Showing posts with label Waarom bestaat er iets en niet niets?. Show all posts
Showing posts with label Waarom bestaat er iets en niet niets?. Show all posts

Iets uit niets? Het geval Hegel

 

In een eerdere post heb ik een pleidooi gehouden voor het idee van circulaire verklaring als enig mogelijke antwoord op de beroemde vraag van Leibniz: “Waarom is er iets niet niets?” De totaliteit van het zijnde moet “causa sui” zijn, aangezien de oorzaak van die totaliteit zelf ook ‘iets’ moet zijn, een zijnde, en dus onderdeel van de totaliteit. De oorzaak van de totaliteit kan alleen in de totaliteit liggen, die in die zin zelfveroorzakend moet zijn.


Maar is dat wel zo? Moet de oorzaak van het zijnde zelf ook een zijnde zijn? Ja, zegt de westerse filosofisch-wetenschappelijke traditie, want ex nihilo nihil fit, uit niets kan niets ontstaan. “From nothing to being there is no logical bridge”, aldus William James (1979: 27). Dat lijkt volkomen vanzelfsprekend (en dat is het ook, zoals we zullen zien). Toch denken aardig wat filosofen en – verbazingwekkend genoeg – ook aardig wat wetenschappers daar anders over. Zij zien, contra James, wel een ‘logische brug’ van niets naar het zijn gaan. Deze iets-uit-niets-theorieën, in diverse variaties, blijken verrassend populair. Als ook maar één van deze theorieën steekhoudend is, hebben we het idee van zelfveroorzaking niet nodig om Leibniz’ vraag te beantwoorden, want dan hebben we aan ‘niets’ genoeg.


Bij nader inzien berusten de iets-uit-niets-theorieën echter altijd op smokkelwaar: het ‘niets’ waaruit ‘alles’ zou volgen, blijkt altijd een verborgen ‘iets’ te herbergen, iets specifieks, dat min of meer in het geheim voorondersteld wordt om het echte werk te doen in de vermeende overgang van niets naar iets. En dat is ook logisch, want als er niet iets verondersteld wordt, iets dat ten grondslag ligt aan de “logische brug” van niets naar iets, dan blijft deze overgang pure willekeur, een magische ‘hiccup from the void’, zonder enige verklarende waarde. Zo gaat elke iets-uit-niets-theorie noodzakelijk uit van haar eigen verzwegen vooronderstelling van iets, zij het God, de dialectiek van het denken, de lege verzameling en de axioma’s van de verzamelingentheorie, of de ‘lege’ ruimte en/of de wetten van de kwantummechanica. Inderdaad, als je een van deze dingen veronderstelt, dan kun je misschien beredeneren waarom ‘iets’ uit ‘niets’ zou volgen – maar dan ga je niet meer uit van helemaal niets. Dan ga je uit van een welbepaald iets, een ‘eerste zijnde’ in een of andere vorm, waaruit (de rest van) de realiteit-als-geheel zou volgen. Dan blijft Leibniz’ vraag dus onbeantwoord. Want waarom bestaat dat eerste zijnde dan? Het enige dat iets-uit-niets-theorieën aantonen, kortom, is dat inderdaad geldt: Ex nihilo nihil fit.

De dialectische iets-uit-niets-theorie van Hegel
In deze post wil ik dit in wat meer detail laten zien aan de hand van één van de bekendste (en beruchtste) iets-uit-niets-theorieën uit de moderne westerse filosofie, namelijk Hegels dialectische opvatting van het zijn in de Wissenschaft der Logik (1812-1816). Daarin wordt, althans volgens Hegel zelf, niets minder dan de categoriale structuur van de realiteit-als-geheel op dialectische wijze afgeleid uit een volstrekt onbepaald begin, het eigenschapsloze “pure zijn”, dat als zodanig gelijk is aan het “pure niets”. Hegel relateert dit niet expliciet aan Leibniz’ vraag “Waarom is er iets en niet niets?”, maar hij lijkt impliciet wel te suggereren dat het onbepaalde begin van zijn Logik de vraag van Leibniz beantwoordt: “As yet there is nothing and there is to be something. The beginning is not pure nothing, but a nothing from which something is to proceed” (Hegel 1969: 73).


