Showing posts with label Trump. Show all posts
Showing posts with label Trump. Show all posts

Kapitalisme, dictatuur en imperialisme – deel 1

Het imperialisme is de politieke uitdrukking van het accumulatieproces van het kapitaal in zijn concurrentiestrijd om de restanten van het nog niet in beslag genomen niet-kapitalistische wereldmilieu. (Rosa Luxemburg)

Met de recente geopolitieke ontwikkelingen – Ruslands invasie van Oekraïne, China’s steeds agressievere claim op Taiwan en Amerika’s militaire interventie in Venezuela en dreigende taal richting Groenland – heeft het oude begrip “imperialisme” een nieuwe relevantie gekregen. Het is inmiddels overduidelijk dat autoritaire grootmachten bezig zijn onderling de wereld te verdelen in ‘invloedssferen’. Wat de democratische wil is van de bewoners van deze ‘achtertuinen’ doet niet ter zake; alles draait om de Realpolitik van de machtscentra.

Met name in het marxistische denken ten tijde van de Eerste Wereldoorlog heeft het begrip “imperialisme” een belangrijke rol gespeeld, met Rosa Luxemburg en Lenin als belangrijkste theoretici. Dat juist in die tijd het marxistische denken over imperialisme een hoge vlucht nam, is begrijpelijk: de Eerste Wereldoorlog was grotendeels het resultaat van de botsende belangen van de westerse koloniale grootmachten, die onderling de wereld hadden verdeeld. Toen er niets meer te verdelen viel, moesten ze onderling wel in conflict komen. 

Wat marxistische theoretici als Luxemburg en Lenin daarbij lieten zien was dat dergelijke imperialistische conflicten noodzakelijk volgden uit de aard van het kapitalisme zelf: het kapitalisme is wezenlijk gericht op kapitaal-accumulatie en dus economische groei, en heeft daarom altijd nieuwe afzetmarkten, nieuwe reservelegers van goedkope arbeid en nieuwe grondstoffenbronnen nodig. Deze inherente “expansionistische logica” van het kapitalisme leidt vanzelf tot imperialisme: de kapitalistische elites van de verschillende landen hebben er alle belang bij dat hún regeringen alles in het werk stellen om die kapitalistische expansie mogelijk te maken – door het openen van nieuwe overzeese afzetmarkten (desnoods met geweld, zoals de Britten destijds met kanonnen de Chinese markt hebben geopend voor Indiase opium) en door de verovering van nieuwe kolonies met goedkope arbeidskrachten en rijke grondstoffen-bronnen.

Dat het juist nu van belang is om deze marxistische analyses van het kapitalistisch imperialisme af te stoffen en opnieuw tot ons te nemen, volgt uit het onloochenbare feit dat ook het huidige imperialisme van de grootmachten Amerika, China en Rusland een typisch kapitalistisch imperialisme is. Al deze landen zijn immers kapitalistisch of staatskapitalistisch: in Rusland is het Sovjet-communisme immers allang ingestort en ook “Volksrepubliek” China is alleen nog in naam “communistisch”. Vanaf 1979, onder leiding van Deng Xiaoping, heeft communistisch China zich gradueel opengesteld voor kapitalistische marktwerking en investeringen, met als gevolg dat China nu dé goedkope werkplaats is voor het geglobaliseerde kapitalisme.

Met andere woorden: de geopolitieke rivaliteit tussen de VS, China en Rusland is geen ideologisch conflict meer, zoals tijdens de Koude Oorlog (kapitalisme vs. communisme). Het is een puur intra-kapitalistische rivaliteit, dwz. tussen verschillende, natie-gebonden kapitalistische elites: Russische oligarchen, de machthebbers van het Chinese staatskapitalisme en de Amerikaanse grootkapitalisten – zíj zijn de werkelijke krachten achter de huidige imperialistische wedloop om geopolitieke macht. Het huidige imperialisme is slechts kapitalistische concurrentie op mondiaal niveau.

Uiteraard proberen de desbetreffende kapitalistische elites ons anders te doen geloven: zij proberen uit alle macht hun respectievelijke bevolkingen ervan te overtuigen dat het wel degelijk gaat om een ideologisch (en dus gerechtvaardigd) conflict tussen het Westen en de BRICS-landen, namelijk tussen democratie en dictatuur (vanuit het ‘vrije Westen’ gezien) of tussen westerse ontaarde decadentie en oosters traditionalisme (zie bijvoorbeeld Ruslands retoriek over “Gayropa”). Ook het rechtspopulisme en neofascisme proberen hier een legitiem conflict te zien, een raciaal-cultureel conflict tussen verschillende etnische identiteiten, zoals de superieure beschaving van het ‘blanke Westen’ dat bedreigd wordt door inferieure, gekleurde, niet-westerse immigranten, etc.

Voor socialisten is het hierbij van het allergrootste belang om deze nationalistische en cultureel-racistische praatjes te ontmaskeren voor wat zij zijn, namelijk cynische verdeel-en-heersstrategieën, waarmee de verschillende nationale kapitalistische machtsblokken proberen om hun bevolkingen aan zich te binden en te mobiliseren in de imperialistische strijd tegen andere landen en andere volkeren.

Dat het geopolitieke conflict tussen de grootmachten geen politiek-ideologisch conflict is, wordt met name duidelijk ten aanzien van het thema “democratie”. Met name liberale politici mogen de geopolitieke machtsstrijd tussen het Westen en de BRICS-landen graag framen als een strijd tussen democratie en autocratie. Maar het is duidelijk dat die vlieger steeds minder opgaat, nu ook in het Westen door de opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme – zie Trump in de VS – de democratie steeds verder onder druk staat. Waar de Amerikaanse pogingen tot regime change in Afghanistan en Irak destijds nog met een universalistisch beroep op democratie en mensenrechten werden gerechtvaardigd, daar neemt Trump nu niet eens meer de moeite om zijn militaire interventie in Venezuela te framen als een nobele poging om de Venezolaanse democratie en rechtsstaat te herstellen; hij is bereid samen te werken met het repressieve Venezolaanse staatsapparaat, vertegenwoordigd door vicepresident Delcy Rodríguez, zolang Amerika maar controle krijgt over de Venezolaanse olievoorraden. De Venezolaanse oppositie, die zoveel had verwacht van Trumps interventie – herstel van de democratie, vrijlating van de politieke gevangenen –, blijft gedesillusioneerd achter. Het particuliere eigenbelang van Trumps machtsstreven prevaleert open en bloot, zonder schaamte.

