Showing posts with label klimaatverandering. Show all posts
Showing posts with label klimaatverandering. Show all posts

Marcuse en de ‘irrationele rationaliteit’ van de eendimensionale maatschappij

 

Een van de interessantste – en meest actuele aspecten – van Marcuses analyse van de “eendimensionale maatschappij” is zijn visie op de “irrationele rationaliteit” ervan. De eendimensionale maatschappij wordt volgens Marcuse volledig beheerst door (instrumentele) rationaliteit – door technologie en wetenschappelijke kwantificatie, door efficiency-denken en de monetarisering van alle waarden (als ergens geen prijskaartje aan gehangen kan worden, dan is het waardeloos), en door de exclusieve focus op economische groei en winstmaximalisatie – met als uitkomst een kille, keiharde maatschappij die door en door irrationeel is. 


De “meest onpartijdige aanklacht” aan dovemansoren gericht

In die zin zegt Marcuse: “Het samengaan van toenemende productiviteit en toenemende vernietigingskracht, het roekeloos omgaan met de mogelijkheid van de totale vernietiging [...], het in stand houden van ellende tegenover ongekende rijkdom, vormen de meest onpartijdige aanklacht – ook al zijn ze niet de raison d’être van deze maatschappij, maar slechts haar bijproduct: haar verregaande rationaliteit, die de efficiëntie en de groei drijft, is zelf irrationeel.” (Marcuse 2023: 27) Deze irrationaliteit van de heersende orde – die zo duidelijk blijkt uit de “valse behoeftes” van het consumentisme, de verspillende planned obsolescence van producten, de grootschalige industriële vervuiling van het milieu en vernietiging van de natuur, de constante dreiging van een allesverwoestende kernoorlog (tijdens de Koude Oorlog) – deze irrationaliteit vormt, zoals Marcuse zegt, “de meest onpartijdige aanklacht”. 


Het is desalniettemin een aanklacht die aan dovemansoren is gericht, omdat in de eendimensionale maatschappij rationaliteit en irrationaliteit onontwarbaar met elkaar verstrengeld zijn. Daardoor kunnen belangrijke mannen met stropdassen elk negatief aspect goedpraten als zijnde ‘nou eenmaal noodzakelijk voor onze veiligheid en welvaart’. Daartegen protesteren is leuk als je jong bent, maar als volwassene – met een drukke baan, een hypotheek, studerende kinderen en twee auto’s voor de deur – weet je wel beter. Vandaar het gezegde: “Als je jong bent en niet links, dan heb je geen hart. Maar ben je als volwassene nog steeds links, dan heb je geen verstand.” In de eendimensionale maatschappij sluiten hart en verstand elkaar uit: wie verstandig is, accepteert de harteloosheid van dit systeem als een noodzakelijk kwaad. Aldus Marcuse: “binnen en tegenover de dodelijk efficiënte organisatie van de hedendaagse welvaartsmaatschappij doet niet alleen het radicale protest zelf belachelijk, kinderlijk en onvolwassen aan, maar ook de pogingen om dat protest onder woorden te brengen, het te formuleren en te beargumenteren.” (Marcuse 2022: 26)


Vernietiging van de natuur? Onze industrie heeft toch grondstoffen nodig. Dreigende kernoorlog? Het is juist de Mutually Assured Destruction die nucleaire grootmachten van oorlog afhoudt (de zogenoemde MAD-doctrine). Verspilling door planned obsolescence? Nodig voor de winstgevendheid van bedrijven en daarmee voor de werkgelegenheid. Ongelijkheid tussen arm en rijk? Goed voor de competitieve, hardwerkende en innoverende “spirit of capitalism” – een typisch neoliberaal punt, dat bijvoorbeeld door Boris Johnson werd gemaakt toen hij nog burgemeester van London was en door een interviewer werd geconfronteerd met de groeiende ongelijkheid in zijn stad: “Ik geloof niet dat economische gelijkheid mogelijk is. Sterker nog, een mate van ongelijkheid is essentieel voor de geest van afgunst en het ‘keeping up with the Joneses’. Afgunst en hebzucht zijn waardevolle stimulansen voor economische activiteit.” (The Guardian 27-11-2013)


De madness van de MAD-doctrine

Het is precies deze onontwarbare verstrengeling van instrumentele rationaliteit en irrationaliteit die de moderne welvaartsmaatschappijen eendimensionaal maakt: omdat elk negatief gevolg (vervuiling, ongelijkheid, oorlogsdreiging etc.) als rationeel noodzakelijk of op z’n minst als technisch oplosbaar wordt opgevat, is geen enkel negatief gevolg voldoende om mensen aan het systeem als geheel te doen twijfelen. Integendeel: omdat de problemen die het systeem veroorzaakt alleen eendimensionaal dwz. binnen het systeem zelf opgelost kunnen worden, groeien juist de grootste problemen steevast uit tot de grootste stimulansen van het systeem. In die zin zegt Marcuse in de openingszin van De eendimensionale mens: “Dient de dreiging van een atoomramp die het menselijk ras zou kunnen uitroeien niet ook ter bescherming van de krachten die dit gevaar in stand houden? De inspanningen om een dergelijke catastrofe te voorkomen, overschaduwen het zoeken naar de mogelijke oorzaken ervan in de hedendaagse industriële samenleving.” (Marcuse 2023: 23) 