We kunnen Hegels positie in relatie tot Leibniz’ vraag als volgt begrijpen: als we willen verklaren waarom er überhaupt iets bestaat, dan mogen we niet uitgaan van iets specifieks als oorzaak, want dan veronderstellen we al wat we willen verklaren. We kunnen dus niet anders dan uitgaan van niets en kijken of daar iets uit afgeleid kan worden. Het begin, dat aan alles voorafgaat, kan zelf nog niets zijn en is in die zin absoluut onbepaald. Maar dit niets, waarmee alles begint, is niet zomaar niets – de loutere afwezigheid van alles –, het is tegelijk de oorsprong van alles. Het eerste principe van de filosofie, zegt Hegel, “expresses a beginning, but not so much a subjective as an objective one, the beginning of everything” (idem: 67). Daarom moet “het pure niets” hetzelfde zijn als “het pure zijn” dat aan alles ten grondslag ligt: therefore being, too, is already contained in the beginning” (idem: 73). Omgekeerd is dit “pure zijn”, omdat het nog geen bepaald zijnde is, volstrekt leeg en in die zin gelijk aan niets. Het begin van alles, kortom, is niets dat zijn is, en zijn dat niets is: “The beginning, therefore, contains both, being and nothing, is the unity of being and nothing; or is non-being which is at the same time being, and being which is at the same time non-being.” (Idem: 73)


Door uit te gaan van de onbepaalde “eenheid van zijn en niets” denkt Hegel “the beginning of everything” te kunnen verklaren. Daarin ligt, zoals meerdere Hegel-exegeten opmerken, zijn relevantie voor het denken over Leibniz’ vraag. Hegels eenheid van zijn en niets is “something that is ultimately fundamental, something which rests on nothing, something which could be that on which everything else rests” (Winfield 2012: 4). Zoals een andere commentator schrijft: “The nice feature of Hegel’s indeterminate beginning is that there is obviously no need to account for its determinations: no need to explain why it exists in the way that it does, for it does not exist in any particular way. It is just Being. Lacking determination, it is Nothing. That Being is Nothing seems to obviate the need to seek a higher cause.” (Halper 2011: 182)


Dialectiek: These, Antithese, Synthese

Hoe denkt Hegel de categoriale structuur van de realiteit-als-geheel af te kunnen leiden uit dit onbepaalde begin, de eigenschapsloze eenheid van zijn en niets? Hoe kan überhaupt iets uit niets volgen? Dit, zoals men in het Engels zegt, is where the plot thickens. Hier komt Hegels beruchte dialectiek – vaak samengevat met de formule these-antithese-synthese – om de hoek kijken, als de ‘logische motor’ die het hele afleidingsproces aandrijft. Het “begin van alles” wordt volgens Hegel in beweging gezet door het dialectische feit dat de onbepaalde eenheid van zijn en niets allerminst een statische eenheid of een absolute leegte is, maar een “unstable unrest” (Hegel 1969: 106), waarin “zijn” en “niets” onophoudelijk stuivertje wisselen en zo een geheel nieuwe ontologische categorie opleveren: het worden


Hegels punt is dat zijn en niets enerzijds absoluut hetzelfde zijn, maar tegelijk ook absoluut verschillend en zelfs tegengesteld: het zijn immers is, het is bestaan bij uitstek, terwijl het niets juist niet is, het niet-bestaande bij uitstek. Hier herhaalt Hegel het Eleatische principe van Parmenides: “only being is, and nothing absolutely is not” (idem: 83). De één is de negatie van de ander. Hun eenheid is een dialectische eenheid van tegengestelden: “non-being which is at the same time being, and being which is at the same time non-being” (idem: 73). Zo gaat het zijn constant over in niet-zijn en het niet-zijn in zijn: “each immediately vanishes in its opposite” (idem: 82-83). Maar, zegt Hegel, dat constante proces van ontstaan en vergaan is precies de essentie van worden. Het worden, kortom, is de synthese van zijn (these) en niets (antithese), de tegenstelling-in-eenheid waarmee alles begint: “Their truth is, therefore, this movement of the immediate vanishing of the one in the other: becoming, a movement in which both are distinguished, but by a difference which has equally immediately resolved itself.” (Ibidem)    