Kortom, de huidige geopolitieke rivaliteit tussen de grootmachten is geen conflict meer tussen liberale democratie en illiberale autocratie. Het is, zoals gezegd, slechts een uit de hand gelopen economisch conflict tussen verschillende machtsblokken binnen één-en-hetzelfde wereldwijde kapitalisme. Een kapitalisme dat in toenemende mate ondemocratisch is. 

Dat heeft overigens niet alleen te maken met de – zorgwekkende – opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme in heel de westerse wereld (en in Rusland met Poetin, die ideologisch nauw aan Trump verwant is). Deze ondemocratische tendens in het kapitalisme gaat veel verder terug in de tijd. Zo is de politiek al sinds de neoliberale globalisering rond 1990 steeds technocratischer geworden, in die zin dat landen zich in toenemende mate moesten voegen naar de dictatoriale ‘eisen van de wereldmarkt’. Politieke keuzes, zoals het wegbezuinigen van de verzorgingsstaat of het verwateren van milieuregels, waren puur door economische redenen ingegeven; te hoge belastingen voor het kapitaal en te strenge milieuregels zouden immers de internationale concurrentiepositie van ‘BV Nederland’ aantasten. Democratische besluitvorming werd ondergeschikt gemaakt aan economische ratio; in die zin was het neoliberalisme al een belangrijke stap richting de kapitalistische dictatuur, die we nu met Trump tot vol wasdom zien komen.

    Een tweede en nauw samenhangende reden waarom de democratie ook in de zelfverklaarde liberale democratieën steeds minder voorstelt, is de graduele verlamming van de vrije, kritische meningsvorming. Democratie veronderstelt immers autonome burgers, die kritisch kunnen nadenken en op basis van objectieve informatie en open onderlinge discussie tot democratische besluiten kunnen komen. Maar aan die basisvoorwaarde van individuele autonomie wordt steeds minder voldaan. 

In de jaren ‘60, met de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij, waarschuwde de kritische denker Herbert Marcuse al dat ons bewustzijn steeds meer in de greep zou komen van consumentistische massamedia-propaganda (zoals reclame), met als gevolg dat onze ‘diepste verlangens’ steeds meer “valse verlangens” zouden zijn, geprogrammeerd door het kapitalistisch systeem, om de consumptie op peil te houden. Marcuse was wat dat betreft bijzonder vooruitziend, omdat deze consumentistische indoctrinatie sindsdien alleen maar erger is geworden en nu in de wijdverspreide smartphone-verslaving tot een hoogtepunt komt. Ons leven, zeker bij jongere generaties, speelt zich in toenemende mate af in de digitale wereld van internet, sociale media, memes, games, apps, etc. Een wereld die volledig wordt beheerst door Big Tech, waarvan de superrijke ‘eindbazen’ de nieuwe masters of the universe zijn. Met één druk op de knop kunnen zij de publieke opinie sturen. 

Daarbij gaat het nu niet meer alleen om het creëren van “valse behoeften” ten bate van het consumentisme, maar om keiharde politieke propaganda door middel van trolls, desinformatie, nepnieuws en de politiek-gekleurde algoritmes die onze informatievoorziening beheersen. Zo kan Big Tech in opdracht van de hoogste bieder (lees: de superrijken) verkiezingen sturen – en er zijn genoeg aanwijzingen dat dit nu al op grote schaal gebeurt. De ontaarding van de liberale democratie in een totalitaire kapitalistische dictatuur is daarmee een feit.


      

 





Waarom het topless zonnen is verdwenen: Een freudo-marxistische verklaring

 

“Waar de Duce zich liet fotograferen met ontbloot en gespierd bovenlijf  [...], daar gaat The Donald op de foto met driehonderd hamburgers.” Zo illustreert de Groningse filosoof Thijs Lijster in een recent artikel in De Groene Amsterdammer het onderscheid tussen het oude fascisme van de jaren ‘30 en het nieuwe facisme van de Trumpisten, dat hij treffend “hedofascisme” noemt – een samentrekking van “hedonisme” en “fascisme”. Wat het huidige fascisme uniek maakt, aldus Lijster, is “de belofte van een terugkeer naar excessieve consumptie” (2025: 46). 


Het oude fascisme van de jaren ‘30 draaide juist om afzien, om militaire discipline en zelfopoffering voor Volk en Natie. Hedonisme werd gezien als een vorm van ‘links-joodse’ decadentie en moreel verval, die het Volk verzwakten en waar het fascisme zich als het bittere medicijn voor zag. Het hedendaagse fascisme is weliswaar ook sterk nationalistisch (Make Amerika Great Again, Nederland is van ons!), maar – zoals Lijster terecht opmerkt – dit nationalisme draait om “een gemeenschap die niks kost” (idem: 47), dwz. die geen zelfopoffering vereist maar juist recht geeft op white privilege en onbeperkt consumentisme, waar links tegen te hoop loopt. 