De dreiging van een nucleaire holocaust tijdens de Koude Oorlog had haar wortels in de irrationele tegenstelling tussen twee onderdrukkende systemen: westers kapitalisme en Sovjet-communisme – zoals Thijs Lijster zegt: “tussen twee systemen die beide gebaseerd zijn op ontmenselijking en uitputting van de natuur” (Lijster 2023: 16). Maar in plaats dat deze dreiging van totale vernietiging aanleiding gaf om de tegenstelling te problematiseren (bijvoorbeeld door de derde optie van een klassenloze markteconomie), leidde zij er juist toe dat de tegenstelling verhardde en uitmondde in een waanzinnige wapenwedloop, waarin beide kampen uiteindelijk genoeg kernwapens hadden om al het leven op aarde te vernietigen (de ‘madness’ van de militaire MAD-doctrine). En zoals Marian Donner terecht opmerkt, als we in het bovenstaande citaat van Marcuse het woord “atoomramp” vervangen door “klimaatramp”, wordt de blijvende actualiteit van Marcuses analyse in één klap duidelijk (zie Donner 2022: 25). 


Kapitalisme en klimaatverandering

Want ook voor de huidige en in rap tempo escalerende klimaatcrisis gelden de woorden van Marcuse: “De inspanningen om een dergelijke catastrofe te voorkomen overschaduwen het zoeken naar de mogelijke oorzaken ervan in de hedendaagse industriële samenleving.” Toegegeven: inmiddels is genoegzaam bekend dat de verhitting van de aarde veroorzaakt wordt door de menselijke uitstoot van broeikasgassen, bovenal door de verbranding van fossiele brandstoffen (waarbij het broeikasgas CO2 vrijkomt). Daarom wordt er nu door overheden en bedrijven met veel tamtam ingezet op de “groene transitie” naar “duurzame energiebronnen”. In die zin is er officieel zeker aandacht voor de oorzaken van klimaatverandering. Maar, en dat is waar Donner op doelt, de moverende achterliggende oorzaak – namelijk het extractieve karakter van het kapitalistisch systeem als zodanig – wordt niet ter discussie gesteld. Integendeel, de escalerende klimaatcrisis is juist aanleiding tot verdere uitbouw van dat extractieve systeem, precies omdat de oplossingen voor de crisis alleen binnen het systeem gezocht kunnen worden.


Het systeem blijft steken in techno-fixes. Denk aan de ‘schone’ elektrische auto’s die geen CO2 uitstoten, maar waarvan de batterijen wel het metaal lithium vereisen; als iedereen overschakelt op een elektrische auto of fiets, zal de wereldwijde natuurverwoesting door de benodigde lithium-mijnbouw gigantisch zijn. Of denk aan de diverse vormen van geo-engineering die bedacht worden om het klimaatprobleem op te lossen. Zoals het zonlicht dimmen door met vliegtuigen grote hoeveelheden stofdeeltjes in stratosfeer te brengen. Of kunstmatig regen opwekken door, zoals China doet, raketjes met chemische stoffen in de wolken te schieten. Of door massaal over te schakelen op kernenergie om de CO2-uitstoot naar nul te krijgen. We bestrijden dan de ene ramp door een andere ramp voor te bereiden (nucleair afval blijft duizenden jaren dodelijk radioactief). 


Ultieme klimaatadaptatie: vluchten naar Mars

En dat is dan nog in het gunstigste geval, als er überhaupt wordt nagedacht over de oorzaken achter klimaatverandering en de (technische) oplossingen daarvoor. Er zijn namelijk ook genoeg krachten in het systeem – primair de overweldigende belangen van de fossiele industrie – die pertinent níet af willen van fossiele brandstoffen en olie-gebaseerde producten als plastic, en die ‘problemen’ als klimaatverandering en plastic soup in de oceanen dan maar ‘op de koop toe’ nemen. Vanaf de industriële revolutie eind 18e eeuw heeft de motor van de kapitalistische winstmachine altijd gedraaid op fossiele brandstoffen, en die motor moet wél blijven draaien, nu en in de toekomst, anders ‘stort het systeem in’ (lees: anders maken multinationals niet genoeg winst, en dat vinden de aandeelhouders niet leuk). Tegenover de officiële inzet op duurzame energie staat daarom de even officiële inzet op wat men met een mooi eufemisme “klimaatadaptatie” noemt, wat feitelijk neerkomt op de cynische boodschap: klimaatverandering is onvermijdelijk, leer er maar mee leven. Verhoog de dijken maar tegen de stijgende zeespiegel en koop maar een airco om het hoofd koel te houden. 


Aan het extreme uiteinde hiervan staan de rijkste mannen ter wereld, Bezos en Musk die van gekkigheid niet weten wat ze met hun miljarden aan moeten en daarom maar – als verveelde verwende jongetjes – hun eigen ruimtevaartprogramma’s opzetten, naar eigen zeggen ‘om de mensheid te redden’ van de onvermijdelijke klimaat- en eco-catastrofe (zie Donner 2022a: 23). “We zijn bezig om deze aarde te vernietigen”, zei Bezos. Dus tja, als de mensheid wil overleven, dan móeten we wel de ruimte in (waarbij “de mensheid” blijkbaar wordt gereduceerd wordt tot de superrijken die een ‘one-way ticket’ voor een raket van Bezos kunnen betalen). “Een levensverzekering”, noemt Musk zijn beoogde Marskolonie. Dat zij met elke gelanceerde raket zo’n 300 ton CO2 de atmosfeer inpompen, en zo een aanzienlijke bijdrage leveren aan dezelfde klimaatcatastrofe waarvan zij ‘de mensheid’ willen redden, vormt de perfecte illustratie van de “irrationale rationaliteit” die volgens Marcuse wezenlijk is voor de eendimensionale maatschappij.

