Showing posts with label Leibniz. Show all posts
Showing posts with label Leibniz. Show all posts

Iets uit niets? Het geval Hegel

 

In een eerdere post heb ik een pleidooi gehouden voor het idee van circulaire verklaring als enig mogelijke antwoord op de beroemde vraag van Leibniz: “Waarom is er iets niet niets?” De totaliteit van het zijnde moet “causa sui” zijn, aangezien de oorzaak van die totaliteit zelf ook ‘iets’ moet zijn, een zijnde, en dus onderdeel van de totaliteit. De oorzaak van de totaliteit kan alleen in de totaliteit liggen, die in die zin zelfveroorzakend moet zijn.


Maar is dat wel zo? Moet de oorzaak van het zijnde zelf ook een zijnde zijn? Ja, zegt de westerse filosofisch-wetenschappelijke traditie, want ex nihilo nihil fit, uit niets kan niets ontstaan. “From nothing to being there is no logical bridge”, aldus William James (1979: 27). Dat lijkt volkomen vanzelfsprekend (en dat is het ook, zoals we zullen zien). Toch denken aardig wat filosofen en – verbazingwekkend genoeg – ook aardig wat wetenschappers daar anders over. Zij zien, contra James, wel een ‘logische brug’ van niets naar het zijn gaan. Deze iets-uit-niets-theorieën, in diverse variaties, blijken verrassend populair. Als ook maar één van deze theorieën steekhoudend is, hebben we het idee van zelfveroorzaking niet nodig om Leibniz’ vraag te beantwoorden, want dan hebben we aan ‘niets’ genoeg.


Bij nader inzien berusten de iets-uit-niets-theorieën echter altijd op smokkelwaar: het ‘niets’ waaruit ‘alles’ zou volgen, blijkt altijd een verborgen ‘iets’ te herbergen, iets specifieks, dat min of meer in het geheim voorondersteld wordt om het echte werk te doen in de vermeende overgang van niets naar iets. En dat is ook logisch, want als er niet iets verondersteld wordt, iets dat ten grondslag ligt aan de “logische brug” van niets naar iets, dan blijft deze overgang pure willekeur, een magische ‘hiccup from the void’, zonder enige verklarende waarde. Zo gaat elke iets-uit-niets-theorie noodzakelijk uit van haar eigen verzwegen vooronderstelling van iets, zij het God, de dialectiek van het denken, de lege verzameling en de axioma’s van de verzamelingentheorie, of de ‘lege’ ruimte en/of de wetten van de kwantummechanica. Inderdaad, als je een van deze dingen veronderstelt, dan kun je misschien beredeneren waarom ‘iets’ uit ‘niets’ zou volgen – maar dan ga je niet meer uit van helemaal niets. Dan ga je uit van een welbepaald iets, een ‘eerste zijnde’ in een of andere vorm, waaruit (de rest van) de realiteit-als-geheel zou volgen. Dan blijft Leibniz’ vraag dus onbeantwoord. Want waarom bestaat dat eerste zijnde dan? Het enige dat iets-uit-niets-theorieën aantonen, kortom, is dat inderdaad geldt: Ex nihilo nihil fit.

De dialectische iets-uit-niets-theorie van Hegel
In deze post wil ik dit in wat meer detail laten zien aan de hand van één van de bekendste (en beruchtste) iets-uit-niets-theorieën uit de moderne westerse filosofie, namelijk Hegels dialectische opvatting van het zijn in de Wissenschaft der Logik (1812-1816). Daarin wordt, althans volgens Hegel zelf, niets minder dan de categoriale structuur van de realiteit-als-geheel op dialectische wijze afgeleid uit een volstrekt onbepaald begin, het eigenschapsloze “pure zijn”, dat als zodanig gelijk is aan het “pure niets”. Hegel relateert dit niet expliciet aan Leibniz’ vraag “Waarom is er iets en niet niets?”, maar hij lijkt impliciet wel te suggereren dat het onbepaalde begin van zijn Logik de vraag van Leibniz beantwoordt: “As yet there is nothing and there is to be something. The beginning is not pure nothing, but a nothing from which something is to proceed” (Hegel 1969: 73).


