Showing posts with label eendimensionale maatschappij. Show all posts
Showing posts with label eendimensionale maatschappij. Show all posts

Marcuse en de ambiguïteit van het neoliberalisme


Helaas heeft Marcuse de politiek-economische betekenis van de neoliberale wending nooit kunnen analyseren: hij overleed in 1979, het jaar waarin Thatcher – de iron lady van het neoliberalisme – premier werd, dus net te vroeg om de neoliberale wending mee te maken. Het is een interessante en niet zo gemakkelijk te beantwoorden vraag hoe Marcuse over het neoliberalisme geoordeeld zou hebben. Zou hij de terugkeer van klassenstrijd in de neoliberale wending geduid hebben als de bijl aan de wortel van de eendimensionale maatschappij? Of zou hij het neoliberalisme juist gezien hebben als ultieme consequentie en bevestiging van de eendimensionale maatschappij? Dat laatste ligt voor hand voorzover het neoliberalisme gepresenteerd werd als het definitieve einde van klassenstrijd en van het socialistische alternatief. Met Thatchers beruchte TINA-uitspraak uit 1980 – “There is no alternative”, dé mantra van het neoliberalisme – werd immers de eendimensionaliteit van het heersende bewustzijn min of meer tot officieel beleid uitgeroepen.


Van Keynesiaanse naar neoliberale consensus
Voor Marcuse was het klassencompromis van de Keynesiaanse verzorgingsstaat de economische basis van de eendimensionale maatschappij. Het was deze “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid binnen de sterke staat” waardoor kapitalisten, werknemers en bestuurders een gedeeld belang hadden bij het bevorderen van de status quo van de welvaartsmaatschappij (Marcuse 2023: 26). In zekere zin culmineerde deze verstandhouding in het neoliberalisme, zeker na de ineenstorting van het Sovjet-communisme rond 1990 toen de ideologische fundamenten van socialistisch links definitief leken weg te vallen.


Het brede gevoelen in het Westen was dat het politiek-economisch systeem van liberale democratie en kapitalisme de strijd der ideologieën had gewonnen en met de globalisering een post-historisch ‘Duizendjarig Rijk’ van vrede, vrijheid en welvaart voor iedereen zou brengen. Fukuyama sprak in die zin triomfantelijk van het “Einde van de Geschiedenis”. Tekenend voor de neoliberale consensus was dat ook (gematigd) links meeging in dit “post-ideologische” narratief, met name de Amerikaanse Democraten onder Clinton en het Britse Labour onder Blair. De sociaal-democratie “schudde de ideologische veren af”, zoals PvdA-leider Wim Kok destijds zei, en omarmde het neoliberale kapitalisme als the only game in town. Daarmee leek de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal voorbij: wat goed was voor het kapitaal, was ook goed voor de werkende klasse. En in de jaren ‘90 leek dat aanvankelijk ook zo. Het exuberante consumentisme van de roaring nineties – toen de neoliberale bomen tot de hemel leken te groeien (zie Stiglitz 2003) – was de ultieme bevestiging van Marcuse’s angst dat “welvaartsbeneveling” elk kritisch bewustzijn kan verdoven (Marcuse 2022: 17). 


Maar na het feestje kwam de kater. Zoals bekend impliceerde de neoliberale wending in menig opzicht een terugkeer van klassenstrijd, in die zin dat de relatieve machtspositie van de werkende klasse drastisch verslechterde ten faveure van het kapitaal (wat we bijvoorbeeld terugzien in de al decennia dalende arbeidsinkomensquote, dwz. het aandeel van de werkende klasse in het BBP; zie Kuin & Linssen 2025: 25-27). Daarmee zijn ook klassieke vormen van kapitalistische arbeidsexploitatie in het Westen teruggekeerd (zie Standing 2011). Het neoliberale narratief van het “einde van de klassenstrijd” vanwege het “gedeeld belang” van arbeid en kapitaal bleek de perfecte ideologische smoes waaronder kapitalistische elites hun eigen klassenstrijd konden voeren, tegen de collectieve belangen van de werkende klasse, die daardoor in toenemende mate met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Zoals miljardair Warren Buffett in 2006 openlijk bekende: “Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” (Buffett in Stein 2006)


Deze verslechterende sociaal-economische positie van de werkende klasse heeft – zeker vanaf de bankencrisis van 2008 – geleid tot groeiende onvrede en politieke polarisatie in westerse maatschappijen. Voorzover echter de neoliberale wending ook bij de werkende klasse tot een hernieuwd klasse-bewustzijn heeft geleid, blijft dit bewustzijn vooralsnog beperkt tot linkse minderheden, zoals de vakbonden, de socialistische en sociaal-democratische partijen (voorzover zijn inmiddels van hun flirt met het neoliberalisme bekomen zijn), en de ecologische, feministische en antiracistische actiegroepen (voorzover zij niet door een eenzijdige focus op identiteitspolitiek van klassenpolitiek afgehouden worden). De meerderheid van de werkende klasse lijkt echter vooralsnog trouw te blijven aan het heersende systeem, verleid door de rechtspopulistische of zelfs fascistische strategie om de groeiende crises en contradicties binnen het systeem af te wentelen op zondebokken zoals migranten en de ‘linkse elite’. Maar deze opkomst van radicaal-rechts getuigt op haar manier ook van de groeiende dissensus in westerse maatschappijen ten gevolge van de neoliberale wending (zie Virdee 2024). 


