Showing posts with label globalisering. Show all posts
Showing posts with label globalisering. Show all posts

De antwoorden van het antiglobalisme: Van Seattle tot Porto Alegre

 Verschenen in: Grenzeloos, 3-2-2002

Recensie van: Barrez, Dirk. De antwoorden van het antiglobalisme: Van Seattle tot Porto Alegre. Mets & Schilt uitgevers, Amsterdam, september 2001. ISBN 90-5466-789-3.

De Belgische schrijver, documentairemaker en journalist Dirk Barrez heeft met dit boek een waardevolle bijdrage geleverd aan de discussie over de neoliberale globalisering en de kritiek daarop door de antiglobaliseringsbeweging. Het boek geeft antwoord op het verwijt dat standaard aan de anti-globaliseringsbeweging wordt gericht, namelijk dat haar kritiek op de neoliberale ‘wereldorde’ vrijblijvend is omdat zij niet in staat is een alternatief te formuleren. Dat is natuurlijk onzin: binnen de beweging wordt volop over alternatieven nagedacht. En het is de verdienste van Barrez deze alternatieven in zijn boek uiteen te zetten.

Barrez ontwikkelt ‘de antwoorden van het anti-globalisme’ aan de hand van een verslag van het World Social Forum dat eind januari 2001 voor het eerst plaatsvond in het Braziliaanse Porto Alegre, als tegenhanger van het tegelijkertijd plaatsvindende World Economic Forum in het Zwitserse Davos. Waar in Davos jaarlijks de politieke en economische elite samenkomt om zich te beraden over de verdere uitverkoop van de wereld, daar kwamen in Porto Alegre duizenden anti-globalisten bijeen om te discussiëren over wat er mis is met de neoliberale wereldorde en vooral over hoe het dan wel moet. Wat het lezen van dit boek zo leuk maakt is dat Barrez erin geslaagd is om de sfeer van Porto Alegre over te brengen, de hoop en het enthousiasme van de deelnemers, zo mooi uitdrukt in de slogan van het Forum: “Een andere wereld is mogelijk!” Vooral omdat Barrez zijn betoog opbouwt aan de hand van de vele interviews die hij in Porto Alegre heeft afgenomen, zodat veel deelnemers zelf aan het woord komen, waaronder kopstukken van de beweging als Naomi Klein, Walden Bello van Focus on the Global South, Sylvia Borren van de Novib, Bernard Cassen van Attac en vele anderen.

Wat in het boek opvalt is de eensluidendheid van de antwoorden die in Porto Alegre te beluisteren vielen - opvallend omdat zij haaks staat op de veelvormigheid die meestal als kenmerkend voor de beweging wordt genoemd. Alle antwoorden cirkelen eigenlijk om één en dezelfde kern, het idee van lokale autonomie op zowel politiek, cultureel als economisch vlak. De steeds weer terugkerende kritiek op de neoliberale globalisering is dat zij individuele burgers in toenemende mate de macht over hun eigen leven - over hun werk, eten, omgeving, kleding - ontneemt en overdraagt aan een klein aantal, slechts op winst beluste multinationals. Het centrale idee in Porto Alegre is om deze ontwikkeling te keren, om de politieke, economische en culturele macht bij de mensen zelf en hun lokale gemeenschappen te leggen. Illustratief is Walden Bello’s idee van de thuismarkt-economie, dat als een rode draad door het boek van Barrez loopt: lokale gemeenschappen zouden het recht moeten hebben om hun economieën af te schermen van de ‘vrije wereldmarkt,’ zeker als het gaat om voedselproductie (zgn. voedselsoevereiniteit), arbeidersrechten en ecologische duurzaamheid.

