Showing posts with label wetenschappelijk materialisme. Show all posts
Showing posts with label wetenschappelijk materialisme. Show all posts

Kastrup bewijst het idealisme geen dienst

Verschenen in: Filosofie-Tijdschrift, Jaargang 35, nr. 4, juli-aug 2025.

Recensie van Bernardo Kastrup, Analytisch idealisme in een notendop. Een eenvoudige samenvatting van de enige plausibele metafysica van de 21ste eeuw. Amsterdam: Uitgeverij Samsara, 2025.

Kastrup heeft bij een breed niet-academisch publiek bekendheid verworven als criticaster van het ontologisch materialisme (“fysicalisme”) en verdediger van een idealistische ontologie, waarin de werkelijkheid uit één bewustzijn bestaat. In dit boek vat hij zijn visie samen. Daarin is materie geen primitieve realiteit maar een verschijning: materie is hoe het ene bewustzijn van buitenaf aan zichzelf verschijnt als het door ‘dissociatie’ – analoog aan de psychiatrische aandoening – zichzelf opsplitst in gescheiden ervaringscentra (p.143). Maar waarom deze dissociatie in het kosmische bewustzijn optreedt, wordt door Kastrup niet beargumenteerd; het is een origineel idee, maar het blijft pure speculatie.


Dat is helaas niet de enige zwakte van het boek. Met zijn pleidooi tegen materialisme en voor idealisme sluit Kastrup weliswaar aan bij een bredere tendens in de hedendaagse filosofie en wetenschap, waarin bewustzijnsgeoriënteerde ontologieën als idealisme en panpsychisme in opkomst zijn contra het materialisme (o.a. bij Hoffman, Nagel, Chalmers, Skrbina, Strawson). Persoonlijk vind ik het idealisme ook plausibeler dan het materialisme (onder andere vanwege het “hard problem of consciousness”); toch kan ik weinig goeds aan Kastrups boek ontdekken.


De belangrijkste verklaring daarvoor is, vermoed ik, het ressentiment vanwaaruit Kastrup schrijft. Zoals gezegd vindt hij vooral aansluiting bij niet-academische kringen; met name in spirituele kringen is hij populair. Kastrup voelt zich tekort gedaan door de academische wereld en dat is in dit boek duidelijk te merken. De pejoratieve termen vliegen je om de oren: het materialisme wordt constant “dwaas”, “onbenullig”, “idioot”, “zonder rede en bewijs”, “de grootste illusie ooit” etc. genoemd. De haat en minachting spatten ervan af. Dat is geen gezonde basis voor een rationeel betoog. Kastrups betoog vliegt dan ook geregeld uit de bocht en is een aaneenschakeling van overdrijvingen, stromannen, onjuiste aannames en tegenspraken. Dat hij daarbij voortdurend zijn lezer kleineert (‘ik zal het nog één keer langzaam uitleggen, zodat je het goed begrijpt’), maakt dit boek onverdraaglijk. Een kleine opsomming:


Kastrup merkt terecht op dat sommige Verlichtingsdenkers als Diderot het materialisme niet als letterlijk waar zagen maar meer als een handig wapen tegen de kerk (p.18). Vervolgens maakt hij daarvan: “Oorspronkelijk, in de tijd van René Descartes, was het enige wat nodig was om aan de kerk te ontsnappen het mentale te scheiden van het verzonnen niet-mentale – ‘materie’ genoemd – en te beweren dat de wetenschap zich alleen met het laatste bezighield.” (p.45) Alsof Descartes het niet echt meende toen hij de denkende substantie scheidde van de uitgebreide substantie; onzin natuurlijk. Ongetwijfeld zal de strijd met de kerk een rol hebben gespeeld in de opkomst van het materialisme, maar zeggen dat het uitsluitend “een politieke zet” (p.49) was gaat echt te ver. Volgens Kastrup stelde het materialisme de vroegmoderne denkers in staan weg te blijven van “de psyche, het domein van de kerk” (p.44) – maar ook dat is anachronistische onzin, onder andere omdat de gehele schepping het domein van de kerk was. Galileo kwam niet in conflict met de kerk omdat hij iets zei over “de psyche” maar omdat hij het heliocentrisme verdedigde.


Ronduit zwak is ook Kastrups inhoudelijke kritiek op het materialisme. “Verleid door de illusie dat perceptie een transparant venster op de werkelijkheid is” (p.39), zou de materialist de “onbenullige” en “ongerechtvaardigde” stelling aannemen “dat de structuur en dynamiek van waargenomen representaties de structuur en dynamiek zijn van wat gerepresenteerd wordt; dat de ‘fysieke’ objecten die waarneembaar zijn een een-op-eencorrespondentie hebben met objecten die daarbuiten echt bestaan” (p.40-41). Dat is volgens Kastrup even “dwaas” als “de vormen van de wijzerplaten op het dashboard van een vliegtuig aanzien voor de vormen van de wolken, wind en drukverdelingen in het luchtruim daarbuiten” (p.41). Nou, het is eerder omgekeerd: het zou behoorlijk dwaas zijn voor een piloot als hij de “structuur en dynamiek” op het dashboard van de cockpit níet zou zien als correlerend (en dus op tot op zekere hoogte isomorf) met de “structuur en dynamiek” van het luchtruim.


Kastrup (pp.41, 138) geeft toe dat onze zintuiglijke ervaring een “gecodeerde weergave” is van de externe werkelijkheid (die, zoals gezegd, volgens Kastrup niet materieel maar mentaal is). Maar codering vereist structurele correlatie met het gecodeerde: tot op zekere hoogte kun je uit de (wiskundige) structuur van de ervaring dus wél afleiden wat de (wiskundige) structuur van de externe realiteit is. Dat is precies wat de natuurkunde doet. Kastrup spreekt zichzelf dan ook tegen als hij eerst zegt dat “het dashboard door de constructie correleert met de saillante parameters van het luchtruim daarbuiten” (p.49) en vervolgens “de niet-onderzochte premissen van fysicalisme” hekelt “volgens welke de structuur van de echte wereld ‘natuurlijk’ de structuur is van wat wordt weergegeven op het scherm van de waarneming” (p.49). Correlatie is immers structurele overeenkomst.


