ van de eendimensionale maatschappij en de bijbehorende psychische structuur van repressieve desublimatie. Met de neoliberale wending echter werd dit compromis opgeblazen door de kapitalistische elites, die de relatief hoge lonen, hoge belastingdruk, lastige arbeidersrechten en lage winsten in de verzorgingsstaat allang zat waren (zie Harvey 2007, 9-19). Inmiddels is overduidelijk dat de neoliberale wending impliciet en soms expliciet een kapitalistische coup d’état was, waarin de machtspositie van de werkende klasse drastisch werd verzwakt. De markt-economie werd verder geliberaliseerd (ook de arbeidsmarkt, oftewel rechten van werkers werden afgebroken), de verzorgingsstaat werd versoberd of zelfs wegbezuinigd, de kloof tussen rijk en niet-rijk nam astronomische proporties aan, het aandeel van de werkende klasse in het BBP kelderde gestaag, en de algehele “neoliberale precariteit” in de samenleving nam toe.
Marxistisch gezegd: door de neoliberale wending is de kapitalistische exploitatie van surplus-arbeid flink toegenomen. En daardoor is, Marcusiaans gezegd, ook de surplus-repressie flink toegenomen. Door de verslechterende positie van de werkende klasse tegenover het kapitaal is de kunstmatige schaarste voor werkende klasse immers gestegen: zie de groeiende cost-of-living-crisis en de wooncrisis, die het voor veel mensen uit de werkende klasse van vooral jongeren steeds moeilijker maakt om fatsoenlijke en betaalbare woonruimte te vinden. En zoals Freud zegt: schaarste (Lebensnot) is de harde realiteit die repressie van het libido vereist, om nuttige arbeid en maatschappelijke aanpassing in de plaats te laten komen van de drang om te genieten van het leven. Maar wat is precariteit anders dan Lebensnot? Toenemende precariteit door de neoliberale wending verklaart zo de toenemende libido-repressie, die we nu zien in het conservatiever worden van de seksuele moraal.
Na de seksuele bevrijding van de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 zien we na 1990 de conservatievere seksuele moraal dan ook geleidelijk terugkeren en om zich heen grijpen. Neem bijvoorbeeld het topless zonnen dat in de jaren ‘80 en ‘90 de normaalste zaak van de wereld was, maar dat rond 2000 min of meer is verdwenen. Waarom? Vanuit Marcuse kunnen we deze ontwikkeling begrijpen als een manifestatie van de strengere libido-repressie ten gevolge van de toenemende klasse-onderdrukking onder het neoliberalisme. De terugkeer van de bikini luidde zogezegd de neoliberale intensivering van surplus-repressie in. Natuurlijk zijn dergelijke causale verbanden empirisch lastig vast te stellen, maar gezien vanuit Marcuse’s freudo-marxisme ligt deze interpretatie voor de hand. Zo bezien loopt er een rechtstreekse lijn van het verdwijnen van het topless zonnen rond 2000 naar hedendaagse fenomenen als de trad wives, de NoFap-beweging, de afnemende acceptatie van queer en trans, en het jaarlijkse gekrakeel rond de Week van de lentekriebels.
Tegelijk echter moeten we in gedachten houden dat deze neoliberale wending plaatsvond in de context van de laat-kapitalistische consumptie-maatschappij, die door de enorme welvaartsstijging in de naoorlogse verzorgingsstaten mogelijk was geworden. Door die welvaartsstijging veranderde, zoals gezegd, het accumulatieregime: de uitbuiting verschoof van westerse arbeid naar westerse consumptie en niet-westerse arbeid. Door de neoliberale wending echter werd deze systemische verandering deels teruggedraaid, in die zin dat – met de verslechterende machtspositie van de werkende klasse. Klassieke vormen van kapitalistische arbeidsexploitatie zijn daarmee in het Westen teruggekeerd (zie Standing 2011).

Wat echter níet werd teruggedraaid was de consumentistische focus van de westerse economieën, dwz. het kapitalistische belang bij het stimuleren en beheersen van consumptieve verlangens als bron van winst (wat, zoals gezegd, geïnternaliseerd werd in het door Lacan gesignaleerde hedonistische superego). Kortom, waar in de naoorlogse periode de exploitatie verschoof van westerse arbeid naar westerse consumptie (en niet-westerse arbeid), daar verschoof met de neoliberale wending de exploitatie opnieuw, maar nu naar zowel westerse consumptie als westerse arbeid. Híer ligt de sleutel tot het ‘gespleten geweten’ van het rechtspopulisme. Deze neoliberale verschuiving betekent immers dat de westerse werkende klasse aan tegengestelde eisen wordt blootgesteld: enerzijds aangespoord tot onbeperkte consumptie, anderzijds daarin juist afgeremd door het aandraaien van de neoliberale duimschroeven, waardoor het financiële vermogen tot consumptie drastisch is ingeperkt, althans voor de werkende klasse.