Met succes weet Barrez de mythes van het neoliberalisme te debunken. Om de kritiek van de anti-globalisten te pareren, wijzen neoliberale ideologen altijd weer naar het Westen en ‘Aziatische Tijgers’ als Zuid-Korea, Taiwan en Singapore, waar het openstellen van de economie voor de wereldmarkt verantwoordelijk voor economisch succes zou zijn geweest. Maar Barrez maakt duidelijk dat deze landen hun economisch succes vooral danken aan het feit dat hun economieën slechts aan de industriële export-kant voor de wereldmarkt werden geopend; import en landbouw bleven doelbewust aan sterk protectionistische regelgeving onderworpen. Dat is de hypocrisie van Westerse landen, om aan huidige ontwikkelingslanden op te leggen wat zij zelf ten gunste van hun eigen economische ontwikkeling hebben vermeden.

Helaas heeft Barrez, net als veel andere zgn. politiek correcte intellectuelen, een blinde vlek voor het marxisme, dat bij hem slechts verschijnt als een verouderde, zelfs totalitaire ideologie. In navolging van Bernard Cassen spreekt Barrez over de neoliberale verabsolutering van de economie als een ‘primair marxisme’. (p.75) De suggestie is natuurlijk het aloude misverstand dat marxisten alles tot de economie zouden willen reduceren! Het tegendeel is waar: marxisten willen juist de dictatuur van de economie opheffen om deze weer dienstbaar aan de mens te maken, om zo het Rijk der Noodzaak in het Rijk der Vrijheid te veranderen!

Deze blinde vlek verhindert Barrez in te zien dat als hij de ‘antwoorden van het antiglobalisme’ presenteert, hij slechts beproefde inzichten van het marxisme repeteert. Zo verklaart Barrez in navolging van de Franse filosoof François Houtart niet tegen vrijhandel per se te zijn, maar wel tegen de huidige ‘vrije markt,’ omdat deze gebaseerd is op de ongelijke machtsverhouding tussen kapitaal en arbeid, alsof dat een nieuw inzicht is. Het is echter de kern van Marx’ kritiek op het kapitalisme! Ook de ideeën van economische autonomie en de thuismarkt-economie lijken verdacht veel op traditionele eisen van het marxisme: (1) productiemiddelen in handen van de arbeiders zelf en (2) produceren voor de bevrediging van behoeften in plaats van winst.

Marxistisch is ook het argument dat Barrez inbrengt tegen mensen als Naomi Klein die om lokale autonomie te bereiken, elke vorm van wereldwijde centrale organisatie willen afwijzen. “Want deze beweging draait om zelfbeschikking,” zegt Naomi Klein, “en dan moet je je niet hiërarchisch gaan organiseren en een eenheidsideologie formuleren.” (p.224) Terecht brengt Barrez daartegen in dat om het ideaal van lokale autonomie te realiseren, mensen over heel de wereld moeten samenwerken tegen het mondiale kapitalisme, wat onmogelijk is zonder centrale organisatie. Dat Barrez daarmee het argument van Marx en Engels tegen het anarchisme herhaalt, vertelt hij er niet bij. Helaas houdt Barrez zijn crypto-marxisme niet consequent vol: in plaats van in revolutie gelooft Barrez nog in hervorming van het kapitalisme.




Vechten voor vrijheid: Het eclectische zootje van de antiglobalisten

Verschenen in: Groene Amsterdammer, nr. 32, 2001.

Volgens de NRC zijn de anti-globalisten van Genua slechts «een eclectisch zootje zonder samenhangend programma». Ze zouden geen positieve boodschap hebben. Niets is minder waar.

De zogenoemde anti-globalisten halen vooral het nieuws vanwege het geweld dat steevast hun protesten tegen de neoliberale wereldorde begeleidt, van de WTO-top in Seattle 1999 tot en met de recente G8-top in Genua. Dat is jammer omdat het de aandacht afleidt van waar het eigenlijk om zou moeten gaan: de boodschap van het protest. Nu de traangasdampen zijn opgetrokken, is het meer dan nodig om inhoudelijk op het anti-globalisme in te gaan, zonder de helaas gangbare fixatie van de sensatiebeluste media op de zeer kleine groep van gewelddadige anarchisten. Laten we ons vooral richten op vragen als: waar is het protest van de anti-globalisten tegen gericht? Wat zijn hun argumenten? Zijn deze correct? Wat zijn hun idealen?

