Showing posts with label het Tussen. Show all posts
Showing posts with label het Tussen. Show all posts

Individu, dividu, intervidu

 

“Je bent wie je bent door je relaties tot anderen, door je positie tussen hen in...” In die zin zou ik het individu willen (her)definiëren als intervidu. Dit onder andere als kritiek op Nietzsche en zijn volgelingen, met name Deleuze en Guattari, die het individu vervangen door het dividu. Terecht wijzen zij erop dat “individu” letterlijk “ondeelbaar” betekent, net als het Griekse “atomos” (Latijn: “dividere” = in tweeën delen, het prefix “in-” drukt een negatie uit, zoals “on-” in “ondeelbaar”). Deze opvatting van de mens als een ondeelbare eenheid spiegelt de vermeende autonomie van het moderne subject, dat zichzelf als z'n eigen wetgever begrijpt (Grieks: “auto” = zelf, “nomos” = wet), onafhankelijk van de vreemde krachten die hem van buiten en van binnen 'bedreigen'. Natuurlijk is deze autonomie volgens de Nietzscheanen een illusie: het zogenaamde individu is feitelijk een samenspel, of beter gezegd: strijdtoneel van verschillende krachten die om beurten de mens beheersen en in verschillende richtingen doen bewegen (dwz. handelen en denken). De mens zou daarom niet het individu zijn maar het dividu, de deelbare – of letterlijk vertaald: de in tweeën deelbare (Latijn: “di-” = twee). 


Maar het zal duidelijk zijn dat deze tweeheid voor de Nietzscheanen eerder een ongewenste connotatie is van de term dividu. Voor hen gaat het om een grotere menigvuldigheid van krachten waaruit de mens zou bestaan. Zo bezien is de term “dividu” slecht gekozen. Maar ook om andere redenen moet deze term verworpen worden. Ten eerste kunnen we ons de vraag stellen of de complexiteit van de mens als samenspel of strijdtoneel van verschillende krachten inderdaad op zo’n gespannen voet staat met zijn vermeende eenheid als de Nietzscheanen beweren. Geeft deze complexiteit de mens niet juist een bepaalde uniciteit, een unieke kern die hem van alle andere mensen doet verschillen? Dat is in ieder geval de suggestie die volgt uit de opvatting van het menselijke zijn als tussen-zijn, inter-esse. Zoals gezegd, je bent wie je bent door je relaties tot anderen, door je positie tussen hen in. De essentie van de mens is een inter-essentie (en ieder mens is in die zin een interessent, “iemand die belangstelling voor iets heeft”, aldus Van Dale). Ieder mens is een kruispunt van sociale relaties en is als zodanig uniek, simpelweg omdat de sociale relaties verschillen van mens tot mens (mijn sociale relaties zijn niet de jouwe en dus ben ik niet jou). 


Om dit unieke tussen-zijn (corresponderend met een unieke interesse) van ieder mens aan te geven, lijkt mij de term “intervidu” geschikter dan “dividu”. De deelbaarheid van het dividu doet geen recht aan de (weliswaar complexe) uniciteit van ieders tussen-zijn (om van de ongewenste connotatie van tweeheid bij “dividu” nog maar te zwijgen). Naast deze uniciteit geeft het tussen-zijn van de mens aan zijn bestaan ook een punt-achtig karakter, als kruispunt of knooppunt van de relaties die hem vormen. “Relationalisme” noemt de postmoderne theoloog Mark C. Taylor deze opvatting van identiteiten als knooppunten: “In this schema, to be is to be related, or in current terms, to be is to be connected. Neither self-identical nor oppositional subjectivity is nodular.” (Mark C. Taylor, After God. 2007, p.40) “That is to say, every subject is a node in a complex web of relations, which constitute its identity as differential.” (Idem, p.382, n.31) 


Deze puntigheid van het menselijke tussen-zijn ontbreekt volledig in de Nietzscheaanse opvatting van de mens als dividu. Dankzij de consonantie met “individu” drukt de term “intervidu” dit punt-karakter wel uit, maar zonder de connotatie van ondeelbare eenheid: anders dan de term “individu” benadrukt “intervidu” de relationele vorming, het tussen-zijn van het unieke punt dat ieder mens is. Mijns inziens doet deze erkenning van de puntige uniciteit van het mens-zijn ook veel meer recht aan de fenomenologie van dit mens-zijn dan de Nietzscheaanse opvatting: de mens mag dan een veranderlijk complex zijn verschillende en variërende krachten, het feit blijft dat hij zichzelf ervaart als een Ik, als een uniek en zelfreflexief punt waaromheen zijn bewustzijn van de wereld gecentreerd is – ongeveer zoals een perspectieftekening verwijst naar een verdwijnpunt waar alle evenwijdige lijnen samenkomen. 


Men kan volhouden dat deze ervaring van het Ik een illusie is, net als de moderne illusie van het autonome subject, maar dat doet geen afbreuk aan het feit van de ervaring: het zelfbewustzijn mag eventueel illusoir zijn (wat het m.i. niet is, maar dat terzijde), de ervaring ervan is er en vraagt om een verklaring. Dat is mijns inziens de echte uitdaging, die door de Nietzscheanen volledig over het hoofd is gezien: de verklaring hoe de mens zich als een Ik kan ervaren gegeven het feit dat zijn bestaan een variërend complex is van verschillende krachten. Een begin van deze verklaring hebben we reeds in de erkenning van het punt-achtige karakter van het menselijke tussen-zijn, het feit dat ieder mens een uniek knooppunt of kruispunt van relaties is. 


Maar veel blijft hierbij natuurlijk nog onduidelijk. Hoe moeten we het punt dat ieder mens is precies begrijpen? Als een substantieel punt met een materiële en/of geestelijke inhoud? Of eerder als een geometrisch, uitbreidingsloos punt, zonder substantie? Dus als een ideële entiteit die nooit in de materiële wereld kan bestaan maar wel verondersteld moet worden om deze wereld rationeel begrijpelijk te maken (denk aan Plato en natuurlijk aan Kants transcendentale subject dat nooit empirisch gegeven kan zijn)? Deze laatste opvatting van de mens als uitbreidingsloos, ideëel punt lijkt in ieder geval meer in overeenstemming te zijn met de fenomenologie van het mens-zijn. Ieder mens verandert door de tijd heen, maar tegelijk ervaart hij zich als gelijkblijvend: hij blijft dat unieke Ik ondanks alle veranderingen. 


Maar wat is dan dat Ik dat bijna als een gelijkblijvende substantie ten grondslag ligt aan zelfs de meest wisselende eigenschappen? Dat is moeilijk onder woorden te brengen. Het punt is natuurlijk dat er geen substantie is. Zelfs iemands meest eigen karaktereigenschappen kunnen veranderen door gebeurtenissen, toch blijft hij dezelfde persoon, hetzelfde Ik dat al die gebeurtenissen heeft meegemaakt. Hoe kan deze innerlijke leegheid de temporele continuïteit van het Ik waarborgen? En vooral: hoe kan dit lege punt, dat het Ik is, van zichzelf bewust zijn? Wat verklaart de zelfreflexiviteit van het Ik als knoop- of kruispunt van relaties?





Dialogische vrijheid tussen oorlog en vrede: Bedenkingen bij 100 jaar Ich und Du

Verschenen in: Filosofie-Tijdschrift, jaargang 33, nr. 4, juli/augustus 2023 (download pdf). Aan gene zijde van het subjectieve,  aan deze zijde van het objectieve,  op de smalle richel waar Ik en Jij elkaar ontmoeten,  ligt het rijk van het Tussen. (Buber, 1971: 143)


Buber en Poetins filosofische uitdaging

In 1923 verscheen Ich und Du, het bekendste werk van de dialogische denker Martin Buber. Tot aan zijn dood in 1965 was Buber ongekend populair, daarna echter nam zijn invloed snel af. De dialogische filosofie werd overschaduwd door het werk van jongere generaties en nieuwe spraakmakende filosofische stromingen zoals de fenomenologie, de analytische filosofie, de kritische theorie, het structuralisme en het postmodernisme. Een nieuwe tijd met nieuwe, meer zakelijke geluiden brak aan. Vergeleken daarmee moesten Bubers poëtisch-spirituele bespiegelingen over het existentiële belang van “Ontmoeting” wel als gedateerd en oubollig overkomen. Zo sprak Adorno (1990: 273) denigrerend over de “zalvende toon van niet-geloofwaardige theologie”, doelend op Bubers ‘gedweep’ met de Ik/Jij-relatie. De vraag is echter of deze groeiende afkeer van Buber inhoudelijk was gemotiveerd of dat het hierbij vooral ging om een generatieconflict, waarbij de naoorlogse zakelijkheid de neus ophaalde voor de utopische sentimentaliteit van oudere generaties. 

Leggen we Bubers werk naast de grote problemen van onze tijd, dan blijkt desondanks de blijvende waarde ervan. Denk bijvoorbeeld aan de ‘verbubbeling’ van de samenleving waarbij steeds meer mensen zich terugtrekken in de bubbel van de eigen groep en het eigen gelijk. De Russen en het Westen, de ‘complotwappies’ en de ‘sheeple’, links en rechts, de Israëli’s en de Palestijnen, de haves en de have-nots – iedereen zit in z’n eigen informatiebubbel, wereldbeeld, comfortzone, getto of gated community. Échte dialoog, dwars door bubbelwanden heen, vindt nog maar zelden plaats. Bubers dialogische filosofie legt in deze situatie precies de vinger op de zere plek.

Zoomen we in op het conflict tussen Poetins Rusland en het Westen dat nu op Oekraïens grondgebied wordt uitgevochten, dan zien we Bubers actualiteit ook nog op een andere, meer specifieke wijze aan het licht treden. Poetins aanval op Oekraïne stelt ons niet alleen voor een militaire maar ook voor een ideologische en zelfs filosofische uitdaging. Het liberale individualisme van het Westen is failliet, zegt Poetin, terwijl hij zijn ultraconservatieve nationalisme daartegenover stelt. We kunnen Poetins totalitaire collectivisme, waar het individu volledig ondergeschikt wordt gemaakt aan een ultraconservatief en gemilitariseerd nationalisme, niet sterk genoeg verwerpen – dat is duidelijk. Tegelijk echter moeten we toegeven: ja, het westerse liberale individualisme ís in crisis. Het (neo-)liberale individualisme heeft ons egoïstisch gemaakt, ons vervreemd van elkaar en van onszelf, en ons gereduceerd tot producerende en consumerende schakeltjes in de gigantische geldmachine van het geglobaliseerde kapitalisme.

Dit, kortom, is de filosofische uitdaging waar Poetin ons voor plaatst: enerzijds moeten we recht doen aan de terechte kritiek op het liberale dogma van individuele autonomie, anderzijds moeten we ervoor waken om niet te vervallen in het tegenovergestelde kwaad van heteronomie, de onderwerping van het individu aan de ‘Grote Ander’ van Staat, Volk of Kerk. We moeten, anders gezegd, een midden zien te vinden tussen individuele vrijheid en sociale gebondenheid, tussen autonomie en heteronomie. Hierbij kan Bubers dialogische filosofie ons grote diensten bewijzen.

Relevant daarvoor is Bubers concept van de “smalle richel” (of bergkam, heuvelrug) dat in zijn werk een centrale rol speelt (zie Friedman, 1991: 43-44). Met de smalle richel duidt Buber op de balanceeract die hij als dialogische denker constant probeerde vol te houden tussen de ‘afgronden’ van tegengestelde extremen: individualisme versus collectivisme, subjectivisme versus objectivisme, rede versus religie, handelen versus genade, etc. Steeds probeerde Buber, als een koorddanser balancerend ‘op het scherpst van de snede’, een dialogisch midden te vinden waarmee aan beide extremen recht kon worden gedaan. In het volgende zal ik onderzoeken hoe Bubers dialogische filosofie ons in staat stelt om de ‘smalle richel’ tussen autonomie en heteronomie te vinden en te bewandelen. 

Zijn concept van het Tussen – waarin de logica van de smalle richel tot een hoogtepunt komt – zal daarvoor cruciaal blijken. Het Tussen is voor Buber de ontologische grondslag van de dialogische werkelijkheid, de oorspronkelijke dimensie waarin Ik en Ander in relatie tot elkaar ontstaan. Aldus Michael Theunissen (1977: 273) in zijn klassieke studie over de dialogische filosofie: “De geboorte van de partners uit de Gebeurtenis van de ontmoeting denkt Buber als de wederzijdse constitutie van Ik en Jij, als het ontstaan van het Ik uit het Jij en van het Jij uit het Ik.” Zo gaat de dialogische relatie ontologisch aan de gesprekspartners vooraf; in die zin wordt Bubers filosofie ook wel een “ontologie van het Tussen” genoemd (Levinas, 1963: 124 & Theunissen, 1977: 9). Uiteindelijk stelt deze ontologische dimensie van het Tussen Buber in staat om een midden tussen autonomie en heteronomie te articuleren.