Gebruikte literatuur
– Donner, Marian (2022a), De grote weigering. Amsterdam: Prometheus Nieuw Licht.

– Lijster, Thijs (2023), “Voorwoord” bij Marcuse (2023), pp. 7-21,

– Marcuse, H. (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, H. (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.













Heidegger, Wereld en Klimaatverandering

 

Klimaatverandering bedreigt onze wereld! Maar wat bedoelen we eigenlijk als we dat zeggen? Dat lijkt misschien een rare vraag. Is de betekenis van deze uitspraak dan soms onduidelijk? Dringt de pijnlijke waarheid ervan zich niet steeds nadrukkelijker aan ons op? Is de intentie erachter twijfelachtig, alsof degenen die deze uitspraak doen er een dubbele agenda op na zouden houden en niet oprecht zouden willen waarschuwen voor het groeiende gevaar van escalerende klimaatverandering?


De catastrofale gevolgen van mondiale opwarming – veroorzaakt door de menselijke uitstoot van broeikasgassen – komen dagelijks in het nieuws voorbij: recordbrekende hittegolven en dito regenval, bosbranden en overstromingen, smeltende gletsjers en droogvallende rivieren, drinkwatertekorten en mislukkende oogsten, smeltend poolijs en een stijgende zeespiegel, toenemende superstormen en oprukkende tropische ziektes, kelderende biodiversiteit en dreigende massa-extinctie… We kunnen er dagelijks in de krant over lezen, we zien het dagelijks in nieuwsprogramma’s voorbij komen. En dat niet alleen: we ondervinden de gevolgen van escalerende klimaatverandering ook steeds meer aan den lijve – in veel landen is klimaatontwrichting al een dagelijkse realiteit waarmee mensen moeten zien te leven, waarin ze moeten zien te overleven. En als we de wetenschappers moeten geloven, dan wordt het allemaal nog veel erger als we niet heel snel onze uitstoot van broeikasgassen drastisch reduceren. De risico’s zijn groot en moeilijk voorspel- en voorstelbaar, zeker als er tipping points overschreden worden. Dan kan het met de opwarming in vrij korte tijd ineens heel hard gaan: grote delen van de aarde worden dan onleefbaar.


De catastrofale, levensbedreigende impact van klimaatverandering staat dus niet ter discussie. Toch is de betekenis van de uitspraak “Klimaatverandering bedreigt de wereld” fundamenteel onduidelijk, tenminste als we Martin Heidegger mogen geloven. Niet dat Heidegger, mocht hij nu nog leven (hij stierf in 1976 op 86-jarige leeftijd), het gevaar van klimaatverandering zou bagatelliseren als een hoax van ‘de linkse elite’. Heidegger was zeker geen ‘klimaatontkenner’ avant la lettre. Toegegeven, hij was een uiterst rechtse, aartsconservatieve man – een nazi zelfs –, maar wat ecologie betreft stond hij eerder aan de linkerkant. Met zijn radicale kritiek op wat hij het Gestell noemde, dwz. de moderne verschijningswijze van de natuur als louter grondstof voor de technologie en industrie, heeft hij zelfs aanzienlijk invloed uitgeoefend op de opkomende ecologische beweging.


Zo vinden we de binnen de ecologische beweging gangbare kritiek op het antropocentrisme, waarbij de ecologische crisis gezien wordt als noodzakelijk gevolg van de moderne heerschappij van de mens over de natuur, duidelijk voorbereid in Heideggers kritiek op het Gestell. In het Gestell triomfeert volgens hem het ego van de moderne mens die alles aan zichzelf afmeet en onderwerpt: “In het planetaire imperialisme van de technisch georganiseerde mens bereikt het subjectivisme van de mens zijn hoogtepunt.” (Holzwege, 102-103) 


Bij Heidegger treffen we een ‘doemdenken’ aan dat als een rode draad ook door de hedendaagse ecologische beweging heen loopt. Hoewel Heidegger zich in zijn tijd nog geen voorstelling kon maken van de huidige verhitting en uitputting van de aarde, is de dreiging van een ongekende planetaire ramp door onze bevangenheid in het Gestell duidelijk voelbaar in zijn latere werk. Ook bij Heidegger leeft het ecologische angstbeeld van “een verwoeste aarde” die alleen nog dient “om de heerschappij van de mens zeker te stellen” (zie Safranski 2002, 500). Het Gestell als de “troosteloze razernij van de ontketende techniek” kan volgens hem alleen maar eindigen in een algehele “wereldverduistering” (Inleiding, 63-64). Hierin herkennen we duidelijk een voorloper van de hedendaagse klimaatangst, waarin het schrikbeeld van een “wereldverduistering” de vorm aanneemt van een planetaire klimaatcatastrofe.