Geen wonder dat het hedendaagse rechtspopulisme zo’n ambivalente relatie tot genot heeft! De interne contradictie van het hedofascisme – Enjoy/Repress! – is simpelweg de psychische uitdrukking van de interne contradictie van het neoliberale kapitalisme, dat enerzijds de werkende klasse aanspoort tot onbeperkte consumptie maar tegelijk hun financiële vermogen daartoe inperkt door de toegenomen kunstmatige schaarste. En waar deze toegenomen schaarste zich als surplus-repressie manifesteert in de strengere conservatieve seksuele moraal met het bijbehorende repressieve superego, daar blijft het heersende consumentisme gebonden aan het hedonistische superego. Vandaar het rechtspopulistische ‘gespleten geweten’, waarin het Freudiaanse en Lacaniaanse superego op paradoxale wijze naast elkaar bestaan.
Het neoliberale complex: consumptie, schuld en boete
We zien deze paradoxale verstrengeling van Enjoy! en Repress! met name terug in de schuldenproblematiek, die onder het neoliberalisme explosief is toegenomen. De interne contradictie van het neoliberalisme, dwz. de spanning tussen consumentisme en toegenomen kunstmatige schaarste, werd en wordt door het systeem ‘opgelost’ door een drastische versoepeling en toename van kredietverstrekking aan consumenten (zie Lazzarato 2011; Sousa 2023).
Daardoor zijn schulden bij westerse huishoudens explosief gegroeid; in de Verenigde Staten bijvoorbeeld had rond 1960 een gemiddeld huishouden een schuld van 7,3 procent van het mediaan inkomen; in 2021 was die schuld gestegen tot maar liefst 40 procent (zie Ortegren 2021). Zo extreem als in de VS is de situatie weliswaar niet in andere westerse landen, maar ook daar zijn de consumenten-schulden de afgelopen decennia constant blijven stijgen. Zelfs de financiële crisis van 2008, die toch het gevolg was van onverantwoordelijke kredietverstrekking aan huizenkopers (“rommelhypotheken”), heeft hierin geen enkele verandering gebracht; sindsdien is de schuldenberg bij huishoudens alleen maar verder gestegen tot nieuwe recordhoogtes (zie Rotmans 2021, 47-49).

Het interessante hieraan is dat ‘schuld’ niet alleen een economische categorie is, maar ook een psychoanalytische categorie, die als zodanig schreeuwt om een freudo-marxistische benadering (zie McGowan 2025, 122, 133). Beter dan in het Engelse “debt” komt deze connectie tussen economie en psychoanalyse met name in het Nederlandse woord ‘schuld’ tot uitdrukking; schuldgevoel is een centraal aspect van het superego. Wie financiële schulden heeft, kortom, voelt zich schuldig aan het overtreden van een superego-norm.
Wat McGowan hierbij met name duidelijk maakt, is hoe het hedonistische en repressieve superego elkaar dialectisch versterken in de neoliberale schulden-problematiek: “Het kapitalistische schulden-regime voedt het bijbehorende superego; het duwt het subject dieper in de schuld om meer te kunnen genieten, terwijl het tegelijk tot schuldgevoel leidt vanwege het niet kunnen aflossen van de schuld [...].” (McGowan 2025, 134)
Schulden versterken volgens McGowan (idem, 133) de “superego-binding” met het kapitalistisch systeem, omdat het schuld-hebbende subject extra afhankelijk is van inkomen (en dus van werkgevers) om zijn schulden af te kunnen lossen, maar ook omdat dit subject zich verplicht voelt om meer te genieten van de geconsumeerde producten (‘ik heb hier schulden voor gemaakt, dus dan moet het wel fantastisch zijn’).
Enerzijds stelt krediet in staat om de toegenomen neoliberale schaarste te omzeilen, om geld uit te geven dat je eigenlijk niet hebt, om ‘lekker onverantwoord’ te genieten – buy now, pay later –; anderzijds draagt de groeiende schuld bij aan het verder aandraaien van de neoliberale duimschroeven. Enerzijds voeden schulden dus een consumentistische houding, wat tot uitdrukking komt in het Lacaniaanse superego. Anderzijds confronteren schulden het desbetreffende subject met de harde realiteit van economische schaarste, die werken en maatschappelijke aanpassing vereist ten koste van het vrije genieten, wat tot uitdrukking komt in het Freudiaanse superego. In die zin is de contradictie in het rechtspopulistische superego – Enjoy/Repress! – onlosmakelijk verbonden met de neoliberale schulden-problematiek.