In de rest van de Wissenschaft der Logik laat Hegel zien hoe dit dialectische proces vanuit de categorie van het worden verder gaat en een hele rits aan categorieën voortbrengt, zoals kwaliteit, kwantiteit, wezen en verschijning, oorzaak en gevolg, mechanica, chemie, leven en uiteindelijk bewustzijn. Vanuit een volstrekt onbepaalde begin weet Hegel zo, via een fascinerende dialectische tour de force, de ontologische basisstructuur van de gehele werkelijkheid te ontwikkelen. In de verdere details van dit dialectische afleidingsproces zijn we nu niet geïnteresseerd; wat dat betreft kunnen we volstaan met Russells gevleugelde opmerking over Hegels Wissenschaft der Logik, namelijk dat “the worse your logic, the more interesting the consequences to which it gives rise” (Russell 2005: 674). Het gaat ons uitsluitend om het begin van dit proces, het pure niets / zijn, waaruit Hegel claimt de realiteit-als-geheel af te leiden. Is Hegel daarin geslaagd? Of is ook zijn dialectische iets-uit-niets-theorie een voorbeeld van filosofische smokkel, waarbij “het niets” als een Trojaans paard iets heel specifieks herbergt (en verbergt), iets dat het echte werk doet in de afleiding van de realiteit-als-geheel?


Het denken: Hegels geheime wapen

Bij nader inzien moeten we concluderen dat dit inderdaad het geval is: wat Hegel naar binnen smokkelt met de eerste categorie van “het pure niets / zijn” is het denken als zodanig. Net als Kant, op wie hij verder borduurt, gaat het Hegel om categorieën, dwz. de meest fundamentele “Denkbestimmungen”, de basisbegrippen waarmee het denken denkt en kent. Hegels “pure niets / zijn” is simpelweg de eerste categorie waarmee het denken moet beginnen. Het objectieve “begin van alles” (Hegel 1969: 67) is geen ontologisch maar een logisch begin: “The beginning is logical in that it is to be made in the element of thought that is free and for itself, in pure knowing.” (Idem: 68) Het dialectische proces waarin het pure niets / zijn zichzelf “opheft” in worden, kwaliteit, kwantiteit, causaliteit enzovoort, is bedoeld als een logisch denkproces, dat alleen iets over de werkelijkheid zegt als we aannemen dat denken en werkelijkheid samenvallen. 


En dat is precies wat Hegel aanneemt, wiens absoluut-idealistische filosofie daarom ook wel “panlogisme” wordt genoemd, waarbij de gehele werkelijkheid wordt opgelost in een dialectisch spel van logische Denkbestimmungen of – in minder flatteuze bewoording – “some spectral woof of impalpable abstractions, or unearthly ballet of bloodless categories” (Bradley 1883: 533). Het dialectische denkproces dat Hegel in de Wissenschaft der Logik uiteenzet, is niets anders dan het denkproces van de “Absolute Geest” zelf, die zo de realiteit-als-geheel uit zichzelf ontwikkelt. Zo kan Hegel zijn Wissenschaft der Logik omschrijven als “the exposition of God as he is in his eternal essence” (Hegel 1969: 50). De Wissenschaft der Logik beschrijft het denkproces van de wereld-scheppende God, idealistisch opgevat als het Absolute Subject.