Maar als Heidegger het planetaire gevaar van klimaatverandering niet zou ontkennen, als hij integendeel deze dreiging zou zien als een bevestiging van zijn analyse van het moderne Gestell, waarom zou de betekenis van de uitspraak “Klimaatverandering bedreigt de wereld” dan toch volgens hem fundamenteel onduidelijk zijn? Het antwoord is gelegen in het begrip “wereld” dat volgens Heidegger uiterst mysterieus is, een begrip waarvan de diepste betekenis ons systematisch ontgaat. Heidegger krabt zich als het ware achter de oren en vraagt zich met stomheid geslagen af: “Wat is dit raadselachtige [dieses Rätselhafte], de wereld, en voor alles: Hoe is zij?” (Grundprobleme, 236) En voorzover ook wij het antwoord op deze vraag schuldig moeten blijven, weten wij dus niet precies wat we bedoelen als we waarschuwen voor het wereldbedreigende gevaar van klimaatverandering. 


Aldus Heidegger: “De opheldering van het wereld-begrip is een van de centraalste opgaven van de filosofie. Het begrip van de wereld, respectievelijk het daarmee bedoelde fenomeen, is datgene wat in de filosofie tot nu toe überhaupt nog niet gekend is… Wereld is niet iets dat achteraf komt, iets dat wij als resultaat uit de som van de zijnden berekenen. De wereld is niet het achteraf komende, maar juist het voorafgaande in de strenge zin van het woord. Voorafgaand: dat wat vooraf, vóór alle vatten van dit of dat zijnde, in ieder existerend Dasein reeds onthuld en verstaan is, voorafgaand als datgene wat zich als het altijd al onthulde tot ons verhoudt. De wereld als het voorafgaand onthulde is iets waarmee wij ons eigenlijk niet bezighouden, iets dat juist zo vanzelfsprekend is dat we het volledig vergeten. Wereld is datgene wat altijd al onthuld is en vanwaar wij terugkomen bij het zijnde waarmee we te maken hebben en waarbij we ons ophouden. Op het binnenwereldlijk zijnde kunnen wij alleen stuiten, omdat wij als existerenden altijd al in een wereld zijn.” (Grundprobleme, 234-235)


Men begint te begrijpen waar Heideggers notoire status als een van de meest obscure – en sommige critici zouden zeggen: een van de meest obscurantistische – filosofen vandaan komt. Het bovenstaande is inderdaad een lastig citaat, dat ons meteen in het diepe gooit en ons opzadelt met een aantal typisch Heideggeriaanse begrippen – Dasein, het zijnde, het binnenwereldlijke, existeren, het voorafgaand onthulde – begrippen die eerst nog uitgelegd moeten worden voordat we Heideggers bedoeling hier ten volle kunnen begrijpen. Laten we daarom de tijd nemen om te achterhalen wat Heidegger precies bedoelt als hij stelt dat wereld als het “voorafgaand onthulde” tot nu toe fundamenteel onopgehelderd is gebleven. Waar het in de kern om gaat is dat we volgens Heidegger het alledaagse, door hem “vulgair” en “ontisch” genoemde wereldbegrip moeten onderscheiden van het filosofische, dwz “fenomenologische” en “ontologische” wereldbegrip:


“We moeten [...] het fenomenologische wereldbegrip streng van het vulgaire prefilosofische begrip van wereld onderscheiden, dat met “wereld” het zijnde zelf, de natuur, de dingen en het geheel van het zijnde bedoelt. Wat dit prefilosofische begrip van de wereld aanduidt, noemen wij filosofisch juist het binnenwereldlijk zijnde, dat zijnerzijds wereld in [...] fenomenologische zin vooronderstelt.” (Grundprobleme, 235-236)


Het alledaagse, “vulgaire” en ontische wereldbegrip duidt op het geheel van datgene wat bestaat, “de zijnden” in Heideggers terminologie (ta onta in het Grieks, vandaar de term “ontisch”): “We gebruiken de term wereld allereerst als ontisch begrip en dan betekent wereld de totaliteit van het zijnde dat binnen de wereld voorhanden kan zijn.” (Zijn en Tijd, 94) Het fenomenologische, ontologische wereldbegrip daarentegen duidt iets aan dat daaraan voorafgaat, iets dat nog fundamenteler is dan de ontische “totaliteit van het zijnde” en dat daarvan de filosofische grondslag of verklaring vormt (logos in het Grieks, vandaar de term “ontologisch”, wat dus duidt op de logos van ta onto, de grondslag van de zijnden).


Het geheel van de zijnden, wat we gewoonlijk het heelal of de kosmos noemen, is volgens Heidegger zo weinig wereld in ontologische zin dat het zelf óók “binnenwereldlijk” genoemd moet worden. Zelfs het alomvattende heelal is slechts een zijnde dat alleen binnen een wereld als het “voorafgaand onthulde” voor ons toegankelijk wordt. Aldus Heidegger: “Het Al van het zijnde is veeleer het binnenwereldlijke, voorzichter gesproken, het kan dit zijn.” (Grundprobleme, 235) Het kán dit zijn, namelijk voorzover we het “Al van het zijnde” kunnen ontdekken en daarover uitspraken kunnen doen als: Het heelal bestaat, Er zijn ongeveer 200 miljard sterrenstelsels in het heelal, Het heelal is 13,7 jaar geleden uit de oerknal ontstaan, etc. Heideggers punt is: voorzover we het heelal qua “totaliteit van het zijnde” als een object kunnen kennen en als zijnde kunnen thematiseren, veronderstellen we reeds een wereld waarin dit zijnde – dit schijnbaar alomvattende zijnde – als thema aan ons kan verschijnen. Wereld is het “altijd al onthulde” omdat het aan de onthulling van elk zijnde ten grondslag ligt en er dus aan voorafgaat.