Als het gaat om de relatie tot genot, zijn de rollen van links en rechts in de loop van enkele decennia dan ook omgedraaid, aldus Lijster: “Wat dit betreft ligt het hedofascisme niet enkel in het verlengde van de jaren dertig, maar evenzeer in dat van de jaren zestig [...]. Waren het toen de linkse bewegingen die succesvol een monopolie claimden op genot (vrije liefde, drugs, het breken van sociale normen), daar klinkt die claim nu het duidelijkst door bij extreem-rechts. / Andersom wordt links tegenwoordig juist geassocieerd met het afzien van genot. Als links aan de macht is, zo heet het, mag je straks niets meer: niet meer op vakantie, niet meer barbecueën, niet meer flirten, geen foute grappen meer maken.” (Idem: 46)


Vandaar de aantrekkingskracht van (extreem-)rechts tegenover het belerende ‘linkse vingertje’ van de politiek-correcte ‘deugneuzen’. Waar in de huidige heersende ideologie rechts staat voor ouderwets genieten – vlees eten, roken, drinken, diesel rijden, met het vliegtuig op vakantie, etc. – daar staat links voor de ascetische ontzegging van genot, voor een nieuwe ‘protestantse ethiek’ van politiek-correcte zelfbeheersing, klimaatneutrale spaarzaamheid, anti-bourgondisch veganisme, ‘consuminderen’ en ‘degrowth’. Geen wonder dat extreem-rechts in opmars is en links keer op keer de verkiezingen verliest.


Ambivalente verhouding tot genot 

Hoe treffend Lijster de huidige politieke situatie ook verklaart, toch wringt er iets in zijn analyse van het hedofascisme. Eén aspect van de huidige opkomst van extreem-rechts laat hij min of meer buiten beschouwing, namelijk de conservatieve seksuele moraal die steevast met deze opkomst gepaard gaat. Wat dat betreft heeft Lijster géén gelijk als hij stelt dat “het hedofascisme niet enkel in het verlengde van de jaren dertig [ligt], maar evenzeer in dat van de jaren zestig”. De Seksuele Revolutie van de jaren zestig – met verworvenheden als anticonceptie, vrije liefde, recht op abortus, ruimte voor homo’s en lesbo’s, en seksuele voorlichting op school – wordt juist in rap tempo afgebroken door figuren als Trump en Poetin. 


Van Amerika tot Rusland, overal staan rechtspopulistische politici op die de seksuele vrijheden van vrouwen en queer-mensen willen terugdringen of zelfs helemaal afschaffen, ten faveure van een verstikkende traditionele hetero-normativiteit. Niet alleen in de politiek, ook in de bevolking zien we deze tendens richting een conservatievere seksuele moraal. Met als meest opvallende symptomen de teruglopende acceptatie van trans-mensen, de opleving van virulente vrouwenhaat en toxische mannelijkheid dankzij ‘manfluencers’ als Andrew Tate en president Trump (die over vrouwen zei: ‘Grab ‘m by the pussy’), de opkomst van de no fap-beweging (die porno en masturbatie afzweert) en de trad wives, de ‘traditional wives’ die welbewust kiezen voor een traditionele rolverdeling in het gezin. In Nederland kennen we inmiddels het jaarlijks terugkerende gekrakeel rond de Week van de lentekriebels, de seksuele voorlichting op scholen waar kinderen ‘geseksualiseerd’ zouden worden, aangezet tot ‘kindermasturbatie’ en blootgesteld aan ‘pedofilie’ en ‘transgenderindoctrinatie’.


Als echter het credo van het hedofascisme luidt “Gij zult ongegeneerd genieten!”, hoe verhoudt zich dit dan tot het ‘verbod op genot’ dat uit het oprukkende conservatisme ten aanzien van seksualiteit spreekt? Zien we hier niet een rare contradictie in het huidige rechtspopulisme, dat enerzijds in de vorm van het hedofascisme het hedonisme van de jaren ‘60 wil voortzetten of zelfs intensiveren, maar tegelijk ook in zijn conservatieve gedaante de Seksuele Revolutie van de jaren ‘60 wil terugdraaien? Vanwaar deze paradoxale, ambivalente verhouding tot genot die hedendaags rechts kenmerkt? Aan deze vraag gaat Lijster in zijn essay voorbij.


Marcuse over surplus-repressie

Waarom rechts tegenover links het ‘recht op genot’ kan claimen, heeft Lijster duidelijk gemaakt: doordat links in de loop der jaren vereenzelvigd is geraakt met het belerende ‘linkse vingertje’ kan rechts zich nu gemakkelijk profileren als de politieke richting waar je wél ouderwets mag genieten. Maar ook het omgekeerde aspect van hedendaags rechts, de opkomst van een conservatievere seksuele moraal, laat zich goed begrijpen vanuit het ‘freudo-marxisme’ van de Frankfurter Schule, waar Lijsters analyse van het fascisme zoveel aan te danken heeft. Met name Marcuse heeft in Eros en cultuur (1955) de nauwe samenhang laten zien tussen de door Freud geanalyseerde repressie van het libido (die we in het huidige conservatisme zien) en de door Marx bekritiseerde uitbuitende werking van het kapitalisme. 


De arbeider moet immers werken voor de kapitalist en moet daarom zijn natuurlijke neiging tot genieten (wat Freud het “lustprincipe” noemde) onderdrukken ten faveure van de harde economische werkelijkheid, waaraan hij zich moet aanpassen (Freuds “realiteitsprincipe”). In die zin zijn, volgens Marcuse, economische uitbuiting en psychische repressie nauw verbonden. Naarmate de kapitalistische uitbuiting toeneemt, naarmate de arbeider harder en langer voor de kapitalist moet werken, neemt voor de arbeider ook de libido-repressie toe, aangezien werken steeds meer ten koste moet gaan van genieten. Vanuit het freudo-marxisme kunnen we de huidige opkomst van het conservatisme ten aanzien van seksualiteit dan ook goed begrijpen, namelijk als duidend op toenemende kapitalistische uitbuiting.