Al met al kunnen we concluderen dat de latente klassenstrijd, die altijd onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij is blijven smeulen (zie onder), door de neoliberale wending aan de oppervlakte is gekomen. Klassenstrijd is daarmee opnieuw een centrale bron van kritische tweedimensionaliteit geworden, zodanig dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij nu in groeiende polarisatie ten onder gaat. In die zin kunnen we inderdaad spreken van de neoliberale terugkeer van de tweedimensionale mens


Naast en in samenhang met de neoliberale wending moeten we daarbij ook wijzen op de ontwrichtende gevolgen van de escalerende klimaatcrisis als gevolg van de kapitalistische verslaving aan fossiel aangedreven economische groei. Ook deze ontwrichtende gevolgen jagen de publieke onvrede en daarmee de desintegratie van de eendimensionale maatschappij aan. Uiteraard kunnen we dit niet los zien van de neoliberale wending, omdat de escalatie van de klimaatcrisis tijdens de afgelopen decennia nauw samenhangt met de ongeëvenaarde groeispurt van de wereldeconomie door de neoliberale globalisering (de Great Acceleration), alsook door het neoliberale “marktfundamentalisme” waardoor milieu-overwegingen naar de achtergrond zijn gedrongen.


Ook hierbij kunnen we spreken van een neoliberale intensivering van klassenstrijd, in die zin dat de oorzaken en gevolgen van de klimaatcrisis grotendeels langs klasse-lijnen zijn verdeeld: waar de rijken het meeste profiteren van de economische groei en zodoende bovengemiddeld bijdragen aan de klimaatcrisis, daar zullen de ontwrichtende ecologische gevolgen – zoals ondraaglijke hittegolven, voedsel- en drinkwater-tekorten, overstromingen door flash floods, een stijgende zeespiegel etc. – vooral bij de niet-rijken terecht komen, en dan vooral bij de allerarmsten in het Mondiale Zuiden. Ook de klimaat-problematiek is doortrokken van klassenstrijd – zoals de vermoordde Mexicaanse socialist en milieu-activist Chico Mendes zei: “Ecologie zonder klassenstrijd is niets meer dan tuinieren.”


Neoliberale zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij

De ambivalentie van de neoliberale wending in het licht van Marcuse’s Kritische Theorie wordt nu duidelijk. Enerzijds was de neoliberale wending een voortzetting van de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij; de door Marcuse (2023: 26) kritisch gesignaleerde “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid” culmineerde in de neoliberale consensus dat kapitaal en arbeid hetzelfde belang hebben bij gedereguleerd kapitalisme. Tegelijk echter leidde de neoliberale wending tot een drastische verslechtering van de machtspositie van de werkende klasse tegenover het kapitaal en daarmee tot een heropleving van klassenstrijd en politieke polarisatie. In die zin kunnen we stellen dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij via de neoliberale wending haar hand heeft overspeeld en zichzelf heeft ondermijnd.


Opmerkelijk genoeg heeft Marcuse zelf de mogelijkheid van deze zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij al voorzien, althans tot op zekere hoogte. In het Politiek voorwoord bij de tweede editie van Eros en cultuur uit 1966 (twee jaar na publicatie van De eendimensionale mens) wijst hij op de mogelijkheid dat de eendimensionale maatschappij – hoewel schijnbaar onaantastbaar – aan haar eigen succes ten onder zou kunnen gaan. Dit is een opmerkelijke passage die haaks staat op Marcuse’s gewoonlijke pessimisme ten aanzien van de eendimensionale maatschappij, die intern zo sterk georganiseerd zou zijn dat radicale verandering alleen van buitenaf zou kunnen komen, zoals in de vorm van oppositionele randgroepen (zie Marcuse 2023: 81). Hier echter oppert Marcuse de mogelijkheid dat het juist de eendimensionaliteit zelf is die deze maatschappijvorm van binnenuit aan het wankelen kan brengen:   


“Wie zich bevrijdt van illusies over de toekomst, beseft dat in de moderne welvaartsmaatschappij het volk, althans de meerderheid van het volk, aan de kant staat van wat is, niet aan de kant van wat mogelijk kan zijn, of zou moeten zijn. [...] Toch is de situatie niet uitzichtloos. Wie zich bevrijdt van moedeloosheid over de toekomst, beseft dat misschien juist de kracht en efficiëntie van de bestaande orde de oorzaken zullen worden van de desintegratie ervan.” (Marcuse 2022: 27)


Marcuse wijst hier op de inherente contradicties van het kapitalisme, die door de sluier van de eendimensionaliteit weliswaar verdekt worden, maar daardoor ook ongemerkt kunnen voortwoekeren en zodoende het systeem van binnenuit kunnen destabiliseren. Hij wijst in dit verband onder andere op het desintegrerende effect van de “steeds toenemende verspilling van natuurlijke hulpbronnen” (ibidem), waarmee Marcuse tot op zekere hoogte anticipeerde op de escalerende milieuproblematiek en bredere ecologische crisis als aanjagers van maatschappelijke dissensus. Hoewel de klimaatcrisis soms geïnterpreteerd wordt als een externe bedreiging voor het systeem (in de vorm van toenemende ‘natuurrampen’) is het in feite een bedreiging die het systeem van binnenuit genereert (door uitstoot van broeikasgassen). 