Al kunnen we ons hierbij wel afvragen of Buber het zich niet te gemakkelijk maakt door simpelweg uit te gaan van de wederzijdse constitutie van Ik en Jij. Als Buber (1947: 207) zegt: “Wij zijn met elkaar geschapen en op een met-elkaar toe (auf ein Miteinander zu)”, veronderstelt hij dan niet precies wat aangetoond moet worden, de mogelijkheid van dialoog tussen verschillende wezens? Wreekt zich hier niet de vaak bekritiseerde utopische sentimentaliteit van Buber? Of gaat het hier inderdaad slechts om een ouderwetsere, pre-oorlogse manier van uitdrukken en herbergt Bubers denken een niet-vermoede radicaliteit? Om hierover duidelijkheid te verschaffen, zullen we tot slot ingaan op de ontwikkelingslijn die loopt van Buber naar Levinas en Derrida (waarbij deze laatste denkers uitsluitend behandeld worden voorzover zij helpen om Bubers positie te verduidelijken). Daarbij wil ik laten zien dat de lijn Buber-Levinas-Derrida een realistisch perspectief biedt op een dialogisch midden tussen autonomie en heteronomie, een midden waarin óók de inherente conflictualiteit van het menselijk bestaan is verdisconteerd – een vorm van dialogische vrijheid, kortom, die wezenlijk balanceert op de smalle richel tussen oorlog en vrede.


Moderne autonomie: wat is het probleem?

Laten we, voordat we ingaan op Bubers dialogische filosofie, eerst het probleem van het moderne autonomiebegrip nader onderzoeken. Het moderne autonome subject is alleen gebonden aan normen – regels, waarden, wetten – die het zichzelf in vrijheid oplegt. “Autonomie”, zo definieert Kant (1994: 95), “is die eigenschap van de wil waardoor deze een wet voor zichzelf is”. Zo ligt de autonomiegedachte ten grondslag aan cruciale verworvenheden van het moderne Westen, zoals individuele vrijheid (het recht om zelf te beslissen over het eigen leven), democratie (het recht om mee te beslissen in de collectieve zelfwetgeving) en kritisch denken (het vermogen om zelf, op grond van de eigen rede, te beslissen wat juist is, zonder de dogma’s van ‘Kerk, Koning en Kapitaal’).

Op dit vlak ligt, zoals gezegd, de filosofische uitdaging waar Poetins oorlog tegen Oekraïne ons voor plaatst. Om deze filosofische kant van Poetins afkeer van het Westen beter te begrijpen, loont het de moeite om nader in te gaan op de controversiële ideeën van de Russische filosoof Doegin, die veel invloed schijnt te hebben op de kring rond Poetin. Volgens Doegin is het westers liberalisme een tegennatuurlijke ideologie die met een vals universalisme aan de rest van de wereld wordt opgedrongen. Het liberalisme is tegennatuurlijk, aldus Doegin, omdat het uitgaat van de fictie van het autonome individu dat in principe losstaat van alle geografische, sociale, historische, culturele en religieuze banden. Thatchers beruchte neoliberale uitspraak – “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen” – wordt door Doegin omgedraaid: er is niet zoiets als een zelfstandig individu, er zijn alleen samenlevingen. Dat wil zeggen: er zijn geen losstaande autonome individuen (behalve als ontaardingen), er zijn alleen Chinezen, Russen, Amerikanen, Joden, Fransen, Arabieren… Doegin huldigt zo de extreem communitaristische of zelfs fascistische overtuiging dat mensen zich alleen in voorafgegeven gemeenschappen tot volwaardige personen kunnen ontwikkelen en dus altijd relatief zijn aan een historisch volk met zijn etnisch-traditionele cultuur en gebondenheid aan een etnisch-historisch landschap. 

Hoewel we Doegins ultraconservatieve communitarisme moeten verwerpen, moeten we ook erkennen dat zijn kritiek op de westerse autonomiegedachte wel degelijk raakvlakken heeft met diverse stromingen van kritisch denken binnen het Westen zelf. Daarbij kunnen we enerzijds denken aan oudere, bekendere kritieken zowel ter rechterzijde (de conservatieve kritiek op het liberalisme als de ‘erosie’ van traditionele gemeenschapsbanden) als ter linkerzijde (de marxistische kritiek op het liberalisme als ideologie van het kapitalisme). We kunnen hierbij echter ook denken aan meer recente kritieken op de westerse moderniteit, zoals ontwikkeld in het postmoderne en postkoloniale denken.

De postmoderne en postkoloniale kritieken richten zich specifiek op de binaire logica die de westerse autonomiegedachte kenmerkt, de logica van zelfbepaling door uitsluiting van de/het Ander(e). Het autonome subject is, zoals gezegd, voor zichzelf de enige bron van normativiteit. Als zodanig is het blind voor de intrinsieke waarde van iets of iemand anders, waarvan het de prikkelende invloed alleen kan ervaren als een heteronome aantasting van zijn vrijheid, een obstakel dat geëlimineerd of onderworpen moet worden. Zo realiseert het modern-westerse subject zich via een vertakkende structuur van hiërarchische tegenstellingen, waarin het zichzelf poneert als de superieure pool via de negatie van het inferieure andere (het “subalterne”): subject-object, geest-lichaam, man-vrouw, hetero-homo, westers-oosters, kapitaal-arbeid, mens-natuur, etc.

Doegins kritiek op de liberale autonomiegedachte bevat dus zeker aanknopingspunten voor kritisch denken binnen het Westen zelf. Maar wat Doegin en Poetin voor die gedachte in de plaats zetten, een fascistische ideologie van etnisch-culturele gebondenheid, is minstens zo erg: het sluit mensen op in de geborneerde eenheid van de etnisch-culturele gemeenschap waarin zij toevallig geboren zijn. Wat Poetins oorlog op deze wijze, ex negativo, voor ons duidelijk maakt is dat de terechte kritiek op het moderne autonomie-ideaal er niet toe mag leiden dat we dit ideaal geheel afwijzen, om onszelf à corps perdu aan de heteronomie van de ander over te geven. Daarmee zouden we vervallen in het tegenovergestelde kwaad van dogmatisme, waarin de autoriteit van de ander onaantastbaar wordt. 

De terechte kritiek op de moderniteit mag er niet toe leiden dat we vóór de moderniteit terugvallen in middeleeuwse heteronomie. Daarvoor zijn de moderne verworvenheden van individuele vrijheid, democratie en kritisch denken ons te dierbaar. In plaats van autonomie te verruilen voor heteronomie, moeten we een post-moderne vorm van kritische vrijheid ontwikkelen als een derde positie tussen autonomie en heteronomie. We hebben een evenwicht nodig tussen de vrijheid van het Ik en de intrinsieke waarde van de/het Ander(e). Alleen zo kunnen we de kritisch-emancipatoire kant van de moderne autonomiegedachte voortzetten, of zelfs radicaliseren, zonder de hiërarchisch-dualistische reductie van Ander tot niet-Ik.


Bubers ontologie van het Tussen

Hoe stelt Bubers dialogische denken ons in staat om deze derde positie tussen autonomie en heteronomie te ontwikkelen? Hier speelt, zoals gezegd, Bubers inzicht dat Ik en Jij slechts in relatie tot elkaar bestaan een belangrijke rol. Bubers hypostaserende aanduiding van de dialogische relatie als “het Tussen” duidt op deze ontologische prioriteit van de relatie als ‘zijnsbron’ van Ik en Ander. “In den beginne is de relatie”, zegt Buber (2020: 24), in een toespeling op het Johannesevangelie (“In den beginne was het Woord”). 

Voor Levinas betekent dit dat Bubers Tussen nauw verwant is aan Heideggers Zijn. Qua zijnsbron van Ik en Ander is het Tussen “het Zijn” dat de gesprekspartners als zijnden laat zijn: hun zijn, hun esse, is altijd een tussen-zijn, een inter-esse, een zijn in relatie tot elkaar. Aldus Levinas (1963: 124, 127): “De Ik-Jij-ontmoeting vindt niet in het subject plaats maar in het Zijn. Wat niet wil zeggen dat zij zich in oppositie tot het Ik voltrekt. Het ontologische domein is geen ‘Zijnsblok’ maar Gebeurtenis. Het ‘Tussen-elkaar’, het Tussen, is de plaats waar het werk van het Zijn – het Zijn van de zijnden – zich voltrekt… Buber schetst een Zijn waarmee geen enkele vertelling ooit klaar kan zijn, omdat het Zijn de levende dialoog tussen wezens is…”

Alleen door de “Gebeurtenis” van hun dialogische ontmoeting worden Ik en Ander wie zij werkelijk zijn; zo is het Tussen de mogelijkheidsvoorwaarde van hun zelfrealisatie. Zelfrealisatie moet hier ten eerste begrepen worden als zelfverwerkelijking, zodanig dat Ik en Ander hun identiteiten alleen in relatie tot elkaar kunnen ontwikkelen en hun zijnspotenties kunnen actualiseren. Maar zelfrealisatie betekent hier ook zelfbewustwording, in die zin dat Ik en Ander alleen door hun dialogische interactie bewust kunnen worden van hun onderlinge verschillen en daarmee van hun singuliere andersheid. Alleen door mijn unieke identiteit te leren kennen via de dialogische confrontatie met de Ander, kan ik autonome keuzes maken, keuzes die uit mijn zelfbewuste identiteit voortkomen: “Alleen wie de relatie kent en van de tegenwoordigheid van het Jij weet, is in staat een beslissing te nemen” (Buber, 2020: 61-62).

Tegelijkertijd is dit niet meer de moderne autonomie die in een binaire tegenstelling tot heteronomie staat. De zelfbewuste zelfbepaling van het Ik in de dialoog wordt immers bemiddeld door een evenredig bepaald worden door de Ander. Dit volgt uit de “wederzijdse constitutie” (Theunissen) van Ik en Jij in de dialoog. Het Ik ontstaat slechts als Ik dankzij het Jij: in die zin is het Jij bepalend (actief) en Ik het bepaalde (passief). Maar door de wederkerigheid van de dialoog geldt het omgekeerde ook: het Jij ontstaat slechts dankzij het Ik. “Relatie is wederkerigheid. Mijn Jij werkt op mij, zoals ik op hem werk” (idem: 22). Mijn bepaling door de Ander (heteronomie) wordt gecompenseerd door een evenredige bepaling van de Ander door mij (autonomie). Bepalen en bepaald worden zijn precies in evenwicht in het Tussen: “Zo is de relatie gekozen worden en kiezen, passiviteit en activiteit ineen” (idem: 89).

De intrinsieke waarde van de ander geeft mij de ‘wet’ die mij in staat stelt om zelfwetgevend (auto-noom) te zijn, juist omdat ik de ander nodig heb om mijzelf te kunnen zijn. Maar omdat het omgekeerde ook geldt, dat wil zeggen: de ontologische afhankelijkheid van de ander van mij, komt deze relatieve autonomie niet neer op een verkapte heteronomie, maar op een volwaardige dialogische vrijheid waarin Ik en Ander allebei, in relatie tot elkaar, tot hun recht komen. Zo vormt dialogische vrijheid een echt midden tussen autonomie en heteronomie: “Hier staan Ik en Jij elkaar vrij tegenover, in een wisselwerking” (idem: 61).

Bubers notie van dialogische wederkerigheid lijkt in formeel opzicht enigszins op Hegels notie van wederzijdse erkenning als culminatiepunt van de heer/knecht-dialectiek. De achterliggende filosofische oriëntatie is echter totaal anders. Hegels wederzijdse erkenning blijft binnen de binaire logica van het moderne hiërarchisch dualisme, waar de Ander slechts fungeert als niet-Ik. In Hegels systeem is wederzijdse erkenning slechts mogelijk omdat Ik en Ander deelhebben aan dezelfde “Absolute Rede” en zo in essentie hetzelfde zijn. De wederzijdse erkenning is daarmee een cruciale stap in de Phänomenologie des Geistes, waarin de Absolute Geest vanuit de andersheid terugkeert naar de eenheid met zichzelf.