Marcuse spreekt in dit verband van “surplus-repressie”, dwz. de extra libido-repressie die nodig is om de kapitalistische klasse-overheersing in stand te houden: “Surplusrepressie (overbodige, overmatige onderdrukking) gebruik ik als term voor de beperkingen die nodig worden door de sociale overheersing. [...] Surplusverdringing is het deel binnen de totale structuur van de verdrongen persoonlijkheid dat voortspruit uit specifieke maatschappelijke omstandigheden, die speciaal in het belang van de overheersing worden gehandhaafd.” (Marcuse 2022: 59, 103) Dat Marcuse hier het voorvoegsel “surplus-” gebruikt, duidt niet alleen op wat hij het “overbodige, overmatige” karakter van deze repressie noemt, die louter het gevolg is van klasse-overheersing (en dus niet van de eisen van beschaving als zodanig, zoals Freud dacht). Voor de goede dwz. marxistische verstaander is dit voorvoegsel tevens een verwijzing naar Marx’ begrip van “surplus-productie” waarop elke klassenmaatschappij is gebaseerd. 


Het surplus-product (ook wel “surplus-waarde” genoemd) is bij Marx wat de arbeidende klasse extra moet produceren, bovenop de minimale welvaart die de arbeidersklasse voor haar voortbestaan nodig heeft (en waarbij de feitelijke vaststelling van dit minimum altijd het resultaat is van klassenstrijd). Het is dit economisch surplus dat door de heersende klasse wordt afgeroomd en waardoor de klasseheerschappij in stand kan worden gehouden (bijv. doordat het in staat stelt om een militair apparaat te bekostigen, om arbeidersopstanden neer te kunnen slaan). Surplus-repressie is bij Marcuse dan ook de extra libido-repressie die nodig is voor psychische aanpassing aan klasse-overheersing en de bijbehorende economische schaarste, die door afroming van het surplus-product ontstaat.


Marcuse’s historisering van Freud

Schaarste speelt een centrale rol in de psychoanalyse. Volgens Freud was economische schaarste (“Lebensnot”) het onvermijdelijk lot van de mensheid, die echter tevens door een “natuurlijke arbeidsschuwheid” gekenmerkt wordt. Van nature wordt de mens beheerst door een “lustprincipe” dat streeft naar onmiddellijke behoeftebevrediging met minimale inspanning; maar deze aangeboren hedonistische houding botst op de harde realiteit van schaarste. “In het zweet uws aanschijns zult gij werken voor uw brood”, aldus Genesis 3:19. Tegenover het lustprincipe zou volgens Freud dan ook in de psyche een “realiteitsprincipe” ontstaan, dat de mens dwingt zijn behoeften uit te stellen of zelfs helemaal te onderdrukken en zijn driftenergie in te zetten voor nuttig werk. 


“Hier ligt een centrale gedachte van Freuds theorie”, aldus Marcuse: “Als er geen oorspronkelijke “arbeidsdrift” is, dan moet de voor het onaangename werk nodige energie worden “onttrokken” aan de primaire driften, dus aan de geslachtsdriften [...]. In Freuds ogen krijgt de cultuur dus ‘een groot deel van de psychische energie die ze nodig heeft door die aan de seksualiteit te onttrekken.’” (Marcuse 2022: 98) Volgens Freud wordt het libido in naam van de beschaving onderdrukt en tevens “gesublimeerd”, dwz. gekanaliseerd in nuttige arbeid en bevredigd op een ‘hoger niveau’ zoals in sport, wetenschap en kunst. Alleen in de vrije scheppingen van de verbeelding mag het lustprincipe zich nog min of meer onbeperkt uitleven; de bevrediging is daar immers ‘slechts fantasie’, geen werkelijkheid en dus maatschappelijk ongevaarlijk.


Freud had echter een wezenlijk ahistorische visie op de menselijke beschaving en de rol van libido-repressie daarin; vanwege de schaarste als het onvermijdelijke lot van de mens zou élke maatschappij zich aan de repressieve eisen van het realiteitsprincipe moeten aanpassen. Volgens Marcuse zag Freud daarmee echter de historische relativiteit van het begrip “schaarste” over het hoofd. Vanuit marxistisch oogpunt hangt de mate waarin een maatschappij geteisterd wordt door schaarste immers niet alleen af van de stand van de technologische ontwikkeling van de productiemiddelen, maar ook van de politiek-economische ordening van die maatschappij. Freuds argument dat schaarste en dus libido-repressie inherent zijn aan beschaving als zodanig, ging er bij Marcuse dan ook niet in: 


“Dit argument, dat steeds weer in Freuds metapsychologie opdoemt, is echter onjuist in zoverre het deze situatie aan het brute feit van de schaarste toeschrijft. In werkelijkheid is de situatie echter het gevolg van een bepaalde ordening van de schaarste en van een bepaalde levenshouding die door deze ordening wordt opgelegd.” (Marcuse 2022: 60) 


Een klassenmaatschappij creëert immers kunstmatige schaarste doordat de heersende klasse zich het gros van de welvaart toe-eigent, terwijl een egalitaire samenleving de schaarste kan minimaliseren door de welvaart gelijk te verdelen. Het is deze kunstmatige schaarste, die dus door surplus-afroming wordt gecreëerd, die zich psychisch als surplus-repressie manifesteert.


De neoliberale wending 

Zoals gezegd, vanuit Marcuses perspectief kunnen we de huidige opkomst van een conservatieve seksuele moraal goed begrijpen als het psychische gevolg van toenemende kapitalistische uitbuiting. De repressie van het libido neemt toe en wordt surplus-repressie, wat duidt op groeiende surplus-productie, dwz. toenemende uitbuiting van de werkende klasse. En inderdaad, kijken we naar de neoliberale wending die zich in de jaren ‘80 en ‘90 heeft voltrokken, dan zien we dat de machtsverhouding tussen arbeid en kapitaal drastisch is gekanteld, ten gunste van het kapitaal – zoals met name Piketty met een stortvloed aan historisch-economische data heeft laten zien. Daarmee kwam een einde aan de verzorgingsstaat die vanaf de jaren ‘30 door westerse overheden was opgebouwd.