Tot slot: terugkeer van de tweedimensionale mens?
Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de vooruitzichten voor linkse politiek? Op het eerste gezicht lijken die niet goed: we zien in heel de westerse wereld een gevaarlijke opmars van rechtspopulisme en zelfs rechtsextremisme, waarbij veel progressieve verworvenheden uit het verleden, zoals de seksuele bevrijding van de jaren ‘60, zwaar onder druk staan.
Daarbij moeten we echter in gedachten houden dat, hoewel Marcuse met Eros en cultuur was uitgegroeid tot een van de profeten van de seksuele revolutie, hij uiterst kritisch was op het feitelijke verloop ervan in de kapitalistische wereld. Zoals we hebben gezien was repressieve desublimatie voor Marcuse een van de peilers van de eendimensionale maatschappij, waarin elk kritisch bewustzijn gesmoord werd in een verstikkende consensus. Dat met het conservatiever worden van de seksuele moraal de strategie van repressieve desublimatie uitgespeeld lijkt te zijn, betekent dan ook dat een belangrijke peiler onder de eendimensionale maatschappij is weggeslagen. In zekere zin is dat winst voor links.
Hetzelfde zien we gebeuren met een andere peiler van de eendimensionale maatschappij, de politieke strategie van repressieve tolerantie. Die lijkt, met de opkomst van autoritair en zelfs fascistisch rechtspopulisme, omgeslagen te zijn in de tegenovergestelde strategie van intolerante repressie, waardoor o.a. het demonstratierecht steeds verder onder druk komt te staan, veel wetenschappers zich niet meer durven uit te spreken over controversiële thema’s uit angst voor intimidatie, en ‘afwijkende’ minderheden als migranten en queer- en trans-mensen te maken krijgen met regelrechte onderdrukking en geweld. Links hoeft dus niet meer bang te zijn voor inkapseling en coöptatie, eerder moeten we bang zijn voor het tegendeel: ouderwetse onderdrukking. Dat is in zoverre winst voor links dat de machtsverhoudingen duidelijker zijn geworden: de maatschappelijke repressie, die impliciet was in repressieve desublimatie en repressieve tolerantie, komt nu aan de oppervlakte als expliciete onderdrukking en naakt geweld. Dat maakt de situatie voor links gevaarlijker, maar in zekere zin ook gemakkelijker: er is een duidelijkere ‘boeman’ tegen wie geageerd kan worden.

Met het wegvallen van de repressieve desublimatie en repressieve tolerantie, kortom, lijkt de eendimensionale maatschappij verzwakt te zijn. Dat schept kansen voor links, maar ook voor extreem-rechts. De consensus van de eendimensionale maatschappij is ten onder aan het gaan in escalerende polarisatie; politieke en economische conflicten kunnen niet meer onder het ‘eendimensionale tapijt’ geveegd worden, maar komen in alle hevigheid aan de oppervlakte. In die zin kunnen we spreken van een terugkeer van de tweedimensionale mens, die weer kan dromen over utopische alternatieven voor de heersende orde, en wiens bewustzijn opnieuw in het teken staat van de kritische “spanning tussen het ‘is’ en het ‘zou moeten’, tussen essentie en verschijning, potentialiteit en actualiteit” (Marcuse 2023, 125).
Het feit dat de strategie van repressieve desublimatie uitgespeeld lijkt te zijn, draagt daar ook op een tweede manier aan bij, namelijk in die zin dat – zoals Marcuse zegt – juist de repressieve sublimatie van het libido een belangrijke bron is van subversieve fantasieën. Kortom, als het freudo-marxisme van Marcuse hout snijdt, dan moet het huidige conservatiever worden van de seksuele moraal wel leiden tot een terugkeer van utopische wensdromen. Met dat alles komt de mogelijkheid van revolutionaire verandering weer op de tafel – al is het nog maar zeer de vraag of die revolutie links of rechts zal zijn. Dat zal afhangen van het feitelijke verloop van de klassenstrijd.