Kastrup zou enigszins gelijk hebben in zijn kritiek als de materialist zou zeggen dat de structuur van de externe realiteit precies hetzelfde is als de structuur van de waarneming en het daaruit afgeleide wiskundige model. Maar geen enkele wetenschappelijke materialist zegt dat, omdat elke wetenschapper weet dat wetenschap altijd feilbaar en voorlopig is; elke natuurkundige weet dat de huidige natuurkunde nog lang niet af is. Dus als Kastrup zegt dat de materialist zonder meer de structuur van de waarneming gelijkstelt aan de structuur van de externe realiteit (p.40-41), dan creëert hij een stroman.


Overigens doet Kastrup zelf ook wat hij de materialist verwijt, namelijk de structuur van de ervaring en het daarop gebaseerde model gelijkstellen aan de structuur van de externe realiteit, namelijk als hij aanknoopt bij de kwantumveldtheorie en vervolgens (zonder enige argumentatie) het hypothetische overkoepelende kwantumveld opvat als “een veld van subjectiviteit” oftewel “de geest van de natuur” (p.147). Blijkbaar komt de wiskundige structuur van een natuurkundige model (het kwantumveld) dan opeens wel overeen met de externe (mentale) realiteit. Zo gaat er nog veel meer mis in Kastrups boek, te veel om in een recensie te bespreken. Conclusie: Kastrup wijst terecht op de splinter in het oog van de materialist, maar vergeet daarbij de aanzienlijke balk in zijn eigen oog.





Idealisme en het 'Moeilijke Probleem van het Bewustzijn'

Om de verhouding tussen materie en bewustzijn te begrijpen, lijken ons slechts vier mogelijkheden ter beschikking te staan, die we provisorisch als volgt kunnen samenvatten: 1) materie verklaart bewustzijn (materialisme), 2) bewustzijn verklaart materie (idealisme), 3) materie en bewustzijn zijn wederzijds onafhankelijke “substanties” (dualisme) en 4) materie en bewustzijn worden beide verklaard door een derde, onbekende substantie (neutraal monisme). Na de 17de eeuw werd het idealisme een steeds duidelijker herkenbare stroming met Berkeley, Kant en de daaropvolgende Duitse en Britse idealisten. Zij verzetten zich tegen het materialisme dat rond dezelfde tijd in zijn moderne vorm uitkristalliseerde door het succes van de mathematische natuurkunde (Copernicus, Galileo, Newton) en dat zijn meest radicale verdedigers vond in filosofen als Hobbes, La Mettrie, Holbach, Büchner en Moleschott. In vergelijking met deze idealistische en materialistische stromingen zijn de twee overige posities, dualisme en neutraal monisme, altijd ondergeschoven kindjes gebleven, om begrijpelijke redenen.  Dualisme en neutraal monisme Het dualisme, dat met name door Descartes werd verdedigd, is onaantrekkelijk omdat het struikelt over het bekende lichaam-geest-probleem: als bewustzijn en materie gescheiden “substanties” zijn, hoe kunnen ze dan interacteren in enerzijds zintuiglijke waarneming (waar materie een causale invloed heeft op bewustzijn) en anderzijds intentioneel handelen (waar bewustzijn een causale invloed heeft op materie)? Ook het neutraal monisme, dat begon met Spinoza (voor wie “denken” en “uitgebreidheid” slechts “attributen” zijn van één onderliggende “Substantie”) en in z’n moderne vorm werd aangehangen door denkers als Mach, James en Russell, is nooit mainstream geworden. Deels heeft dit te maken met het speculatieve karakter ervan: als bewustzijn en materie beide verklaard worden door een derde entiteit, wat voor soort entiteit is dat dan? Het lijkt onmogelijk om daarop een empirisch antwoord te geven, aangezien de ervaring ons niets meer lijkt te geven dan enerzijds bewustzijn (via zogenoemde innerlijke ervaring) en anderzijds materie (via uiterlijke oftewel zintuiglijke ervaring). 

