Showing posts with label dualisme. Show all posts
Showing posts with label dualisme. Show all posts

Idealisme en het 'Moeilijke Probleem van het Bewustzijn'

Om de verhouding tussen materie en bewustzijn te begrijpen, lijken ons slechts vier mogelijkheden ter beschikking te staan, die we provisorisch als volgt kunnen samenvatten: 1) materie verklaart bewustzijn (materialisme), 2) bewustzijn verklaart materie (idealisme), 3) materie en bewustzijn zijn wederzijds onafhankelijke “substanties” (dualisme) en 4) materie en bewustzijn worden beide verklaard door een derde, onbekende substantie (neutraal monisme). Na de 17de eeuw werd het idealisme een steeds duidelijker herkenbare stroming met Berkeley, Kant en de daaropvolgende Duitse en Britse idealisten. Zij verzetten zich tegen het materialisme dat rond dezelfde tijd in zijn moderne vorm uitkristalliseerde door het succes van de mathematische natuurkunde (Copernicus, Galileo, Newton) en dat zijn meest radicale verdedigers vond in filosofen als Hobbes, La Mettrie, Holbach, Büchner en Moleschott. In vergelijking met deze idealistische en materialistische stromingen zijn de twee overige posities, dualisme en neutraal monisme, altijd ondergeschoven kindjes gebleven, om begrijpelijke redenen.  Dualisme en neutraal monisme Het dualisme, dat met name door Descartes werd verdedigd, is onaantrekkelijk omdat het struikelt over het bekende lichaam-geest-probleem: als bewustzijn en materie gescheiden “substanties” zijn, hoe kunnen ze dan interacteren in enerzijds zintuiglijke waarneming (waar materie een causale invloed heeft op bewustzijn) en anderzijds intentioneel handelen (waar bewustzijn een causale invloed heeft op materie)? Ook het neutraal monisme, dat begon met Spinoza (voor wie “denken” en “uitgebreidheid” slechts “attributen” zijn van één onderliggende “Substantie”) en in z’n moderne vorm werd aangehangen door denkers als Mach, James en Russell, is nooit mainstream geworden. Deels heeft dit te maken met het speculatieve karakter ervan: als bewustzijn en materie beide verklaard worden door een derde entiteit, wat voor soort entiteit is dat dan? Het lijkt onmogelijk om daarop een empirisch antwoord te geven, aangezien de ervaring ons niets meer lijkt te geven dan enerzijds bewustzijn (via zogenoemde innerlijke ervaring) en anderzijds materie (via uiterlijke oftewel zintuiglijke ervaring). 