In zekere zin kunnen we de neoliberale wending ook zo interpreteren: als een endogene desintegratie van de eendimensionale maatschappij. Ook al heeft Marcuse zelf deze mogelijkheid niet expliciet opgemerkt, hij bleef de eendimensionale maatschappij zien als een klassenmaatschappij waar de klassentegenstelling van arbeid en kapitaal verdekt bleef voortwoekeren. Ondanks het Keynesiaanse klassencompromis werd in zijn ogen óók de eendimensionale maatschappij nog steeds gedomineerd door de economische belangen van kapitalistische elites. De maatschappij was slechts eendimensionaal in die zin dat het klasse-karakter ervan effectief verborgen bleef onder een ideologische sluier van massa-consumentisme, massamedia-propaganda, repressieve tolerantie en het ‘gedeelde belang’ van arbeid en kapitaal bij economische stabiliteit en welvaartsgroei:

“Ongetwijfeld blijft zelfs de meest geavanceerde kapitalistische verzorgingsstaat een klassenmaatschappij en daarmee een staat van conflicterende klasse-belangen. Maar zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) 


Klassenstrijd bleef smeulen onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij. Zodoende kon de kapitalistische klasse-overheersing in de neoliberale wending – onder de eendimensionale sluier van de neoliberale consensus – in alle hevigheid opnieuw de kop op steken, met alle disruptieve gevolgen vandien. In die zin kunnen we stellen dat met de neoliberale wending (én de klimaatcrisis) de eendimensionale maatschappij haar eigen desintegratie bewerkstelligt. 


Hoewel Marcuse deze mogelijkheid – de disruptieve wederopleving van klassenstrijd binnen de eendimensionale maatschappij – niet expliciet heeft opgemerkt, valt het desintegrerende effect ervan vanuit zijn kritische theorie goed te begrijpen. Voor hem was de stabiliserende werking van de eendimensionale maatschappij immers onlosmakelijk verbonden met het Keynesiaanse aspect ervan, de nivellering van welvaart door de verzorgingsstaat. Afbraak van de verzorgingsstaat zou daarom onherroepelijk ook afbraak van de eendimensionale maatschappij betekenen: “de vooruitzichten van een beheersing van de verandering, geboden door de politiek van de technologische rationaliteit, hangen af van de vooruitzichten van de verzorgingsstaat.” (Marcuse 2023: 80) 


De nivellering van de welvaart hield de disruptieve dialectiek van klassenstrijd in toom, maar dat vereist een sterke staat die actief de kapitalistische economie beheerst: “zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) Desintegratie van de staatsmacht is echter precies waar het neoliberalisme op neerkwam: de verzorgingsstaat werd een zich terugtrekkende “nachtwakersstaat”, die steeds meer publieke taken (zoals volkshuisvesting) privatiseerde en overliet aan een steeds vrijere markt waarin het grootkapitaal domineert. Niet voor niets is de neoliberale staat steeds minder capabel om grote maatschappelijke problemen (zoals de wooncrisis) op te lossen, wat het publieke vertrouwen in de overheid verder ondermijnt.

De nivellerende verzorgingsstaat hield de machtsbalans tussen kapitaal en arbeid in evenwicht. Maar door de neoliberale wending is de machtsbalans ten faveure van het kapitaal doorgeslagen, met als gevolg dat de werkende klasse toenemend met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de vooruitgangsbelofte waar de eendimensionale maatschappij op gebaseerd was: “De hoogste belofte is een steeds comfortabeler leven voor een steeds groter aantal mensen die zich strikt genomen geen kwalitatief andere wereld van spreken en handelen kunnen voorstellen [...].” (Marcuse 2023: 56) Dat hun kinderen het nóg beter krijgen dan zijzelf is echter voor de overgrote meerderheid in het Westen allang geen vanzelfsprekendheid meer. En het is niet alleen de groeiende precariteit die deze belofte nu steeds ongeloofwaardiger maakt, ook de escalerende klimaatcrisis – die voor komende generaties het leven steeds problematischer zal maken – draagt bij aan deze algehele desillusie. 


Het gevolg is dat een toenemend aantal mensen zich nu wél een “kwalitatief andere wereld van spreken en handelen” kan voorstellen, dwz. er is een groeiend tweedimensionaal bewustzijn, waardoor de consensus van de eendimensionale maatschappij wordt opgeblazen. Zoals Marcuse zei: “De ontwikkeling van radicaal politiek bewustzijn onder de massa’s is slechts denkbaar wanneer de economische stabiliteit en de sociale cohesie van het systeem beginnen te verzwakken.” (Marcuse 1972: 59) Het cruciale punt is dat deze verzwakking door de neoliberale wending in gang is gezet.


Gebruikte literatuur

– Kuin, Ruud & Linssen, Bart (2025), Klassenstrijd 2025: Een uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP. Download: https://www.sp.nl/nieuws/wetenschappelijk-bureau-sp-presenteert-klassenstrijd-2025
– Marcuse, Herbert (1972), An Essay on Liberation. Harmondsworth: Penguin Books.
– Marcuse, Herbert (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, Herbert (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.

– Standing, Guy (2011), The Precariat: The New Dangerous Class. London: Bloomsbury.
– Stein, Ben (2006), “In Class Warfare, Guess Which Class is Winning”, in: The New York Times, november 26 2006. Zie: https://www.nytimes.com/2006/11/26/business/yourmoney/26every.html 

– Stiglitz, Joseph E. (2003), The Roaring Nineties. New York / London: W.W. Norton & Company.

– Virdee, Satnam (2024), “Living in the slipstream of defeat: neoliberalism and the far-right”, in: International Politics, 20 August 2024, Volume 62, pp. 487-494. 