We kunnen Hegels positie in relatie tot Leibniz’ vraag als volgt begrijpen: als we willen verklaren waarom er überhaupt iets bestaat, dan mogen we niet uitgaan van iets specifieks als oorzaak, want dan veronderstellen we al wat we willen verklaren. We kunnen dus niet anders dan uitgaan van niets en kijken of daar iets uit afgeleid kan worden. Het begin, dat aan alles voorafgaat, kan zelf nog niets zijn en is in die zin absoluut onbepaald. Maar dit niets, waarmee alles begint, is niet zomaar niets – de loutere afwezigheid van alles –, het is tegelijk de oorsprong van alles. Het eerste principe van de filosofie, zegt Hegel, “expresses a beginning, but not so much a subjective as an objective one, the beginning of everything” (idem: 67). Daarom moet “het pure niets” hetzelfde zijn als “het pure zijn” dat aan alles ten grondslag ligt: therefore being, too, is already contained in the beginning” (idem: 73). Omgekeerd is dit “pure zijn”, omdat het nog geen bepaald zijnde is, volstrekt leeg en in die zin gelijk aan niets. Het begin van alles, kortom, is niets dat zijn is, en zijn dat niets is: “The beginning, therefore, contains both, being and nothing, is the unity of being and nothing; or is non-being which is at the same time being, and being which is at the same time non-being.” (Idem: 73)


Door uit te gaan van de onbepaalde “eenheid van zijn en niets” denkt Hegel “the beginning of everything” te kunnen verklaren. Daarin ligt, zoals meerdere Hegel-exegeten opmerken, zijn relevantie voor het denken over Leibniz’ vraag. Hegels eenheid van zijn en niets is “something that is ultimately fundamental, something which rests on nothing, something which could be that on which everything else rests” (Winfield 2012: 4). Zoals een andere commentator schrijft: “The nice feature of Hegel’s indeterminate beginning is that there is obviously no need to account for its determinations: no need to explain why it exists in the way that it does, for it does not exist in any particular way. It is just Being. Lacking determination, it is Nothing. That Being is Nothing seems to obviate the need to seek a higher cause.” (Halper 2011: 182)


Dialectiek: These, Antithese, Synthese

Hoe denkt Hegel de categoriale structuur van de realiteit-als-geheel af te kunnen leiden uit dit onbepaalde begin, de eigenschapsloze eenheid van zijn en niets? Hoe kan überhaupt iets uit niets volgen? Dit, zoals men in het Engels zegt, is where the plot thickens. Hier komt Hegels beruchte dialectiek – vaak samengevat met de formule these-antithese-synthese – om de hoek kijken, als de ‘logische motor’ die het hele afleidingsproces aandrijft. Het “begin van alles” wordt volgens Hegel in beweging gezet door het dialectische feit dat de onbepaalde eenheid van zijn en niets allerminst een statische eenheid of een absolute leegte is, maar een “unstable unrest” (Hegel 1969: 106), waarin “zijn” en “niets” onophoudelijk stuivertje wisselen en zo een geheel nieuwe ontologische categorie opleveren: het worden


Hegels punt is dat zijn en niets enerzijds absoluut hetzelfde zijn, maar tegelijk ook absoluut verschillend en zelfs tegengesteld: het zijn immers is, het is bestaan bij uitstek, terwijl het niets juist niet is, het niet-bestaande bij uitstek. Hier herhaalt Hegel het Eleatische principe van Parmenides: “only being is, and nothing absolutely is not” (idem: 83). De één is de negatie van de ander. Hun eenheid is een dialectische eenheid van tegengestelden: “non-being which is at the same time being, and being which is at the same time non-being” (idem: 73). Zo gaat het zijn constant over in niet-zijn en het niet-zijn in zijn: “each immediately vanishes in its opposite” (idem: 82-83). Maar, zegt Hegel, dat constante proces van ontstaan en vergaan is precies de essentie van worden. Het worden, kortom, is de synthese van zijn (these) en niets (antithese), de tegenstelling-in-eenheid waarmee alles begint: “Their truth is, therefore, this movement of the immediate vanishing of the one in the other: becoming, a movement in which both are distinguished, but by a difference which has equally immediately resolved itself.” (Ibidem)    