In Bubers Ik/Jij-relatie daarentegen gaat het er juist om dat Ik en Ander wezenlijk verschillend zijn én blijven. “Ik en Jij worden niet in een totaliteit ingebed en daarin als het ware geneutraliseerd”, zegt Theunissen (1977:  265) over de Ik/Jij-relatie. De uitdaging van de dialoog ligt voor Buber precies in het feit dat er géén overkoepelende Rede is waarin Ik en Ander met elkaar overeenstemmen. In dat opzicht is zijn dialogische filosofie een exponent van de links-Hegeliaanse en existentialistische tegenreactie op het Hegeliaanse idealisme. Buber (2018: 184-185) noemt dan ook Feuerbach en Kierkegaard als twee van de belangrijkste invloeden op zijn denken.


Levinas, Derrida en het geweld van het Tussen

Al kunnen we ons wel afvragen of Buber zijn anti-Hegelianisme consequent volhoudt. Als Buber het Tussen denkt als “wederzijdse constitutie” van Ik en Jij, verliest hij dan niet de radicale andersheid van de Ander uit het oog? Dat is precies de kritiek van Levinas, die een zeer ambivalente relatie met Buber heeft. Enerzijds is Levinas’ ethiek van de Ander sterk beïnvloed door Bubers baanbrekende poging om de relatie tot de Ander in haar eigenheid te denken, niet als instrumentele subject/object-relatie maar als communicatieve subject/subject-relatie, waar het Ik niet over maar met de Ander spreekt. Tegelijk verzet Levinas zich sterk tegen Bubers specifieke invulling van de Ik/Jij-relatie als een strikt wederkerige relatie waarin Ik en Ander elkaar in het leven roepen, elkaar voortbrengen via het Tussen als de spil van hun wederzijds constitutie. 

Levinas’ kritiek is steeds geweest dat Buber zo, ondanks zijn terechte kritiek op de subject/object-relatie, toch geen recht kan doen aan de andersheid van de Ander: door hun wederkerige constitutie in het Tussen zouden Ik en Ander een complementaire eenheid vormen, een systematisch geheel waarin de andersheid van de Ander verloren gaat: “De geïndenteerde transcendentie [van de Ander, PS] zou zo weer geabsorbeerd worden in de eenheid van het systeem, daarmee de radicale andersheid van de Ander vernietigend” (Levinas, 1969: 35-36). De complementaire eenheid van de Ik/Jij-relatie ziet Levinas als een vorm van geweld tegen de Ander. Volgens hem valt Bubers dialogische filosofie zo terug in het eenheidsdenken van Hegel.

De enige relatie waarin het Ik zich volgens Levinas wel geweldloos tot de Ander kan verhouden, is een niet-wederkerige, asymmetrische relatie waarin het Ik heteronoom aan de Ander is onderworpen, een “Passiviteit die passiever is dan elke receptiviteit” (Levinas, 1974: 61). Van meet af aan definieert Levinas zijn eigen positie door zich kritisch tegen Buber af te zetten, door de symmetrie van diens Ik/Jij-relatie te verwerpen ten gunste van een asymmetrische relatie waarin de Ander ‘op een voetstuk’ wordt geplaatst, oneindig boven het Ik verheven (zie Levinas, 1969: 75). Levinas omarmt zonder meer de religieuze heteronomie van de onderwerping aan God qua ‘Grote Ander’ – iets dat volgens hem het Jodendom gemeen heeft met de andere grote monotheïstische religies, Christendom en Islam: “Wij beweren in feite allemaal dat de menselijke autonomie berust op een opperste heteronomie…” (Levinas, 1990: 11). Maar valt Levinas daarmee niet vóór de moderniteit terug in middeleeuwse heteronomie? Als we een alternatief willen voor het egocentrisme van de moderne autonomiegedachte, zijn dit dan de enige twee opties: enerzijds de ‘gewelddadige’ symmetrie van Bubers Ik/Jij-relatie, anderzijds de premoderne heteronomie van Levinas’ ethiek van de Ander?

Enter Derrida. Het verwijt van Levinas aan Buber, dat de Ik/Jij-relatie gewelddadig is, wordt ontkracht door Derrida’s argument – ontwikkeld in zijn vroege essay Violence et Métaphysique uit 1964 – dat de relatie tot de Ander slechts door “transcendentaal geweld” geopend wordt. De intieme eenheid van de Ik/Jij-relatie is inderdaad een vorm van geweld, een ‘totaliserende’ dwang om Ik en Ander aan elkaar aan te passen, maar volgens Derrida is dit geweld niet per se onethisch of anderszins slecht; het is integendeel onvermijdelijk, noodzakelijk geweld waardoor de dimensie van andersheid zich pas kan manifesteren. Het feit dat het Ik vanuit zichzelf geen recht kan doen aan de Ander, toont volgens Derrida juist de radicale andersheid van de Ander, wat vervolgens de ethische relatie tot de Ander mogelijk maakt. 

Het gaat Derrida (1978: 156) om een “pre-ethisch geweld”, “een oorspronkelijk, transcendentaal geweld, voorafgaand aan elke ethische keus en zelfs verondersteld door ethische geweldloosheid”. We kunnen dit “transcendentale geweld” begrijpen als de elementaire on-enigheid die nodig is om het radicale verschil tussen Ik en Ander openbaar te maken – hun niet-eenheid, die zich echter alleen kan manifesteren dankzij de eenheid van de Ik/Jij-relatie. Alleen omdat Ik en Ander in het dialogische Tussen oorspronkelijk aan elkaar gekoppeld zijn, kan hun fundamentele anderszijn tevoorschijn komen. Zonder wrijving geen glans; alleen door hun frictie kunnen Ik en Ander ‘glanzen’ – shinen in goed hedendaags Nederlands – in hun singuliere andersheid. 

Daarom heeft elke waarachtige dialoog altijd een element van strijd in zich, een onreduceerbaar conflict, hoe minimaal ook, waarin het onreduceerbare verschil tussen Ik en Ander naar voren treedt. Elke dialoog is deels polemisch, waarbij Derrida niet aarzelt om het Griekse polemos (“oorlog”) mee te laten klinken, in een verwijzing naar de spreuk van Heraclitus: “Oorlog is de vader van alle dingen.” Het transcendentale geweld is tevens het “ontologische geweld” van de Heraclitische polemos, in die zin dat Ik en Ander slechts door hun “oorspronkelijke polemiek” als verschillende wezens tevoorschijn kunnen komen (idem: 167, 136). “Oorlog is daarom [...] niets minder dan de verschijning van het spreken” qua communicatie met de Ander, aldus Derrida (idem: 162).


Tot slot: Oerdistantie en de dialogische vrijheid van de bokser

Het door Levinas bekritiseerde geweld van het dialogische Tussen is volgens Derrida dus niet automatisch een zwakheid van Bubers positie – integendeel (zie bijvoorbeeld noot 37 bij Violence et Métaphysique, waar Derrida expliciet Bubers Ik/Jij-relatie verdedigt tegenover de kritiek van Levinas). Maar articuleert Derrida met zijn notie van transcendentaal geweld een inzicht dat impliciet al bij Buber aanwezig is of is dit een substantiële vernieuwing van diens dialogische filosofie? 

Stof tot nadenken geeft Bubers vaak veronachtzaamde notie van “Oerdistantie” (Urdistanz) als een van de twee essentiële aspecten van de dialogische relatie. Die relatie, zegt Buber, is “opgebouwd in een dubbele beweging en wel zo, dat de ene beweging de vooronderstelling is van de andere”: “De eerstgenoemde moge als oerdistantiatie, de tweede als het in-relatie-treden aangeduid worden. Dat de eerste de vooronderstelling is van de tweede, blijkt daaruit dat wij slechts tot een gedistantieerd, of beter: tot een zelfstandig tegenover ons gesteld Zijn in relatie kunnen treden” (Buber, 1990: 9-10). 

Hierbij moeten we niet vergeten dat, volgens Buber, Ik en Jij niet los van elkaar gegeven zijn maar elkaar wederzijds constitueren in het Tussen, waar hun “geboorte” plaatsvindt (aldus Theunissen). De oerdistantiatie is dus geen activiteit die door het Ik of Jij voltrokken wordt; beiden zijn veeleer ‘effecten’ van die distantiatie, die als zodanig een niet-intentionele Gebeurtenis is. Bubers Oerdistantie is ‘Oer’ (Ur-) in die zin dat het de oorsprong (Ursprung) is, de zijnsbron van Ik en Ander. Het Tussen, als de ‘geboorteplek’ van Ik en Ander, is in de eerste plaats hun wederzijdse distantiatie, hun oer-scheiding als verschillende wezens. Pas nadat deze ‘transcendentale scheiding’ heeft plaatsgevonden, kan de kloof tussen beiden dialogisch overbrugd worden.

De analogie tussen Bubers oerdistantiatie en Derrida’s transcendentale geweld is treffend: zoals de één voorafgaat aan de dialoog met de Ander, zo gaat de ander vooraf aan de ethische relatie tot de Ander. Maar betekent dit ook dat deze noties hetzelfde bedoelen? Dat is lastig omdat Buber nooit harde woorden als “geweld” of “oorlog” in de mond neemt als het gaat om de primaire beweging van oerdistantiatie. Misschien ligt dat inderdaad vooral aan Bubers sentimentelere, vooroorlogse manier van uitdrukken. Feit is in ieder geval wel dat Buber – als Oostenrijkse Jood die twee wereldoorlogen, de extreme polarisatie van de Weimarrepubliek, de Jodenvervolging en de Joods-Arabische conflicten van binnenuit heeft meegemaakt – zich scherp bewust was van de afgronden van negativiteit die zich tussen mensen kunnen openen. Feit is ook dat hij die afgronden niet alleen zag als belemmeringen maar ook als ultieme kansen voor de meest oprechte dialogische relaties: als “het tegenstrijdige van het leven tussen mens en mens als een afgrond openbaar wordt [...] kan iets ontstaan, wat niet anders op te bouwen is” (idem: 26).

Betekent dit dat Buber dergelijke ‘afgronden van tegenstrijdigheid’ zag als noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarden van de dialoog, als manifestaties van wat Derrida “transcendentaal geweld” noemt? Daarover geeft Buber geen uitsluitsel. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat hij de bovengenoemde catastrofes evenzeer zag als de meest tragische mislukkingen van de dialoog als ultieme kansen daartoe. Ongetwijfeld geldt hetzelfde voor onze relatie tot de oorlog in Oekraïne.

Hoe moeten we nu de dialogische vrijheid – als midden tussen autonomie en heteronomie – begrijpen als we daarin het constitutieve belang van transcendentaal geweld meenemen? Hier dringt zich het beeld op van de bokser die zijn tegenstander nodig heeft om zichzelf als bokser te kunnen realiseren. Het geweld dat tussen beiden plaatsvindt, is hun oerdistantiatie als verschillende wezens. Het Tussen is hier, zogezegd, ‘slagveld’ en ‘geboorteplek’ van Ik en Jij ineen. Tegelijk hebben beiden er alle belang bij om het transcendentale geweld niet zodanig te laten escaleren dat de één de ander doodslaat (zoals Poetin met de Oekraïners probeert te doen), want zonder elkaar zijn zij niets. 

Het beste wat een bokser kan doen is juist zijn tegenstander zo sterk mogelijk maken, want alleen zo kan hij ook het beste uit zichzelf halen. De vrije zelfrealisatie van de één en de intrinsieke waarde van de ander zijn hier precies in evenwicht. Is dit niet hoe we onze dialogische vrijheid moeten verwerkelijken, op de smalle richel tussen oorlog en vrede? Als sportieve ‘boksers’ in relatie tot elkaar en tot de ons omringende wereld? 


Alle citaten uit onvertaalde bronnen zijn door mijzelf in het Nederlands vertaald.


Literatuur

-Theodor Adorno, Negative Dialektik, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1990.

-Martin Buber, Die Frage an den Einzelnen, in: Martin Buber, Dialogisches Leben, Willi Weismann Verlag, München, 1947, 187-255. 

-Martin Buber, De vraag naar de mens, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1971.

-Martin Buber, Oerdistantie en relatie: Bijdragen tot een filosofische antropologie, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1990.

-Martin Buber, Over de geschiedenis van het dialogisch principe, in: Martin Buber, Dialogisch leven, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 2018, 181-202.

-Martin Buber, Ik en Jij, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 2020.

-Jacques Derrida, Violence and Metaphysics: An Essay on the Thought of Emmanuel Levinas, in: Jacques Derrida, Writing and Difference, Routledge Classics, London and New York, 97-192.

-Maurice Friedman, Encounter on the Narrow Ridge: A Life of Martin Buber, Paragon House, New York, 1991.

-Immanuel Kant, Grundlegung zur Metaphysik der Sitten, Philipp Reclam, Stuttgart, 1994.