Dat Hegel daarbij meent uit te moeten gaan van een volstrekt onbepaald begin, het pure niets / zijn, heeft niet zozeer te maken met Leibniz’ vraag als wel met de grondslagen-discussie in de Duitse filosofie na Kant, een periode die bekend staat als de “Grundsatzkritik” (zie Beiser 2005: 24-25). Diverse filosofen, zoals Reinhold en Fichte, hadden geprobeerd om Kants transcendentale idealisme te baseren op zelf-evidente eerste principes, wat tot een breed debat leidde over de vraag of het denken überhaupt op eerste principes gefundeerd kan worden. Kan immers niet elk vermeend eerste principe zelf ook weer betwijfeld worden? Komen we dan niet terecht in een regressie van principes? Het is in reactie op dit debat dat Hegel in de Wissenschaft der Logik stelt dat het denken, zelfs het goddelijke denken, uit moet gaan van de onbepaalde eenheid van zijn en niets. 


De lege gedachte: ‘het pure zijn’

Om precies te zijn: in het verlengde van het Cartesiaanse cogito betoogt Hegel dat het denken alleen maar uit kan gaan van zichzelf, het denken of kennen als zodanig, waarin nog niets specifieks gedacht of gekend wordt. Er is dan niets anders gegeven dan de pure vorm van het denken zelf, pure kennis zonder inhoud, wat voor Hegel precies de categorie van het eigenschapsloze zijn / niets is. Zoals Alan White uitlegt: “As of the beginning, pure thinking has no determinate content, it is simply “there” or as, as Hegel puts it, “only simple immediacy is present”. Since thought, if it is to remain pure, must think only itself, it must first think this “immediacy”. This original content of pure thought must be characterized in such a way that no implicit articulation is presupposed; if there were such articulation, the beginning would not be a true beginning. [...] The only term that is sufficiently empty to serve as the beginning point is “pure Being” [...].” (White 1983: 35)


De onbepaalde eenheid van zijn en niets, waarmee de Wissenschaft der Logik begint, is dus een logisch-epistemologisch begin, de lege vorm van het kennen als zodanig. Aldus Hegel: “This pure being is the unity into which pure knowing withdraws. [...] There is nothing to be intuited in it, if one can speak here of intuiting; or, it is only this pure intuiting itself. Just as little is anything to be thought in it, or it is equally only this empty thinking.” (Hegel 1969: 72, 82) Hegels “niets” is dus geen absoluut niets, de totale afwezigheid van alles – het is integendeel het (lege) denken als zodanig, waarmee het denkproces van de Absolute Geest aanvangt. In de Wissenschaft der Logik wordt de categoriale structuur van de realiteit-als-geheel niet zozeer afgeleid uit het pure niets / zijn als wel uit het denken als zodanig. 


De dialectische tegenstelling van “zijn” en “niets” is dus geen ontologische tegenstelling, geen in zichzelf tegenstrijdige ‘nul-toestand’ van de werkelijkheid zelf, uit de dialectische dynamiek waarvan vervolgens het worden evolueert en daarna de ontologische structuur van de overige realiteit. De zijn-niets-tegenstelling is primair een contradictie in het denken zelf, waarvan de allereerste gedachte – het eerste principe – nog ‘niets’ te denken heeft, maar wel al een object nodig heeft om überhaupt een gedachte te kunnen zijn. Het is uit deze ‘oer-contradictie’ van het pure denken dat, volgens Hegel, de categoriale structuur van de gehele werkelijkheid dialectisch volgt. Maar waarom bestaat het denken dan?