In de rest van de Wissenschaft der Logik laat Hegel zien hoe dit dialectische proces vanuit de categorie van het worden verder gaat en een hele rits aan categorieën voortbrengt, zoals kwaliteit, kwantiteit, wezen en verschijning, oorzaak en gevolg, mechanica, chemie, leven en uiteindelijk bewustzijn. Vanuit een volstrekt onbepaalde begin weet Hegel zo, via een fascinerende dialectische tour de force, de ontologische basisstructuur van de gehele werkelijkheid te ontwikkelen. In de verdere details van dit dialectische afleidingsproces zijn we nu niet geïnteresseerd; wat dat betreft kunnen we volstaan met Russells gevleugelde opmerking over Hegels Wissenschaft der Logik, namelijk dat “the worse your logic, the more interesting the consequences to which it gives rise” (Russell 2005: 674). Het gaat ons uitsluitend om het begin van dit proces, het pure niets / zijn, waaruit Hegel claimt de realiteit-als-geheel af te leiden. Is Hegel daarin geslaagd? Of is ook zijn dialectische iets-uit-niets-theorie een voorbeeld van filosofische smokkel, waarbij “het niets” als een Trojaans paard iets heel specifieks herbergt (en verbergt), iets dat het echte werk doet in de afleiding van de realiteit-als-geheel?


Het denken: Hegels geheime wapen

Bij nader inzien moeten we concluderen dat dit inderdaad het geval is: wat Hegel naar binnen smokkelt met de eerste categorie van “het pure niets / zijn” is het denken als zodanig. Net als Kant, op wie hij verder borduurt, gaat het Hegel om categorieën, dwz. de meest fundamentele “Denkbestimmungen”, de basisbegrippen waarmee het denken denkt en kent. Hegels “pure niets / zijn” is simpelweg de eerste categorie waarmee het denken moet beginnen. Het objectieve “begin van alles” (Hegel 1969: 67) is geen ontologisch maar een logisch begin: “The beginning is logical in that it is to be made in the element of thought that is free and for itself, in pure knowing.” (Idem: 68) Het dialectische proces waarin het pure niets / zijn zichzelf “opheft” in worden, kwaliteit, kwantiteit, causaliteit enzovoort, is bedoeld als een logisch denkproces, dat alleen iets over de werkelijkheid zegt als we aannemen dat denken en werkelijkheid samenvallen. 


En dat is precies wat Hegel aanneemt, wiens absoluut-idealistische filosofie daarom ook wel “panlogisme” wordt genoemd, waarbij de gehele werkelijkheid wordt opgelost in een dialectisch spel van logische Denkbestimmungen of – in minder flatteuze bewoording – “some spectral woof of impalpable abstractions, or unearthly ballet of bloodless categories” (Bradley 1883: 533). Het dialectische denkproces dat Hegel in de Wissenschaft der Logik uiteenzet, is niets anders dan het denkproces van de “Absolute Geest” zelf, die zo de realiteit-als-geheel uit zichzelf ontwikkelt. Zo kan Hegel zijn Wissenschaft der Logik omschrijven als “the exposition of God as he is in his eternal essence” (Hegel 1969: 50). De Wissenschaft der Logik beschrijft het denkproces van de wereld-scheppende God, idealistisch opgevat als het Absolute Subject.


Dat Hegel daarbij meent uit te moeten gaan van een volstrekt onbepaald begin, het pure niets / zijn, heeft niet zozeer te maken met Leibniz’ vraag als wel met de grondslagen-discussie in de Duitse filosofie na Kant, een periode die bekend staat als de “Grundsatzkritik” (zie Beiser 2005: 24-25). Diverse filosofen, zoals Reinhold en Fichte, hadden geprobeerd om Kants transcendentale idealisme te baseren op zelf-evidente eerste principes, wat tot een breed debat leidde over de vraag of het denken überhaupt op eerste principes gefundeerd kan worden. Kan immers niet elk vermeend eerste principe zelf ook weer betwijfeld worden? Komen we dan niet terecht in een regressie van principes? Het is in reactie op dit debat dat Hegel in de Wissenschaft der Logik stelt dat het denken, zelfs het goddelijke denken, uit moet gaan van de onbepaalde eenheid van zijn en niets. 