Polarisatie en klassenstrijd: Een Marcusiaans perspectief

“Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” (Warren Buffett)

De westerse wereld is in rap tempo aan het polariseren: het politieke midden wordt steeds verder en steeds sneller uitgehold door de strijd tussen radicaal en ‘woke’ links enerzijds en het rechtspopulisme en ‘neofascisme’ anderzijds. Over deze polarisatie is de laatste tijd veel te doen, maar de sociologische en politiek-economische achtergronden ervan worden slechts zelden besproken of onderzocht. 

In het volgende wil ik deze achterliggende oorzaken analyseren vanuit Marcuse’s kritische theorie van de eendimensionale maatschappij. Dat lijkt paradoxaal, omdat de huidige polarisatie juist suggereert dat Marcuse’s theorie niet meer van toepassing is op de huidige westerse wereld. De eendimensionale maatschappij is immers een maatschappij waarin alle kritiek, oppositie en dissensus gesmoord worden in een verstikkende “eendimensionale” consensus. Deze consensus lijkt nu echter door de voortschrijdende polarisatie juist verscheurd te worden. Anders gezegd: de huidige polarisatie betekent de ondergang van de eendimensionale maatschappij. In die zin lijkt Marcuse minder relevant te zijn voor onze tijd. 

Maar schijn bedriegt. Voor Marcuse had de eendimensionale maatschappij een duidelijke politiek-economische basis, namelijk de ogenschijnlijke ‘verzoening’ van de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal in de westerse verzorgingsstaten na de Tweede Wereldoorlog. Dat bevorderde immers de consensuele illusie dat kapitaal en arbeid fundamenteel dezelfde belangen zouden hebben, namelijk economische stabiliteit en constante welvaartsgroei, waarvan ook de werkende klasse leek te profiteren. Dat de eendimensionale maatschappij nu door de oplaaiende polarisatie wordt ondermijnd, duidt dan ook – vanuit Marcusiaans perspectief – op een onderliggende oorzaak, namelijk de terugkeer van klassenstrijd onder het neoliberalisme. Hier moeten we, kortom, de dieperliggende oorzaak van de huidige polarisatie zoeken: in de neoliberale terugkeer van de kapitalistische klasse-dominantie en de daaruit volgende neoliberale precarisering en verpaupering van de samenleving.  


Het einde van de eendimensionale maatschappij?
Volgens Marcuse zijn repressieve tolerantie en repressieve desublimatie twee essentiële peilers van de eendimensionale maatschappij. Wij beleven nu echter, met de opkomst van het rechtspopulisme en zelfs neofascisme, een historische transitie van impliciet repressieve tolerantie naar expliciet intolerante repressie. Ook in seksueel opzicht zien we dat de strategie van repressieve tolerantie is uitgewerkt: de seksuele bevrijding van de jaren ‘60 en ‘70 wordt in toenemende mate door een conservatievere seksuele moraal teruggedraaid. Met het wegvallen van die peilers, kortom, lijkt Marcuse’s analyse van de eendimensionale maatschappij voor onze tijd minder relevant te zijn geworden.

Een duidelijk symptoom daarvan is de razendsnelle polarisatie van de westerse wereld: tegenover de groeiende linkse protestbeweging (Occupy, BLM, XR, de woonprotesten, pro-Palestina, etc.) staat de helaas nog harder groeiende rechts-populistische / neofascistische tegenbeweging. Deze groei aan de radicale flanken – die elkaar opzwepen – holt het politieke midden uit, waarmee het regeren op basis van consensus in de liberale democratieën steeds moeilijker wordt; het aantal politieke crises in de westerse wereld neemt zienderogen toe en formatieperiodes duren steeds langer. Dit disfunctioneren van de liberale democratie versterkt de neofascistische roep om een ‘Sterke Man’ en jaagt het maatschappelijk wantrouwen en de politieke polarisatie nog verder aan, in een negatieve feedbackloop waardoor de heersende consensus – voorzover nog aanwezig – in een steeds hoger tempo wordt afgebroken. Conformisme en consensus vormen echter het levenselement van de eendimensionale maatschappij. Beleven wij nu, kortom, het einde van het eendimensionale tijdperk? Is de kritische tweedimensionale mens, de mens die ‘Nee!’ durft te zeggen tegen de bestaande wereld, aan het terugkeren?


Neoliberale terugkeer van de klassenstrijd

Hier stuiten we op iets dat in de huidige discussie over polarisatie vooralsnog onderbelicht is gebleven, namelijk de ontwrichtende gevolgen van de neoliberale wending. Zeker vanuit een marcusiaans perspectief gezien, is deze wending een hoogst dubbelzinnig proces geweest, waardoor de eendimensionale maatschappij aanvankelijk werd versterkt, maar uiteindelijk juist werd en wordt ondermijnd. De huidige afkalving van de repressieve tolerantie en seksuele vrijheid alsook de ontwrichtende polarisatie zijn alleen als bij-effecten van de neoliberale wending te begrijpen.

Zoals gezegd vormde voor Marcuse de pacificatie van de klassenstrijd, de “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid” in de naoorlogse verzorgingsstaat, de economische ‘onderbouw’ van de eendimensionale maatschappij (zie Marcuse 2023: 26). Aanvankelijk leek dit klassen-compromis in de neoliberale wending te culmineren, toen met de val van het Sovjet-communisme ook de socialistische basis onder de linkse ideologie leek weg te vallen en de sociaal-democratie onder Clinton, Kok en Blair meeging met het hegemoniale neoliberalisme. Arbeid en kapitaal zouden hetzelfde belang te hebben, namelijk de beloofde economische turbo-groei van het geliberaliseerde en globaliserende kapitalisme; de klassenstrijd leek daarmee definitief tot het verleden te behoren. 