Zoals gezegd was de verzoening van de klassenstrijd in de naoorlogse verzorgingsstaten volgens Marcuse de economische ‘onderbouw’ van de eendimensionale maatschappij. Met de kapitalistische machtsgreep van de neoliberale wending is die verzoening echter opgeblazen. In die zin kunnen we ook spreken van de neoliberale terugkeer van de klassenstrijd. Maar het gaat vooralsnog om een klassenstrijd die vooral vanuit de heersende klasse tegen de werkende klasse wordt gevoerd – zoals miljardair Warren Buffett in 2006 openlijk bekende: “Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” (Buffett in Stein 2006)
Voorzover de neoliberale wending ook bij de werkende klasse tot een hernieuwd klassenbewustzijn heeft geleid, blijft dit bewustzijn vooralsnog beperkt tot linkse minderheden, zoals de radicalere vakbonden, de socialistische en sociaal-democratische partijen (voorzover zij van hun flirt met het neoliberalisme bekomen zijn), en de ecologische, antiracistische en LHBTI-actiegroepen (voorzover zij niet door een eenzijdige focus op identiteitspolitiek van klassenpolitiek afgehouden worden).
De meerderheid van de werkende klasse blijft vooralsnog trouw aan het kapitalistisch systeem, daartoe verleid door de rechtspopulistische of zelfs fascistische strategie om de groeiende crises en contradicties binnen het systeem af te wentelen op zondebokken: migranten, moslims, asielzoekers, de “linkse elite” en “deep state” die uit zijn op “omvolking”, de “Great Reset”, etc. Hier zien we de funeste werking van het complotdenken, waarbij enerzijds het groeiende wantrouwen tegenover de heersende orde wordt gearticuleerd, maar dit wantrouwen gelijk onschadelijk wordt gemaakt door het aanwijzen van fictieve schuldigen als de reptilians, de links-satanistische elite of de illuminati.
In het licht van deze zorgwekkende ontwikkeling is met name het werk van de Frankfurter Schule uit de jaren ‘20 en ‘30 interessant, toen de Frankfurters hun kritische aandacht richtten op het opkomend fascisme en antisemitisme. Hun analyse, dat het fascisme ontstaat als afleidingsmanoeuvre om de crises en contradicties van het “monopoliekapitalisme” te kanaliseren en op zondebokken af te wentelen, heeft ons ook nu weer veel te zeggen. Ook nu fungeert racistische zondebok-politiek als doeltreffend middel om de echte oorzaken achter de crisis van het neoliberalisme te verdoezelen en het politieke zelfbewustzijn en de interne solidariteit van de werkende klasse te ondermijnen.
In dat licht moeten we de uitspraak van Thijs Lijster begrijpen, dat het hedofascisme draait om “de belofte van een terugkeer naar excessieve consumptie” (2025, 46). Waarom terugkeer? Dit is een vraag die Lijster zelf niet stelt; het antwoord volgt echter logisch uit het voorafgaande, namelijk de neoliberale contradictie tussen consumentisme en toegenomen precariteit. Door de neoliberale wending is het financiële vermogen tot consumptie voor de werkende klasse immers flink afgenomen. Vandaar het verlangen naar een terugkeer daarvan. Maar in plaats dat de ware oorzaak van dat ‘consumptie-tekort’ wordt aangewezen, namelijk de toegenomen kunstmatige schaarste onder het neoliberalisme, wordt door de hedofascistische zondebokpolitiek de schuld gelegd bij migranten en de ‘linkse elite’. Zo verklaart ook McGowan het succes van Trump:
“De euforie die zijn rallies teweegbrachten was die van een publiek dat aangespoord werd te genieten door de belichaming van het superego, een superego dat hen vertelde dat ze niet voldoende genoten, en dat de schuldigen voor dit falen de immigrant, de raciale ander, de nieuwsmedia of politiek correcte professoren waren.” (McGowan 2025, 136)
De taak voor links is om dit tij te keren, om klassenstrijd weer op de agenda van de werkende klasse te krijgen. Daarvoor zijn uitgesproken linkse ‘complottheorieën’ nodig, die met een uitgesproken antikapitalistische analyse inhaken op het groeiende wantrouwen tegenover de heersende orde. Duidelijk gemaakt moet worden dat het consumptie-tekort niet komt door “linkse politieke correctheid” of “profiterende migranten”, maar door de “klassenoorlog” (aldus Warren Buffett) die vanaf de jaren ‘80 en ‘90 door de kapitalistische klasse is gevoerd. Dat betekent echter niet dat links als een soort ‘linkse Trump’ populistisch moet opkomen voor de consumentistische verlangens van de massa; de “valse behoeften” van het consumentisme houden de werkende klasse immers geketend aan het kapitalisme, aldus Marcuse. Tegelijkertijd echter moet links uit alle macht het imago zien te vermijden van het belerende ‘linkse vingertje’ dat genieten verbiedt. De aantrekkingskracht van het rechtspopulisme is nu immers gelegen in de ‘hedofascistische middelvinger’ tegenover de linkse ‘protestantse ethiek’ van ascetisch consuminderen. Links moet, zoals Thijs Lijster zegt, de claim op genot terugveroveren op rechts:
“Er is geen reden waarom de verlangens en geneugten die op dit moment zo succesvol door het hedofascisme worden gemobiliseerd, niet ook voor andere politieke projecten zouden kunnen worden ingezet. Zij het in andere vorm: de vrijheid die geboden wordt door minder werk, om zonder angst verschillend te zijn, het genot dat te vinden is in gemeenschappelijkheid, gedeelde rijkdom en een schone leefomgeving.” (Lijster 2025, 49)
Dat zijn natuurlijk ontzettend belangrijke thema’s waarbij links zich als issue owner kan opwerpen, maar echt spannend is het allemaal niet. Het is zogezegd niet ‘sexy’ genoeg om het hedofascisme de loef mee af te kunnen steken. En dat geeft meteen aan waar de échte zwakke plek van het hedofascisme ligt, namelijk in de seksualiteit. Hier wreekt zich het ‘gespleten geweten’ van de hedofascist, wiens claim op genot (Enjoy!) ondermijnd wordt door zijn conservatieve afkeer van vrije seksualiteit (Repress!).