-Emmanuel Levinas, Martin Buber und die Erkenntnistheorie, in: Paul Arthur Schilpp (ed.), Martin Buber: Philosophen des 20. Jahrhunderts, W. Kohlhammer Verlag, Stuttgart, 1963.

-Emmanuel Levinas, Totality and Infinity: An Essay on Exteriority, Duquesne University Press, Pittsburgh, 1969.

-Emmanuel Levinas, Difficult Freedom: Essays on Judaism, The John Hopkins University Press, Baltimore, 1990.

-Emmanuel Levinas, Autrement qu’ȇtre ou au-delà de l’essence, Martinus Nijhoff, La Haye, 1974.

-Michael Theunissen, Der Andere: Studien zur Sozialontologie der Gegenwart, Walter de Gruyter, Berlin & New York, 1977.





Kapitalismekritiek in de Tussentijd: Naar een politieke ontologie van het Tussen

Verschenen in Civis Mundi, #120, maart 2022.

Peter Sas


Het is niet de klok die luidt,
Ook niet de klepel;
Alleen het tussen klinkt.
(Zen-haiku)


In zijn boek Omarm de Chaos (2021) betoogt klimaatwetenschapper en transitieprofessor Jan Rotmans dat wij momenteel leven in “de tussentijd”, de inherent chaotische tijd tussen “het is” en “het zal” (idem, 9). Het mondiale kapitalisme kampt met een “meervoudige systeemcrisis”: “We hebben een financieel-economische crisis, een ecologische crisis, een morele crisis en een democratische crisis, die ook nog eens allemaal op elkaar inwerken en elkaar versterken” (idem, 41). Deze bundeling van crises zet onze wereld op z’n kop en zal, goedschiks of kwaadschiks, tot systeemverandering leiden. De kapitalistische machtspiramide brokkelt langzaam maar zeker af en kantelt naar een radicaal-democratische en ecologische pannenkoek-samenleving, met "balans" als centrale waarde: "Balans tussen mens en natuur, balans tussen mens en economie, balans tussen medemensen en balans tussen hoofd en hart van de individuele mens” (idem, 205).


In het volgende onderzoek ik de vraag of we deze "tussentijd" niet ook anders kunnen begrijpen, niet alleen negatief – als chaotische overgangsperiode – maar ook positief als de Tijd van het Tussen. Is het Tussen niet precies de spil waar de komende pannenkoek-samenleving om moet draaien? Het Tussen (das Zwischen, the Between, the Inter, l’Entre-Deux) is een centraal en complex begrip uit de hermeneutische, postmoderne en ook ecologische filosofie dat duidt op de absoluut gelijkwaardige, ontologisch productieve en non-binaire relatie tussen Ik en Ander, tussen identiteit en andersheid, tussen eenheid en veelheid, tussen mens en natuur, en tussen levende wezens in ecosystemen. Daarmee biedt het Tussen een ontologisch alternatief voor het modern-westerse paradigma van het autonome Ik en zijn binaire logica van zelfbepaling door uitsluiting van andersheid, zoals dat met name door Descartes, Kant en Hegel filosofisch is uitgewerkt. 


Zoals ik zal betogen is het precies deze binaire logica die aan de kapitalistische machtspiramide ten grondslag ligt, voor zover deze logica de veelkleurige rijkdom aan reële verschillen tussen mensen onderling en tussen mens en natuur reduceert tot schematische variaties op de dialectische tegenstelling van Ik en niet-Ik: de vrouw is slechts niet-man, de natuur is slechts niet-mens, het lichaam is slechts niet-geest, de kleurling is slechts niet-blank, de homo is slechts niet-hetero, etc. De concrete, oneindig gevarieerde rijkdom aan verschillen wordt zo gereduceerd tot simpele, manicheïstische schema's ten dienste van het heersende, westerse, masculiene subject. Zo houdt de machtspiramide zichzelf in stand door concrete vormen van klassisme, kolonialisme, racisme, seksisme en antropocentrisme.


Het Tussen biedt een alternatief ontologisch paradigma dat, in de terminologie van Adorno's negatieve dialectiek, "verzoening" mogelijk maakt: "Deze geeft het niet-identieke vrij [en] opent pas de veelheid van het verschillende, waarover de dialectiek geen macht meer heeft. Verzoening is het indachtig zijn van het niet langer vijandige vele, zoals dat voor de subjectieve Rede anathema is" (Adorno 1990, 18). Het Tussen stelt ons in staat om te begrijpen hoe radicaal verschillende wezens in absolute gelijkwaardigheid en vrijheid met elkaar kunnen leven in netwerken van wederzijds affirmatieve afhankelijkheidsrelaties. Zo vormt het Tussen de ontologische grondslag van de centrale waarde van balans die volgens Rotmans in de komende radicaal-democratische en ecologische pannenkoek-samenleving centraal moet staan.


In dit essay werk ik de ontologie van het Tussen primair uit aan de hand van de dialogische filosofie van Martin Buber, waarin het Tussen – de dialogische relatie tussen Ik en Jij – ontologisch gedacht wordt als de zijnsbron van de gesprekspartners. De gesprekspartners moeten hierbij nadrukkelijk niet als louter menselijk begrepen worden: élk zijnde, levend of niet levend, verschijnt volgens Buber oorspronkelijk als een Jij in de universele, kosmische dialoog. In die zin kan het Buberiaanse Tussen, zoals bijvoorbeeld Levinas doet, begrepen worden in Heideggeriaanse termen als "het Zijn van de zijnden": datgene wat alles laat zijn. Pas door de instrumentaliserende houding van de mens wordt deze Ik/Jij-relatie gereduceerd tot een objectiverende Ik/Het-relatie, waar de ander verschijnt als een inwisselbaar en exploiteerbaar "ding". Zo combineert Buber kapitalismekritiek met de universele aanspraak van zijn dialogische ontologie als een fundamentele ontologie voor de werkelijkheid als "open geheel". 


Vervolgens laat ik zien hoe het dialogische Tussen samenhangt met vergelijkbare begrippen in de hermeneutische, postmoderne, post-marxistische en ecologische filosofie, waarbij ik nader inga op denkers als Levinas, Adorno, Hardt en Negri, Arne Naess, Naomi Klein en Jason Hickel. Uiteindelijk mondt de zo uitgewerkte ontologie van het Tussen uit in een post-modern vrijheidsbegrip als kritisch alternatief voor het moderne autonomie-ideaal, een alternatief dat een derde positie tussen autonomie en heteronomie vormt en dat als zodanig voorbij de binaire logica van de westerse moderniteit gaat. Het is deze vrijheid, gefundeerd in de ontologie van het Tussen, die een nieuw kritisch-emancipatoir project mogelijk maakt en daarmee de basis legt voor postmoderne en ecologische kapitalismekritiek.


§1 Rotmans: De chaos van de tussentijd
Zoals gezegd hebben wij volgens Rotmans momenteel te maken met een "meervoudige systeemcrisis". De “kern van het probleem” zit volgens hem “diep verankerd in het kapitalistische systeem dat wij zelf hebben gecreëerd” (Rotmans 2021, 12), een systeem waarin “financiële waarden belangrijker zijn dan sociale en ecologische waarden” (idem, 50). Dit systeem – dat door de neoliberale globalisering inmiddels de hele wereld omspant en al het leven op aarde onderwerpt aan de extractieve logica van winstmaximalisatie – is nu in crisis, omdat het tegen intrinsieke grenzen aanloopt of deze zelfs overschrijdt: de grenzen van ons planetaire ecosysteem, de grenzen van sociale rechtvaardigheid, de grenzen van de democratie. 


Het kapitalisme disfunctioneert en dit uit zich wereldwijd in maatschappelijke en ecologische destabilisatie: klimaatverandering, natuurrampen, epidemieën, migratiestromen, ontworteling, armoede, ongelijkheid, vervreemding, verwarring, cynisme, polarisatie, demonstraties, opstanden, politieke crises, fascisme, geweld, oorlog... Het hoort volgens Rotmans allemaal bij de chaos die inherent is aan de huidige “tussentijd”, de instabiele periode tussen het oude systeem dat aan het afbrokkelen is en het nieuwe, post-kapitalistische systeem dat zich nog moet uitkristalliseren. Het is een chaos waar we doorheen moeten en die we zelfs, volgens Rotmans, moeten omarmen om bij het nieuwe systeem te kunnen komen. 


Hoe ziet dat nieuwe systeem eruit? Dat blijft nog onduidelijk en dat is deels de oorzaak van de huidige onrust en verwarring, de chaos in onszelf. Toch denkt Rotmans de eerste contouren van het komende systeem al in deze chaos te kunnen ontwaren, door de diverse vormen van destabilisatie te analyseren als “barensweeën van het nieuwe”. Het kapitalistische systeem disfunctioneert, omdat het de grenzen van de ecologie, de sociale rechtvaardigheid en de democratie overschrijdt; het nieuwe systeem zal daarom precies op de waarden van ecologie, sociale rechtvaardigheid en democratie gegrondvest moeten zijn. 


Uiteindelijk zijn deze waarden volgens Rotmans terug te voeren op één centrale waarde, die van balans, van (machs-)evenwicht: “De economie schreeuwt om een nieuw, groot verhaal, met balans als uitgangspunt. Balans tussen mens en natuur, balans tussen mens en economie, balans tussen medemensen en balans tussen hoofd en hart van de individuele mens” (idem, 205). Die centrale waarde van balans zijn we kwijtgeraakt in de kapitalistische economie, omdat deze economie scheve want hiërarchische en exploitatieve machtsverhoudingen in de hand werkt: financiële waarden prevaleren boven sociale en ecologische waarden, het Grote Geld regeert de politiek, de mens put de natuur uit, de kapitalist exploiteert de arbeider, rijke landen exploiteren arme landen, mannen exploiteren vrouwen en witte mensen exploiteren gekleurde mensen… 


In die disbalans van de kapitalistische, hiërarchische, exploitatieve macht ligt de wortel van de huidige “meervoudige systeemcrisis” en daarmee de noodzaak van een nieuw systeem, waarin balans en machtsevenwicht tussen mensen onderling en tussen mens en natuur centraal staan. Het is dit nieuwe ‘evenwichtssysteem’ dat zich volgens Rotmans aankondigt in de huidige tussentijd: “Er ontstaat een nieuwe maatschappelijke ordening, die van een verticaal geordende, centraal aangestuurde top-down samenleving kantelt naar een horizontale, decentrale bottom-up samenleving met verbanden zoals gemeenschappen, coöperaties en virtuele en fysieke netwerken” (idem, 10). De eeuwenoude machtspiramide van het kapitalistische systeem – waarin een kleine elite van superrijken heerst over een naar beneden toe steeds bredere en steeds armere basis van werkenden (waar we óók de uitgebuite natuur toe kunnen rekenen) – is nu langzaam maar zeker aan het afbrokkelen en aan het kantelen naar een radicaal egalitaire en democratische ‘pannenkoek’-samenleving zonder exloitatieve hiërarchieen en in harmonie met de natuur.


Maar kunnen we aan Rotmans begrip van “de tussentijd” niet ook nog een andere betekenis geven, een alternatieve betekenis die juist het kloppende hart vormt van het nieuwe, komende pannenkoek-systeem? Duidt, anders gezegd, het begrip “tussentijd” niet slechts op de chaotische tijd tússen twee systemen, de overgangsperiode tussen het oude en nieuwe, maar ook op de komende tijd als de Tijd van het Tussen als zodanig? Is het Tussen niet de spil waar het nieuwe evenwichtssysteem om moet draaien?


§2 Bubers ontologie van het dialogische Tussen
Voor de joodse denker Martin Buber is het Tussen de ontologische grondslag van communicatie, de essentie van de dialoog tussen Ik en Jij. Communicatie vereist altijd de relatie tot een Ander, een aangesprokene / aanspreker. Deze dialogische relatie tot een Ander is volgens Buber zowel onreduceerbaar als ontologisch constitutief. De relatie is constitutief in die zin dat de gesprekspartners alleen in relatie tot elkaar kunnen bestaan: ik ben ik in relatie tot jou, jij bent jij in relatie tot mij. Aldus Michael Theunissen in zijn klassieke studie Der Andere: "De geboorte van de partners uit de gebeurtenis van de [dialogische] ontmoeting denkt Buber als de wederzijdse constitutie van Ik en Jij, als het ontstaan van het Ik uit het Jij en van het Jij uit het Ik" (Theunissen 1977, 273). 