Dit niet-empirische karakter van het neutraal monisme komt duidelijk naar voren in Spinoza’s speculatief-metafysische postulaat van een alomvattende goddelijke “Substantie” (“God oftewel de Natuur”) als onderliggende drager van denken en uitgebreidheid. Latere neutraal monisten als Mach, James en Russell probeerden dit probleem te ondervangen door hun “neutrale entiteiten” op te vatten als “pure ervaringen” (in de terminologie van James) die voorafgaan aan de scheiding tussen innerlijk (‘bewustzijn’) en uiterlijk (‘materie’). Maar dit leidde tot de tegenwerping dat het neutraal monisme eigenlijk een variant is van het idealisme, aangezien de “neutrale entiteiten” blijkbaar ín de ervaring gegeven zijn en dus reeds bewustzijn veronderstellen. Het heersende paradigma: materialisme Sinds de Europese Verlichting zijn idealisme en materialisme dus steeds de dominante posities geweest die om voorrang streden, met bescheiden bijrollen voor dualistische en neutraal-monistische posities. Eind 19de en begin 20ste eeuw veranderde deze situatie echter drastisch: door de voortschrijdende successen van de mathematische natuurkunde alsook de opkomst van het (neo-)Darwinisme leek het natuurkundig materialisme definitief de strijd te winnen. Het idealisme werd naar de marges van het filosofisch toneel gedwongen, waar het sindsdien een kwijnend bestaan leidt. In Duitsland kwam de dominantie van het idealisme snel ten einde na de dood van Hegel in 1831, waar het werd afgelost door het materialisme van links-Hegelianen als Feuerbach en Marx en fysiologen als Vogt, Büchner en Moleschott. Het Duits idealisme beleefde weliswaar kortstondig een heropleving in de transcendentale fenomenologie van Husserl, maar verloor uiteindelijk het gevecht van het wetenschappelijk materialisme van de invloedrijke Wiener Kreis. Husserls fenomenologie heeft wel grote invloed gehad op de continentale filosofie, maar daarbij werd zijn idealisme over het algemeen niet overgenomen, eerder sterk bekritiseerd. In Engeland bleef het absoluut idealisme van filosofen als Green, Bradley en McTaggart (en Royce in Amerika) koppig stand houden tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw, maar ook in het Anglo-Amerikaanse denken – mede onder invloed van de Wiener Kreis – verloor het idealisme uiteindelijk van het natuurkundig materialisme, zoals vertegenwoordigd door denkers als Quine, Smart, Dennett en de Churchlands. Zeker na de Tweede Wereldoorlog is de filosofisch-wetenschappelijke consensus uitgesproken materialistisch: de realiteit bestaat primair uit materie, zoals bestudeerd door de moderne natuurkunde, waarbij bewustzijn als secundair fenomeen ontstaat uit de complexe organisatie van materie in neurale systemen (zoals het menselijke brein) die door biologische evolutie zijn ontstaan. Aangezien biologische evolutie een willekeurig proces is (random genetische variatie en natuurlijke selectie), is het bewustzijn geen intrinsieke eigenschap of doel van het heelal, maar een toevallig bijproduct van fundamentelere, niet-teleologische materiële processen. Zoals Copernicus de aarde en daarmee de mens uit het centrum van het heelal verdreef, zo heeft de daaropvolgende wetenschappelijk-filosofische ontwikkeling het bewustzijn van zijn idealistische troon gestoten. Bewustzijn is niet fundamenteel voor de realiteit, zoals het idealisme wil, maar komt slechts voor in zeldzame uithoeken van het heelal, waar door toevallige omstandigheden biologische evolutie heeft plaatsgevonden. Dat, althans, is in grote lijnen het heersende materialistische paradigma. Het moeilijke probleem van het bewustzijn In de loop van de 20ste eeuw vonden echter een aantal filosofische en wetenschappelijke ontwikkelingen plaats die nu aanleiding geven om de verhouding tussen materie en bewustzijn drastisch te herzien. Het idealisme krijgt daarmee een tweede kans. De belangrijkste filosofische ontwikkeling is wat dit betreft ongetwijfeld het debat geweest rond het zogenoemde hard problem of consciousness. Chalmers, die als geen ander dit “moeilijke probleem” op de kaart heeft gezet, bedoelde daarmee de klaarblijkelijke principiële onmogelijkheid om “fenomenaal” bewustzijn te verklaren vanuit een niet-mentaal substraat zoals materie of computatie. Hij onderscheidde dit probleem van de easy problems of consciousness die volgens hem in principe wél een materiële c.q. computationele oplossing toelaten, zoals de vraag hoe het brein zintuiglijke informatie opslaat en verwerkt, hoe leerprocessen plaatsvinden, hoe hormonen invloed hebben op de psyche, hoe het brein beslissingen omzet in lichamelijke acties, etc. Chalmers geeft toe dat dergelijke vragen nog steeds razend gecompliceerd kunnen zijn, maar ze lijken niet principieel onoplosbaar; in sommige gevallen hebben psychologen en neurowetenschappers al grote vooruitgang geboekt. Dergelijke vragen zijn in principe beantwoordbaar in termen van de computationele werking van het brein. Het cruciale punt is echter dat het moeilijke probleem daarmee onopgelost blijft: “These are important questions, but to answer them is not to solve the hard problem: Why is all this processing accompanied by an experienced inner life?” (Chalmers 1996: xii) Dat wil zeggen: waarom gaan al deze computationele processen in de materiële ‘hardware’ van het brein gepaard met subjectieve bewuste ervaringen, de zogenoemde qualia van fenomenaal bewustzijn?  Naar aanleiding van Nagels beroemde artikel “What is it like to be a bat?” (1974) worden qualia uitgelegd in termen van what-it-is-likeness: hoe het is om iets te ervaren – bijvoorbeeld hoe koffie smaakt, hoe verdriet aanvoelt, hoe het aanvoelt als je moet urineren, de specifieke sensaties van denken, twijfel en inzicht, etc. Dergelijke qualia zijn de zaken waar we ons onmiddellijk en dus met Cartesiaanse zekerheid van bewust zijn, de primaire bewustzijnsgegevens. Ze zijn inherent subjectief en daarmee principieel ontoegankelijk voor anderen: hoe bijvoorbeeld koffie voor mij smaakt, kan door niemand anders ervaren worden. Precies in die inherente subjectiviteit ligt het moeilijke probleem van het bewustzijn, omdat deze subjectiviteit klaarblijkelijk niet begrepen kan worden in termen van objectieve, door iedereen waarneembare materiële toestanden of processen in het brein. Hier gaapt een principiële kloof, een “explanatory gap”.