Het is met name in dit verband dat kritiek op het anti-globalisme valt te beluisteren, afgezien van de obligate veroordeling van geweld. Het is duidelijk waar de anti-globalisten tegen zijn, zeggen de meeste critici, namelijk tegen het mondiale kapitalisme dat het streven naar winst laat prevaleren boven respect voor mens en natuur. Wellicht zal men de anti-globalisten nageven dat ze daarin een punt hebben: vooral in Europa groeit de overtuiging dat het neoliberale geloof in de vrije markt te ver is doorgeschoten. Maar waar de anti-globalisten voor zijn, blijft onduidelijk: hun wordt verweten geen positieve boodschap te hebben. Zij zouden slechts «een eclectisch zootje zonder samenhangend programma» zijn (NRC, 21 juli). De beweging blijft een losse verzameling van NGO’s, belangengroepen en radicale politieke stromingen die slechts ver enigd zijn in hun verzet tegen het mondiale kapitalisme. De anti-globalisten bieden geen alternatief voor wat Bush Sr. de Nieuwe Wereldorde van het neoliberalisme noemde; zij bieden geen visie, geen uitzicht op een Nog Nieuwere Wereldorde. Daarom zou hun protest een gratuite geste blijven, ijdele woorden zonder praktische gevolgen.

Dit anti-globalistische gebrek aan visie schraagt het zogeheten Tina-argument — There Is No Alternative —, een van de argumenten waarmee de neoliberale globalisering van de vrije markt wordt verdedigd. Als je economisch wilt overleven, zo luidt de redenering, dan is er geen alternatief voor de vrije markt, voor het liberaliseren van de economie en het privatiseren van staatsbedrijven. «Globalisering is als een golf die onvermijdelijk over ons heen komt.» (Een Shell-woordvoerder in Trouw, 21 juli.)

Nadere beschouwing van het anti-globalistische protest leert echter dat deze kritiek haar doel niet raakt. Niet omdat zij onjuist is: het ontbreekt de anti-globalisten inderdaad aan een bindend, algemeen en samenhangend programma dat als alternatief voor de neoliberale wereldorde kan dienen. Waar de kritiek faalt, is dat zij dit gebrek als een zwakte ziet, terwijl het juist een van de sterke punten van de anti-globalisten is. Ook de beweging zelf ervaart het pluralistische karakter als uitermate waardevol. Immers, wat de anti-globalisten bindt, is de angst dat de vrijheid van lokale gemeenschappen steeds meer onder druk komt te staan, de economische en politieke druk die in naam van de vrije markt wordt uitgeoefend door mondiale organisaties als het WTO, het IMF en multinationals als Shell, Nike en Microsoft.

Zo omvat de anti-globaliseringsbeweging veel NGO’s, zoals het International Forum on Globalisation, de Globalisation Observatory en de Global Trade Watch, die in het mondiale kapitalisme een bedreiging zien voor democratie en arbeidersrechten. De Conféderation Paysanne van José Bové, een van de voormannen van het anti-globalisme, pleit voor een vorm van landbouw die — in tegenstelling tot de aan de vrije markt onderworpen landbouw — bescherming biedt aan lokale gemeenschappen en hun natuurlijke omgeving. De zogenoemde adbusters (die bestaande reclame-uitingen vervormen om deze een nieuwe, kritische betekenis te geven) en de Reclaim-the-Streets-groepen (die via ludieke feesten de straten tijdelijk willen heroveren op verkeer en commercie) richten zich met name tegen het verlies van de publieke ruimte door commercialisering en privatisering. Hun acties zijn mede ingegeven door de angst dat individuele burgers steeds minder te zeggen hebben over het aangezicht van hun alledaagse omgeving, terwijl multinationals deze omgeving wel ongestraft mogen volhangen met metershoge reclameborden. Ten slotte geeft het anti-globalistische protest ook uiting aan een zekere claustrofobie, de angst ingesloten te zijn door een systeem dat elk origineel en kritisch tegengeluid onmiddellijk onschadelijk kan maken door het in zich op te nemen en er geldelijk gewin uit te slaan, een lot dat nagenoeg alle van origine kritische tegen bewe gingen ten deel is gevallen — van de arbei dersbeweging tot en met de punk.