Dit niet-empirische karakter van het neutraal monisme komt duidelijk naar voren in Spinoza’s speculatief-metafysische postulaat van een alomvattende goddelijke “Substantie” (“God oftewel de Natuur”) als onderliggende drager van denken en uitgebreidheid. Latere neutraal monisten als Mach, James en Russell probeerden dit probleem te ondervangen door hun “neutrale entiteiten” op te vatten als “pure ervaringen” (in de terminologie van James) die voorafgaan aan de scheiding tussen innerlijk (‘bewustzijn’) en uiterlijk (‘materie’). Maar dit leidde tot de tegenwerping dat het neutraal monisme eigenlijk een variant is van het idealisme, aangezien de “neutrale entiteiten” blijkbaar ín de ervaring gegeven zijn en dus reeds bewustzijn veronderstellen. Het heersende paradigma: materialisme Sinds de Europese Verlichting zijn idealisme en materialisme dus steeds de dominante posities geweest die om voorrang streden, met bescheiden bijrollen voor dualistische en neutraal-monistische posities. Eind 19de en begin 20ste eeuw veranderde deze situatie echter drastisch: door de voortschrijdende successen van de mathematische natuurkunde alsook de opkomst van het (neo-)Darwinisme leek het natuurkundig materialisme definitief de strijd te winnen. Het idealisme werd naar de marges van het filosofisch toneel gedwongen, waar het sindsdien een kwijnend bestaan leidt. In Duitsland kwam de dominantie van het idealisme snel ten einde na de dood van Hegel in 1831, waar het werd afgelost door het materialisme van links-Hegelianen als Feuerbach en Marx en fysiologen als Vogt, Büchner en Moleschott. Het Duits idealisme beleefde weliswaar kortstondig een heropleving in de transcendentale fenomenologie van Husserl, maar verloor uiteindelijk het gevecht van het wetenschappelijk materialisme van de invloedrijke Wiener Kreis. Husserls fenomenologie heeft wel grote invloed gehad op de continentale filosofie, maar daarbij werd zijn idealisme over het algemeen niet overgenomen, eerder sterk bekritiseerd. In Engeland bleef het absoluut idealisme van filosofen als Green, Bradley en McTaggart (en Royce in Amerika) koppig stand houden tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw, maar ook in het Anglo-Amerikaanse denken – mede onder invloed van de Wiener Kreis – verloor het idealisme uiteindelijk van het natuurkundig materialisme, zoals vertegenwoordigd door denkers als Quine, Smart, Dennett en de Churchlands. Zeker na de Tweede Wereldoorlog is de filosofisch-wetenschappelijke consensus uitgesproken materialistisch: de realiteit bestaat primair uit materie, zoals bestudeerd door de moderne natuurkunde, waarbij bewustzijn als secundair fenomeen ontstaat uit de complexe organisatie van materie in neurale systemen (zoals het menselijke brein) die door biologische evolutie zijn ontstaan. Aangezien biologische evolutie een willekeurig proces is (random genetische variatie en natuurlijke selectie), is het bewustzijn geen intrinsieke eigenschap of doel van het heelal, maar een toevallig bijproduct van fundamentelere, niet-teleologische materiële processen. Zoals Copernicus de aarde en daarmee de mens uit het centrum van het heelal verdreef, zo heeft de daaropvolgende wetenschappelijk-filosofische ontwikkeling het bewustzijn van zijn idealistische troon gestoten. Bewustzijn is niet fundamenteel voor de realiteit, zoals het idealisme wil, maar komt slechts voor in zeldzame uithoeken van het heelal, waar door toevallige omstandigheden biologische evolutie heeft plaatsgevonden. Dat, althans, is in grote lijnen het heersende materialistische paradigma. Het moeilijke probleem van het bewustzijn In de loop van de 20ste eeuw vonden echter een aantal filosofische en wetenschappelijke ontwikkelingen plaats die nu aanleiding geven om de verhouding tussen materie en bewustzijn drastisch te herzien. Het idealisme krijgt daarmee een tweede kans. De belangrijkste filosofische ontwikkeling is wat dit betreft ongetwijfeld het debat geweest rond het zogenoemde hard problem of consciousness. Chalmers, die als geen ander dit “moeilijke probleem” op de kaart heeft gezet, bedoelde daarmee de klaarblijkelijke principiële onmogelijkheid om “fenomenaal” bewustzijn te verklaren vanuit een niet-mentaal substraat zoals materie of computatie. Hij onderscheidde dit probleem van de easy problems of consciousness die volgens hem in principe wél een materiële c.q. computationele oplossing toelaten, zoals de vraag hoe het brein zintuiglijke informatie opslaat en verwerkt, hoe leerprocessen plaatsvinden, hoe hormonen invloed hebben op de psyche, hoe het brein beslissingen omzet in lichamelijke acties, etc. Chalmers geeft toe dat dergelijke vragen nog steeds razend gecompliceerd kunnen zijn, maar ze lijken niet principieel onoplosbaar; in sommige gevallen hebben psychologen en neurowetenschappers al grote vooruitgang geboekt. Dergelijke vragen zijn in principe beantwoordbaar in termen van de computationele werking van het brein. Het cruciale punt is echter dat het moeilijke probleem daarmee onopgelost blijft: “These are important questions, but to answer them is not to solve the hard problem: Why is all this processing accompanied by an experienced inner life?” (Chalmers 1996: xii) Dat wil zeggen: waarom gaan al deze computationele processen in de materiële ‘hardware’ van het brein gepaard met subjectieve bewuste ervaringen, de zogenoemde qualia van fenomenaal bewustzijn?  Naar aanleiding van Nagels beroemde artikel “What is it like to be a bat?” (1974) worden qualia uitgelegd in termen van what-it-is-likeness: hoe het is om iets te ervaren – bijvoorbeeld hoe koffie smaakt, hoe verdriet aanvoelt, hoe het aanvoelt als je moet urineren, de specifieke sensaties van denken, twijfel en inzicht, etc. Dergelijke qualia zijn de zaken waar we ons onmiddellijk en dus met Cartesiaanse zekerheid van bewust zijn, de primaire bewustzijnsgegevens. Ze zijn inherent subjectief en daarmee principieel ontoegankelijk voor anderen: hoe bijvoorbeeld koffie voor mij smaakt, kan door niemand anders ervaren worden. Precies in die inherente subjectiviteit ligt het moeilijke probleem van het bewustzijn, omdat deze subjectiviteit klaarblijkelijk niet begrepen kan worden in termen van objectieve, door iedereen waarneembare materiële toestanden of processen in het brein. Hier gaapt een principiële kloof, een “explanatory gap”.