De lege gedachte: ‘het pure zijn’

Om precies te zijn: in het verlengde van het Cartesiaanse cogito betoogt Hegel dat het denken alleen maar uit kan gaan van zichzelf, het denken of kennen als zodanig, waarin nog niets specifieks gedacht of gekend wordt. Er is dan niets anders gegeven dan de pure vorm van het denken zelf, pure kennis zonder inhoud, wat voor Hegel precies de categorie van het eigenschapsloze zijn / niets is. Zoals Alan White uitlegt: “As of the beginning, pure thinking has no determinate content, it is simply “there” or as, as Hegel puts it, “only simple immediacy is present”. Since thought, if it is to remain pure, must think only itself, it must first think this “immediacy”. This original content of pure thought must be characterized in such a way that no implicit articulation is presupposed; if there were such articulation, the beginning would not be a true beginning. [...] The only term that is sufficiently empty to serve as the beginning point is “pure Being” [...].” (White 1983: 35)


De onbepaalde eenheid van zijn en niets, waarmee de Wissenschaft der Logik begint, is dus een logisch-epistemologisch begin, de lege vorm van het kennen als zodanig. Aldus Hegel: “This pure being is the unity into which pure knowing withdraws. [...] There is nothing to be intuited in it, if one can speak here of intuiting; or, it is only this pure intuiting itself. Just as little is anything to be thought in it, or it is equally only this empty thinking.” (Hegel 1969: 72, 82) Hegels “niets” is dus geen absoluut niets, de totale afwezigheid van alles – het is integendeel het (lege) denken als zodanig, waarmee het denkproces van de Absolute Geest aanvangt. In de Wissenschaft der Logik wordt de categoriale structuur van de realiteit-als-geheel niet zozeer afgeleid uit het pure niets / zijn als wel uit het denken als zodanig. 


De dialectische tegenstelling van “zijn” en “niets” is dus geen ontologische tegenstelling, geen in zichzelf tegenstrijdige ‘nul-toestand’ van de werkelijkheid zelf, uit de dialectische dynamiek waarvan vervolgens het worden evolueert en daarna de ontologische structuur van de overige realiteit. De zijn-niets-tegenstelling is primair een contradictie in het denken zelf, waarvan de allereerste gedachte – het eerste principe – nog ‘niets’ te denken heeft, maar wel al een object nodig heeft om überhaupt een gedachte te kunnen zijn. Het is uit deze ‘oer-contradictie’ van het pure denken dat, volgens Hegel, de categoriale structuur van de gehele werkelijkheid dialectisch volgt. Maar waarom bestaat het denken dan?


Hegels Achilleshiel: Waarom bestaat denken? Deze vraag laat Hegel opvallend genoeg onbeantwoord. Als Hegel zegt: “The beginning is logical in that it is to be made in the element of thought” (idem: 68), dan is de “element of thought” blijkbaar een voorondersteld gegeven, iets dat paradoxaal genoeg aan “het begin van alles” voorafgaat. Zoals Alan White zegt over het denken waarvan Hegel uitgaat: “it is simply “there”” (White 1983: 35) Met een dialectische tour de force probeert Hegel de logische structuur van de realiteit-als-geheel af te leiden uit deze pure vorm van het denken, waarin (nog) niets specifieks gedacht wordt. Maar de oorsprong van het denken zelf blijft in nevelen gehuld. Voor Hegel geldt blijkbaar: het denken is de oorsprong van alles en kan daarom zelf geen oorsprong hebben. Maar dat is pure willekeur: waarom zouden we het denken als ontologisch uitgangspunt moeten nemen? Zo bezien slaagt Hegels dialectische iets-uit-niets-theorie er nadrukkelijk niet in om Leibniz’ vraag te beantwoorden. Zoals één commentator treffend opmerkt: “On the one hand, the scope and power of [Hegel’s] idealism is truly impressive. On the other, the recognition that his entire philosophy is a determination of thought raises exactly the sort of question that the traditional ultimate cause is supposed to resolve: why is there any thought at all?” (Halper 2011: 183) In volgende posts ga ik in op andere bekende iets-uit-niets-theorieën, zoals Heideggers fenomenologische ontologie van het “nietsende Zijn, de verzamelingstheoretische ontologie (o.a. van Badiou) waarin de gehele mathematische werkelijkheid wordt afgeleid uit het 'niets' van de lege verzameling, en de natuurkundige theorieën over het 'kwantum-niets'. In alle gevallen blijkt dat achter het zogenoemde “niets iets heel specifieks schuilgaat.


Gebruikte literatuur

– Beiser, Frederick (2005), Hegel. New York and London: Routledge.

– Bradley, F.H. (1883), The Principles of Logic. London: Kegan Paul, Trench, & Co.