In die zin omschrijft Heidegger de wereld in ontologische zin ook wel kortweg als Zugänglichkeit von Seiendem (Grundbegriffe, 289 e.v.), dwz. toegankelijkheid als zodanig, datgene wat voor ons het zijnde toegankelijk maakt als het zijnde dat het is. Dat verklaart ook waarom volgens Heidegger de wereld “zo vanzelfsprekend is dat we het volledig vergeten” (Grundprobleme, 235). Als het altijd al onthulde, dat elke toegang tot zijnden voor ons mogelijk maakt, is de wereld zó vertrouwd, zó overbekend en zó dichtbij dat we er steevast overheen kijken, waardoor juist deze altijd al vertrouwde wereld tegelijk ook – paradoxaal genoeg – fundamenteel onbekend, vreemd en mysterieus (“rätselhaft”) blijft. Daarom blijft de wereld, als datgene wat ons in staat stelt om zijnden te thematiseren, zelf altijd “onthematisch”: “Wereld is bij alles wat ons tegemoet treedt altijd al bij voorbaat ontdekt, zij het niet als thema.” (Zijn en Tijd, 116) De wereld is als het oog dat zichzelf niet kan zien, omdat het altijd van zichzelf wég kijkt: evenzo kan de wereld zelf niet als zijnde in het vizier komen, omdat het de ‘plek’ is van waaruit we überhaupt tot het zijnde toegang krijgen.


We moeten volgens Heidegger dus twee begrippen van wereld onderscheiden: het alledaagse, vulgaire en ontische enerzijds en het filosofische, fenomenologische en ontologische anderzijds. Vandaar de fundamentele onduidelijkheid van de uitspraak “Klimaatverandering bedreigt de wereld”. Want in welke betekenis wordt “wereld” hier bedoeld: de ontische of de ontologische? Op welke manier staat de wereld in de escalerende klimaatcrisis op het spel? Is klimaatverandering slechts een ontisch gevaar, dwz. een binnenwereldlijk gevaar, een bedreigend zijnde dat binnen de wereld als het altijd al onthulde op ons afkomt en als zodanig gethematiseerd kan worden? Of is klimaatverandering fundamenteel gezien een ontologisch gevaar, een bedreiging voor de wereld qua het altijd al onthulde, en dus een bedreiging voor de toegankelijkheid van het zijnde als zodanig? Maar wat betekent dat? Hoe kan onze toegang tot het zijnde als zodanig op het spel komen te staan? Kan het ooit zo zijn dat we helemaal geen toegang meer tot het zijnde hebben? Wat moeten we ons daar bij voorstellen? Kunnen we ons daar überhaupt iets bij voorstellen?


Gebruikte literatuur

-Heidegger, M. (2005), Die Grundprobleme der Phänomenologie. Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main.

-Heidegger, M. (2004), Die Grundbegriffe der Metaphysik. Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main.

-Heidegger, M. (2021), Zijn en Tijd. Boom, Amsterdam. 

-Heidegger, M. (1963), Holzwege. Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main.

-Heidegger, M. (1997), Inleiding in de metafysica. SUN, Nijmegen.

-Safranski, R. (2002), Heidegger en zijn tijd. Olympus, Amsterdam.





Hoe de aarde te bewonen? (Tips voor uitwonenden)


Hoe de aarde te bewonen? Dat is hét centrale vraagstuk van onze tijd, om meerdere redenen. De belangrijkste, overkoepelende reden is dat we het bewonen als zodanig zijn verleerd. Eigenlijk zijn we in de loop van een paar honderd jaar tijd – eerst in het Westen, maar door globalisering geleidelijk ook in de rest van de wereld – van bewonen naar uitwonen gegaan. In het dubbelzinnige feit dat we “uitwonend” zijn geworden, schuilt echter ook een zekere hoop. Want wie uitwonend is, kan altijd weer naar huis terugkeren. Ook al wonen we de aarde uit, we kunnen altijd weer thuiskomen op aarde, de aarde als okois, dwz. als huis.


De aarde als gebruikplek

We wonen de aarde uit, zoals junkies een kraakpand uitwonen. Een toepasselijke metafoor, want zijn wij als laat-moderne consumenten niet ook verslaafden? Dwz. slachtoffers van de verslavende, destructieve consumptiepatronen die het neoliberale kapitalisme ons opdringt? Van fossiele brandstoffen tot vlees, van suiker tot tabak (en het nieuwste wapen van de tabaksindustrie: vapen), van alcohol tot gokken, van gamen tot online porno, van de gelegaliseerde drugs van Big Pharma tot de algoritmisch gegenereerde informatiebubbels van Big Tech – we laten ons massaal en ‘uit vrije wil’ vergiftigen door het geglobaliseerde grootkapitaal, dat de wijze les van de drugsdealer ter harte heeft genomen: De beste klant is een verslaafde klant! Deze klant komt namelijk steeds terug voor steeds meer, en is bereid daarvoor steeds harder te werken en zich steeds dieper in de schulden te steken, om steeds meer te consumeren – tot hij of zij er dood bij neervalt. 