“Trickle-down economics” zou er voor zorgen dat de snel stijgende rijkdom van de kapitalistische elite vanzelf ‘naar beneden’, naar de rest van de bevolking door zou sijpelen. “Een stijgend getij tilt alle boten op”, zo herhaalden de neoliberale ideologen eindeloos. Aanvankelijk leek dat ook te gebeuren: de “roaring nineties” (Stiglitz) kenden een historisch ongeëvenaarde economische groei, met groeipercentages van meer dan drie procent, waarvan ook de westerse werkende klasse profiteerde. Het resulterende exuberante consumentisme van de jaren ‘90 was dé bevestiging van Marcuses zorg dat “welvaartsbeneveling” elk kritisch bewustzijn kan uitschakelen (zie Marcuse 2022: 17). Zo leek de neoliberale wending inderdaad neer te komen op de ultieme bestendiging van de eendimensionale maatschappij.

Maar na het feestje kwam de kater. Op langere termijn bleek de neoliberale belofte van “trickle-down economics” een wassen neus. Inmiddels is overduidelijk dat de neoliberale wending een kapitalistische machtsgreep was, waarin de machtspositie van de werkende klasse drastisch verslechterde. Het neoliberale narratief van het “einde van de klassenstrijd” bleek de perfecte smoes voor de kapitalistische elite om haar eigen klassenstrijd te voeren, tegen de collectieve belangen van de werkende klasse – zoals de miljardair Warren Buffett in 2006 bekende: “Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” De belastingen op winst en vermogen werden jaar op jaar verlaagd, de financiële markten werden gedereguleerd met een forse toename van ontwrichtende financiële crises tot gevolg, de verzorgingsstaat werd versoberd of zelfs wegbezuinigd, publieke taken werden geprivatiseerd, de macht van de vakbonden nam drastisch af, arbeid werd geflexibiliseerd, de kloof tussen rijk en niet-rijk nam astronomische proporties aan, het aandeel van de werkende klasse in het BBP daalde gestaag ten voordele van de bezittende klasse, en de algehele “precariteit” in de samenleving nam toe. 

Daarbovenop komen nu ook de steeds ontwrichtendere gevolgen van de escalerende klimaatcrisis, die door de kapitalistische verslaving aan de (fossiel aangedreven) economische groei over ons en onze kinderen wordt uitgestort. Ook hierbij zijn de gevolgen langs klasse-lijnen verdeeld: waar de rijken zullen blijven profiteren van de economische groei en zodoende bovengemiddeld bijdragen aan de klimaatcrisis, daar zullen de ontwrichtende gevolgen ervan – ondraaglijke hittegolven, voedsel- en drinkwater-tekorten, overstromingen door flash floods, een stijgende zeespiegel etc. – vooral bij de niet-rijken terecht komen, en dan vooral bij de allerarmsten in het Mondiale Zuiden. Ook de klimaat-problematiek is, kortom, doortrokken van klassenstrijd. Zoals de vermoordde Mexicaanse socialist en milieu-activist Chico Mendes ooit zei: “Ecologie zonder klassenstrijd is niets meer dan tuinieren.” Neoliberalisme als kapitalistische machtsgreep Kortom: als – zoals Marcuse zegt – pacificatie van de klassenstrijd de economische basis vormt van de eendimensionale maatschappij, dan moet de neoliberale terugkeer van de klassenstrijd wel een ondermijning betekenen van diezelfde eendimensionale maatschappij. 

Natuurlijk bleef ook de eendimensionale maatschappij een klassenmaatschappij, gedomineerd door de economische belangen van de kapitalistische elites. Maar de maatschappij was nou juist eendimensionaal in die zin dat het klasse-karakter ervan effectief verborgen bleef onder de ideologische sluier van massa-consumentisme, massamedia-propaganda, maatschappelijke consensus en het ‘gedeelde belang’ van arbeid en kapitaal bij economische stabiliteit en welvaartsgroei. “Ongetwijfeld blijft zelfs de meest geavanceerde kapitalistische verzorgingsstaat een klassenmaatschappij en daarmee een staat van conflicterende klasse-belangen”, aldus Marcuse: “Maar zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de onderdrukkende kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) Door de neoliberale wending is deze sluimerende, succesvol ingekapselde klassenstrijd binnen de eendimensionale maatschappij echter aan de oppervlakte gekomen en geëscaleerd in openlijke klassenstrijd of zelfs “klassenoorlog”, getuige Warren Buffett. 

Zoals Marcuse zegt: de eendimensionale maatschappij houdt stand “zolang de staatsmacht niet desintegreert”, maar desintegratie van de staatsmacht is precies waar het neoliberalisme op neer kwam: de verzorgingsstaat werd een zich terugtrekkende “nachtwakersstaat”, die steeds meer publieke taken “privatiseerde” en overliet aan de “vrije” markt waarin echter het grootkapitaal domineert. Niet voor niets is de staat steeds minder capabel om grote maatschappelijke problemen op te lossen, wat het vertrouwen in de democratie nog verder ondermijnd. Door de neoliberale wending heeft de staat steeds meer van haar macht afgestaan aan de markt, waardoor de staat tamelijk machteloos achterblijft. Voor Marcuse was echter juist de verzorgingsstaat cruciaal voor de eendimensionale maatschappij: “de vooruitzichten van een beheersing van de verandering, geboden door de politiek van de technologische rationaliteit, hangen af van de vooruitzichten van de verzorgingsstaat” (Marcuse 2023: 80). De neoliberale afbraak van de verzorgingsstaat was dus, direct of indirect, ook een afbraak van de eendimensionaliteit die steeds de klassenstrijd onder een ideologische sluier had bedekt.  