De dialogische relatie – de "Betrekking" in Bubers terminologie – is een machtsevenwicht, een absoluut symmetrische en gelijkwaardige relatie, omdat Ik en Ander elkaar in gelijke mate nodig hebben om zichzelf te kunnen zijn: "Betrekking is wederkerigheid. Mijn Jij werkt op mij zoals ik op hem werk" (Buber 1995, 16). De dialogische relatie is daarom principieel geen eenzijdige activiteit van de één richting de ander, maar een wederkerige relatie waarin Ik en Ander evenredig op elkaar inwerken en in gelijke mate actief en passief zijn: "Zo is de Betrekking gekozen worden en kiezen, passiviteit en activiteit ineen" (idem, 72). Strikt genomen overstijgt de dialogische relatie daarmee de dichotomie van activiteit en passiviteit; de relatie vormt een derde positie tussen beiden in. De dialogische relatie is wezenlijk non-binair: ook die connotatie ligt in Bubers begrip van het Tussen besloten.


Ik en Jij ontstaan slechts in relatie tot elkaar, via hun dialogische interactie. In die zin gaat “het Tussen” ontologisch aan beiden vooraf. Bubers hypostasering van de dialogische relatie als “het Tussen” duidt precies op deze ontologische prioriteit van de dialogische verhouding als ‘zijnsbron’ van Ik en Ander.¹ In die zin zegt Buber: "In den beginne is de Betrekking…" (idem, 18). In Heideggeriaanse termen kunnen we het Tussen dan ook gelijkstellen aan het Zijn dat de gesprekspartners als zijnden laat zijn. Hun zijn, hun esse, is altijd een tussen-zijn, een inter-esse, een zijn in relatie tot elkaar. Levinas (wiens filosofie van de Ander veel aan het dialogische denken van Buber te danken heeft) merkt deze connectie van het Buberiaanse Tussen met het Heideggeriaanse Zijn expliciet op:


"De Ik-Jij-ontmoeting vindt niet in het subject plaats maar in het Zijn. Wat niet wil zeggen dat zij zich in oppositie tot het Ik voltrekt. Het ontologische domein is geen 'Zijnsblok' maar Gebeurtenis. Het 'Tussen-elkaar', het Tussen, is de plaats waar het werk van het Zijn – het Zijn van de zijnden – zich voltrekt… Buber schetst een Zijn waarmee geen enkele vertelling ooit klaar kan zijn, omdat het Zijn de levende dialoog tussen wezens is…" (Levinas 1963, 124, 127).


§3 Universele ontologie en kapitalismekritiek
Het bovenstaand citaat van Levinas maakt duidelijk dat Bubers ontologie van het Tussen niet slechts betrekking heeft op het intermenselijke zijn maar op het "Zijn van de zijnden" als zodanig. Het is, anders gezegd, niet slechts een antropologische maar een universele ontologie, die de zijnsbron van de werkelijkheid als (open) geheel thematiseert. Dit ligt besloten in Bubers opmerking dat de mens zich op twee manieren tot de werkelijkheid kan verhouden, via de dialogische Ik/Jij-relatie of via de objectiverende Ik/Het-relatie, en dat van deze twee de Ik/Jij-relatie primair is. 


Dat wil zeggen: elke Ik/Het-relatie is volgens Buber oorspronkelijk een Ik/Jij-relatie (en later zal Levinas dit Buberiaanse inzicht herhalen met zijn stelling dat de cognitieve relatie tot objectiviteit pas geopend wordt door de ethische relatie tot de Ander). Steeds als de mens zich kennend tot een objectief zijnde verhoudt, gaat daarachter een dialogische relatie schuil, een relatie die echter door de instrumentaliserende houding van de mens uit het zicht is geraakt. En dat geldt niet alleen voor onze relaties tot niet-menselijke zijnden, dat geldt ook voor intermenselijke relaties: ook tussen mensen kan de Ik/Jij-relatie verworden tot een instrumentaliserende Ik/Het-verhouding. 


Hierin ligt de bijdrage van Buber – op zijn manier een uitgesproken socialist – aan de kritiek op het kapitalisme, voor zover de instrumentaliserende houding in het kapitalisme tot een hoogtepunt komt. In die zin vraagt Buber retorisch: "Heeft niet de ontwikkeling van de moderne wijze van arbeid en bezit bijna elk spoor [...] van de betekenisvolle Betrekking vernietigt?" (1995, 45-46) Wat dit betreft bestaat er een treffende – en waarschijnlijk niet toevallige – verwantschap tussen Buber en de marxist Georg Lukács, die "verdinglijking" (Verdinglichung) als de grote zonde van het kapitalisme zag. De singuliere uniciteit van elk zijnde wordt door het kapitalisme gereduceerd tot een inwisselbaar object dat zonder scrupules verhandeld en geëxploiteerd kan worden. 


Evenzo wordt bij Buber de oorspronkelijk singuliere Jij in de Ik/Het-relatie tot een inwisselbaar en bruikbaar object verdinglijkt. Waarschijnlijk heeft er wat dit betreft een wederzijdse beïnvloeding tussen Buber en Lukács plaatsgevonden, aangezien deze mannen elkaar goed kenden en correspondeerden over politieke, filosofische en religieuze onderwerpen (zie Vermes 1982). Niet toevallig verschenen Bubers Ich und Du en Lukács' Geschichte und Klassenbewußtsein (waarin hij de verdinglijkende tendens van het kapitalisme voor het eerst thematiseert) in hetzelfde jaar (1923).  


Achter elke Ik/Het-relatie gaat een dialogische Ik/Jij-relatie schuil, waarin het Jij door de instrumentaliserende houding van de mens tot een Het is verdinglijkt. In die zin zegt Buber dat "wij niet alleen met andere mensen in de Ik/Jij-relatie kunnen staan, maar ook met wezens en dingen die ons in de natuur ontmoeten" (1995, 118). Deze mogelijke Ik/Jij-relatie tot niet-menselijke zijnden – de ontmoeting met de natuur – is niet slechts een incidentele, romantische mogelijkheid, maar zijnspotentie als zodanig: pas door de dialogische relatie kan de natuur tevoorschijn komen. Wat dat betreft sluit het dialogische denken van Buber verrassend goed aan bij de hedendaagse ecologische filosofie, zoals we verderop nog zullen zien. Uiteindelijk zijn volgens Buber álle zijnden waartoe de mens zich kan verhouden oorspronkelijk ontstaan als gesprekspartners in een universele, kosmische dialoog.


§4 De Urdistanz van de dialogische relatie
De dialogische relatie tot een Ander is volgens Buber niet alleen ontologisch constitutief maar ook onreduceerbaar. Dat wil zeggen: hoe innig en onlosmakelijk deze dialogische Ik/Jij-verhouding ook is, de andersheid van de Ander gaat er nooit in verloren. Zou dat wel gebeuren, dan zou de communicatie per direct stoppen. Communicatie is immers, technisch beschouwd, informatie-overdracht en is als zodanig alleen mogelijk voor zover Ik en Ander van elkaar verschillen en dus van elkaar kunnen leren; anders zou er geen reden tot informatie-overdracht zijn. 


Meer menselijk gezegd: communicatie is wezenlijk onvoorspelbaar, onbepaald, open, creatief, verrassend – zodra de één van te voren weet wat de ander gaat zeggen, is er geen (echte) communicatie meer. In die zin is communicatie wezenlijk 'evenementieel': vernieuwende wording in plaats van statisch zijn, een principieel onvoorspelbaar temporeel gebeuren, een wederzijds openbarende ontmoeting, een principiële breuk met het verleden en het bekende. Zoals Levinas zegt, het dialogische Tussen "is geen 'Zijnsblok' maar Gebeurtenis" (1963, 124).


De radicale intimiteit van de dialogische verhouding tussen Ik en Jij – die immers slechts in relatie tot elkaar kunnen bestaan – wordt daarom volgens Buber altijd tegengewerkt door een even radicale Urdistanz, een Oer-Afstand tussen Ik en Jij die principieel onoverbrugbaar is omdat deze de onreduceerbaarheid van hun verschil garandeert. In die zin zegt Buber dat "men slechts tot een gedistantieerd zijnde, preciezer: tot een zelfstandig Tegenover, in Betrekking kan treden" (1978, 11). Ook hierbij moeten we opmerken dat de distantiëring geen activiteit is die door het Ik of Jij voltrokken wordt: beiden zijn veeleer 'effecten' van die distantiëring, die als zodanig een niet-intentioneel gebeuren is. Bubers Oer-Afstand is 'Oer' (Ur-) in die zin dat het de oorsprong (Ur-sprung) is, de zijnsbron van Ik en Ander, als een kloof die z'n eigen zijkanten produceert. 


De radicale intimiteit van de dialogische Ik/Jij-verhouding is daarom een vorm van wat Lacan “extimiteit” noemde, dwz. een intimiteit die juist door de onreduceerbare exterioriteit van de Ander in stand wordt gehouden. De Ander is alleen maar dialogisch interessant voor het Ik omdat de Ander radicaal anders is. In die zin is de dialogische interesse een ‘open synthese’ van enerzijds absolute intimiteit en anderzijds absolute openheid voor de andersheid van de Ander. 


In de dialoog vormen Ik en Ander een relatieve eenheid, omdat ze alleen samen – in relatie tot elkaar – kunnen bestaan; in die zin vormen ze een collectief subject, een Wij. Maar dit is geen verstikkende eenheid of uniforme collectiviteit, waarin elk verschil genivelleerd wordt tot een gemiddelde essentie. In de dialogische relatie is het verschil tussen Ik en Ander onreduceerbaar en precies dat maakt hen ieder voor zich singulier: in de kosmische dialoog is elke gesprekspartner uniek, anders dan alle anderen. 


De eenheid van het Tussen is daarmee een paradoxale eenheid waarin het verschil tussen Ik en Ander blijft bestaan, want zonder dat verschil zou ook de eenheid van de Ik/Jij-relatie er niet zijn. Het Wij van de communicatie is een paradoxaal subject, dat zowel één als onreduceerbaar veel is en dat als zodanig niet door binair denken is te vatten. Daarom zei ik eerder dat Buber het Tussen thematiseert als de zijnsbron van de werkelijkheid als "(open) geheel": de werkelijkheid als het geheel van de dialogische interacties blijft principieel open voor radicale andersheid. Het universum is wezenlijk interversum.


§5 Systeemverandering als paradigmawisseling
Terugkerend tot de door Rotmans geschetste problematiek van de huidige meervoudige systeemcrisis kunnen we ons het volgende afvragen: is het dialogische Tussen niet precies de spil waar het door Rotmans geviseerde post-kapitalistische evenwichtssysteem om moet draaien? De nieuwe pannenkoek-samenleving moet draaien om machtsevenwicht, om “balans” tussen mensen onderling en tussen mens en natuur. En die balans wordt ontologisch gefundeerd door de absolute gelijkwaardigheid en openheid voor andersheid die volgens Buber essentieel zijn voor het dialogische Tussen. Het Tussen is ontologisch constitutief: het is het Zijn dat de gesprekspartners laat zijn – in die zin vormt het Tussen de ontologische grondslag van het komende evenwichtssysteem.


Zo wijzen bijvoorbeeld de post-marxisten Michael Hardt en Antonio Negri op het revolutionaire potentieel – het potentieel van absolute gelijkwaardigheid, solidariteit en decentrale machtswerking – dat in de intermenselijke communicatie besloten ligt: "De dialoog [...] is niet slechts een conversatie tussen twee of drie personen; het is in potentie een open vorm waarin elk subject gelijke macht en waardigheid heeft ten opzichte van alle anderen… Deze productie van het gedeelde (the common) wordt niet aangestuurd door een of ander centraal punt van macht en intelligentie [...] het verschijnt in de ruimte ertussen, in de sociale ruimte van communicatie" (Hardt en Negri 2004, 219, 231-233).


Het ontologische aspect van het Tussen maakt duidelijk dat de door Rotmans voorspelde systeemtransitie niet slechts een maatschappelijke, politieke of economische transitie is maar ten diepste een ontologische transitie, een paradigmawisseling, een fundamentele verschuiving in onze manier van denken over onszelf, onze wereld en onze relatie tot de wereld. Zo komen we bij de postmoderne betekenis van het Tussen-begrip, waarbij de hermeneutische betekenis van het Tussen als de communicatieve Ik/Jij-relatie wordt uitgebouwd tot een kritisch ontologisch alternatief voor het dominante wereldbeeld van de westerse moderniteit – het wereldbeeld dat vanaf de Renaissance en de ontdekking van Amerika in 1492, is ontstaan en in de daaropvolgende eeuwen z’n finale beslag kreeg met de komst van het westers kolonialisme en kapitalisme, de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting.