Deze geschiedenis mag inmiddels als bekend verondersteld worden, maar voor de duidelijkheid zullen we de belangrijkste stadia ervan toch even doornemen. In de verzorgingsstaat werd de macht van het kapitaal flink ingeperkt ten gunste van de arbeidersklasse – om diverse redenen: ten eerste om de economische crisis van de jaren ‘30 op te lossen (die was veroorzaakt door het laissez faire-kapitalisme van de roaring twenties), maar ook om de loyaliteit van de arbeidersklasse te ‘kopen’ in de oorlogsinspanning tegen nazi-Duitsland en later in de Koude Oorlog tegen het Sovjet-communisme. Zolang de dreiging van het communisme reëel was, moest de arbeidersklasse tevreden gehouden worden, om het communisme de wind uit de zeilen te nemen. 


Toen echter in 1989 de Berlijnse Muur viel en 1991 de Sovjet-Unie definitief instortte, was dit ‘pamperen’ van de arbeidersklasse niet meer nodig. De dreiging van het communistisch alternatief was weggevallen; het kapitalisme had de historische strijd der ideologieën gewonnen, wat Fukuyama (1992) triomfantelijk het ‘Einde van de Geschiedenis’ noemde. De roaring twenties herleefden in de roaring nineties.


De kapitalistische klasse, die de hoge belastingdruk door de verzorgingsstaat allang spuugzat was, greep haar kans en verhief het neoliberalisme tot nieuwe heersende ideologie: ‘There is no alternative’ zei Thatcher. Door de opkomende globalisering in de jaren ‘80 kon het kapitaal zich sowieso gemakkelijker ontworstelen aan regulering door natiestaten – het gevolg was een mondiale race to the bottom: landen moesten hun lonen, milieuregels en belastingen op kapitaal wel naar beneden bijstellen, om te voorkomen dat rijken en multinationals naar elders zouden verhuizen. Belastingparadijzen werden opgetuigd om aan de wensen van het kapitaal tegemoet te komen, ook in Nederland. En de arbeidersklasse? Die werd verleid met het fabeltje van trickle down economics: laat de rijken maar rijker worden, hun rijkdom zal – door hun investeringen en luxe consumptie – vanzelf naar beneden sijpelen, zodat uiteindelijk iedereen ervan profiteert. Inmiddels weten we beter.


Wat de neoliberale wending betekende voor de inkomenspositie van de werkende klasse wordt het duidelijkst geïllustreerd door de ontwikkeling van de zogenoemde “arbeidsinkomensquote” (AIQ), die aangeeft hoe het BBP – dus wat met z’n allen produceren – verdeeld wordt over de werkende klasse en het kapitaal. Een AIQ van 100 procent zou betekenen dat alles naar de werkende klasse gaat, wat vanzelfsprekend in de praktijk nooit het geval is. We zien juist dat de AIQ als gevolg van de neoliberale wending de afgelopen 50 jaar flink naar beneden is gegaan. Was de AIQ tijdens het hoogtepunt van de verzorgingsstaat in de jaren ‘70 fors boven de 80 procent, deze is nu gedaald naar ongeveer 70 procent (in Nederland, maar in andere westerse landen is de ontwikkeling niet veel anders geweest). 10 procent daling lijkt misschien niet al te veel, maar als je bedenkt dat de kapitalistische klasse een kleine minderheid vormt ten opzichte van de werkende klasse (die bijna de hele bevolking omvat), dan snap je dat deze verschuiving neerkomt op een enorme verrijking van die bezittende minderheid. 


Volgens een recent rapport van het Wetenschappelijk Bureau van de SP moet de AIQ nu zelfs nog verder naar beneden bijgesteld worden, van 70 naar 60 procent (dit vanwege een systematisch bevoordeling van het kapitaal in de oude rekenmethode, die in het rapport is gecorrigeerd; zie Kuin & Linssen 2025: 25-27). De neoliberale wending heeft dus tot een nog grotere verschuiving van welvaart – van de werkende klasse naar de bezittende klasse – geleid dan standaard wordt aangenomen.


Waarom het topless zonnen van de stranden is verdwenen

Marxistisch gezegd: door de neoliberale wending is de surplus-productie flink toegenomen. En daardoor is, Marcusiaans gezegd, ook de surplus-repressie flink toegenomen. Door de verslechterende positie van de werkende klasse tegenover het kapitaal is de kunstmatige schaarste immers flink toegenomen: voor de werkende klasse is de koopkracht drastisch omlaag gegaan, terwijl de concurrentie en onzekerheid op de arbeidsmarkt en de algehele “neoliberale precariteit” van het bestaan juist drastisch omhoog zijn gegaan. Onder het neoliberalisme zijn de duimschroeven flink aangedraaid. 


Kijk alleen al naar de wooncrisis, die het voor veel mensen – vooral jongeren – steeds moeilijker maakt om fatsoenlijke en betaalbare woonruimte te vinden. En zoals Freud zei: schaarste is de harde realiteit die repressie van het libido vereist, om nuttige arbeid in de plaats te laten komen van plezier. Toenemende kunstmatige schaarste door de neoliberale wending verklaart zo de toenemende libido-repressie, die we in het conservatiever worden van de seksuele moraal duidelijk waarnemen. 


De huidige opkomst van het conservatisme is in die zin het resultaat van een lang maatschappelijk proces dat rond 1990 werd ingezet: de neoliberale wending. Na de seksuele bevrijding van de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 zien we na 1990 de conservatieve seksuele moraal dan ook geleidelijk terugkeren en om zich heen grijpen. Neem bijvoorbeeld het topless zonnen op de stranden dat rond 1990 de normaalste zaak van de wereld was maar rond 2000 min of meer is verdwenen. Waarom? 


Vanuit het freudo-marxisme kunnen we deze trieste ontwikkeling begrijpen als een eerste manifestatie van de strengere libido-repressie als gevolg van de toenemende kapitalistische uitbuiting onder het neoliberalisme. Zo bezien loopt er van het verdwijnen van het topless zonnen rond 2000 een rechtstreekse lijn naar hedendaagse fenomenen als de trad wives, de no fap-beweging, de afnemende acceptatie van queer en trans, en het jaarlijkse gekrakeel rond de Week van de lentekriebels. Het einde van het topless zonnen was het begin van het Trump-fascisme. De terugkeer van de bikini-top luidde de neoliberale intensivering van de surplus-repressie in.