Stel dat we iemands hersenen kunnen observeren terwijl hij koffie drinkt: we zien hoe de koffie effect heeft op zijn smaakpapillen, die elektrische signalen via de zenuwen naar zijn hersenen sturen, waar vervolgens een waaier aan elektrochemische processen plaatsvindt. Stel dat we tevens precies begrijpen hoe deze informatie computationeel door zijn hersenen verwerkt wordt. Dan weten we nog steeds niets over de qualia van zijn bewuste ervaring op dat moment, hoe de koffie voor hem smaakt. Sterker nog, we weten zelfs niet of hij op dat moment überhaupt een bewuste ervaring heeft, aangezien bewuste ervaring intrinsiek subjectief is en dus voor ons principieel ontoegankelijk, in tegenstelling tot objectief waarneembare hersenprocessen. Misschien vinden er bij de koffiedrinker uitsluitend hersenprocessen plaats zonder begeleidende subjectief-bewuste ervaringen, wat Chalmers de “logische mogelijkheid van zombies” noemt, analoog aan de bewusteloze informatieverwerking door een computer. De conclusie die we moeten trekken is blijkbaar dat fenomenaal bewustzijn iets extra’s is naast de materiële realiteit van het brein en zijn computationeel functioneren. Maar als het bewustzijn iets extra’s is, dan is het klaarblijkelijk zelf niet materieel van aard en kan het dus ook niet vanuit materie verklaard worden. De causale werking van materiële objecten strekt zich immers alleen uit tot andere materiële objecten (de zogenoemde “causal closure of the physical”). Het bewustzijn, kortom, is niet reduceerbaar tot materie. Herkansing voor het idealisme In de geschiedenis van het moderne denken zijn tal argumenten ontwikkeld die deze principiële kloof tussen bewustzijn en materie aantonen (of althans claimen aan te tonen) en die met name door Chalmers (1996) vakkundig geanalyseerd en verder ontwikkeld zijn. Het gaat nu te ver om al deze argumenten te behandelen; hier zal hun juistheid simpelweg verondersteld worden (voor zover de bovenstaande argumentatie nog niet voldoende was). Wij zijn hier immers primair geïnteresseerd in de idealistische conclusie die uit deze argumenten getrokken moet worden. Om deze idealistische conclusie duidelijk te maken, moeten we terug naar de bovengenoemde vier mogelijke relaties tussen materie en bewustzijn: 1) materie verklaart bewustzijn (materialisme), 2) bewustzijn verklaart materie (idealisme), 3) materie en bewustzijn zijn onafhankelijke substanties (dualisme) en 4) materie en bewustzijn worden beide verklaard door een derde substantie (neutraal monisme). Het moeilijke probleem van het bewustzijn maakt duidelijk dat optie 1, het materialisme, in ieder geval afvalt. Daaronder moeten we dus ook de computationele variant van het materialisme verstaan, waarbij materie primair begrepen wordt in termen van haar computationele werking die – in ieder geval in het menselijke brein – tot bewustzijn zou leiden. We hebben gezien dat het moeilijke probleem van het bewustzijn ook een dergelijke computationele benadering van bewustzijn ondergraaft. Optie 1 valt dus weg, tenzij we Dennett willen volgen in zijn extreme claim dat het bestaan van fenomenaal bewustzijn een illusie is. Maar dat is gezien de Cartesiaanse zelfevidentie van het bewustzijn een absurditeit van de hoogste orde, een materialistische wanhoopsdaad om het moeilijke probleem van het bewustzijn te omzeilen. Dan blijven echter slechts opties 2, 3 en 4 over om de verhouding tussen materie en bewustzijn te begrijpen. Van deze opties zijn echter zoals gezegd het dualisme (optie 3) en het neutraal monisme (optie 4) intrinsiek onaantrekkelijk. Op het eerste gezicht lijkt het moeilijke probleem van het bewustzijn wel het dualisme te ondersteunen, voorzover bewustzijn als iets extra’s verschijnt naast de materiële realiteit van het brein, hetgeen twee gescheiden “substanties” suggereert. Bij nader inzien is dat echter geen bevredigende oplossing, aangezien het dualisme een mysterie maakt van lichaam-geest-interactie. Ook het neutraal monisme lijkt geen adequaat alternatief te zijn. Het neutraal monisme in zijn Spinozistische vorm blijft speculatief in zijn opvatting van de derde soort entiteit die aan zowel materie als bewustzijn ten grondslag zou liggen. En in zijn moderne vorm – waar de neutrale entiteiten gezien worden als “pure ervaringen” (James) die voorafgaan aan de scheiding tussen innerlijk en uiterlijk – lijkt het neutraal monisme zelfs het idealisme te ondersteunen. Zo wordt met name het zogenoemde Russelliaans monisme tegenwoordig begrepen als een vorm van panpsychisme, wat we kunnen opvatten als een vorm van idealisme (zie Sprigge 1983: hfst. 3). De enige optie die dan overblijft, kortom, is de idealistische mogelijkheid, waarbij we materie in termen van bewustzijn begrijpen. Zo lijkt het moeilijke probleem van het bewustzijn – weliswaar ex negativo – de juistheid van het idealisme aan te tonen (vgl. Hutto 2000; D’Oro 2005). Als bewustzijn niet vanuit materie verklaard kan worden (vanwege het moeilijke probleem van het bewustzijn) en als bewustzijn en materie niet als twee onafhankelijke substanties of als effecten van een neutrale entiteit begrepen kunnen worden (vanwege de genoemde argumenten tegen dualisme en neutraal monisme), dan moet het bewustzijn wel primair en de materie secundair zijn. Eliminatie van de ontoereikende opties laat als enige mogelijkheid het idealisme over: bewustzijn verklaart materie. In die zin wordt in de traditie van het idealisme vrij algemeen gesteld dat materie slechts een “fenomeen” (c.q. ervaring en/of conceptuele constructie) in het bewustzijn is en daarbuiten geen bestaan heeft. Hoe dit ‘materie-fenomeen’ precies in het bewustzijn ontstaat, is echter een open vraag waarover binnen de idealistische traditie verschillend wordt gedacht, soms zeer verschillend. Kortom, hoe we materie precies vanuit het bewustzijn moeten begrijpen, blijft vooralsnog onduidelijk. In een eerdere post op deze blog heb ik geprobeerd deze vraag te beantwoorden op basis van de computationele structuur van absoluut zelfbewustzijn. In volgende posts zal ik ingaan op ontwikkelingen in de natuurkunde die het idealisme ondersteunen, namelijk de kwantummechanica en de opkomst van de digitale natuurkunde.