Het moderne westerse wereldbeeld kan met recht het wereldbeeld van het autonome subject genoemd worden. Het menselijk subject dat zijn autonomie vestigt door al het andere aan zich ondergeschikt te maken, is hét paradigma van de moderniteit, het centrale organiserende principe van de moderne westerse cultuur, maatschappij, politiek en economie (de filosofische fundering daarvan door Descartes, Kant en Hegel bespreek ik in §6). Het is dit principe dat ten grondslag ligt aan de door Michel Foucault opgemerkte panopticon-structuur van moderne instituties als scholen, fabrieken, ziekenhuizen, gevangenissen en kazernes, waarbij het autonome machtscentrum een ideaal overzicht heeft over de periferie, waar men zich constant bekeken voelt. Het panopticon is de architectonische uitdrukking van de moderne disciplinaire machtsvorm, waarbij het subject heerst over al het andere dat zijn autonomie bedreigt. 


In kritiek daarop articuleert het postmoderne denken een radicaal andere, dialogische vorm van vrijheid, waarbij subjecten alleen door dialogische interactie met anderen tot zelfrealisatie komen via vertakkende netwerken van wederzijdse afhankelijksrelaties (meer daarover in de slotparagraaf). Zoals het panopticon de centrale machtsvorm van de moderniteit was, zo is het netwerk de centrale structuur die hoort bij het nieuwe, postmoderne paradigma van vrijheid als dialogisch tussen-zijn. De ontologie van het Tussen is een netwerk-ontologie. 


Wat dit betreft heeft er een opmerkelijke ‘convergente evolutie’ plaatsgevonden op de meest diverse terreinen van het huidige wereldbeeld: overal zien we de netwerkstructuur als het nieuwe paradigma verschijnen – van de rol van het internet in het sociale en economische leven tot en met de netwerkstructuur van ecosystemen en zelfs van de kosmos als geheel (bijv. quantum-verstrengeling) en van neurale netwerken in de neurobiologie en de artificiële intelligentie tot en met de horizontale en decentrale organisatievormen van nieuwe protestbewegingen. In deze verschuiving van het panopticon naar het netwerk zien we, zoals ook Hardt en Negri onder verwijzing naar Foucault opmerken, een fundamentele paradigma-wisseling aan het werk:


"Elke periode wordt gekenmerkt door gemeenschappelijke vormen die de verschillende elementen van de maatschappelijke werkelijkheid en het denken structureren… Het berust volgens [Foucault] niet op toeval dat de gevangenis op de fabriek lijkt, de fabriek op de school, de school op de kazerne, de kazerne op het ziekenhuis, enzovoort. Allen hebben een gemeenschappelijke vorm die Foucault met het disciplinaire paradigma verbindt. Daarentegen ontwaren we tegenwoordig overal netwerken… Het is niet zo dat er eerder geen netwerken bestonden, of dat de structuur van de hersenen is veranderd. Het gaat erom dat het netwerk een gemeenschappelijke vorm is geworden, die ernaar tendeert om de manieren te bepalen waarop wij de wereld begrijpen en in die wereld handelend optreden." (Idem, 153)


Deze paradigmawisseling duidt op de verschuiving van de ontologie van het autonome subject, als grondslag van het modern-westerse weredbeeld, naar de ontologie van het Tussen als grondslag van de komende radicaal-democratische en ecologische pannenkoeksamenleving. In dit verband is de dialogische wending van Buber ook wel een "tweede Copernicaanse revolutie" genoemd (Heim 1930, 333), als een correctie op Kants eerste "Copernicaanse revolutie". Zoals Copernicus bewees dat de zon niet om de aarde maar de aarde om de zon draait, zo betoogde Kant dat het kennende subject niet heteronoom afhankelijk is van het object maar als autonoom wezen juist bepalend is voor het object (zie §6). Buber corrigeert deze eenzijdigheid en hersteld het evenwicht tussen subject (Ik) en object (Jij) door te laten zien hoe beiden draaien om het Tussen als de spil van hun dialogische interactie, voorbij de binaire tegenstelling van activiteit en passiviteit. 


§6 De binaire logica van het moderne subject
Autonomie is het centrale ideaal van de Verlichting en, in het verlengde daarvan, van de westerse moderniteit als een kritisch-emancipatoir project (waar ook het marxisme bijvoorbeeld uit voortgekomen is). Het autonome subject is idealiter alleen gebonden aan normen en wetten die het zichzelf vrijwillig oplegt en heeft daarom het vermogen en zelfs de plicht om over de geldigheid van externe autoriteiten te oordelen. In politiek opzicht onderbouwt dit moderne autonomie-ideaal de westerse democratie, zodanig dat elk individu indirect via verkiezingen meebeslist in de wetgeving van het collectief dat in die zin zelfwetgevend is.


In de tweede helft van de 20ste eeuw begon de postmoderne filosofie echter fundamentele vraagtekens te zetten bij deze moderne conceptie van autonomie: enerzijds zou het autonome subject geen recht kunnen doen aan iets anders dan zichzelf (bijv. Levinas, Adorno, Lyotard), anderzijds zou zijn vermeende zelfstandigheid door de constitutieve relatie tot andersheid "gedecentreerd" en "gedeconstrueerd" worden en ontmaskerd als schijn, een illusie van autonomie, die in werkelijkheid een structurele heteronomie verbergt (bijv. Althusser, Derrida, Lacan, Foucault). Zo onthulde de postmoderne kritiek de irrationele, heerszuchtige neigingen van de moderniteit, neigingen die afbreuk doen aan haar vermeende progressiviteit. De waan van autonomie maskeert en legitimeert de dominantie van het (meestal burgerlijke, witte en mannelijke) Ego over het tot non-Ego gereduceerde andere (de natuur, arbeiders, vrouwen, kleurlingen, homo's).


De postmoderne kritiek richt zich met name op de binaire logica die het moderne autonomie-ideaal kenmerkt, dwz. de logica van zelfbepaling door uitsluiting van iets anders. Het autonome subject is voor zichzelf de enige bron van normativiteit en als zodanig blind voor de intrinsieke waarde van iets anders, waarvan het de prikkelende invloed alleen kan ervaren als een heteronome aantasting van zijn vrijheid, een bedreiging die geëlimineerd of onderworpen moet worden. Zo realiseert het autonome subject zichzelf via een vertakkende structuur van hiërarchische tegenstellingen, waarin het zich als de superieure pool poneert via de negatie van het inferieure andere (het subalterne): subject-object, autonomie-heteronomie, geest-lichaam, verstand-zintuiglijkheid, rede-waanzin, mens-natuur, man-vrouw, westers-oosters, noord-zuid, beschaafd-primitief, kapitaal-arbeid, etc. Het zijn de talloze vormen van dit hiërarchisch dualisme die gezamenlijk de fractaal-vertakte structuur van de kapitalistische machtspiramide uitmaken – fractaal omdat de hiërarchie van de piramide zelf, waarbij de top heerst over de rest, op microniveau terugkeert in alle concrete machtsverhoudingen die samen de piramide vormen. De piramide, met andere woorden, houdt zich in stand door concrete vormen van klassisme, (neo-)kolonialisme, racisme, seksisme en antropocentrisme.


In filosofisch opzicht werden de grondslagen van het moderne westerse wereldbeeld gelegd door Descartes, Kant en Hegel. Descartes voorzag het moderne wereldbeeld van een kennistheoretisch fundament met zijn ontdekking van het cogito als het onbetwijfelbare uitgangspunt van alle kennis en de dualistische interpretatie daarvan als "denkende substantie" tegenover de "uitgebreide substantie" van de materiële wereld. Dit Cartesiaanse dualisme legitimeerde de moderne exploitatie van de natuur, die immers als "uitgebreide substantie" louter mechanisch en zielloos is. Zo maakte het Cartesianisme ons tot "meesters en bezitters van de natuur" (Descartes 1960: 84). En zo konden Descartes en zijn volgelingen wrede vivisecties op honden uitvoeren, waarbij ze het erbarmelijke gehuil van de gemartelde dieren weg verklaarden als louter mechanische automatismen: de honden waren niets meer dan zielloze machines, die geen echte pijn konden voelen. De waarschijnlijk apocriefe, maar vaak aan Francis Bacon toegeschreven oproep, waarmee de wetenschappelijke revolutie werd ingeluid, om de natuur op de pijnbank te leggen en haar geheimen via marteling te ontfutselen, werd zo door Descartes heel letterlijk genomen. 


Kant bouwde vervolgens de epistemologische aanzet van Descartes uit tot een ontologische fundering van het moderne wereldbeeld: het autonome subject wordt – met zijn kenvormen van ruimte, tijd en causaliteit die orde scheppen in de chaos van het zintuiglijke materiaal – de ontologische grondslag van de empirische werkelijkheid, een god gelijk. Het dualisme van Descartes wordt daarbij tot in het extreme doorgevoerd doordat Kant de tegenstelling van denkende en uitgebreide substantie analytisch onderverdeeld in een complexe waaier van hiërarchische dualiteiten zoals subject-object, autonomie-heteronomie, verstand-zintuiglijkheid, spontaniteit-receptiviteit, vorm-inhoud, eenheid-veelheid, fenomeen-noumenon, etc. Ook bij Kant leidt dit extreme dualisme tot een degradatie van de natuur als louter gebruiksmiddel voor de mens. Zo zegt hij dat wij "geen directe plichten tegenover dieren hebben" omdat "alle dieren slechts als middel bestaan, en niet omwille van zichzelf, aangezien ze geen zelfbewustzijn hebben" – uitsluitend "de mens is het doel" (Kant 1997, 212). 


In het dialectisch idealisme van Hegel ten slotte komt de binaire logica van het autonome subject tot een hoogtepunt. Hegel voltooit Kants ontologisering van het subject als grondslag van de empirische werkelijkheid door zelfs het Ding-an-sich in het subject te trekken, daartoe in staat gesteld door zijn dialectische opvatting van andersheid als de negatie van identiteit. Door een oorspronkelijke zelf-negatie produceert het Absolute Subject zijn antithese, de objectieve werkelijkheid van de natuur, die vervolgens door de "negatie van de negatie" weer met het Subject gesynthetiseerd wordt. De Geschiedenis, als de zelf-ontvouwing van het Absolute Subject, komt daarmee ten einde: de natuur wordt geheel vergeestelijkt.


§7 Dialectiek en extractivisme
Hegel laat zien dat verschil – de relatie tot andersheid – in de westerse moderniteit alleen dialectisch gedacht kan worden, als de negatie van identiteit. De singuliere andersheid van het andere wordt niet vanuit zichzelf gewaardeerd en gerespecteerd maar reductief begrepen vanuit het subject als datgene wat het subject níet is. De Ander wordt tot niet-Ik gereduceerd: de vrouw is slechts niet-man, de natuur is slechts niet-mens, het lichaam is slechts niet-geest, de kleurling is slechts niet-blank, de homo is slechts niet-hetero. De concrete, oneindig gevarieerde rijkdom aan verschillen in de wereld wordt zo gereduceerd tot simpele, manicheïstische schema's ten dienste van het heersende, westerse, masculiene subject.


Dit betekent dat de hiërarchische dualiteiten ook steeds extractieve relaties zijn, waarbij de heersende pool (geld-)waarde extraheert uit de overheerste pool. De geest exploiteert het lichaam als zijn vehikel, het kapitaal exploiteert arbeid als bron van winst, de economie exploiteert de natuur als bron van grondstoffen en vuilstortplaats, het (neo-)koloniale Westen (wit) exploiteert het mondiale Zuiden (gekleurd), de patriarchale man exploiteert de vrouw, etc. Het is door middel van deze exploitatieve relaties dat de hogere segmenten van de piramide waarde extraheren uit de onderliggende segmenten en waardoor uiteindelijk alle waarde wordt geconcentreerd in de schitterende, superrijke, transcendente piramide-top. Naomi Klein beschrijft deze extractieve machtsverhouding als volgt: 


“Extractivisme is een niet-wederkerige, op overheersing gerichte relatie met de aarde, een relatie van alleen maar nemen… Extractivisme is de mentaliteit van de bergtopafgraver en de oerboskapper. Het is het reduceren van leven tot gebruiksobject zonder eigen integriteit of waarde… Het is ook het reduceren van menselijke wezens tot arbeidskracht die hardhandig wordt uitgeperst en opgejaagd, of tot sociale last, problemen die buiten de landsgrenzen moeten worden gehouden of opgesloten in gevangenissen of reservaten… De koloniale geest koestert het geloof dat er altijd een plek is om naartoe te gaan en om te exploiteren, als het huidige winningsgebied is uitgeput.” (Klein 2014: 195)


§8 Ecologie en de dialoog in de natuur
Zoals boven opgemerkt is de ecologie een van de terreinen waar de netwerk-ontologie van het dialogische Tussen steeds duidelijker op de voorgrond treedt. Ecosystemen zijn wezenlijk netwerken van organismen die in onderlinge afhankelijkheden zijn geëvolueerd, via competitie (de Darwiniaanse strijd om het bestaan) maar óók via coöperatie. Zoals biologen en ecologen steeds duidelijker laten zien, spelen symbiotische samenwerkingsverbanden tussen soorten een veel grotere rol in de natuur dan vroeger werd aangenomen. "Het leven heeft de wereld niet overgenomen door strijd maar door te netwerken", aldus de biologen Margulis en Sagan (1997, 29).