Stel dat we iemands hersenen kunnen observeren terwijl hij koffie drinkt: we zien hoe de koffie effect heeft op zijn smaakpapillen, die elektrische signalen via de zenuwen naar zijn hersenen sturen, waar vervolgens een waaier aan elektrochemische processen plaatsvindt. Stel dat we tevens precies begrijpen hoe deze informatie computationeel door zijn hersenen verwerkt wordt. Dan weten we nog steeds niets over de qualia van zijn bewuste ervaring op dat moment, hoe de koffie voor hem smaakt. Sterker nog, we weten zelfs niet of hij op dat moment überhaupt een bewuste ervaring heeft, aangezien bewuste ervaring intrinsiek subjectief is en dus voor ons principieel ontoegankelijk, in tegenstelling tot objectief waarneembare hersenprocessen. Misschien vinden er bij de koffiedrinker uitsluitend hersenprocessen plaats zonder begeleidende subjectief-bewuste ervaringen, wat Chalmers de “logische mogelijkheid van zombies” noemt, analoog aan de bewusteloze informatieverwerking door een computer. De conclusie die we moeten trekken is blijkbaar dat fenomenaal bewustzijn iets extra’s is naast de materiële realiteit van het brein en zijn computationeel functioneren. Maar als het bewustzijn iets extra’s is, dan is het klaarblijkelijk zelf niet materieel van aard en kan het dus ook niet vanuit materie verklaard worden. De causale werking van materiële objecten strekt zich immers alleen uit tot andere materiële objecten (de zogenoemde “causal closure of the physical”). Het bewustzijn, kortom, is niet reduceerbaar tot materie. Herkansing voor het idealisme In de geschiedenis van het moderne denken zijn tal argumenten ontwikkeld die deze principiële kloof tussen bewustzijn en materie aantonen (of althans claimen aan te tonen) en die met name door Chalmers (1996) vakkundig geanalyseerd en verder ontwikkeld zijn. Het gaat nu te ver om al deze argumenten te behandelen; hier zal hun juistheid simpelweg verondersteld worden (voor zover de bovenstaande argumentatie nog niet voldoende was). Wij zijn hier immers primair geïnteresseerd in de idealistische conclusie die uit deze argumenten getrokken moet worden. Om deze idealistische conclusie duidelijk te maken, moeten we terug naar de bovengenoemde vier mogelijke relaties tussen materie en bewustzijn: 1) materie verklaart bewustzijn (materialisme), 2) bewustzijn verklaart materie (idealisme), 3) materie en bewustzijn zijn onafhankelijke substanties (dualisme) en 4) materie en bewustzijn worden beide verklaard door een derde substantie (neutraal monisme). Het moeilijke probleem van het bewustzijn maakt duidelijk dat optie 1, het materialisme, in ieder geval afvalt. Daaronder moeten we dus ook de computationele variant van het materialisme verstaan, waarbij materie primair begrepen wordt in termen van haar computationele werking die – in ieder geval in het menselijke brein – tot bewustzijn zou leiden. We hebben gezien dat het moeilijke probleem van het bewustzijn ook een dergelijke computationele benadering van bewustzijn ondergraaft. Optie 1 valt dus weg, tenzij we Dennett willen volgen in zijn extreme claim dat het bestaan van fenomenaal bewustzijn een illusie is. Maar dat is gezien de Cartesiaanse zelfevidentie van het bewustzijn een absurditeit van de hoogste orde, een materialistische wanhoopsdaad om het moeilijke probleem van het bewustzijn te omzeilen. Dan blijven echter slechts opties 2, 3 en 4 over om de verhouding tussen materie en bewustzijn te begrijpen. Van deze opties zijn echter zoals gezegd het dualisme (optie 3) en het neutraal monisme (optie 4) intrinsiek onaantrekkelijk. Op het eerste gezicht lijkt het moeilijke probleem van het bewustzijn wel het dualisme te ondersteunen, voorzover bewustzijn als iets extra’s verschijnt naast de materiële realiteit van het brein, hetgeen twee gescheiden “substanties” suggereert. Bij nader inzien is dat echter geen bevredigende oplossing, aangezien het dualisme een mysterie maakt van lichaam-geest-interactie. Ook het neutraal monisme lijkt geen adequaat alternatief te zijn. Het neutraal monisme in zijn Spinozistische vorm blijft speculatief in zijn opvatting van de derde soort entiteit die aan zowel materie als bewustzijn ten grondslag zou liggen. En in zijn moderne vorm – waar de neutrale entiteiten gezien worden als “pure ervaringen” (James) die voorafgaan aan de scheiding tussen innerlijk en uiterlijk – lijkt het neutraal monisme zelfs het idealisme te ondersteunen. Zo wordt met name het zogenoemde Russelliaans monisme tegenwoordig begrepen als een vorm van panpsychisme, wat we kunnen opvatten als een vorm van idealisme (zie Sprigge 1983: hfst. 3). De enige optie die dan overblijft, kortom, is de idealistische mogelijkheid, waarbij we materie in termen van bewustzijn begrijpen. Zo lijkt het moeilijke probleem van het bewustzijn – weliswaar ex negativo – de juistheid van het idealisme aan te tonen (vgl. Hutto 2000; D’Oro 2005). Als bewustzijn niet vanuit materie verklaard kan worden (vanwege het moeilijke probleem van het bewustzijn) en als bewustzijn en materie niet als twee onafhankelijke substanties of als effecten van een neutrale entiteit begrepen kunnen worden (vanwege de genoemde argumenten tegen dualisme en neutraal monisme), dan moet het bewustzijn wel primair en de materie secundair zijn. Eliminatie van de ontoereikende opties laat als enige mogelijkheid het idealisme over: bewustzijn verklaart materie. In die zin wordt in de traditie van het idealisme vrij algemeen gesteld dat materie slechts een “fenomeen” (c.q. ervaring en/of conceptuele constructie) in het bewustzijn is en daarbuiten geen bestaan heeft. Hoe dit ‘materie-fenomeen’ precies in het bewustzijn ontstaat, is echter een open vraag waarover binnen de idealistische traditie verschillend wordt gedacht, soms zeer verschillend. Kortom, hoe we materie precies vanuit het bewustzijn moeten begrijpen, blijft vooralsnog onduidelijk. In een eerdere post op deze blog heb ik geprobeerd deze vraag te beantwoorden op basis van de computationele structuur van absoluut zelfbewustzijn. In volgende posts zal ik ingaan op ontwikkelingen in de natuurkunde die het idealisme ondersteunen, namelijk de kwantummechanica en de opkomst van de digitale natuurkunde.


Literatuur
- Chalmers, David (1996), The Conscious Mind: In Search of a Fundamental Theory. New York and Oxford: Oxford University Press.
- D’Oro, Giuseppina (2005), “Idealism and the philosophy of mind,” in: Inquiry 48 (5): 395-412.
- Hutto, Daniel D. (2000), Beyond Physicalism. Amsterdam: John Benjamins Publishing Company. - Nagel, Thomas (1974), What is it like to be a bat?,” in: Philosophical Review 4:435-450.
- Sprigge, Timothy L.S. (1983), The Vindication of Absolute Idealism. Edinburgh: Edinburgh University Press.



Over de mogelijkheid van verzoening in het tijdperk van de Hobbesiaanse bubbel-oorlog


Dé filosofische uitdaging voor onze tijd is het vinden van een verzoenend midden tussen autonomie en heteronomie – tussen de aanspraken van het Ik en die van de Ander – maar na de “Dood van God”, in de post-moderne conditie van “metafysische dakloosheid”, zonder de luxe van een voorafgegeven universaliteit waar Ik en Ander elkaar zouden kunnen vinden.