Hegels Achilleshiel: Waarom bestaat denken? Deze vraag laat Hegel opvallend genoeg onbeantwoord. Als Hegel zegt: “The beginning is logical in that it is to be made in the element of thought” (idem: 68), dan is de “element of thought” blijkbaar een voorondersteld gegeven, iets dat paradoxaal genoeg aan “het begin van alles” voorafgaat. Zoals Alan White zegt over het denken waarvan Hegel uitgaat: “it is simply “there”” (White 1983: 35) Met een dialectische tour de force probeert Hegel de logische structuur van de realiteit-als-geheel af te leiden uit deze pure vorm van het denken, waarin (nog) niets specifieks gedacht wordt. Maar de oorsprong van het denken zelf blijft in nevelen gehuld. Voor Hegel geldt blijkbaar: het denken is de oorsprong van alles en kan daarom zelf geen oorsprong hebben. Maar dat is pure willekeur: waarom zouden we het denken als ontologisch uitgangspunt moeten nemen? Zo bezien slaagt Hegels dialectische iets-uit-niets-theorie er nadrukkelijk niet in om Leibniz’ vraag te beantwoorden. Zoals één commentator treffend opmerkt: “On the one hand, the scope and power of [Hegel’s] idealism is truly impressive. On the other, the recognition that his entire philosophy is a determination of thought raises exactly the sort of question that the traditional ultimate cause is supposed to resolve: why is there any thought at all?” (Halper 2011: 183) In volgende posts ga ik in op andere bekende iets-uit-niets-theorieën, zoals Heideggers fenomenologische ontologie van het “nietsende Zijn, de verzamelingstheoretische ontologie (o.a. van Badiou) waarin de gehele mathematische werkelijkheid wordt afgeleid uit het 'niets' van de lege verzameling, en de natuurkundige theorieën over het 'kwantum-niets'. In alle gevallen blijkt dat achter het zogenoemde “niets iets heel specifieks schuilgaat.


Gebruikte literatuur

– Beiser, Frederick (2005), Hegel. New York and London: Routledge.

– Bradley, F.H. (1883), The Principles of Logic. London: Kegan Paul, Trench, & Co.

– Halper, Edward C. (2011), “The Ultimate Why Question: The Hegelian Option”, in: John F. Wippel (ed.) (2011), The Ultimate Why Question: Why Is There Anything at All Rather than Nothing Whatsoever? Washington, D.C.: The Catholic University of America Press, pp. 170-188.

– Hegel, G.W.F. (1969), Science of Logic. London: George Allen & Unwin.

– James, William (1979), Some Problems of Philosophy. Cambridge, MA: Harvard University Press.

– Russell, Bertrand (2005), History of Western Philosophy. London and New York: Routledge.

– White, Alan (1983), Absolute Knowledge: Hegel and the Problem of Metaphysics. Athens, Ohio: Ohio University Press.

– Winfield, Richard Dien (2012), Hegel’s Science of Logic: A Critical Rethinking in Thirty Lectures. Lanham: Rowman & Littlefield Publishers.




Zelfrealisatie in de traditie van het absoluut idealisme

De filosofische traditie van het absoluut idealisme is van oudsher nauw verbonden met de strategie van circulaire verklaring, vanwege twee samenhangende redenen. Ten eerste vanwege de kenmerkende holistische / monistische tendens van deze traditie, waarin de realiteit altijd – in meer of mindere mate – begrepen wordt als één alomvattend en integraal geheel, waar niets buiten valt en dat daarom ook z’n eigen oorzaak of bestaansgrond moet bevatten. De realiteit-als-geheel wordt door niets anders begrensd en is in die zin “het Oneindige” dat alleen vanuit zichzelf begrepen kan worden. Deze visie op de realiteit als een zelf-funderend of zelf-voortbrengend geheel is nauw verbonden met de notie van “het Absolute” die in het absoluut-idealistische denken centraal staat: het Absolute is dan ofwel het geheel zelf ofwel het meest fundamentele, zelf-verklarende aspect ervan. De tweede reden waarom het absoluut idealisme relevant is voor de strategie van circulaire verklaring heeft te maken met hoe het Absolute in deze traditie precies begrepen wordt, namelijk in termen van (absoluut) zelfbewustzijn, c.q. zelf-waarneming of zelf-referentieel denken. De typische circulariteit van zelfbewustzijn wordt daarbij gezien als dé sleutel tot de circulaire verklaring die nodig is om Leibniz’ vraag te kunnen beantwoorden. Fichte’s notoire principe van de Selbst-Setzung (“zelf-ponering”) van het Ik (waarbij het “Absolute Ego” zichzelf voortbrengt via het onmiddellijke bewustzijn dat het van zichzelf heeft) is de meest bekende en ook de meest uitgewerkte versie van deze absoluut-idealistische strategie. We zullen echter zien dat nauw verwante ideeën ook door andere absoluut-idealistische denkers naar voren zijn gebracht, zeker als we het absoluut idealisme breder nemen dan gewoonlijk en daaronder niet alleen het Duits en Brits idealisme verstaan maar ook het oudere neo-Platonisme van Plotinus en de nog oudere Indiase vedanta-filosofie. Hoewel deze tradities geografisch en historisch ver uit elkaar liggen, worden zij allen gekenmerkt door een holistisch-monistische focus op de realiteit als één integraal geheel en een idealistische focus op absoluut zelfbewustzijn als de eerste “zelfveroorzakende” oorzaak van dat geheel. In die zin kunnen al deze tradities omschreven worden als vormen van absoluut idealisme, waarbij bovendien een zekere mate van historische continuïteit zeer aannemelijk is.