– Halper, Edward C. (2011), “The Ultimate Why Question: The Hegelian Option”, in: John F. Wippel (ed.) (2011), The Ultimate Why Question: Why Is There Anything at All Rather than Nothing Whatsoever? Washington, D.C.: The Catholic University of America Press, pp. 170-188.

– Hegel, G.W.F. (1969), Science of Logic. London: George Allen & Unwin.

– James, William (1979), Some Problems of Philosophy. Cambridge, MA: Harvard University Press.

– Russell, Bertrand (2005), History of Western Philosophy. London and New York: Routledge.

– White, Alan (1983), Absolute Knowledge: Hegel and the Problem of Metaphysics. Athens, Ohio: Ohio University Press.

– Winfield, Richard Dien (2012), Hegel’s Science of Logic: A Critical Rethinking in Thirty Lectures. Lanham: Rowman & Littlefield Publishers.




Waarom bestaat alles? Over de strategie van circulaire verklaring


In de groeiende literatuur over Leibniz’ vraag “Waarom is er iets en niet niets?” spelen circulaire verklaringen om begrijpelijke redenen een prominente rol. Leibniz’ vraag vraagt naar de reden of oorzaak waarom alles bestaat, waarbij “alles” zoveel betekent als: de totaliteit van het zijnde of de realiteit-als-geheel. En aangezien ex nihilo nihil fit (“uit niets kan niets ontstaan”), moet datgene wat het bestaan van deze totaliteit verklaart zelf dus ook iets bestaands zijn, een zijnde, en als zodanig een onderdeel van de totaliteit. Omdat er, anders gezegd, per definitie niets buiten de realiteit-als-geheel kan zijn, moet dit geheel z’n eigen bestaansreden of eerste oorzaak bevatten en dus z’n eigen bestaan verklaren. Circulaire verklaringen lijken onvermijdelijk zodra we Leibniz’ vraag proberen te beantwoorden.


Nozick en de strategie van explanatory self-subsumption

In zijn essay “Why is there something rather than nothing?” (hoofdstuk 2 uit Philosophical Explanations) legt de Amerikaanse filosoof Robert Nozick dit in alle beknoptheid en helderheid als volgt uit: “Any factor introduced to explain why there is something will itself be part of the something to be explained” (Nozick 1981: 115). Dat wil zeggen: het ‘iets’ uit Leibniz’ vraag moet uiteindelijk z’n eigen bestaan verklaren. De alternatieven, aldus Nozick, zijn namelijk allemaal even onwenselijk: “Since a fact that nothing explains is left dangling, while a fact explained by something else leaves the problem of explaining that something else, only one thing could leave nothing at all unexplained: a fact that explains itself.” (Nozick 1981: 118) Met andere woorden, er zijn slechts drie mogelijkheden, waarvan alleen de laatste mogelijkheid (circulaire verklaring) enige kans van slagen lijkt te hebben. 


(1) Ofwel we zeggen dat er geen ultieme verklaring is voor het feit dat alles bestaat, maar dat is rationeel onbevredigend, een “ontological dangler” in Nozick’s terminologie. 


(2) Ofwel we zeggen dat het bestaan van alles verklaard wordt door een externe factor, maar dan ontstaat de tweede vraag waarom die factor dan bestaat – en zo dreigen we in een eindeloze regressie van verklaringen terecht te komen: het bestaan van ‘alles’ wordt verklaard door iets anders, dat weer verklaard wordt door iets anders, et cetera ad infinitum


(3) Ofwel, en dit lijkt dan de enige mogelijkheid te zijn, datgene wat verklaart waarom alles bestaat verklaart ook z’n eigen bestaan – kortom, een circulaire verklaring, wat Nozick “explanatory self-subsumption” noemt: “With these ultimate facts, explanatory self-subsumption seems illuminating and legitimate. What, after all, is the alternative?” (Nozick 1981: 121) Het ultieme verklarende principe moet niet alleen de totaliteit van het zijnde “subsumeren” maar ook zichzelf, aangezien het, als zijnde iets, noodzakelijk binnen die totaliteit valt.


Goddelijke zelfveroorzaking in de klassieke metafysica

In de traditie van de Westerse filosofie is het idee van goddelijke zelfveroorzaking de oudste vorm van circulaire verklaring als antwoord op de vraag waarom alles bestaat: God zou niet alleen de eerste oorzaak van het heelal zijn, maar ook “oorzaak van zichzelf” (causa sui). Volgens classicus en filosoof Lloyd Gerson (2011: 34) was de Neoplatonist Plotinus in de derde eeuw na Christus de eerste denker in het Westen die het begrip “oorzaak van zichzelf” (aition heautou) hanteerde en toepaste op God, dwz. “het Ene” en “het Goede” in de Plotinische terminologie (Enneaden VI,8,14,41). 