De existentiële urgentie achter deze filosofische urgentie is pijnlijk duidelijk: na eeuwen van modern subject-centrisme – overgecodeerd door de heerschappij van de witte westerse burgerman – is nu de “Opstand van de/het Ander(e)” in volle gang. Van de protesterende natuur in de ecologische crisis tot en met de woke-beweging van ‘afwijkende’ seksuele en etnische identiteiten, van de ideologische, economische en militaire opkomst van niet-westerse machten tot en met de (pseudo-)wetenschappelijk reductie van de mens tot “niets meer dan….” (niets meer dan zijn brein, een doorgeefluik voor zelfzuchtige genen, een product van ideologie, taal, cultuur en geschiedenis, een speelbal van primitieve instincten en/of de maatschappelijke dynamiek, etc.) – overal laten de aanspraken van de/het Ander(e) zich gelden tegenover de tanende macht van het moderne, westerse, autonome Ik. Een Ik dat van de weeromstuit in de kramp schiet en de neoconservatieve of zelfs fascistische neiging vertoont om zichzelf en zijn Grieks-Christelijke traditie dogmatisch te poneren als superieur aan al het andere, stoer maar wanhopig uitroepend: “The West is the best!” Alsof de kritische kern van de Verlichting alleen gered kan worden door deze te immuniseren voor alle kritiek – een evidente paradox.

Met andere woorden: willen we de mogelijkheid van kritisch denken en handelen écht openhouden, dan moeten we een midden vinden tussen autonomie en heteronomie, tussen de aanspraken van het Ik en die van de Ander. De crux is: zonder “respect voor andersheid” verwordt autonomie tot een totalitair modern egocentrisme, maar zonder autonomie verwordt “respect voor andersheid” tot een dogmatisch, pre-modern fundamentalisme, waar de autoriteit van de Ander onaantastbaar wordt (en het moet gezegd worden dat sommige postmoderne denkers, zoals Levinas met zijn “ethiek van de Ander”, verraderlijk dicht tegen een dergelijk fundamentalisme aanschurken). We moeten de kritische baby niet met het moderne badwater weggooien. Zoals Adorno zegt: “de kritische gedachte wil niet aan het object de verweesde koningstroon van het subject geven, waarop het object niet meer zou zijn dan een afgod – zij wil de hiërarchie afschaffen”. D.w.z. het gaat er in de kritiek op het moderne subject niet om diens autonomie te verruilen voor heteronomie (door ‘het object op de troon van het subject te zetten’) maar om hun hiërarchische verhouding af te schaffen, een verhouding waarbij altijd één van de twee domineert. De moderne verafgoding van het Ik moet niet vervangen worden door verafgoding van de Ander. Het gaat erom een evenwicht tussen beiden te vinden, een derde positie tussen autonomie en heteronomie in.


Verzoening na de Dood van God

Maar, zoals gezegd, we moeten deze balanceeract tussen Ik en Ander voor elkaar zien te krijgen na de “Dood van God”, zonder de luxe van een voorafgegeven universaliteit waar Ik en Ander elkaar kunnen vinden. Dat is nu juist het probleem, het aporetische van de huidige situatie: het gaat om een balanceeract zonder koord, en al helemaal zonder brug. Alle overkoepelende eenheden – een gedeelde God, gedeelde wetenschap, gedeelde cultuur, gedeeld volk, gedeelde taal, gedeeld mensbeeld, gedeelde belangen, gedeelde idealen – zijn problematisch geworden. De ‘werkelijkheid’ is geëxplodeerd in een onafzienbare veelheid van perspectieven: er zijn geen feiten meer, alleen nog maar “interpretaties” (Nietzsche) en “alternatieve feiten” (Trump). We leven in een “post-truth world”. Iedereen heeft z'n eigen ‘waarheid’, z'n eigen wereldbeeld, zn eigen “informatiebubbel”. Met het neoliberale individualisme – verwoord door Thatcher: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen” – en de voortschrijdende digitalisering heeft deze bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aangenomen. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving, raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. Zo is de moderne, geïndividualiseerde samenleving opgelost in “schuim” (aldus Peter Sloterdijk), een amorfe en losse samenhang van privé-bubbels.

Maar we kunnen deze bubbelficatie niet slechts op het conto van de kapitalistische individualisering en digitalisering schrijven, hoezeer zij in deze ontwikkeling ook een aanjagende werking hebben gehad. In de kern is de “Dood van God” een epochaal proces geweest, dat onlosmakelijk samenhing met de boven beschreven wederzijdse kritiek van Ik en Ander, de wederzijdse deconstructie van autonomie en heteronomie. 

Enerzijds heeft, aldus Max Weber, de komst van het moderne autonome subject geleid tot een "onttovering van de wereld", omdat het autonome subject geen enkele autoriteit buiten zich duldt en daarmee alle waarde en betekenis van zichzelf afhankelijk maakt (‘de wereld heeft alleen de waarde en betekenis die ik eraan toe ken’). Het autonome subject poneerde zichzelf als de enige bron van normativiteit en zoog zo alle waarde en betekenis uit de wereld, slechts het pure neutrum van de zuiver objectieve “res extensa” achterlatend. De natuur – in de premoderne tijd nog het tweede “Boek van God” (naast de Bijbel) – kan in de moderne tijd alleen nog verschijnen als het ontzielde object van de mathematisch-technologische wetenschap en als nuttige grondstof of te overwinnen obstakel voor de menselijke “Vooruitgang”. Aldus Heidegger: “In het planetaire imperialisme van de technisch georganiseerd mens bereikt het subjectivisme van de mens zijn hoogtepunt…” De “Vooruitgang”, waarin de mens zijn “Vrijheid” verwerkelijkt, is het enig overgebleven doel-op-zich, waarvoor al het andere slechts middel of obstakel is. De/het Ander(e) heeft geen intrinsieke eigenwaarde meer, alleen nog “waarde voor mij”.