Zo is van Plotinus bekend dat hij in 243 na Christus meereisde met de militaire expeditie van de Romeinse keizer Gordianus III naar Perzië, in de hoop daar over Indiase filosofie te leren (aldus zijn biograaf Porphyrius). Hoogstwaarschijnlijk heeft Plotinus daarbij de vedanta op het oog gehad, gezien de vaak opgemerkte en bediscussieerde parallellen tussen zijn neo-Platonisme en de vedische filosofie van de Upanishads (zie bijvoorbeeld Bréhier 1958: hfst. 6). Aangezien Plotinus op zijn beurt een belangrijke invloed was op de Duitse idealisten (met name Novalis en Schelling), betekent dit dat er een weliswaar moeilijk te onderscheiden maar niettemin ononderbroken ontwikkelingslijn loopt van de Upanishads naar het Duits en Brits idealisme. Het verbaast dan ook niet dat een Brits-Indiase filosoof als Sarvepalli Radhakrishnan (president van India van 1962 tot ‘67) zich als een vis in het water thuisvoelde in het Brits idealisme en vrijelijk de vedanta combineerde met zowel het neo-Platonisme als het moderne idealisme van Hegel en Bradley (zie bijvoorbeeld Radhakrishnans substantiële inleiding bij zijn Engelse vertaling van de Upanishads; zie Radhakrishnan 1953). Kortom, al met al is het slechts een kleine stap van Hegels bekende uitspraak dat “het Geheel” niet alleen “als Substantie, maar evenzeer als Subject” begrepen moet worden (Hegel 2013: 19-20) naar de ruim 2.500 jaar oudere mahavakya’s (“grote uitspraken”) van de Upanishads, zoals “Brahman is het Geheel” en “Brahman is Atman (het Zelf)” (bijvoorbeeld in de Mandukya Upanishad: deel I, vers 2). De treffende overeenkomst tussen deze uitspraken is niet (alleen) het resultaat van een gelukkige ‘convergente evolutie’ van verschillende filosofische tradities, maar dus ook het gevolg van een daadwerkelijke historische ontwikkelingslijn die van de Upanishads, via Plotinus, naar het Duits idealisme loopt. Zo bezien kan het absoluut idealisme inderdaad omschreven worden als een philosophia perennis, een eeuwigdurende filosofie (zie bijvoorbeeld Huxley 1947). Als we deze gehele absoluut-idealistische traditie, van het oude India tot en met het moderne Westen, in één term willen samenvatten, dan is er geen geschiktere kandidaat te bedenken dan Zelf-realisatie. Deze term heeft een prettige meerduidigheid, die perfect aansluit bij de drie hoofdideeën van het absoluut-idealistische denken. Ten eerste is er de betekenis van zichzelf tot realiteit verheffen (zelfrealisatie als zelfverwerkelijking), wat aansluit bij het monistisch-holistische idee dat de realiteit als alomvattend geheel niets buiten zich heeft en dus ook z’n eigen oorzaak of bestaansgrond moet bevatten. Het Absolute is in die zin het zichzelf realiserende (zelfverwerkelijkende) aspect van de realiteit-als-geheel. Zelfrealisatie in deze betekenis is de circulaire verklaring die nodig is om Leibniz’ vraag te kunnen beantwoorden. 