En daarbij vergiftigen en vernietigen we niet alleen onszelf, maar ook onze omgeving, ook de aarde en ook al het leven op aarde – van de dieren in de bio-industrie tot alle uitgestorven en met uitsterving bedreigde dier- en plantensoorten in de ‘wilde’ natuur. Een natuur die steeds minder wild is, want steeds meer beheerd, en die ook steeds meer terrein moet afstaan aan de oprukkende kapitalistische ‘beschaving’.


Zoals junkies een leegstaand pand intrekken om er, beschut tegen kou en regen, te gebruiken, te slapen, te eten, hun behoefte te doen en verder niets – zo gebruiken wij de aarde als plek om te gebruiken (‘te consumeren’), ons afval te dumpen en verder niets. Junkies hebben dan nog dit voordeel dat ze, zodra hun gebruikplek volledig is uitgewoond en onleefbaar is geworden, gemakkelijk als sprinkhanen verder kunnen trekken naar een volgend leegstaand pand, etc. Net zolang tot de dood erop volgt of de afkickkliniek een ander leven mogelijk maakt. 


Maar als mensheid hebben wij die luxe niet – zoals klimaatactivisten zeggen: Er is geen planeet B. Wij kunnen niet, zodra de aarde is uitgewoond, naar andere planeten trekken, als een soort kosmische sprinkhanenplaag, om steeds weer elders onze destructieve consumentistische lifestyle voort te zetten. Wij zitten ‘vast’ aan de aarde, ook al willen raketlancerende en ruimtereizende miljardairs als Bezos, Musk en Branson ons anders doen geloven. Zij zijn rijk genoeg om zich de lifestyle van uitwonende consumptie-sprinkhanen te kunnen veroorloven, maar voor de overige 99,999 procent van de mensheid is die luxe niet weggelegd. Gelukkig maar.


De moderne mens als “uitwonende”

We bewonen de aarde niet meer, we zijn “uitwonend” geworden – een term met een toepasselijke dubbelzinnigheid. “Uitwonend zijn” betekent in de volksmond immers: tijdelijk niet thuis wonen, extern ondergebracht zijn, elders leven, ergens in de kost zijn – zoals een student in een studentenhuis, een arbeidsmigrant in een woonkazerne of een handelsreiziger bij een hospita. En zoals met name de studenten weten, valt “uitwonend zijn” in deze betekenis heel vaak samen met “uitwonend zijn” in die andere betekenis: feestend de boel uitwonen, verwaarlozen, niet schoonmaken, de afwas niet doen maar opstapelen in de gootsteen, totdat de muizen over het aanrecht krioelen. De relatie tussen deze twee betekenissen van “uitwonend zijn” is natuurlijk geen verrassing, zelfs niet voor ongestudeerden. Wie uitwonend is, is immers toch niet thuis! Wat kan het schelen als de boel dan naar de klote gaat? Uitwonend zijn nodigt vanzelf uit tot uitwonen. 


Dat wij de aarde niet meer bewonen maar uitwonen, betekent dan ook dat de aarde niet langer ons thuis is: we zijn uitwonenden geworden, elders levenden, vreemde kostgangers, extern geplaatsten, permanente vakantievierders. Dat is natuurlijk een paradox: als we niet meer op de aarde leven, waar leven we dan? Het antwoord is simpel: we leven in onze huizen en winkelcentra, onze scholen en universiteiten, onze kantoren en fabrieken, onze auto’s en cruiseschepen, onze pretparken en all-inclusive vakantieresorts. Tezamen vormen al deze ruimtes, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zegt, de bevoorrechte “binnenwereld van het kapitaal” oftewel de “comfortbroeikas”, waarvan het armste deel van de wereldbevolking is buitengesloten. Natuurlijk staan al deze structuren, gebouwen en ruimtes (met of zonder fysiek dak) óp de aarde, maar dat is bijzaak: ze hadden net zo goed op Mars kunnen staan of enig andere planeet. 


Inderdaad, ze hadden net zo goed als ruimteschepen door de kille, lege ruimte van het heelal kunnen zweven. Zolang onze binnenruimtes maar voldoen aan onze consumentistische wensen, kan de buitenruimte ons gestolen worden. Toevallig staan onze binnenruimtes op de aarde, maar in de geest zijn we al ruimtereizigers, wiens ruimteschepen tijdelijk op de aarde geparkeerd staan. We zijn aardse astronauten geworden. Lichamelijk zijn we nog wel op de aarde, maar geestelijk hebben we al afscheid genomen. We zijn “uitwonenden” geworden, in de dubbele betekenis van het woord. Wat dat betreft zijn wannabe astronaut-miljardairs als Bezos, Musk en Branson niet meer maar ook niet minder dan de avant-garde van de laat-moderne mensheid als geheel, in de ban van de kosmisch-consumentistische sprinkhanen-mentaliteit. Zelfs het armste deel van de wereldbevolking, dat de facto van de kapitalistische binnenwereld is uitgesloten, zit daar naar de geest toch al in, voorzover men de vastbesloten wens koestert om aan de westerse welvaart deel te nemen, hetzij door immigratie, hetzij door lokale economische ontwikkeling naar westers model. 