Dat was de eerste – de moderne – fase in het historische drama van de “Dood van God”, waarin de autonome mens met zijn rationaliteit het geloof in God als illusie ontmaskert en zichzelf op Zijn plaats stelt als heerser over de schepping (en zelfs als de Schepper zelf, namelijk in de idealistische filosofieën van het wereld-scheppende Subject). De tweede, post-moderne fase in deze ontmaskering van alle universele waarde is precies de bovengenoemde tegenaanval van de/het Andere tegen de alleenheerschappij van het Ik, wiens autonomie enerzijds ontmaskerd wordt als egocentrisch geweld tegen andersheid – waarbij, zoals gezegd, het Ik is overgecodeerd als witte westerse burgerman – en anderzijds ondermijnd wordt door diezelfde andersheid voor zover deze als heteronomie doordringt in het hart van het Ik (de mens is “niets dan” materie, brein, instinct, machtswerking, taal, cultuur, geschiedenis, etc.). Zo ondermijnen het Ik en de/het Ander(e) elkaars universele aanspraken, totdat er geen enkele universaliteit overblijft – en precies dat is de huidige metafysische dakloosheid. Er is geen gedeelde waarheid meer, alleen nog het slachtveld van botsende bubbels, de onbemiddelde ontmoeting c.q. oorlog van Ik en Ander – de Hobbesiaanse bubbel-oorlog “van allen tegen allen”.


Cartesiaanse bewustzijnsbubbels

In feite wijst deze algehele bubbelficatie van de samenleving op een bekend filosofisch probleem – een mysterie eigenlijk – dat nu als het ware ook in het maatschappelijke leven doorbreekt. Het gaat om het vroegmoderne inzicht (feitelijk het begin van het moderne subjectcentrisme) dat ieder bewust wezen opgesloten zit in de “cirkel” van het eigen bewustzijn – een besef dat doorbrak na Descartes’ ontdekking van het cogito en zijn conclusie daaruit dat we alleen onze eigen bewustzijnsinhouden direct kennen, niet wat zich buiten het bewustzijn bevindt. Zoals de Cartesiaanse filosoof Arnauld het formuleerde: “We hebben geen kennis van wat zich buiten ons bevindt behalve via bemiddeling door de ideeën in ons.” 

Ook het gelijktijdig opkomende atomisme (“corpuscularianisme”) in de natuurwetenschap speelde dit besef in de kaart, omdat de elementaire deeltjes geacht werden alleen meetbare eigenschappen te hebben – “primaire kwaliteiten” als getal, soliditeit, ruimtelijke vorm en beweging – maar niet de “secundaire kwaliteiten” van kleur, geur, geluid en smaak, die louter de causale effecten zouden zijn van de deeltjes op onze zintuigen. Daarom zijn de secundaire kwaliteiten louter subjectief en verschillend van subject tot subject, afhankelijk van de variabele staat van het waarnemend vermogen (zoals voor iemand met geelzucht een gele waas hangt over alles wat hij ziet). Het probleem is echter, zoals met name Berkeley opmerkte, dat we alleen via de secundaire kwaliteiten ook de primaire kwaliteiten kunnen ontdekken en dat de subjectiviteit van de eerste zich daarmee ook tot de tweede uitstrekt. Daarmee herhaalde Berkeley een inzicht dat al werd verwoord door de presocratische atomist Democritus, van wie het volgende fragment is overgeleverd uit een langere “dialoog van het verstand en de zintuigen”:


“Verstand: Volgens conventie is er zoet, volgens conventie bitter, volgens conventie kleur, maar in werkelijkheid zijn er alleen atomen en ruimte.
Zintuigen: Dwaas verstand! Wil je ons omverwerpen, terwijl jij je bewijs alleen uit ons kan halen?”


Het gevolg van de Cartesiaanse opsluiting in de “cirkel van het bewustzijn” was dan ook een algeheel skepticisme bij filosofen als Locke en Hume aangaande de buitenwereld, een wereld die achter de “sluier van de perceptie” verborgen gaat. Aldus Locke: “Woorden zijn tekens van de ideeën van de spreker, en niemand kan die tekens onmiddellijk toepassen op iets anders dan op de ideeën die hij zelf in zijn hoofd heeft.” De taal verloor z'n onproblematische referentiële binding met de veronderstelde “externe realiteit” en explodeerde bovendien in een onafzienbare pluraliteit van privé-talen (pace Wittgenstein), omdat míjn woorden alleen nog konden duiden op míjn ideeën in míjn hoofd – wat er in andere hoofden omgaat ligt dan principieel buiten het bereik van mijn taal. 

Met de huidige bubbelficatie van de samenleving dringt dit probleem vanuit de filosofie in alle hevigheid door in het maatschappelijke leven. Iedereen zit opgesloten in de ‘bubbel’ van het eigen bewustzijn, iedereen beleeft de wereld op z'n eigen unieke manier, niemand kan “in het hoofd van een ander kijken” om te ervaren wat de ander ervaart. Als er duizend mensen luisteren naar een uitvoering van een symfonie, dan horen geen twee mensen precies hetzelfde – in zekere zin worden er duizend verschillende versies van dezelfde symfonie uitgevoerd. Zo is het ook met ‘de wereld’ – iedereen ervaart de wereld op een unieke manier en in die zin zijn er evenveel werelden als dat er ervarende subjecten zijn. 