Deze neoliberale terugkeer van openlijke klassenstrijd betekent overigens niet – of althans nog niet – dat daarmee ook het klasse-bewustzijn van de werkende klasse is teruggekeerd. Het toegenomen klasse-bewustzijn zit vooralsnog vooral aan de kant van de kapitalistische elite, getuige wederom Warren Buffett. Zoals vaker is opgemerkt, was de neoliberale wending van begin af aan een manifestatie van kapitalistisch klasse-bewustzijn, dwz. een intentionele poging van de kapitalistische elite – beginnend in de jaren ‘70 – om haar klasse-macht te herstellen tegenover de werkende klasse en de nivellerende praktijken van de naoorlogse verzorgingsstaat (zie met name Harvey 2007: 9-19). 


De systemische noodzaak van fascistische zondebokpolitiek

Voorzover de neoliberale wending ook bij de werkende klasse tot een hernieuwd klasse-bewustzijn heeft geleid, blijft dit bewustzijn vooralsnog beperkt tot linkse minderheden, zoals de radicalere vakbonden, de socialistische en sociaal-democratische partijen (voorzover zij van hun flirt met het neoliberalisme genezen zijn), en de ecologische, feministische en antiracistische actiegroepen (voorzover deze niet door de eenzijdige focus op identiteitspolitiek van klassenpolitiek worden afgehouden). De meerderheid van de werkende klasse blijft echter vooralsnog trouw aan het kapitalistisch systeem, daartoe verleid door de rechtspopulistische of zelfs neofascistische strategie om de groeiende problemen en spanningen binnen het systeem af te wentelen op politieke zondebokken: migranten, moslims, asielzoekers, de “linkse elite” en “deep state” die uit zijn op “omvolking”, de “Great Reset”, etc. 

In het licht van deze zorgwekkende ontwikkeling is met name het werk van de Frankfurter Schule uit de jaren ‘20 en ‘30 interessant, toen de Frankfurters hun kritische aandacht richtten op het opkomend fascisme en antisemitisme. Hun analyse, dat het fascisme ontstaat als afleidingsmanoeuvre om de crises en interne contradicties van het “monopoliekapitalisme” te kanaliseren en op zondebokken af te wentelen, heeft ons ook nu weer veel te zeggen. Ook nu fungeert racistische zondebok-politiek als doeltreffend middel om het politieke zelfbewustzijn en de interne solidariteit van de werkende klasse te ondermijnen. Weliswaar is door de neoliberale terugkeer van de klassenstrijd het objectieve klasse-karakter van de werkende klasse toegenomen of herbevestigd, in die zin dat de kapitalistische exploitatie van arbeid is toegenomen (door de flexibilisering, dalende arbeidsinkomensquote, etc.) – maar het conservatisme, rechtspopulisme en neofascisme slager er vooralsnog in om het subjectieve klasse-karakter van de werkende klasse, haar politieke zelfbewustzijn, de kop in te drukken. In de Hegeliaanse taal van de neomarxist Lukács: de werkende klasse is nog altijd een klasse an sich, maar niet meer – of nog niet – een klasse für sich

Juist de uiterst gevaarlijke opkomst van extreem-rechts toont echter het interne verval van de eendimensionale maatschappij, de onhoudbare spanning waarin deze door de neoliberale wending terecht is gekomen. Het klasse-bewustzijn mag dan ontbreken bij het merendeel van de werkende klasse, mensen weten of voelen dondersgoed dat er iets mis is: ze zijn niet gek. In de westerse maatschappijen is er groeiende onvrede en onrust vanwege de dalende welvaart (dwz. de dalende arbeidsinkomensquote), de almaar stijgende kosten van boodschappen, huur, zorg en energie (cost-of-living crisis), het schreeuwende tekort aan betaalbare woonruimte, de kapotbezuinigde en daardoor disfunctionerende overheidsdiensten, de falende geestelijke gezondheidszorg waardoor overlast van “verwarde personen” toeneemt, de schaamteloze uitbuiting van arbeidsmigranten, de steeds duurdere treinkaartjes, de wegbezuinigde buslijnen en buurtcentra, het verdwijnen van publieke ruimtes zoals bibliotheken, de doorgeslagen individualisering en sociale vervreemding, de stokende sociale media die van haatzaaien hun verdienmodel hebben gemaakt, de apocalyptische dreiging van ontwrichtende klimaatverandering, de toenemende geopolitieke spanningen en imperialistische oorlogen, het verval van de internationale rechtsorde – kortom, mensen ervaren de neoliberale precarisering en verpaupering van de samenleving aan den lijve.  Terugkeer van de tweedimensionale mens? Vandaar de systemische noodzakelijkheid van het fascisme, om de brede maatschappelijke onvrede op zondebokken af te wentelen, zodat de status quo van het kapitalistisch systeem onaangetast blijft. De opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme laat duidelijk zien dat de sfeer in de westerse welvaartsmaatschappijen is omgeslagen: van optimisme naar pessimisme, van vooruitgangsgeloof naar ‘achteruitgangsgeloof’. Daarmee wordt de basis onder de eendimensionale maatschappij weggeslagen. Zoals Marcuse niet moe werd te benadrukken, was de continue welvaartsstijging van de naoorlogse periode – die, pak ‘m beet, tot de financiële crisis van 2008 duurde – hét bindmiddel dat de werkende klasse verzoende met de kapitalistische machtsverhoudingen: “De hoogste belofte is een steeds comfortabeler leven voor een steeds groter aantal mensen, die zich strikt genomen geen kwalitatief andere wereld van spreken en handelen kunnen voorstellen [...].” (Marcuse 2023: 56) Het cruciale punt is dat deze belofte door het neoliberalisme is gebroken en inmiddels door bijna niemand meer geloofd wordt, afgezien van de rijke minderheid die nog steeds baat heeft bij dit systeem.