De globalisering van het kristalpaleis 

In Sloterdijks denken over de kapitalistische binnenwereld speelt het Londense Crystal Palace, dat onderdak bood aan de Wereldtentoonstelling van 1851, een illustratieve rol. Als hét symbool van de economische en technologische vooruitgang van 19de-eeuws Europa wees het Crystal Palace vooruit naar het “uitwonend-zijn” van de mondiale mensheid in de 21ste eeuw (Kristalpaleis, 184). Ontworpen door een Engelse warenhuisarchitect en geheel opgetrokken uit gietijzer en glas, was het Crystal Palace destijds de grootste binnenruimte van de wereld (vier keer groter dan de Sint-Pieter te Rome). Voor de verblufte bezoekers, die zich in deze expositieruimte (annex mega-markthal, annex botanische binnentuin) al flanerend konden vergapen aan de laatste technologische snufjes, gold het Crystal Palace als een wonder van de techniek. Met een kunstmatig binnenklimaat, gereguleerd door een complex systeem van duizenden beweegbare luchtkleppen en een centrale verwarming aangedreven door 27 stoomketels, was het letterlijk een broeikas waarin zelfs enkele monumentale bomen groeiden. 


Het was een buitenwereld die tevens binnen was, omspannen door een kapitalistische “technosfeer”. Naast een fysieke broeikas was het ook een intermenselijke broeikas, waar men zich “geborgen en toch ongeremd” voelde, aldus een van de bezoekers destijds – oftewel een ideale plek om mensen te ontmoeten en sociale relaties aan te knopen. Zo socialiseerde het Crystal Palace zijn bezoekers tot geïntegreerde consumenten van de kapitalistische comfortbroeikas (Sferen III, 239-240). Precies het type mens dat nu de megawinkelcentra en all-inclusive vakantieresorts bevolkt.


Voor Sloterdijk is de kapitalistische globalisering dan ook in essentie het project om heel de wereld in één groot kristalpaleis te veranderen, om heel de aardbol te overkappen met een – zo niet reëel, dan toch denkbeeldig – glazen dak (Kristalpaleis, 209). Globalisering is “het optrekken van een wereldomspannend glazen huis” waarin steeds grotere delen van de wereldbevolking kunnen genieten van de consumentistische lifestyle (Sferen I, 21). Daarin ligt voor Sloterdijk uiteindelijk de profetische betekenis van het Crystal Palace: het wees vooruit “naar een [...] populair kapitalisme [...] waarbij niets minder op het spel stond dan de alomvattende opname van de buitenwereld in een volledig doorgerekende binnenruimte” (Kristalpaleis, 191).


Barsten in het kristalpaleis

Op den duur is dit natuurlijk een onhoudbare positie. Er is, zoals gezegd, geen planeet B. De kosmisch-consumentistische sprinkhanen-mentaliteit is ten diepste gebaseerd op een ideologische, want kapitalistische illusie: dat we van de aarde los kunnen komen of eigenlijk al los van de aarde zíjn. Dat geldt misschien voor astronaut-miljardairs, maar niet voor de overige 99,999 procent. We kunnen de aarde wel uitwonen, maar uiteindelijk slaat deze uitwoning terug op onszelf, uiteindelijk maakt dat ook onze eigen woonruimtes kapot. De wens om de kapitalistische binnenwereld met een glazen overkapping af te schermen van een vijandige buitenwereld – een buitenwereld die vervolgens straffeloos geexploiteerd en vervuild kan worden – deze voor de moderniteit constitutieve wens is extreem quichotisch. Zoals Don Quichot vocht tegen windmolens waarin hij reuzen zag, zo zijn wij verwikkeld in een gevecht met een planeet die wij zien als louter ‘buitenwereld’, aan gene zijde van onze comfortabele binnenwereld. Beide gevallen zijn vormen van waanzin.


Natuurlijk ziet ook Sloterdijk dat de kapitalistische “comfortbroeikas” ten koste gaat van het milieu. Het kapitalisme, zegt hij, “veronderstelt een belastbaar en voorlopig min of meer verwaarloosbaar buiten – niet in de laatste plaats de aardatmosfeer, die door bijna alle spelers als globale vuilstortplaats wordt gebruikt” (Sloterdijk 2006: 212). Maar door de escalerende klimaatcrisis is dit ‘buiten’ niet langer verwaarloosbaar. We kunnen wel broeikasgassen (primair CO2) in de buitenwereld blijven pompen, om onze binnenwereld van fossiele energie te voorzien, maar de daardoor veroorzaakte opwarming van de aarde zal uiteindelijk ook onze comfortabele binnenwereld binnendringen. Ook de Wageningse filosoof Vincent Blok, in zijn recente boek Van wereld naar aarde, ziet dit als een centrale les van de escalerende ecologische crisis: “Vroeger konden we afval externaliseren naar het milieu, maar vandaag de dag realiseren we ons dat elke externalisering van afval als een boemerang bij ons terugkeert.” (Blok 2022: 153) Externaliseren kan niet meer: door de klimaatcrisis is het buiten binnen geworden.


Natuurlijk moeten we dit breder trekken: het gaat niet alleen om het opwarmende effect van broeikasgassen, het gaat om álle goedkope arbeidskrachten, grondstoffen en plantaardige en dierlijke ‘middelen’ die we nodig hebben om onze consumentistische behoeften te bevredigen – met moderne slavernij, milieuvervuiling, bodemuitputting, ontbossing, overbevissing en dierenleed in de bio-industrie tot gevolg. De kapitalistische comfortbroeikas gaat letterlijk ten koste van het leven daarbuiten. Uiteindelijk slaat dit terug op de comfortbroeikas zelf, “als een boemerang” zoals Blok zegt.