Misschien is deze culturele claustrofobie een van de belangrijkste voedingsbodems van het geweld dat steevast het anti-globalistische protest begeleidt. Alsof de gebivakmutste anarchisten willen zeggen: probeer dit maar eens te vercommercialiseren, de stenen waarmee ik de ruiten van deze McDonald’s ingooi en de loden pijp waarmee ik op deze agenten insla. Alsof geweld voor hen de enige manier is om te ontsnappen aan de assimilerende kracht van het kapitalisme. Dat is natuurlijk geen rechtvaardiging, maar maakt het geweld misschien wel iets begrijpelijker. Het is in ieder geval te simpel om, zoals premier Kok deed, het geweld af te doen als niets dan «georganiseerd rotzooi trappen».

Positief geformuleerd, kortom, is het de anti-globalisten te doen om de bescherming van lokale autonomie, de vrijheid van lokale gemeenschappen om hun eigen leven te leiden, hun eigen arbeidsomstandigheden te bepalen, hun eigen omgeving in te richten, los van de politieke en economische dwang van de vrije markt en instituties als het WTO. Het is daarom onjuist om het anti-globalistische verzet af te doen als louter een uiting van de Jihad vs. McWorld, zoals het verlangen naar zekerheid en geborgenheid tegenover de ontwortelende dynamiek van het mondiale kapitalisme in navolging van het boek van Benjamin Barber wordt genoemd.

«Het probleem van de mondialisering is in wezen het probleem van de menselijke psyche», zo stelt Arie Elshout in een pseudo-psychologische verklaring van het anti-globalisme. «Het heeft allemaal te maken met de tegenstelling in de mens tussen zijn drang naar vrijheid en zijn behoefte aan zekerheid en geborgenheid. De vrije markt wordt toegejuicht zolang we ervan profiteren. Dan betuigen we ons geloof in persoonlijke autonomie en willen we zo min mogelijk bemoeienis van de overheid. Zodra echter tegenwind opsteekt, de baan in gevaar komt, wordt de staat op slag weer omarmd als het instituut dat de kwetsbare burger moet beschermen tegen de risico’s van het vrije leven.» (de Volkskrant, 21 juli.) Alsof de anti-globalisten worden gedreven door een burgerlijke bezorgdheid om materiële zekerheid!

De meeste anti-globalisten, die grotendeels afkomstig zijn uit de welvarende middenklasse, begonnen hun protest eind jaren negentig, toen de groei van de vrijemarkteconomie op zijn hoogtepunt was. In materieel opzicht hadden de anti-globalisten weinig tot niets te winnen, veeleer een hoop te verliezen. Het is dus geenszins zo dat zij materiële zekerheid verkiezen boven vrijheid, zoals Elshout beweert, integendeel: ze offeren een deel van hun materiële zekerheid op om te kunnen vechten voor vrijheid — vrijheid van de dwang van de vrije markt. Analyses als die van Elshout trivialiseren het anti-globalisme. Het is bovendien niet het verlangen naar vrijheid, maar juist het burgerlijke verlangen naar materiële zekerheid, de idee-fixe dat je geen menswaardig leven kunt leiden als je niet kunt meekomen op de vrije markt, waar het kapitalisme van leeft. Want o jee, wat moet er van ons terechtkomen zonder nette kleding, eigen huis, tweede auto en drie busvakanties per jaar. Het is deze bekrompenheid van de electoraal zo belangrijke middenklasse, haar «vlucht voor vrijheid» (Erich Fromm), die ingrijpende politieke veranderingen tegenhoudt.