Literatuur
- Chalmers, David (1996), The Conscious Mind: In Search of a Fundamental Theory. New York and Oxford: Oxford University Press.
- D’Oro, Giuseppina (2005), “Idealism and the philosophy of mind,” in: Inquiry 48 (5): 395-412.
- Hutto, Daniel D. (2000), Beyond Physicalism. Amsterdam: John Benjamins Publishing Company. - Nagel, Thomas (1974), What is it like to be a bat?,” in: Philosophical Review 4:435-450.
- Sprigge, Timothy L.S. (1983), The Vindication of Absolute Idealism. Edinburgh: Edinburgh University Press.



Van extractie naar wederkerigheid: Tijd voor een ecologisch wereldbeeld

Verschenen in: Joop, 21-06-2022.

Binnen de ecologische beweging bestaat er een brede overeenstemming dat we de ecologische crisis alleen kunnen oplossen als we, zoals de Amerikaanse activiste en schrijfster Naomi Klein zegt, “een alternatief wereldbeeld” ontwikkelen “dat het kan opnemen tegen het wereldbeeld waardoor de ecologische crisis is veroorzaakt”. We hebben een ecologisch wereldbeeld nodig waarin de mensheid niet buiten of boven de natuur staat maar een integraal onderdeel vormt van het aardse ecosysteem en zijn ecologisch equilibrium. “Wederkerigheid” blijkt daarbij het sleutelwoord.


Dualisme, mechanicisme en extractivisme

Een economie staat nooit op zichzelf maar berust altijd op een culturele voedingsbodem. Zo kan het kapitalisme niet los worden gezien van het christelijk-westerse wereldbeeld, waarin de mens – en sinds de Verlichting: de rationele mens – heerst over de natuur. In de Bijbel wordt deze heerschappij over de natuur nog door God aan de mens gegeven: “En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde…” (Genesis 1:26) 


Sinds de Verlichting echter heeft de mens God niet meer nodig om over de natuur te heersen: dat kan hij sindsdien helemaal zelf, door zijn eigen vrije wil en rationaliteit. Was de mens in de joods-christelijke traditie slechts een beeld van God, in de Europese verlichting wordt de mens nagenoeg zelf een god, een heerser over de natuur dankzij wetenschap en technologie. God “sterft” (aldus Nietzsche) maar komt als ware tegelijk tot leven in zijn evenbeeld: de almachtige mens, die nu door middel van zijn superieure intellect de natuur aan zich onderwerpt. Zo ontstond het moderne westerse wereldbeeld, waarin dualisme en mechanicisme centraal staan: de mens staat tegenover de natuur (dualisme) die als een machine in losse onderdelen uit elkaar gehaald en beheerst kan worden (mechanicisme). 