Na Plotinus, mede door zijn aanzienlijke invloed, werd het idee van goddelijke zelfveroorzaking vrij gangbaar in het Neoplatonisme, de Middeleeuwse scholastiek en de vroegmoderne filosofie. Zo gebruikten Descartes en Spinoza allebei nog het idee van goddelijke zelfveroorzaking als ultieme verklaring van de realiteit-als-geheel en als fundament van hun filosofische denken (Spinoza opent de Ethica zelfs met de definitie van God als causa sui). Het werkzame element in dit antieke, middeleeuwse en vroegmoderne denken over God als “oorzaak van zichzelf” was bijna altijd een notie van Gods absolute perfectie en/of goedheid, die noodzakelijk Zijn bestaan zou impliceren: Gods existentie volgt uit zijn essentie. 


Anselmus’ ontologische Godsbewijs was de eerste expliciete formulering van dit argument, maar een voorloper ervan vinden we al bij Plotinus, die in navolging van Plato het Ene definieert als “het Goede” dat, vanwege zijn absolute goedheid, noodzakelijk (zelf-)producerend moet zijn (zie Gerson 2011: 33-34). In de daaropvolgende scholastieke filosofie stond dit Platoonse principe bekend als het principe dat bonum est diffusivum sui (“het goede is zelfverspreidend”; zie Kremer 1987).


Crisis van de klassieke metafysica in de moderne tijd

In de moderne filosofie na Descartes en Spinoza raakte het begrip van goddelijke zelfveroorzaking echter steeds verder uit de gratie. Ongetwijfeld was dit het gevolg van diverse, nauw samenhangende ontwikkelingen op maatschappelijk, wetenschappelijk en filosofisch terrein. In de natuurwetenschap vond er een materialistische reductie van het causaliteitsbegrip plaats, waarbij van Aristoteles’ klassieke indeling in vier oorzaaksoorten (efficiënte, materiële, formele en finale oorzaak) alleen de efficiënte en materiële oorzaken overbleven, die bovendien in elkaar werden geschoven. Het gevolg was dat wetenschappers nog slechts één vorm van causaliteit erkenden: het mechanisch op elkaar inwerken van materiële objecten volgens wiskundig geformuleerde natuurwetten (het zogenoemde biljartbal-model van causaliteit). Uitgaande van een dergelijk gereduceerd causaliteitsbegrip moest het oude idee van goddelijke zelfveroorzaking wel absurd lijken, om diverse voor de hand liggende redenen. 


Bovendien vond er een maatschappijbrede secularisatie plaats, waardoor het geloof in een almachtige Schepper sowieso steeds minder een rol speelde in het publieke debat. Deze secularisatie en de wetenschappelijke reductie van het causaliteitsbegrip hadden vanzelfsprekend hun weerslag op de filosofie, waar de klassieke metafysica in een steeds kwadere reuk kwam te staan. Dit was zeker het geval na de epistemologische metafysica-kritiek van Kant, die in het bijzonder met zijn kritiek op het ontologische Godsbewijs van Anselmus het fundament onder het oude idee van goddelijke zelfveroorzaking – de conclusie van Gods existentie uit Zijn perfecte essentie – had weggeslagen. Na Kant werd de filosofie over het algemeen anti-metafysisch of zelfs positivistisch en sciëntistisch. 


De klassieke metafysica beleefde nog wel een tijdelijke heropleving in het absoluut idealisme, dat in Duitsland echter eindigde met Hegels dood in 1831, hoewel het in Engeland en Amerika nog enige tijd standhield tot begin 20ste eeuw (met denkers als Bradley, McTaggart en Royce). Ook daar echter brak uiteindelijk de antimetafysische tijdgeest door, in de vorm van het logisch empirisme en de analytische filosofie van denkers als Russell, Wittgenstein, Carnap, Popper en Quine. Sindsdien bleef de Anglo-Amerikaanse filosofie angstvallig weg van Leibniz’ vraag waarom alles bestaat, omdat dit een onwetenschappelijke “pseudo-probleem” zou zijn: een vraag die niet empirisch te beantwoorden valt en bovendien op een logische verwarring zou berusten (een punt waar ik in een volgende post nog op terugkom).