Wat dit probleem nu nog pregnanter maakt dan in de vroegmoderne tijd is dat wij in onze toestand van metafysische dakloosheid geen beroep meer kunnen doen op algemeen geaccepteerde, universele instanties – zoals God, de Rede of de Wetenschap – om de talloze bewustzijnsbubbels en hun privé-talen op elkaar en op de externe realiteit af te stemmen. Zo konden Descartes en Leibniz nog een beroep doen op God om deze afstemming te bewerkstelligen – Descartes met zijn rare cirkelredenering dat ons “heldere en welonderscheiden” idee van God aantoont dat God de objectieve waarheid van onze “heldere en welonderscheiden ideeën” garandeert, en Leibniz met zijn geloof in een door God “vooraf gevestigde harmonie” tussen onze prive-ideeën en de wereld. Bij Kant is de relatie met de buiten het bewustzijn gelegen werkelijkheid al niet meer te redden – het Ding-an-sich is onkenbaar geworden – maar tenminste zorgt de universeel-menselijke Rede er nog voor dat alle mensen in hun transcendentale constructie van de ervaringswereld overeenstemmen. Maar voor óns, na de “Dood van God”, is er geen universaliteit – geen God, geen Rede, geen gedeelde Mensheid – meer die kan bemiddelen in de botsing van de bewustzijnsbubbels en de verschillende privé-talen op elkaar kan laten aansluiten. De botsing is onbemiddeld geworden, een Hobbesiaanse bubbel-oorlog van allen tegen allen.

Iedereen zit opgesloten in het eigen bewustzijn, er zijn evenveel ‘werelden’ als dat er ervarende subjecten zijn. En toch – en dat is het mysterie – ontmoeten we elkaar in wat een gedeelde wereld lijkt te zijn, een wereld die op mysterieuze wijze 'vibreert' tussen tussen objectiviteit en subjectiviteit, tussen de eenheid van het gemeenschappelijke en de onafzienbare veelheid van de talloze privé-werelden. De ervaren wereld is enerzijds transsubjectief genoeg om communicatie tussen subjecten mogelijk te maken, maar tegelijk ook zo ongrijpbaar dat die communicatie niet tot consensus kan leiden en uitmondt in onafsluitbare discussies. In die zin kunnen we de stelling van Hannah Arendt begrijpen dat de publieke wereld als het “tussen” – als het gedeelde toneel waarop de intermenselijke ontmoeting kan plaatsvinden – problematisch is geworden, omdat mensen zich na de “Dood van God” in toenemende mate uit de gedeelde wereld en in hun privé-bewustzijn terugtrekken. De publieke ruimte, die volgens Arendt noodzakelijk is voor gezonde politiek, wordt zo onmogelijk:

“De wereld ligt tussen de mensen, en dit tussen [...] is tegenwoordig het onderwerp van de grootste bezorgdheid en de meest evidente consternatie in bijna alle landen op aarde. [D]e publieke ruimte heeft de verlichtende kracht, die oorspronkelijk tot haar essentie behoorde, verloren… Met elke terugtrekking uit de wereld vindt er een aantoonbaar verlies voor de wereld plaats; wat verloren gaat is het specifieke en meestal onvervangbare tussen dat zich zou moeten vormen tussen het individu en zijn medemensen.”

De armoede van het wetenschappelijk materialisme
Willen we in onze toestand van metafysische dakloosheid een verzoenend midden tussen Ik en Ander kunnen vinden, dan moeten we deze mysterieuze toestand van de wereld als het tussen – dat zich tússen de mensen bevindt, maar dat als zodanig ook vibreert tússen publieke objectiviteit en privé-subjectiviteit – ophelderen. Maar voordat we ons daaraan wagen moeten we heel duidelijk één mogelijke opheldering uitsluiten, namelijk de materialistische verklaring vanuit de natuurwetenschap. Vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief lijkt het volstrekt logisch dat we enerzijds ieder voor zich opgesloten zitten in onze bewustzijnsbubbels en anderzijds toch in een gedeelde werkelijkheid leven die onze bewustzijsbubbels op elkaar afstemt. Die gedeelde werkelijkheid is, vanuit natuurwetenschappelijk perspectief, de materiële – dwz. uit elementaire deeltjes en natuurwetten opgebouwde – werkelijkheid van het heelal, zoals de natuurkunde die beschrijft. In deze visie zijn mensen slechts materiële objecten in een overkoepelende materiële wereld: die gedeelde wereld prikkelt onze zintuigen en daarmee onze hersenen die deze prikkels verwerken tot bewuste ervaringen – ervaringen die dan van individu tot individu genoeg op elkaar lijken om onderlinge communicatie en samenwerking mogelijk te maken. 

Maar hoe eenvoudig en evident juist deze verklaring ook mag lijken, we mogen haar niet zomaar klakkeloos accepteren. Simpel gezegd heeft na de “Dood van God” ook “de Wetenschap” haar universele autoriteit verloren. Ook de wetenschap blijkt “maar een perspectief” te zijn, zij het een bijzonder nuttig en experimenteel bevestigd perspectief, maar dat geeft meteen ook het problematische ervan aan. De mathematisch-technologische wetenschap is onlosmakelijk verbonden met het moderne subjectcentrisme, waarvoor al het andere tot technologisch beheersbaar middel werd gereduceerd. Als zodanig heeft de wetenschap bijgedragen aan de onttovering van de wereld, waarbij alle waarde, betekenis en zintuiglijke kwaliteit door het subject uit de wereld werden ‘gezogen’. De wetenschap drukt zo een duidelijk subjectief belang uit – de beheersingsdrang van het moderne subject – en in die zin is de wetenschap allerminst neutraal en objectief. Juist als we een midden tussen autonomie en heteronomie willen vinden, kunnen we niet naïef op de mathematisch-technologische wetenschap vertrouwen, omdat juist daarin zich de – zowel cognitieve als technisch-praktische – autonomie van het subject articuleert.

Uit het experimentele succes van de wetenschap kunnen we dan ook niet tot de objectieve waarheid ervan concluderen. Experimenteel succes duidt slechts op het vermogen van de wetenschap om mathematische modellen te ontwikkelen die testbare voorspellingen doen (bijvoorbeeld dat in een bepaalde experimentele set-up een metertje uitslaat). Dat de experimenteel succesvolle modellen objectieve waarheid bezitten en de werkelijkheid an sich beschrijven, is dan een filosofische en dus bestrijdbare aanname (waar bijvoorbeeld het instrumentalisme in de wetenschapsfilosofie zich tegen verzet). De nog steeds onbesliste strijd om de juiste “interpretatie” van de kwantummechanica spreekt wat dit betreft boekdelen; het laat duidelijk zien dat experimenteel succes van een mathematics model niet zo heel veel zegt over de werkelijkheid an sich. Dit blijkt verder ook uit de nog altijd problematische relatie tussen kwantummechanica en relativiteitstheorie. 