Ten tweede heeft “zelfrealisatie” ook de betekenis van zelfbewustwording (“zich iets realiseren” betekent immers “zich van iets bewust worden”), wat aansluit bij de idealistische invulling van het Absolute in termen van zelfbewustzijn: het Absolute Ik bestaat omdat – zoals Fichte zegt – het zijn eigen bestaan “poneert”, in die zin dat het zichzelf waarneemt, kent, denkt, kortom, van zichzelf bewust is. Typisch voor het absoluut idealisme is dat het deze twee betekenissen van zelfrealisatie samenneemt: de realiteit-als-geheel realiseert zichzelf, dwz. verheft zich tot realiteit, door zich te realiseren, dwz. door van zichzelf bewust te zijn of te worden. 

Ten slotte heeft “zelfrealisatie” (“sva-avabodha” in het Sanskriet) ook nog een derde betekenis, die vooral in de Indiase filosofie gangbaar is, namelijk de mystieke en soteriologische betekenis van de uiteindelijke verlichting en bevrijding van samsara (moksha, nirvana). Hier valt het absolute aspect van zelfrealisatie, dwz. de zelfverwerkelijking van het geheel door zelfbewustzijn, samen met het individuele aspect ervan, waarbij de mens van zichzelf bewust wordt als zijnde ten diepste één met het Absolute en zodoende bevrijd wordt van het samsarische lijden dat inherent is aan het sterfelijke bestaan van het eindige individu. Het Absolute Zelf (Atman) wordt dan gezien als de meest eigenlijke kern van het individuele zelf, zoals uitgedrukt in de bekende mahavakya “Tat tvam asi” (“Dat ben jij”, namelijk het Absolute) uit de Chandogya Upanishad. Op dat ultieme moment van unio mystica valt de zelfrealisatie van het individu samen met de Zelfrealisatie van het Absolute, in alle drie de betekenissen van die term. De Brihadaranyaka Upanishad bijvoorbeeld drukt dit als volgt prachtig uit: “In den beginne was dit alles Brahman. Het kende alleen zichzelf: ‘Ik ben Brahman’. Daardoor werd het alles. [...] Zo is het ook nu. Wie tot het besef komt ‘Ik ben Brahman’, wordt alles.” (Hfst. 5, vers 10) Kortom, niet alleen het individu wordt het geheel (“alles”) als hij zijn eenheid met Brahman beseft, ook Brahman zelf wordt pas zichzelf (dwz. het geheel) door te beseffen “Ik ben Brahman”. Alle drie de betekenissen van “zelfrealisatie” (zelfverwerkelijking, zelfbewustwording en verlichting) worden hier dus samengenomen. 

Deze derde betekenis van “zelfrealisatie” als bevrijdende Verlichting speelt overigens nauwelijks een rol in het Duits en Brits idealisme (met uitzondering wellicht van de meer mystiek ingestelde Schelling en Bradley), maar resoneert wel duidelijk met de mystieke soteriologie van Plotinus, volgens wie het individu zichzelf dient te “vergoddelijken” door het ene in zichzelf te verenigen met hét Ene. Door de grote invloed van Plotinus is deze mystieke soteriologie van de unio mystica terechtgekomen in de Christelijke mystiek, met name bij Meister Eckhart. Gebruikte literatuur - Bréhier, E. (1958), The Philosophy of Plotinus. Chicago: The University of Chicago Press. - Hegel, G.W.F. (2013), Fenomenologie van de Geest. Amsterdam: Boom. - Huxley, A. (1947), The Perennial Philosophy. London: Chatto & Windus. - Radhakrishnan, S. (1953), The Principal Upanishads. London: George Allen & Unwin. - Van de Laar, W. (2015), De Upanishads. Hilversum: Uitgeverij Nachtwind.