Hierbij moet opgemerkt worden dat deze externalisering van de kosten van het kapitalisme uiteindelijk op twee manieren op onszelf terug slaat, ten eerste zoals gezegd in de vorm van een totaal ontwricht klimaat. Maar ook in de vorm van hordes klimaatvluchtelingen, die – net als de economische immigranten – naar binnen willen, naar de welvaart en veiligheid van het kristalpaleis. Naar schatting zullen er rond het jaar 2050 zo’n 250 miljoen mensen wereldwijd door klimaatverandering op drift zijn, een aantal dat bij verdere temperatuurstijging nog zal toenemen (McGuire 2022: 80). Dit zal een enorme migratiedruk opleveren voor de landen die het minst door klimaatverandering geraakt zullen worden. Met vooruitziende blik spreekt Sloterdijk al in 2004 van de “conflicten” die hierdoor zullen ontstaan: “Hiervan vormen de immigrantenstromen, die in de grote broeikas willen worden toegelaten, de milde voorboden.” (Sferen III, 561) Inmiddels begint het kristalpaleis aan alle kanten te kraken: overal zien we barsten in het glas schieten en horen we gerammel en gerinkel, aangezien miljarden mensen aan de buitenkant op de ramen staan te bonken.


Tot slot: van airco-paradox naar eco-systeem

Tegen de vernietigende gevolgen van op hol geslagen klimaatverandering en ecologische ineenstorting is geen enkele comfortbroeikas bestand. Het rijkere deel van de mensheid zou zich bijvoorbeeld met airconditioning tegen de steeds extremere hittegolven kunnen beschermen, maar uiteindelijk is dat niet vol te houden. Dit werd de zomer van 2022 duidelijk door wat de ‘airco-paradox’ is gaan heten: de extreme hittegolven die grote delen van Amerika, Europa en Azië teisterden, zorgden voor een run op airco’s, maar juist hun gigantische energieverbruik warmt de aarde nog verder op (zie Van Loon 2022). De airco-paradox illustreert als geen ander fenomeen dat de scheiding van (kapitalistische) binnenwereld en (natuurlijke) buitenwereld niet vol te houden is. De aarde is één geheel, waar wij als menselijke beschaving niet buiten staan. 


Dat is de ecologische les waar we stelselmatig blind voor blijven, maar die de escalerende klimaatcrisis met geweld aan ons opdringt – net zo lang tot we luisteren. Zoals het woord “ecologie” al aangeeft, is het ecosysteem van de aarde ons oorspronkelijke “thuis” (oikos in het Grieks, waar ons woord “eco-” etymologisch van afgeleid is; net zoals “economie” duidt op de wetten van de “huishoudkunde”). We moeten de menselijke binnenwerelden – van woningen, kantoren en winkelcentra tot aan vakantieresorts, natiestaten en wereldrijken – dan ook niet zien als op zichzelf staande en in zichzelf gesloten ruimtes, laat staan als ruimteschepen, maar als verschillende vertrekken binnen het ene en omvattende huis van de aarde. Het huis van de aarde telt vele kamers, zo kunnen we het Johannes-evangelie (14:2) parafraseren. Het ‘buiten’ van het aardse ecosysteem is de meest omvattende binnenruimte, het mondiale huis dat we moeten koesteren. Doen we dat niet, dan alleen op eigen risico.


We moeten, kortom, opnieuw leren om de aarde te bewonen, de aarde als oikos, ons meest omvattende huis. Wat dit betreft schuilt er ook een zekere hoop in het dubbelzinnige feit dat we “uitwonenden” zijn geworden. Want wie in de volksmond “uitwonend” heet, die staat nog niet definitief op eigen benen, diens navelstreng met thuis is nog niet definitief doorgesneden. Gesjeesde studenten kunnen altijd weer bij hun ouders gaan wonen, arbeidsmigranten kunnen altijd naar hun thuisland terugkeren, en ook handelsreizigers komen uiteindelijk weer thuis. Dat we uitwonenden op aarde zijn, betekent dan ook dat het nog niet te laat is. We kunnen nog op onze schreden terugkeren, om weer bewoners van de aarde te worden.


Gebruikte literatuur

– Blok, V. (2022) Van wereld naar aarde: Filosofische ecologie van een bedreigde planeet. Amsterdam: Boom.

– McGuire, B. (2022) Hothouse Earth: An Inhabitant’s Guide. London: Icon Books.

– Sloterdijk, P. (2006), Het kristalpaleis: Een filosofie van de globalisering. Boom/SUN, Amsterdam.

– Sloterdijk, P. (2007) Sferen I: Bellen & II: Globes. Amsterdam: Boom.

– Sloterdijk, P. (2009), Sferen III: Schuim. Boom, Amsterdam. – Van Loon, M. (2022), “De airco-paradox: we kunnen mensen niet koel houden zonder de planeet op te warmen”, Change Inc.: www.change.inc/energie/de-airco-paradox-we-kunnen-mensen-niet-koel-houden-zonder-de-planeet-op-te-warmen-38323