Omdat vrijheid de inzet van de anti-globalisten is, mag het niet verwonderen dat zij geen algemeen en samenhangend politiek programma hebben, een wereldomvattend politiek systeem dat kan dienen als alternatief voor de neoliberale wereldorde. Met zo'n algemeen geldend programma zouden zij immers hun diepste drijfveer verloochenen: het respecteren van lokale autonomie, het vrij laten van lokale gemeenschappen om zelf hun leven te leiden, zonder enige top-down-dwang van welke mondiale institutie dan ook. Het gebrek aan een omvattende politieke visie is dus geen zwakheid van het anti- globalisme, een zwakheid die door wat extra denkwerk en discussie binnen de anti-globaliseringsbeweging verholpen kan worden. Dit pluralisme is een logisch gevolg van het anti-globalisme als zodanig.

Met hun pluralisme geven de anti-globalisten aan geleerd te hebben van de politieke dwalingen uit de voorafgaande eeuw. Van het feit dat Grote Verhalen als het communisme, nationalisme en liberalisme zonder uitzondering tot totalitaire verschrikkingen hebben geleid, van Auschwitz en stalinisme tot en met de miljoenen aidsdoden die geofferd zijn aan het winststreven van de farmaceutische industrie. Het zijn vooral postmoderne filosofen geweest, zoals Michel Foucault en Jean-François Lyotard, die de logica van het totalitarisme hebben blootgelegd: door uit te gaan van de universele geldigheid van één politieke orde moesten de Grote Verhalen wel leiden tot onderdrukking van de reële diversiteit aan gemeenschapsvormen. De postmodernen pleitten dan ook voor ideologische openheid in plaats van een dichtgetimmerde ideologie. De anti-globalisten hebben deze les van het postmodernisme goed in zich opgenomen.

Het Tina-argument van de neoliberalen is in bepaald opzicht correct: er is niet één alternatief voor de neoliberale wereldorde. Maar niet in de zin die de neoliberalen er zelf aan toekennen, namelijk dat hun Nieuwe Wereldorde onvermijdelijk is. Het is correct in die zin dat er niet één, maar diverse alternatieven zijn, in de vorm van de vele alternatieve gemeenschapsvormen die de wereld rijk is en die door de neoliberale globalisering in hun voortbestaan worden bedreigd.

Bovendien gaat het Tina-argument mank aan een zekere circulariteit: economische overleving vereist inderdaad overgave aan de vrije markt, maar alleen wanneer de vrije markt the only game in town is. In een economie die anders functioneert, een waarin de vrije markt niet het alles bepalende principe is, is liberalisering geenszins een vereiste voor economische welvaart. Hoe zo'n alternatieve economie eruit moet zien, hoe een niet-kapitalistische wereld geordend moet worden, is niet aan de anti-globalisten om te bepalen, maar aan iedereen die op deze wereld leeft, elke gemeenschap op haar eigen manier. Dat is de vrijheid waar de anti-globalisten naar streven. Hun rol kan slechts zijn om voor deze vrijheid ruimte te maken door zich tegen de neoliberale wereldorde te verzetten.

Dit alles neemt niet weg dat het anti-globalistisch «gebrek» aan visie op een ander vlak wel een zwakheid betekent, namelijk op het vlak van de Realpolitik. Om een politieke vuist te kunnen maken moet de beweging als eenheid optreden, hetgeen een breed gedeelde visie op een betere wereldorde lijkt te vereisen. De anti-globalisten lijden daarmee aan het klassieke probleem van alle anarchisten: ze zijn tegen hiërarchie en centralisme, maar hebben wel een centrale leiding nodig om als politieke macht te kunnen overleven. Dat is de les van de Spaanse burgeroorlog, waar de anarchisten wegens een welbewust gebrek aan centrale organisatie geen weerstand konden bieden tegen de strak hiërarchisch georganiseerde fascisten. Het is te hopen dat het negatieve moment, het gedeelde verzet tegen de neoliberale wereldorde, voldoende is om de anti-globalisten samen te binden tot een politieke factor van betekenis.