Maar betekent deze algehele desillusie dat “een steeds groter aantal mensen” zich nu wél een “kwalitatief andere wereld van spreken en handelen” kan voorstellen? Is de eendimensionale maatschappij definitief voorbij? Beleven wij nu, kortom, de wederopstanding van de tweedimensionale mens, wiens kritische bewustzijn in het teken staat van de “spanning tussen het ‘is’ en het ‘zou moeten’, tussen essentie en verschijning, potentialiteit en actualiteit” (Marcuse 2023: 125)? 

Dat is waarschijnlijk een al te optimistische inschatting – zeker gezien de mate waarin rechtspopulisme en neofascisme erin slagen om het politieke zelfbewustzijn van de werkende klasse de kop in te drukken. Het is echter even duidelijk dat rechtspopulisme en neofascisme uiterst riskante wanhoopspogingen zijn van het systeem om de groeiende onvrede op zondebokken af te wentelen, om de eendimensionaliteit van het kapitalisme – Thatcher's "There is no alternative” – te redden. De opkomst van extreemrechts getuigt van de zwakte van het systeem, niet van de kracht ervan. Totalitair consumentisme, massamedia-propaganda en de irrationele rationaliteit van het kapitalistisch realisme, hoewel nog altijd dominant, zijn blijkbaar niet meer voldoende om het heersende bewustzijn eendimensionaal te houden; daarvoor is nu ook fascistische zondebok-politiek nodig. De eendimensionale maatschappij is nog niet definitief verleden tijd, maar we staan – nu het eerste kwart van de 21ste eeuw voorbij is – wel op een cruciaal kantelpunt, waarin het tweedimensionale kritische bewustzijn dreigt door te breken. De neoliberale terugkeer van de klassenstrijd is daarvoor cruciaal.


Gebruikte literatuur

– Harvey, D. (2007), A Brief History of Neoliberalism. Oxford: Oxford University Press. – Marcuse, H. (1972), An Essay on Liberation. London: Penguin Books.

– Marcuse, H. (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.
– Marcuse, H. (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.



Terugkeer van de tweedimensionale mens?

 

Marcuse’s De eendimensionale mens (1964) – een cult-boek voor de protestgeneratie van mei ‘68 – was de afgelopen jaren een opvallende hype in Nederlandse links-intellectuele kringen. Een nieuwe vertaling in 2023 met een inleiding door Thijs Lijster, gevolgd door diverse boeken, artikelen, podcasts en een symposium in De Balie, wezen op de verrassende actualiteit van Marcuse’s concept van de eendimensionale maatschappij. Er is inderdaad een treffende overeenkomst met onze huidige consumptiemaatschappij, waar alle fundamentele oppositie en kritisch bewustzijn uit verdreven lijken door technocratisch beheer, massamedia-propaganda en de “valse verlangens” van leeg consumentisme. Ook de “Grote Weigering” – de enig oprechte houding die volgens Marcuse mogelijk is in een “totalitaire” consumptiemaatschappij – blijft daarbij inspireren (zie het boekje De Grote Weigering van Marian Donner uit 2022).