Terugkeer van het denken over Leibniz’ vraag

In de laatste decennia van de 20ste eeuw kwam er echter verandering in deze situatie en ging de Anglo-Amerikaanse filosofie over in haar zogenoemde post-analytische fase. De (post-)analytische filosofie oriënteerde zich minder op het kennisideaal van de exacte wetenschappen (wis- en natuurkunde) en gaf meer ruimte aan metafysisch denken, zij het altijd binnen de rationele kaders van logica en wetenschap. In die zin vond er binnen de Anglo-Amerikaanse filosofie een gekwalificeerde “terugkeer van de metafysica” plaats. De precieze redenen achter deze post-analytische ontwikkeling zijn te divers en te complex om nu te behandelen (we komen hier nog op terug), maar een van de opmerkelijkste gevolgen was dat Leibniz’ vraag “Waarom bestaat er iets en niet niets?” weer een legitiem thema van filosofisch onderzoek werd. 


We kunnen zelfs stellen dat er in de Anglo-Amerikaanse filosofie een levendig debat is ontstaan over Leibniz’ vraag, waarbij diverse bekende en minder bekende filosofen (en enkele natuurkundigen) verschillende antwoorden en benaderingen propageren en bediscussiëren, terwijl andere filosofen de logische zinvolheid van de vraag in twijfel blijven trekken. Inmiddels is er een flinke literatuur uit dit debat voortgekomen. Hoewel het idee van goddelijke zelfveroorzaking daarin nagenoeg geen rol meer speelt (vanwege de bovengenoemde redenen), nemen circulaire verklaringen in het denken over Leibniz’ vraag nog altijd een belangrijke plaats in. De reeds genoemde Nozick is daarvan een prominent voorbeeld. Zoals gezegd ziet hij “explanatory self-subsumption” als de enige mogelijkheid om Leibniz’ vraag te beantwoorden: datgene wat verklaart waarom alles bestaat, moet ook zichzelf verklaren.


De circulaire strategie van Nozick’s modaal realisme

Het zelf-verklarende principe dat Nozick uiteindelijk aandraagt als antwoord op Leibniz’ vraag maakt goed duidelijk hoe ver het post-analytische denken verwijderd is geraakt van de theologische vooronderstellingen van de klassieke en vroegmoderne metafysica. Het uiteindelijke principe is bij Nozick geen goddelijke Schepper meer, maar een abstract logisch principe (“the principle of fecundity”) dat stelt dat alle logisch mogelijke werelden daadwerkelijk bestaan. Daarmee knoopt Nozick aan bij het denken in termen van mogelijke werelden in de modale logica, waar modale operatoren als “noodzakelijk”, “mogelijk” en “onmogelijk” in termen van mogelijke werelden geïnterpreteerd worden (bijv. “noodzakelijk” betekent: “het geval in elke mogelijke wereld”, “onmogelijk” betekent: “het geval in geen enkele mogelijke wereld”, et cetera). 


De stelling dat alle logisch mogelijke werelden daadwerkelijk bestaan, wordt “modaal realisme” genoemd en door met name David Lewis verdedigd als de beste semantische theorie voor modaal taalgebruik. Analoog aan Nozick’s principle of fecundity hanteert Lewis een principle of plenitude (“Alle mogelijke werelden bestaan”) dat ook door Lewis wordt gezien als antwoord op Leibniz’ vraag (zie Lewis 1986: 73, 86). Modaal realisme kan te bizar voor woorden lijken, maar heeft een wetenschappelijke pendant in de veel-werelden-interpretatie van de kwantummechanica. 