Dat het natuurwetenschappelijke wereldbeeld onvolledig is, blijkt ten slotte ook hieruit dat het bewustzijn als zodanig daar niet in lijkt te passen (zie het zogenoemde “hard problem of consciousness”). De boven beschreven materialistische verklaring van onze ervaring van een gedeelde wereld, is dan ook eigenlijk gebaseerd op smokkelwaar, want het smokkelt het bewustzijn zelf mee naar binnen, aangezien het bewustzijn niet vanuit de materie verklaard kan worden. 


“Oorlog is de vader van alle dingen”

Toch is de conclusie dat in deze strijd elke universaliteit ten onder gaat niet 100 procent correct, omdat in zekere zin de strijd zelf – de botsing van de bubbels – als enige universaliteit overblijft. Anders gezegd: als alle perspectieven relatief zijn geworden, is het enige overgebleven absolute de strijd tussen de perspectieven. Dat is het enige wat alle perspectieven nog delen én wat hen tot louter perspectieven maakt, namelijk hun on-enigheid, hun onbemiddelde botsing. Omdat alle perspectieven elkaar constant onderuithalen, kan geen enkel perspectief zichzelf als dé Waarheid opwerpen en blijkt elk perspectief “slechts een perspectief” te zijn. Maar dé Waarheid is daarmee niet geheel uit zicht verdwenen, zij heeft zich slechts teruggetrokken in die on-enigheid zelf die als enige universele constante is overgebleven, de enige waarheid waarin alle perspectieven elkaar nog ‘vinden’. Kortom, willen we een verzoenend midden vinden tussen autonomie en heteronomie – om zo de mogelijkheid van kritisch denken en handelen open te houden en verzoening te brengen in de stellingenoorlog van Ik en Ander – dan moeten we dit midden zoeken in de oorlog zelf, in de onbemiddelde botsing van de bubbels, in wat zich tússen de bubbels voltrekt. 

Maar hoe kan in de oorlog zelf het verzoenende midden gevonden worden? Is dat niet een hopeloze paradox? Een sterk staaltje utopisch wensdenken? Net zo hopeloos en utopisch als de kortstondige “Kerstmisvrede” (Weihnachtsfrieden, Trêve de Noël) van 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen zowel Duitse als geallieerde soldaten spontaan hun loopgraven uitkwamen en het prikkeldraad overstaken om elkaar in het niemandsland van het slachtveld de hand te schudden en samen Kerst te vieren, waarbij er voedsel en drank werd gedeeld, kerstliederen werden gezongen en er zelfs een voetbalwedstrijd plaatsvond – om elkaar op 27 december gewoon weer kapot te schieten… 

Toch hebben we de sleutel tot dat verzoenende inzicht in het midden van de oorlog – het niemandsland tussen de loopgraven – boven al geformuleerd, namelijk dat het juist de onbeslisbare strijd tussen de perspectieven is die hen tot (louter) perspectieven maakt. Anders gezegd: de perspectieven hebben elkaar nodig om verschillende perspectieven te kunnen zijn. Het belang daarvan blijkt als we overschakelen van een epistemologisch naar een ontologisch register en bedenken dat elk perspectief ook een ontische identiteit is, een zelfopvatting van een wezen, een zelf-stelling (“Selbst-Setzung” aldus Fichte). In elk perspectief articuleert zich de “conatus” (Spinoza), de “wil tot macht” (Nietzsche), de “interesse” (Marx) van een zijnde dat in zijn zijn wil volharden. Dat perspectieven elkaar nodig hebben om verschillende perspectieven te kunnen zijn, betekent dus in feite dat zijnden elkaar nodig hebben om verschillende zijnden te kunnen zijn. Daarin manifesteert zich een universele dialectische wet, zoals paradigmatisch geformuleerd door Spinoza: Omnis determinatio est negatio, oftewel: elke bepaling is een negatie, oftewel: je kunt alleen aangeven wat iets is door aan te geven wat het niet is. 

Dat is de universele wet van de dialectiek die zich nu aandient in de onbemiddelde botsing der bubbels als enig overgebleven universaliteit: de zijnden zijn wat ze zijn door van elkaar te verschillen – en dat verschil manifesteert zich nu als on-enigheid, als de Hobbesiaanse bubbel-oorlog van allen tegen allen. De zijnden zijn wat zij zijn door hun onderlinge strijdigheid. En ook al dringt dat inzicht zich nu, in de huidige “post-truth world” met z'n onbemiddelde botsing der bubbels, in alle hevigheid aan ons op, het gaat in feite om een eeuwenoud inzicht dat we bijvoorbeeld ook al bij de presocraat Heraclitus aantreffen: “Oorlog is de vader van alle dingen.”


Tot slot: het verzoenende midden van de bokswedstrijd

Hoe moeten we nu, uitgaande van dit constitutieve belang van strijd tussen Ik en Ander, vorm geven aan het gezochte verzoenende midden tussen autonomie en heteronomie? Hier dringt zich het beeld op van de bokser die zijn tegenstander nodig heeft om zichzelf als bokser te kunnen realiseren. Het geweld dat tussen beiden plaatsvindt, is hun oerdistantiatie als verschillende wezens. Het Tussen is hier, zogezegd, ‘slagveld’ en ‘geboorteplek’ van Ik en Ander ineen. Tegelijk hebben beiden er alle belang bij om het transcendentale geweld niet zodanig te laten escaleren dat de één de ander doodslaat, want zonder elkaar zijn zij niets. 

Het beste wat een bokser kan doen is juist zijn tegenstander zo sterk mogelijk maken, want alleen zo kan hij ook het beste uit zichzelf halen. De vrije zelfrealisatie van de één en de intrinsieke waarde van de ander zijn hier precies in evenwicht. Is dit niet hoe we het verzoenende midden tussen autonomie en heteronomie moeten realiseren? Als sportieve ‘boksers’ in relatie tot elkaar en tot de ons omringende wereld?