Wat in de recente Marcuse-renaissance echter onderbelicht is gebleven is de drastisch veranderde politiek-economische situatie, die onze tijd fundamenteel onderscheidt van de jaren ‘60. Daardoor is ook de actualiteit van Marcuse’s kritische theorie veranderd; deze actualiteit is weliswaar onverminderd en verrassend groot, maar heeft nu een geheel andere oriëntatie dan destijds. Een eerste treffende illustratie van deze veranderende actualiteit biedt Marcuse’s controversiële begrip repressieve tolerantie, dat hij in 1965 in een gelijknamig essay introduceerde (een jaar na publicatie van zijn bestseller De eendimensionale mens). Voor Marcuse was repressieve tolerantie een van de strategieën waarmee de “eendimensionale maatschappij” elke radicale oppositie en verandering onschadelijk kan maken, namelijk door een mate van (schijn-)vrijheid aan subversieve bewegingen te gunnen, zoals de hippies in de jaren ‘60. Praktisch gezien is deze vrijheid onschadelijk, omdat de heersende macht en conformistische consensus zo sterk zijn dat ze er niet echt door bedreigd worden (‘Demonstreer maar, het maakt toch niets uit’), terwijl deze schijnvrijheid tegelijk wel fungeert als ideologische legitimatie van de heersende orde (‘Hoezo is deze maatschappij repressief, je mag toch demonstreren?!’). Deze ‘permissieve’ strategie is inmiddels echter – met de opkomst van het rechtspopulisme en zelfs neofascisme (Trump, Poetin, Wilders, Orbán etc.) – omgeslagen in een ‘ouderwets’ repressieve strategie. We zijn, kortom, van impliciet repressieve tolerantie naar expliciet intolerante repressie aan het gaan, waarbij o.a. het demonstratierecht steeds verder onder druk komt te staan, veel wetenschappers zich niet meer durven uit te spreken over controversiële thema’s uit angst voor intimidatie, en ‘afwijkende’ minderheden als migranten en queer- en trans-mensen te maken krijgen met onversneden haat en repressie. Dat laatste wijst ook op een ander aspect waarin Marcuse’s analyse van de eendimensionale maatschappij niet meer onverkort voor onze tijd geldt, namelijk het conservatiever worden van de seksuele moraal.  Voor Marcuse was de seksuele bevrijding van de jaren ‘60 – in ieder geval deels – onderdeel van de heersende repressieve tolerantie, die hij in seksueel opzicht aanduidde met het freudo-marxistische begrip “repressieve de-sublimatie”. De seksualiteit werd vrijer maar bleef binnen de repressieve kaders van het kapitalisme, zodat de door Marcuse in Eros en cultuur (1955) beoogde “erotisering” van de hele mens uitbleef en de bevrijde seksualiteit degenereerde tot platte seks, die gemakkelijk gecommodificeerd kon worden (zoals in de porno-industrie). Tegelijkertijd leverde deze “geliberaliseerde” seksualiteit wel voldoende plezier op om mensen te verzoenen met de heersende orde: seksuele vrijheid was daarmee volgens Marcuse een van de peilers geworden van de eendimensionale maatschappij.  Nu echter wordt de seksuele revolutie van de jaren ‘60 en ‘70 in rap tempo teruggedraaid door het opkomend rechtspopulisme en neofascisme. Daarmee komt er een einde aan de repressieve de-sublimatie die volgens Marcuse cruciaal was voor de eendimensionale maatschappij. Kortom, hoewel verrassend veel aspecten van Marcuse’s analyse van de eendimensionale maatschappij nog steeds geldig zijn (zoals de repressieve werking van consumentisme, technologische rationaliteit, massamedia-propaganda en het militair-industrieel complex), moeten we toch concluderen dat onze samenleving niet meer onverkort “eendimensionaal” is. In die zin kunnen we spreken van een tentatieve ‘terugkeer van de tweedimensionale mens’. De onderliggende oorzaak van die verandering is overigens snel gevonden: de neoliberale wending van de jaren ‘80 en ‘90. Het compromis tussen arbeid en kapitaal, dat cruciaal was voor de naoorlogse Keynesiaanse consensus en de verzorgingsstaat, was ook voor Marcuse de politiek-economische ‘onderbouw’ van de eendimensionale maatschappij. Het bevorderde immers de illusie dat arbeiders en kapitalisten dezelfde belangen hebben. Met de neoliberale wending werd dit klassen-compromis echter opgeblazen door de kapitalistische elite, die de hoge belastingdruk van de verzorgingsstaat allang spuugzat was. De arbeidersklasse werd met “trickle-down economics” verleid om hierin mee te gaan, maar dat bleek een wassen neus.  Inmiddels is overduidelijk dat de neoliberale wending een kapitalistische machtsgreep was, waarin de machtspositie van de arbeidersklasse drastisch verslechterde. De verzorgingsstaat werd versoberd of zelfs wegbezuinigd, de kloof tussen rijk en niet-rijk nam astronomische proporties aan, het aandeel van de arbeidersklasse in het BBP daalde aanzienlijk, en de algehele “neoliberale precariteit” nam toe (om nog maar te zwijgen van de ontwrichtende gevolgen van de escalerende klimaatcrisis, die door de kapitalistische verslaving aan economische groei over ons en onze (klein-)kinderen wordt uitgestort).  In het licht van deze ontwikkelingen is met name het vroegere werk van de Frankfurter Schule uit de jaren ‘20 en ‘30 interessant, toen de Frankfurters zich richten op het opkomend fascisme. Hun analyse, dat het fascisme ontstaat als afleidingsmanoeuvre om de crises en interne contradicties van het “monopoliekapitalisme” te kanaliseren en op zondebokken af te wentelen, heeft ons ook nu weer veel te zeggen. Wat Marcuse betreft is hierbij vooral zijn Eros en cultuur (1955) interessant, waar hij met zijn notie van surplus-repressie Marx’ analyse van klasse-onderdrukking en Freuds analyse van libido-repressie in elkaar schuift. Simpel gezegd: naarmate de economische uitbuiting toeneemt, neemt volgens Marcuse ook de seksuele onderdrukking toe, omdat genieten dan in toenemende mate moet wijken voor arbeid. Zo kunnen we vanuit Marcuse het huidige conservatiever worden van de seksuele moraal begrijpen als extra surplus-repressie ten gevolge van de toenemende klasse-onderdrukking onder het neoliberalisme.  Het is deze neoliberale terugkeer van de surplus-repressie, ten koste van de repressieve de-sublimatie, en de politieke gevolgen daarvan, die ik in toekomstige blogposts verder uit zal diepen. Daarmee onderzoeken we een vraag die in de huidige Marcuse-renaissance nog te weinig aandacht heeft gekregen, namelijk: wat betekent Marcuse specifiek voor óns, in de 21ste eeuw, nu we de deconfiture van de neoliberale orde meemaken, die in illiberaal techno-kapitalisme, rechtspopulisme en zelfs neofascisme, oorlogen en escalerende eco- en klimaatcrises ten onder aan het gaan is?