De interne contradictie van het neoliberalisme

Maar nu stuiten we weer op de paradox dat dit fascisme, volgens de analyse van Thijs Lijster, juist begrepen moet worden als hedofascisme, dat met zijn exclusieve ‘claim op genot’ de massa’s verleidt en mobiliseert tegen het belerende ‘linkse vingertje’. Hedendaags radicaal-rechts wordt, kortom, gekenmerkt door een opvallende contractie: enerzijds de conservatieve surplus-repressie van het libido, anderzijds de hedonistische belofte van ongegeneerd genot. Hoe moeten we deze contradictie, deze ambivalente verhouding tot genot, begrijpen? Als we marxistisch uitgaan van het primaat van de economische onderbouw vis-à-vis de ideologische bovenbouw, dan moeten we de wortel van deze contradictie zoeken in het neoliberale kapitalisme zelf. 


En die wortel is dan snel gevonden. Enerzijds snappen we nu immers hoe het conservatiever worden van de seksuele moraal een gevolg is van de neoliberale wending, waardoor de economische duimschroeven zijn aangedraaid. Anderzijds is echter ook gemakkelijk in te zien hoe het hedendaagse hedonisme onlosmakelijk samenhangt met het kapitalistisch consumentisme, dat immers gebaat is bij een grenzeloos streven naar genot en de commerciële bevrediging daarvan. Enjoy! is immers het motto van de consumptiemaatschappij. 


Zo bezien wordt de werkende klasse onder het neoliberalisme aan tegengestelde eisen blootgesteld: enerzijds aangespoord tot onbeperkte consumptie, anderzijds daarin juist afgeremd door het aandraaien van de neoliberale duimschroeven, waardoor het (financiële) vermogen tot consumptie drastisch wordt ingeperkt, althans voor de werkende klasse. Geen wonder dat het hedendaagse rechtspopulisme zo’n ambivalente relatie tot genot heeft. De interne contradictie van het hedofascisme – Enjoy but repress! – is simpelweg de ideologische uitdrukking van de interne contradictie van het neoliberale kapitalisme, dat enerzijds consumenten aanspoort tot onbeperkte genotconsumptie maar tegelijk hun vermogen daartoe inperkt. 


De neoliberale oplossing voor dat laatste probleem, namelijk de ongekende versoepeling in kredietverstrekking aan consumenten en dito groei van consumenten-schulden vanaf de jaren ‘90, heeft die contradictie alleen maar geïntensiveerd. Enerzijds stelt krediet in staat om de toegenomen neoliberale schaarste te omzeilen, om geld uit te geven dat je eigenlijk niet hebt, om lekker onverantwoord te genieten – buy now, pay later –, anderzijds draagt de evenredig toenemende schuld juist bij aan het verder aandraaien van de neoliberale duimschroeven. Zelfs de financiële crisis van 2008, die het gevolg was van al te gemakkelijke hypotheekverstrekking, heeft daar geen enkele verandering in gebracht: sindsdien zijn niet alleen de staatsschulden maar ook de schulden bij bedrijven en huishoudens tot recordhoogtes gestegen (zie Rotmans 2021: 47-49). Deze dialectiek van consumptie, krediet en schuld is een noodzakelijk gevolg van de neoliberale contradictie tussen de eisen van onbeperkt consumentisme en toenemende kunstmatige schaarste.


Gebruikte literatuur
– Kuin, Ruud & Linssen, Bart (2025), Klassenstrijd 2025: Een uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP. Download: https://www.sp.nl/nieuws/wetenschappelijk-bureau-sp-presenteert-klassenstrijd-2025 

– Lijster, Thijs (2025), “Hedofascisme”, in: De Groene Amsterdammer, 22 mei 2025, jaargang 149, nr. 21.

– Marcuse, H. (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

Rotmans, Jan (2021), Omarm de chaos. Amsterdam: De Geus.






Poetin, Baudet en de Dreiging van het Fascisme

De maskers van rechts-populistische politici als Trump en Baudet zijn afgevallen. Daarachter zien we het grijnzende gelaat van de Hitler van onze tijd, Vladimir Poetin. Rechts-populistische partijen als Forum voor Democratie blijken verlengstukken te zijn van Poetins al jaren durende poging om het Westen te destabiliseren en onze democratieën te ondermijnen.

 

Natuurlijk is er meer aan de hand: de opkomst van het rechts-extremisme kan niet alleen aan Poetin geweten worden. Het Westen kampt al veel langer met grote interne problemen die racisme en fascisme in de hand werken; hier hoefde Poetin alleen maar tendensen aan te wakkeren die sowieso al aanwezig waren. Maar waar komen deze tendensen vandaan? Hierbij loont het de moeite om goed te kijken naar de parallellen met de opkomst van het fascisme in de jaren ‘30 van de vorige eeuw – een opkomst die uiteindelijk resulteerde in de Tweede Wereldoorlog. Net zoals wij nu op de rand staan van een Derde Wereldoorlog…

 

Terug naar de jaren ‘30

De westerse wereldorde bevindt zich al jaren in een verdiepende crisis, aangedreven door het neoliberale hyperkapitalisme, de almaar groeiende kloof tussen tussen arbeid en kapitaal, tussen rijk en niet-rijk (nog verergerd door de coronapandemie) én de escalerende klimaatcrisis. Nu de gierende inflatie ook haar duit in het zakje doet, kan deze crisis razendsnel ontsporen in een regelrechte economische crash.