Om iets van de ontzagwekkende complexiteit van het aardse ecosysteem in beeld te krijgen, kunnen we inzoomen op de coöperatieve relaties tussen bomen, schimmels en planten – een samenlevingsverband dat "mycorrhiza" wordt genoemd (van het Griekse mukès = zwam en rhiza = wortel). Bomen en planten zijn via hun wortels verbonden met een decentraal netwerk van schimmeldraden (het mycelium) en staan zo met elkaar in contact. De schimmels ontvangen als beloning voor hun mediërende werk iets van de suiker die de planten via fotosynthese produceren en die schimmels zelf niet kunnen maken. Bomen en planten gebruiken het schimmelnetwerk om met elkaar te communiceren: ze wisselen voedingsstoffen en zelfs boodschappen uit. 


Bij bomen gaat deze onderlinge samenwerking over soortgrenzen heen: douglassparren en berken voeden elkaar via het schimmelnetwerk. Planten gebruiken het netwerk onder andere om elkaar te waarschuwen: een plant die bijvoorbeeld door bladluizen wordt aangevallen kan een andere plant waarschuwen dat deze zijn afweerreactie moet versterken. Volgens de ecoloog Robert Macfarlane hebben bomen, schimmels en planten zo het principe van het internet vele miljoenen eerder ontdekt dan de mens: hij spreekt in dit verband treffend van het wood wide web (Macfarlane 2016).


Het mycorrhiza-netwerk geeft slechts een glimp van de ware omvang en complexiteit van het aardse ecosysteem, dat alle levende wezens maar ook de niet-levende natuur omvat in "een dooreengeweven netwerk van relationele wording", aldus de antikapitalistische en ecologische denker Jason Hickel (2021, 239). Dit ecosysteem wordt nu echter in toenemende mate bedreigd door de extractivistische praktijken van het winstmaximaliserende kapitalisme, resulterend in de opwarming van de aarde en de bredere ecologische crisis. Willen we ecologische ineenstorting vermijden, dan moeten we radicaal anders met de natuur leren omgaan, dan moeten we "een economie die is georganiseerd rondom overheersing en extractie [...] veranderen in een economie die is geworteld in wederkerigheid met de levende wereld" (idem, 17-18).


Maar, zoals Hickel ook aangeeft, uiteindelijk is het niet alleen de economie die moet veranderen maar het gehele wereldbeeld van de westerse moderniteit: "Het is een strijd over onze zijnstheorie. Hiervoor moeten niet alleen land en bossen en mensen worden gedekoloniseerd, maar ook onze geesten." (Idem, 218) Daarmee articuleert hij een inzicht dat breed wordt gedragen in de ecologische beweging: de ecologische crisis is een rechtstreeks gevolg van het moderne dualisme, waarin de natuur als een zielloos mechanisme wordt opgevat dat zonder scrupules door de mens geëxploiteerd kan worden. En daarom moet het dualisme vervangen worden door een wereldbeeld van interconnectiviteit, waarin de mens als rationeel wezen niet boven de natuur staat maar een integraal onderdeel vormt van de netwerkstructuur van het aardse ecosysteem. De moderne ontologie van het heersende subject moet vervangen worden door "een ontologie van tussen-zijn (inter-being)", aldus Hickel (idem, 65). Ook in het ecologische denken vormt het Tussen het nieuwe paradigma.


En ook Hickel maakt daarbij gebruik van een dialogische ontologie: de wederkerigheid van de Ik/Jij-relatie is precies wat we nodig hebben om te komen tot "een economie die is geworteld in wederkerigheid met de levende wereld" (idem, 18). Hij verwijst daarbij naar Buber (idem, 225), al is zijn voornaamste inspiratiebron hierbij het 'primitieve' animisme dat in veel inheemse culturen de leidende ontologie is en waarin de gehele natuur, ook de niet-levende natuur, ervaren wordt als bestaande uit personen die in onderlinge, wederkerige afhankelijkheidsrelaties staan – relaties waaraan ook de mens deelneemt. Bubers dialogische ontologie sluit verrassend goed bij dit animistische wereldbeeld aan.


De religiewetenschapper Graham Harvey definieert het animisme kortweg als de visie "dat de wereld vol is van personen, waarvan er maar enkele mensen zijn, en dat het leven altijd geleefd wordt in relatie tot anderen" (2014, 137). Aanknopend bij Buber zegt Hickel: "In zo'n wereldbeeld bestaat het voornaamwoord 'Het' niet. Alles is 'Jij'." (2021, 225) Volgens Hickel is het niet toevallig dat de meeste animistische volkeren in een duurzaam equilibrium met de omringende natuur leven – de natuur is immers hun "extended family": "Net zoals wij ons best doen om onze familieleden niet uit te buiten, passen animisten ervoor op om niet meer te nemen dan een ecosysteem kan teruggroeien en om terug te geven door het land te beschermen en te herstellen." (Idem, 64) 


Wat dat betreft kan de westerse moderniteit veel leren van zogenaamd 'primitieve' volkeren: als het gaat om ecologische wijsheid zijn wij primitief en zij onze leraren. Ook hierbij, in de ontmoeting met andere culturen, werkt de ontologie van het dialogische Tussen door. Willen we een échte dialoog met animistische culturen, dan moeten we af van onze misplaatste superioriteitsgevoelens en ons kwetsbaar durven opstellen in het "culturele tussen" waar radicaal verschillende culturen elkaar ontmoeten en wederzijds beïnvloeden (Visker 1993, 150)


§9 Tot slot: vrijheid tussen autonomie en heteronomie
Tegenover de reductie van andersheid door het moderne autonome subject plaatst de postmoderne filosofie een "differentiedenken" waarin het er juist om gaat de andersheid van de Ander tevoorschijn te laten komen en open te staan voor de intrinsieke waarde van de singuliere Ander. Maar dit mag er niet toe leiden dat we het moderne autonomie-ideaal geheel opgeven en onszelf à corps perdu overgeven aan de heteronomie van de Ander. Daarmee zouden we vervallen in het tegenovergestelde kwaad van fundamentalisme, waarin de autoriteit van de Ander onaantastbaar wordt (en het moet gezegd worden dat sommige postmoderne denkers, met name Levinas met zijn "ethiek van de Ander", verraderlijk dicht tegen een dergelijk fundamentalisme aanschurken). We moeten de kritische baby niet met het moderne badwater weggooien. 


Zoals Adorno zegt: "de kritische gedachte wil niet aan het object de verweesde koningstroon van het subject geven, waarop het object niet meer zou zijn dan een afgod – zij wil de hiërarchie afschaffen" (1990, 182). Met andere woorden: ook Adorno benadrukt dat het er in de kritiek op het moderne subject niet om gaat om diens autonomie te verruilen voor heteronomie (door 'het object op de troon van het subject te zetten') maar om hun hiërarchische verhouding als zodanig af te schaffen. De moderne verafgoding van het Ik moet niet vervangen worden door verafgoding van de Ander.


De crux is dat autonomie zonder respect voor andersheid verwordt tot totalitair egocentrisme, maar respect voor andersheid zonder autonomie op zijn beurt uitmondt in slaafse heteronomie. In plaats van autonomie te verruilen voor heteronomie moeten we een postmoderne vorm van kritische vrijheid articuleren als een derde positie tussen autonomie en heteronomie. Ook hierin moet het komende evenwichtssysteem naar evenwicht zoeken, naar de juiste balans tussen de autonomie van het Ik en respect voor de singuliere andersheid van de Ander. Alleen zo kunnen we de kritisch-emancipatoire kant van het moderne autonomie-ideaal voortzetten, of zelfs radicaliseren, zonder de extractivistische reductie van de Ander tot niet-Ik. Het postmoderne denken moet niet anti-modern zijn maar inderdaad post-modern door voorbij de binaire logica van de moderniteit te gaan en dus ook voorbij de binaire tegenstelling van autonomie en heteronomie.  


Met deze taak komen we bij het postmoderne begrip van het Tussen waarbij het precies gaat om het vinden van non-binaire 'tussenruimtes'. Zoals Antoon van de Braembussche zegt in zijn woordenboek van het postmodernisme: “In-between is een sleutelbegrip in het postmoderne denken dat wel eens de ‘filosofie van het in-between’ wordt genoemd. In alle gevallen gaat het om een aporetisch, onbeslisbaar moment, waarbij er tussen binaire tegenstellingen een zwevende, niet nader te benoemen ruimte ontstaat. Het gaat om een ‘plaatsloze plaats’, die noch A noch B, noch man noch vrouw, noch geest noch lichaam is, en tegelijk een plaats die van beide tegenstellingen al enigszins is doordrongen.” (Van den Braembussche 2007, 158) 


Zo'n non-binaire ruimte tussen autonomie en heteronomie is wat we nu nodig hebben om een postmodern begrip van kritische vrijheid te articuleren. Het dialogische Tussen van Buber legt daarvoor de basis, zowel conceptueel als ontologisch. Zoomen we hier nader op in, dan zien we hoe de ontologie van het Tussen een rijk begrip van kritische vrijheid mogelijk maakt, voorbij de moderne tegenstelling van autonomie en heteronomie. We kunnen dit begrip aan de hand van vijf elkaar overlappende aspecten ontwikkelen:


Absolute gelijkwaardigheid: Zoals opgemerkt is de dialogische relatie absoluut gelijkwaardig, omdat Ik en Jij elkaar in gelijke mate nodig hebben om zichzelf te kunnen zijn. In die zin noemen Hardt en Negri, zoals we hebben gezien, de bredere dialoog van de intermenselijke communicatie "een open vorm waarin elk subject gelijke macht en waardigheid heeft ten opzichte van alle anderen" (Hardt en Negri 2004, 219). Als zodanig is het dialogische tussen-zijn inherent anti-autoritair, onverenigbaar met hiërarchische macht en overheersing. Zodra de één de ander overheerst, stokt de dialoog en daarmee ook de ontologische creativiteit van hun dialogische tussen-zijn. De ontologische potentie van hun zelfontplooiing wordt dan niet ten volle geactualiseerd: overheerser en overheerste blijven achter bij wie en wat zij in werkelijkheid zouden kunnen zijn. Om hun zijnspotenties ten volle te realiseren, moet de gelijkwaardigheid van dialogische relatie hersteld worden. 


Absolute democratie: In deze gelijkwaardigheid telt elk subject in zijn singuliere eigenheid evenveel mee als alle anderen. In die zin is het dialogische tussen-zijn inherent democratisch. Hardt en Negri spreken hierbij in navolging van Spinoza van "absolute democratie" omdat het gaat om de natuurlijke toestand van de intermenselijke communicatie, zonder welke de menselijke samenleving niet zou kunnen bestaan: "Als dergelijke democratische interacties niet aan ons gemeenschappelijke leven ten grondslag lagen, zou de samenleving zelf onmogelijk zijn. Daarom beschouwt Spinoza andere regeringsvormen als vertekeningen of beperkingen van de menselijke samenleving, terwijl hij de democratie als haar natuurlijke vervulling ziet." (Idem, 321) In plaats van "absolute" zou men ook kunnen zeggen "ontologische democratie" omdat het gaat om de gelijke macht van Ik en Ander in het dialogische zijnsproces.