Hier wreekt zich ook de lacune in Lijsters analyse van het hedofascisme, dwz. het feit dat Lijster daarin de conservatievere seksuele moraal van het rechtspopulisme niet meeneemt. Hier ligt dé kans voor links om de claim op genot weer naar zich toe te kunnen trekken: door een hernieuwde inzet op seksuele bevrijding tegenover het oprukkende conservatisme. Hier kan links zelf een middelvinger opsteken tegenover het strenge ‘rechtse vingertje’ dat seksuele vrijheid verbiedt. Daarbij moet links nu wel de valkuilen van de seksuele bevrijding van de jaren ‘60 zien te vermijden. Het freudo-marxisme van Marcuse blijft daarbij een cruciale bron van inzichten.
Gebruikte literatuur
Aglietta, Michel. 1979. A Theory of Capitalist Regulation: The US Experience. New Left Books.
Freud, Sigmund. 1999. “Het onbehagen in de cultuur”. In Sigmund Freud: Beschouwingen over cultuur, edited by W. Oranje. Boom.
Harvey, David. 2007. A Brief History of Neoliberalism. Oxford University Press.
Jay, Martin. 1973. The Dialectical Imagination: A History of the Frankfurt School en de Institute of Social Research 1923-1950. Little, Brown and Company.
Lacan, Jacques. 1999. On Feminine Sexuality: The Limits of Love and Knowledge, 1972-1973. W.W. Norton & Company.
Lazzarato, Mauritio. 2011. The Making of Indebted Man. Semiotext(e).
Lijster, Thijs. 2024. Frankfurter Schule. Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Lijster, Thijs. 2025. “Hedofascisme: Ideologie van het ongebreidelde verlangen.” De Groene Amsterdammer, 149 (21): 46-49.
Marcuse, Herbert. 1965. “Perspektiven des Sozialismus in der entwickelten Industriegesellschaft.” Praxis 1 (23): 260-70.
Marcuse, Herbert. 2022. Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud. Erven J. Bijleveld.
Marcuse, Herbert. (2023). De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Marcuse, Herbert. 2025. “Repressieve tolerantie.” In Herbert Marcuse: Zes actuele essays, edited by A. Glaudemans. Bunbury Books.
McGowan, Todd. 2025. Pure Excess: Capitalism and the Commodity. Columbia University Press.
Ortegren, Francesca. 2021. “An Unsettling Look into the History of Credit and Financial Literacy in America”, https://listwithclever.com/research/history-debt-to-income-ratio/
Robinson, Paul A. 1969. The Freudian Left: Wilhelm Reich, Geza Roheim, Herbert Marcuse. Harper & Row.
Rotmans, Jan. 2021. Omarm de chaos. De Geus.
Sousa, Michael D. 2023. “Consumer Bankruptcy in the Neoliberal State”, in: Emory Bankruptcy Developments Journal, volume 39, issue 2, pp. 199-283.
Standing, Guy. 2011. The Precariat: The New Dangerous Class. Bloomsbury.
Stein, Ben. 2006. “In Class Warfare, Guess Which Class is Winning.” The New York Times, November 26. https://www.nytimes.com/2006/11/26/business/yourmoney/26every.html
Taylor, Astra. 2005 “Žižek!” Documentaire uitgebracht door Zeitgeist Films. De geciteerde uitspraak van Zizek volgt na 42 minuten. https://www.youtube.com/watch?v=HTRYtuMxEKg