In het licht van deze complexe crisis moet de opkomst van het racisme, fascisme en het bijbehorende complot-‘denken’ begrepen worden. De parallellen met de opkomst van het fascisme in de jaren ‘30 van de vorige eeuw zijn opvallend. Net als nu bevond het kapitalisme zich toen in een diepe crisis, de Great Depression, waardoor wereldwijd de armoede en maatschappelijke onvrede enorm toenamen. Het fascisme ontstond als een manier om die onvrede te kanaliseren op zo’n manier dat het kapitalistische systeem daardoor niet geraakt werd, namelijk door de onvrede te projecteren op fictieve oorzaken, zoals in de nazi-mythe van het Joodse complot.

De huidige complottheorieën hebben precies dezelfde functie: ze projecteren de maatschappelijke onvrede op fictieve oorzaken, zoals ‘de satanistische pedofielen’ van ‘de mondiale linkse elite’ die met de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties een totalitair systeem à la China willen vestigen, de zogenaamde “Great Reset” – een complottheorie die zo gestoord is dat het weinig zin heeft om er inhoudelijk op in te gaan.

Binnen het extreemrechtse complot-‘denken’ blijft de échte oorzaak van de crisis, het disfunctioneren van het neoliberale kapitalisme, buiten schot. Ook de racistische afleidingsmanoeuvre, die de oorzaak van de crisis bij ‘de buitenlanders’ legt, hoort bij deze extreemrechtse strategie.

Complottheorieën als QAnon of de Great Reset klinken misschien radicaal, maar ze vormen totaal geen bedreiging voor de kapitalistische machtsverhoudingen die de échte wortel van de crisis vormen. Daarom worden complottheorieën ook verspreid en daarom zijn ze ook zo populair. Ze zijn een gemakzuchtige manier om de onvrede te kanaliseren zonder het systeem daadwerkelijk te hoeven veranderen. 

Door juist ‘linkse’ politici tot doelwit van deze complottheorieën te maken, beschermt het kapitalisme zich des te beter tegen linkse hervormingen – hervormingen die juist nu in tijden van economische crisis keihard nodig zijn. Niet voor niets was ook het fascisme uit de jaren ‘30 rabiaat anti-socialistisch. 

En net als toen hebben ook nu de complottheorieën een uitgesproken antisemitisch karakter, bijvoorbeeld als ze zich richten op de Joodse miljardair George Soros. De nazi-mythe van het Joodse complot leeft voort in het huidige complot-‘denken’. En zoals altijd gaat ook nu de opkomst van het fascisme gepaard met geweld, haat en discriminatie, zoals vreemdelingenhaat, antisemitisme, vrouwenhaat en LHBTI-haat. Oproepen tot geweld (“Er komen tribunalen”), verbale intimidaties en doodsbedreigingen door misleidde of gestoorde volgelingen van Baudet en Willem Engel zijn aan de orde van de dag.

 

Poetin als ‘Sterke Leider’ 

Fascisme is van nature anti-democratisch. Het gaat uit van de cultus van de ‘Sterke Leider’ en heeft geen vertrouwen in de democratie als hét middel tot collectieve probleemoplossing. In dat kader moet de bizarre verering voor Poetin begrepen worden door figuren als Trump, Nigel Farage, Marine le Pen en Baudet, die zelfs een beetje verliefd op Poetin lijkt te zijn en deze gruwelijke massamoordenaar een “viriele vent” noemt. Rechts-populistische politici zien in Poetin de grote, sterke, witte, masculiene leider en daadkrachtige uitdager van de in hun ogen ‘slappe’ en ‘verwijfde’ westerse democratie. Ook Geert Wilders heeft in het verleden gedweept met Poetin en heeft zich tijdens een bezoek aan Rusland een vriendschapsspeldje op laten spelden, terwijl het MH17-proces in volle gang was…

Deze giftige liefde kwam van beide kanten: zoals Trump, Farage, Le Pen, Baudet en Wilders een fascistische bewondering koesteren voor Poetin als Sterke Leider, zo houdt Poetin op zijn beurt van de rechts-populistische politici in het Westen. Zeer zeker niet uit bewondering, maar puur uit strategisch eigenbelang: figuren als Trump en Baudet zijn de “bruikbare idioten” die Poetin inzet om het Westen van binnenuit te verzwakken. Waarom? Heel eenvoudig: de westerse democratie is levensgevaarlijk voor de dictator Poetin.

 

Aanval op de democratie 

Poetin is er alles aan gelegen om chaos te zaaien in westerse landen, om zo het ideaal van de westerse democratie onderuit te halen. Daarom draait hij de gaskraan naar het Westen steeds verder dicht en drukt hij overal waar hij maar kan de democratie hardhandig de kop in. Zoals twee jaar geleden in Wit-Rusland, waar collega-dictator Loekasjenko met behulp van Poetin de democratische protesten tegen zijn regime met bruut geweld heeft neergeslagen. 

Voor elke dictator is democratie immers de grootste vijand. Mede daarom is Poetin Oekraïne binnengevallen: Oekraïne was en is gelukkig nog steeds een ontluikende democratie en vormt daarmee een ‘groot gevaar’ voor buurland Rusland. Want stel je voor dat de Russen geïnspireerd zouden raken door het Oekraïense voorbeeld?! Dat kon Poetin echt niet laten gebeuren.

Maar het gaat Poetin niet alleen om het onderuit halen van het westerse ideaal van democratie; het gaat hem ook om het regelrecht verzwakken van het Westen. Een intern verdeeld Westen staat immers minder in de weg van Poetins imperialistische ambities, zijn gedroomde herstel van het ‘Grote Russische Rijk’ ten tijde van de Tsaren en de Sovjet-Unie. Dáárom voelt Poetin zich bedreigd door de NAVO, niet omdat de NAVO een bedreiging zou vormen voor Rusland zelf (want dat is niet zo), maar omdat de NAVO als enige een stokje kan steken voor Poetins imperialistische uitbreidingsplannen. Loekasjenko heeft al eerder dit jaar laten doorschemeren, waarschijnlijk per ongeluk, dat ook Moldavië op het menu van Poetin staat. En ook Georgië en de Baltische staten vrezen zeer terecht een Russische inval.