Gemedieerde zelfbepaling: Deze democratische vrijheid van de dialoog is tevens de vrijheid van elke gesprekspartner om zichzelf te worden, de vrijheid tot zelfbepaling en zelfontplooiing. Alleen door hun dialogische interactie worden Ik en Ander wie zij in werkelijkheid zijn; in die zin is het dialogische Tussen de mogelijkheidsvoorwaarde van hun zelfrealisatie. Zelfrealisatie moet hier ten eerste begrepen worden als zelfverwerkelijking, zodanig dat Ik en Ander hun singuliere identiteiten alleen in relatie tot elkaar kunnen ontwikkelen en hun zijnspotenties kunnen actualiseren. Maar zelfrealisatie betekent hier ook zelfbewustwording, zodanig dat Ik en Ander alleen door hun interactie zich bewust kunnen worden van hun onderlinge verschillen en daarmee van hun eigen singuliere andersheid. Wat mij tot mij maakt, simpel gezegd, ontdek ik alleen door interactie met anderen. Alleen door mijn singuliere andersheid te leren kennen via de confrontatie met de Ander, kan ik autonome keuzes maken, keuzes die uit mijn zelfbewuste identiteit volgen. In die zin zegt Buber: "Slechts wie in Betrekking staat en de tegenwoordigheid van het Jij kent, is tot beslissing in staat." (1995, 49) 


Tegelijkertijd is dit niet meer de moderne autonomie die in een binaire tegenstelling tot heteronomie staat. De zelfbewuste zelfbepaling van het Ik in de dialoog is gemedieerd door een evenredig bepaald worden door de Ander. Dit volgt uit de "wederzijdse constitutie" (Theunissen) van Ik en Jij in de dialoog. Het Ik ontstaat slechts als Ik dankzij het Jij: in die zin is het Jij bepalend (actief) en Ik het bepaalde (passief). Maar door de wederkerigheid van de dialogische relatie geldt het omgekeerde ook: het Jij ontstaat slechts dankzij het Ik. Mijn bepaling door de Ander (heteronomie) wordt gecompenseerd door een evenredige bepaling van de Ander door mij (autonomie). Bepalen en bepaald worden, activiteit en passiviteit, zijn precies in evenwicht in de dialoog – aldus Buber: "de Betrekking [is] passiviteit en activiteit ineen" (idem, 72). In die zin vormt het dialogische tussen-zijn een midden tussen autonomie en heteronomie: "Hier staan Ik en Jij elkaar vrij tegenover, in een wisselwerking" (idem, 49).


Vrijheid van verschil: In de dialoog hebben Ik en Ander elkaar nodig om zichzelf te kunnen zijn – ze bepalen elkaar wederzijds – en in die zin vormen ze een sociale eenheid, een Wij. Maar, zoals gezegd, dit is geen verstikkende eenheid, geen uniform collectivisme, geen 'kazernesocialisme' waarin elke andersheid genivelleerd wordt tot een gemiddelde essentie. Zoals Theunissen over het dialogische Tussen zegt: "Ik en Jij worden niet in een totaliteit ingebed en daarin als het ware geneutraliseerd" (1977, 265). In de dialogische relatie zijn Ik en Ander absoluut gelijkwaardig, juist omdat zij absoluut verschillend zijn: gelijkwaardigheid betekent hier dus pertinent níet gelijkheid qua identiteit. De dialogische interesse van de één in de ander is juist gefundeerd in hun absolute andersheid ten opzichte van elkaar. Om zichzelf te kunnen zijn, hebben Ik en Ander elkaar nodig als radicaal verschillende wezens: ze zijn wie ze zijn door hun onderlinge verschil.


De eenheid van de dialogische relatie is daarom een 'open geheel' waarin Ik en Ander vrijgelaten worden om radicaal van elkaar te verschillen. In die zin is het Tussen een eenheid die tegelijk een onreduceerbare veelheid is en die als zodanig voorbij de dichotomie van eenheid en veelheid ligt, zoals ook Hardt en Negri opmerken (2004, 232). In de terminologie van van Adorno's negatieve dialectiek komt het dialogische Tussen neer op "verzoening": "Deze geeft het niet-identieke vrij [en] opent pas de veelheid van het verschillende, waarover de dialectiek geen macht meer heeft" (1990, 18). Het is deze "verzoening" van Ik en Ander – van eenheid en veelheid – in de dialoog die de door Adorno verlangde afschaffing van de hiërarchische verhouding tussen autonomie en heteronomie mogelijk maakt.  


Ontologische vrijheid: Tot slot is de vrijheid van het dialogische tussen-zijn ook ontologisch van aard, in die zin dat zij gefundeerd is in de vrije creativiteit van het Tussen qua Zijn. Ik en Ander ontstaan slechts in relatie tot elkaar en dus gaat de dialogische relatie aan beiden vooraf als hun zijnsbron. Dit is, zoals we zagen, een van de connotaties van Bubers notie van Urdistanz, die precies "Oer-" is omdat zij de oorsprong (Ursprung) van Ik en Ander is, als een kloof die z'n eigen zijkanten produceert. In die zin kon Levinas het Buberiaanse Tussen in verband brengen met het Heideggeriaanse Zijn: "Het 'Tussen-elkaar', het Tussen, is de plaats waar het werk van het Zijn – het Zijn van de zijnden – zich voltrekt" (Levinas 1963, 124).


Maar het Zijn, als dat wat de zijnden laat zijn, is absoluut vrij omdat niets eraan vooraf kan gaan: het is de bron van alles en dus wordt het door niets geconditioneerd. Zoals Heidegger in navolging van Schelling zegt: het Zijn, als de grond van al het zijnde, is zelf grondeloos en in die zin een "afgrond" waar het logische denken – dat immers uitgaat van het principe van voldoende grond – zichzelf in verliest. Voor zowel Schelling als Heidegger is deze grondeloosheid van het Zijn de paradoxale grondslag van de menselijke vrijheid: ons vermogen tot ongeconditioneerd handelen en originele creativiteit is uiteindelijk in de grondeloze creativiteit van het Zijn zelf gefundeerd. "Als deze grond echter is de vrijheid de af-grond van het Dasein", aldus Heidegger (2001, 58). 


We kunnen deze diepe metafysische gedachten onverkort ook voor het dialogische Tussen laten gelden. Het Tussen als de zijnsbron van Ik en Ander is grondeloos en in die zin een afgrond; de boven gebruikte metafoor voor het Tussen, als een kloof die z'n eigen zijkanten produceert, past daar verrassend goed bij. Het Tussen als kloof is grondeloos en afgrondelijk, niet te vatten voor het logische denken. Want voorafgaande aan z'n zijkanten is een kloof natuurlijk niets. En dat is precies wat het Tussen als zijnsbron is: hét Niets waar Ik en Ander uit voortkomen, als een uitbreidingsloze bloemknop die openbloeit in het veelkleurige gebeuren van de kosmische dialoog – een bloem die "bloeit zonder waarom" (om met Heidegger en Angelus Silesius te spreken). De vrijheid van Ik en Ander om zichzelf te worden is uiteindelijk gefundeerd in deze grondeloze en dus absoluut vrije creativiteit van het Tussen zelf. 


Alleen door onvoorwaardelijk te participeren in deze creativiteit van het Tussen kunnen Ik en Ander zichzelf realiseren. Daarmee komen we bij een derde betekenis van de boven gebruikte term "zelfrealisatie", namelijk Zelfrealisatie in de oosters-spirituele betekenis van Verlichting (nirvana) en Bevrijding (moksha), waarbij het Ik z'n ware Zijn ontdekt en zo bevrijd wordt van de beperkingen van het ego. Het Ik dat ontdekt dat het zichzelf alleen door de dialogische interactie met de Ander kan realiseren, ontdekt het Tussen als de grondeloze bron van zijn bestaan en vrijheid. Het 'Zelf' dat zo gerealiseerd wordt is geen in zichzelf gesloten Subject maar precies het pluralistische Wij van de kosmische dialoog. De vreugde (ananda) van deze Zelfrealisatie ligt, zoals de ecologische denker Arne Naess² in navolging van Buber aangeeft, niet eenzijdig in het Ik of in de Ander maar precies in hun interrelatie:


"Is vreugde in het subject? Ik zou zeggen nee. Vreugde is net zoveel of net zo weinig in het object. De vreugde van een vreugdevolle boom is primair in de boom, zouden we moeten zeggen – als we gedwongen worden om te kiezen tussen de twee mogelijkheden. Maar we zouden niet gedwongen moeten worden. Er is een derde positie. De vreugde is een eigenschap van de ondeelbare, concrete eenheid van subject, object en medium. In die zin omvat Zelfrealisatie ervaringen van het oneindig rijke, vreugdevolle aspect van de realiteit." (Naess 2008, 94).


Het is deze gedeelde vreugde van het dialogische tussen-zijn die de diepste motivatie vormt achter de politiek van het Tussen.


Noten

1. Het Tussen heeft voor de religieuze Buber iets goddelijks. God, als de Schepper van alles, manifesteert zich in de relatie tussen Ik en Jij: "Als twee mensen authentiek en menselijk met elkaar in betrekking staan, dan is God de elektriciteit die tussen hen stroomt." (Buber geciteerd in Samuelson 1989, 183) Deze ervaring van God als zich primair manifesterend in de intermenselijke relatie is volgens Buber wezenlijk voor het Judaïsme en in het bijzonder voor de Chassidische stroming daarin, al kan en moet deze Godservaring volgens Buber uiteindelijk losgemaakt worden van elke vorm van religieus parochialisme: het gaat hem om een universele ontologie van het dialogische Tussen die niet aan welke religie dan ook gebonden is (zie Samuelson 1989, 182-211).

2. Naess is een van de grondleggers van de "deep ecology movement" waarin het gaat om het begrijpen van de mens als integraal onderdeel van de natuur en het herstellen van onze eenheid met de natuur. Bubers dialogische filosofie was daarbij voor Naess een van zijn belangrijkste inspiratiebronnen: "Men ervaart zichzelf als een integraal onderdeel van al het leven. Elk levend wezen wordt begrepen als een doel op zich, principieel op hetzelfde niveau als het eigen zelf. Het behelst een transitie van Ik/Het-houdingen naar Ik/Jij-houdingen, om Bubers terminologie te gebruiken." (Naess 1990, 174).


Gebruikte literatuur
-Adorno, Theodor (1990), Negative Dialektik. Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main.
-Buber, Martin (1995), Ich und Du. Reclam, Stuttgart.
-Buber, Martin (1978), Urdistanz und Beziehung: Beiträge zu einer philosophischen Anthropologie I. Verlag Lambert Schneider, Heidelberg.
-Descartes (1960), Discourse on Method and Other Writings. Penguin Books, Baltimore.
-Hardt, Michael & Negri, Antonio (2004), De Menigte: Oorlog en Democratie in de Nieuwe Wereldorde. De Bezige Bij, Amsterdam.
-Harvey, Graham (2014), The Handbook of Contemporary Animism. Routledge, New York.
-Heidegger, Martin (2001), Over het Wezen van de Grond & Over het Wezen van de Waarheid. Damon, Budel.
-Heim, Karl (1930), "Ontologie und Theologie", in: Zeitschrift für Theologie und Kirche, Neue Folge Band 11, 325– 338.
-Hickel, Jason (2021), Minder is Meer: Hoe Degrowth de Wereld zal redden. Epo, Berchem.
-Kant, Immanuel (1997), Lectures on Ethics. Cambridge University Press, Cambridge.
-Klein, Naomi (2014), No Time: Verander nu voordat het klimaat alles verandert. De Geus, Amsterdam.
-Levinas, Emmanuel (1963), "Martin Buber und die Erkenntnistheorie", in: P.A. Schilpp & M. Friedman, Martin Buber: Philosophen des 20. Jahrhunderts, 119-134. W. Kohlhammer Verlag, Stuttgart.
-Macfarlane, Robert (2016), "The Secrets of the Wood Wide Web", in: The New Yorker, August 7, 2016.
-Margulis, Lynn & Sagan, Dorion (1997), Microcosmos: Four Billion Years of Microbial Evolution. University of California Press, Berkeley.
-Naess, Arne (1990), Ecology, Community and Lifestyle: Outline of an Ecosophy. Cambridge University Press, Cambridge.
-Naess, Arne (2008), Ecology of Wisdom. Penguin Books, London.
-Rotmans, Jan (2021), Omarm de Chaos. De Geus, Amsterdam.
-Samuelson, Norbert M. (1989), An Introduction to Modern Jewish Philosophy. SUNY Press, Albany.
-Theunissen, Michael (1977), Der Andere: Studien zur Sozialontologie der Gegenwart. Walter de Gruyter, Berlin & New York.
-Van den Braembussche, Antoon (2007), Postmodernisme: Een Intertekstueel Woordenboek. Damon, Budel.
-Vermes, Pamela (1982), "The Buber-Lukács Correspondence (1911-1921) in: The Leo Baeck Institute Year Book, Volume 27, Issue 1, January 1982, pp. 369–377.
-Visker, Rudi (1993), "Transculturele vibraties. Een onpostmoderne beschouwing", in: F. de Wachter (red.), Over nut en nadeel van het postmodernisme voor het leven. Uitgeverij Pelckmans, Kapellen.