Bovendien, aldus Nozick, heeft zijn principle of fecundity (net als Lewis’ principle of plenitude) de prettige eigenschap van circulariteit (“explanatory self-subsumption”) die nodig is om Leibniz’ vraag bevredigend te kunnen beantwoorden. Het principe zegt immers dat alle logische mogelijkheden daadwerkelijk bestaan en verklaart daarmee niet alleen waarom ons heelal bestaat (als een van de talloze logisch mogelijke werelden) – het principe verklaart óók zichzelf, aangezien het zelf ook een logische mogelijkheid is: “The principle of fecundity F subsumes itself because it says that all possibilities obtain, and it itself is such a possibility.” (Nozick 1981: 131)


De ‘zelfveroorzaking’ van het goede bij Leslie en Rescher

Naast Nozick wordt de strategie van circulaire verklaring in het recente denken over Leibniz’ vraag met name verdedigd door de Brit John Leslie en de Amerikaan Nicholas Rescher. Hun benadering die zij “axiarchisme” respectievelijk “axiologie” noemen (van het Griekse “axia” = waarde) verschilt aanzienlijk van de nogal kille modaal-logische benadering van Nozick. Van alle hedendaagse filosofen die zich met Leibniz’ vraag bezighouden, staan Leslie en Rescher waarschijnlijk het dichtst bij de klassieke metafysica, met name de Platoonse traditie die de noodzakelijke ontologische productiviteit van “het Goede” benadrukt (“Bonum est diffusivum sui”). Leslie en Rescher sluiten welbewust bij deze Platoonse traditie aan als zij – in antwoord op de vraag van Leibniz – betogen dat goedheid of waarde niet alleen objectief is maar als zodanig ook (zelf-)verwerkelijkend moet zijn. 


Net als Leibniz betogen zij dat van alle mogelijkheden alleen “de beste van alle mogelijke werelden” bestaat; zo vermijden zij de exorbitante claim van het modaal realisme dat álle logische mogelijke werelden even werkelijk zijn. Anders dan Leibniz echter gaan Leslie en Rescher niet uit van een theologische vooronderstelling van een almachtige God, die uit alle mogelijke werelden de beste eruit zou selecteren voor daadwerkelijke schepping, maar is ook bij hen (net als bij Nozick) het werkzame principe uiteindelijk een abstract principe, namelijk waarde of goedheid op zich. Ons heelal bestaat, aldus Leslie en Rescher, omdat het in een ultieme zin goed is dat het bestaat (“ethically required” aldus Leslie 1979: 27), waarbij het creatieve principe van goedheid z’n eigen bestaan verklaart, aangezien het goed is dat er goedheid is. In die zin is het goede, aldus Rescher, “self-sustaining; it does not require any ‘external’ explanation at all” (1984: 53-54). Zo hanteert ook het hedendaagse axiarchische / axiologische denken een circulaire verklaring als antwoord op Leibniz’ vraag. 


Met name Leslie ziet dit als een moderne variant van het klassieke idee van goddelijke zelfveroorzaking, waarbij Gods existentie zou volgen uit de absolute perfectie van Zijn essentie: “the idea that a divine being’s ethical requiredness is responsible for that being’s existence may well be what is involved in the traditional theory that God is ‘self-subsistent perfection’ in which cause and effect are identified” (Leslie 2001: viii). Het ultieme goede, dat in ethische zin zijn eigen bestaan vereist en zodoende ook realiseert, kan in die zin volgens Leslie “causa sui” genoemd worden.


In een volgende post kijken we naar de filosofische traditie van het absolute idealisme (in West en Oost) en hoe daar de strategie van circulaire verklaring als antwoord op Leibniz’ vraag wordt uitgewerkt.


Gebruikte literatuur

-Gerson, Lloyd P. (2011), “Goodness, Unity, and Creation in the Platonic Tradition”, in: Wippel (2011), pp.29-42.

-Kremer, Klaus (1987), “Bonum est diffusivum sui: Ein Beitrag zum Verhältnis von Neuplatonismus und Christentum”, in: Haase, W. & Temporini, H. (eds.) (1987), Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt, Pt. II, vol. 36.2, pp. 994-1032. Berlin: Walter de Gruyter.

-Leslie, John (1979), Value and Existence. Totowa, New Jersey: Rowman and Littlefield.

-Leslie, John (2001), Infinite Minds: A Philosophical Cosmology. Oxford: Clarendon Press.

-Lewis, David (1986), On the Plurality of Worlds. Malden: Blackwell Publishing.

-Nozick, Robert (1981), Philosophical Explanations. Cambridge, Massachusetts: Belknap Press,.

-Plotinus (1984), Enneaden. Vertaald en ingeleid door dr. Rein Ferwerda. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.

-Rescher, Nicholas (1984), The Riddle of Existence. Lanham and London: University Press of America.

-Wippel, John F. (ed.), The Ultimate Why Question: Why Is There Anything at All Rather than Nothing Whatsoever? Washington, DC: The Catholic University of America Press.