Vandaar Poetins niet aflatende poging om tweedeling en verwarring te zaaien in het Westen door het online verspreiden van nepnieuws en complottheorieën via Russische trollen en bots. En deze campagne tegen de westerse democratie nam óók de vorm aan van financiële steun aan rechts-populistische politici zoals Nigel Farage, Marine le Pen en Baudet. Van Farage en Le Pen is bekend dat ze geld vanuit Russische hoek hebben ontvangen. De Brexit, waardoor de EU en het VK tegen elkaar zijn uitgespeeld, is mede door Russisch geld mogelijk gemaakt.

Ook Baudet lijkt Russisch geld aangenomen te hebben. Het heeft er alle schijn van dat hij in de aanloop naar het Oekraïne-referendum van 2016 nauw samenwerkte met een aan het Kremlin verbonden Rus. In appberichten, die door Zembla en De Nieuws BV naar buiten zijn gebracht, verwijst Baudet naar betalingen van deze man, die hij omschrijft als “een Rus die werkt voor Poetin”. Volgens lolbroek Baudet waren deze berichten bedoeld als “grapjes”, maar voormalig FvD-bestuurslid Henk Otten zag destijds de humor er niet van in en waarschuwde Baudet meermaals voor Russische invloeden.

 

Inmenging in Amerikaanse verkiezingen 

Poetins campagne om het Westen te destabiliseren door middel van online nepnieuws en complottheorieën bereikte een hoogtepunt tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 en 2020. De Mueller-commissie, die in opdracht van de Amerikaanse Senaat onderzoek deed naar mogelijke illegale samenwerking tussen Trump en de Russen, vond uiteindelijk geen bewijs voor samenwerking maar wel voor Russische inmenging in de verkiezingen van 2016 “in sweeping and systematic fashion”.

Poetin zag heel duidelijk dat Trump een splijtzwam zou zijn in de westerse democratieën en dat het daarom lonend was om Trump te steunen. Dit gebeurde bijvoorbeeld door het lekken van gehackte informatie, zoals de gestolen emails van Hillary Clintons campagne-team. Ook het verspreiden van de QAnon-complottheorie – waarin Trump een messiaanse rol krijgt toebedeeld in het ontmaskeren van de linkse, satanistische ‘deep state’ – speelde een grote rol in de Russische desinformatie-campagne, zoals bleek uit onderzoek door persbureau Reuters. Ook tijdens de Amerikaanse verkiezingen van 2020 hebben de Russen een desinformatie-campagne gevoerd met als doel het beschadigen van Biden.

Dat Trump uiteindelijk op de proppen kwam met zijn Grote Leugen over verkiezingsfraude door de Democraten ‒ een leugen die culmineerde in de gewelddadige bestorming van het Capitool door Trump-aanhangers ‒ moet Poetin als muziek in de oren hebben geklonken. Zijn doel was om de Amerikaanse democratie te destabiliseren middels een online desinformatie-campagne; dat Trump uiteindelijk zelf probeerde om die democratie middels een coup om zeep te helpen was meer dan Poetin ooit had kunnen dromen.

 

Fascisme: een tikkende tijdbom 

Poetins aanval op Oekraïne heeft alles op scherp gezet. Het is een demasqué: de maskers van rechts-populistische politici als Trump en Baudet zijn definitief afgevallen. En achter die maskers zien we het grijnzende gelaat van de Hitler van onze tijd, Vladimir Poetin. Zijn imperialistische, moorddadige, terroristische dictatuur is het summum van fascisme. En de rechts-populistische politici in het Westen zijn zijn werktuigen, al dan niet met financiële steun vanuit Rusland. Als we hier niet tegen opstaan, dan blijft het gif van fascisme voortwoekeren en onze democratische rechtsstaat ondermijnen.

De toekomst is wat dat betreft weinig rooskleurig. We weten van de jaren ‘30 dat economische crisis altijd een vruchtbare voedingsbodem is voor vreemdelingenhaat en het fascistische verlangen naar een Sterke Leider. En die economische crisis zit er duidelijk aan te komen. De wereldwijde schuldenberg – een “tikkende tijdbom” volgens professor Jan Rotmans – is inmiddels tot recordhoogte gestegen. Het wachten is op het moment dat door de almaar stijgende inflatie de eerste particulieren, bedrijven en landen niet meer aan hun schulden kunnen voldoen, met een kettingreactie van faillisementen en staatsbankroeten tot gevolg. Italië en zelfs Groot-Brittannië staan al economisch op omvallen.

Nout Wellink, de oud-president van De Nederlandsche Bank, sprak zich recent in zeer alarmerende bewoording uit over de historisch hoge schuldenlast in combinatie met de huidige inflatie: “Als je het stro klaar legt en de benzine eroverheen giet, dan gebeurt er niks. Tot er een lucifer bij gehouden wordt.” Poetins oorlog tegen Oekraïne en de daardoor veroorzaakte energiecrisis zouden best wel eens die lucifer – of vlammenwerper – kunnen zijn.

Het is nu al zo dat vluchtelingen aan de grenzen van Europa met steeds meer geweld worden behandeld. De vluchtelingen uit Oekraïne werden tot voor kort nog met open armen in Europa ontvangen. Maar hoe lang zal onze solidariteit met vluchtelingen nog duren als de economische malaise echt toeslaat? En wat als deze vluchtelingen geen witte Europeanen zijn, zoals de Oekraïners, maar mensen met een andere etnische achtergrond? Dan kan de vreemdelingenhaat ineens heel hard om zich heen slaan. De opvangcrisis in Ter Apel heeft al laten zien dat onze solidariteit vrij beperkt is, zeker als gaat om vluchtelingen met een kleurtje. Wees daarom waakzaam! Laten we onze medemenselijkheid streng bewaken en geef fascisme en racisme geen kans! Dit is een herschreven versie van een artikel dat eerder verscheen bij Joop, 10-2-2022.