We zien dit dualisme en mechanicisme – en de wrede gevolgen daarvan – duidelijk bij de vroegmoderne filosoof René Descartes. Hij voorzag het moderne wereldbeeld van een kennistheoretisch fundament met zijn ontdekking van het “Ik denk (dus ik ben)” en zijn dualistische interpretatie daarvan als denkende substantie” tegenover de uitgebreide substantie” van de natuur. Het Cartesiaanse dualisme legitimeerde de moderne exploitatie van de natuur die als uitgebreide substantie” louter mechanisch en zielloos is. Zo beloofde Descartes ons tot godgelijke meesters en bezitters van de natuur” te maken. En zo konden Descartes en zijn volgelingen wrede vivisecties op honden uitvoeren, waarbij ze het erbarmelijke gehuil van de gemartelde dieren wegverklaarden als mechanische automatismen: de honden waren toch niets meer dan zielloze machines die geen echte pijn konden voelen…


Dit is het wereldbeeld dat ons van de natuur heeft vervreemd en deze tot gebruiksmiddel heeft gereduceerd, met de huidige ecologische crisis tot gevolg. Hierin wortelt het kapitalistische “extractivisme” dat Naomi Klein als volgt omschrijft: “Extractivisme is een niet-wederkerige, op overheersing gerichte relatie met de aarde, een relatie van alleen maar nemen… Het is het reduceren van leven tot gebruiksobject zonder eigen integriteit of waarde… Het is ook het reduceren van menselijke wezens tot arbeidskracht die hardhandig wordt uitgeperst en opgejaagd…”


Extractivisme kenmerkt dus niet alleen onze relatie tot de natuur maar ook onze relatie tot elkaar: niet alleen de natuur wordt tot gebruiksvoorwerp gereduceerd, we onderwerpen ook elkaar – ja, onszelf – aan deze instrumentaliserende reductie. De eco-anarchist Murray Bookchin verwoordde dit inzicht al in 1982 met zijn gevleugelde uitspraak dat “het hele idee dat de mens heerst over de natuur onlosmakelijk samenhangt met de overheersing van de ene mens door de andere mens” – een besef dat sindsdien binnen de ecologische beweging breder is doorgedrongen. 


Zo leverde het westerse dualisme van mens en natuur de ideologische rechtvaardiging voor het kolonialisme, voor zover de gekleurde bevolkingen van de gekoloniseerde gebieden als ongeciviliseerde “natuurvolkeren” konden worden weggezet. De gekoloniseerden en tot-slaaf-gemaakten werden gereduceerd tot de ‘natuur’ waar de rationele Europeaan over moest heersen (vgl. de “white man’s burden” van Rudyard Kipling). Ook de vrouw, wiens spreekwoordelijke ‘lichamelijkheid’ en ‘irrationele gevoeligheid’ haar tot onderdeel van de natuur zouden maken, werd zo onderworpen aan dezelfde en in de kern dus patriarchale heerschappij. Het westers dualisme ligt zo ten grondslag aan de antropocentrische, racistische en seksistische ideologieën die de extractieve macht van het kapitalisme in stand houden. 


Paradigmawisseling
Dualisme en mechanicisme zijn de denkgroeven waar we uit moeten willen we de natuur fundamenteel anders gaan zien en behandelen. Maar hoe? Ook daarover bestaat binnen de ecologische beweging een brede consensus, namelijk door naar de natuur zelf te kijken. In plaats van dualisme en mechanicisme zien we daar holisme en interdependentie: niets bestaat los van z’n omgeving, alles bestaat in dynamische interrelaties. Dat geldt primair voor de levende natuur, waar organismen van de meest diverse soorten verbluffend complexe netwerken van wederkerige afhankelijkheidsrelaties vormen. 


Dat is wat ecosystemen wezenlijk zijn: netwerken van organismen die in onderlinge afhankelijkheid zijn geëvolueerd, via competitie (de Darwiniaanse strijd om het bestaan) maar óók via coöperatie. Samenwerkingsverbanden tussen soorten spelen daarbij een veel grotere rol dan tot voor kort werd aangenomen: “Het leven heeft de wereld niet overgenomen door strijd maar door te netwerken”, aldus de biologen Margulis en Sagan.


Overigens zien we deze overgang van dualisme en mechanicisme naar holisme en interdependentie niet slechts in de ecologie maar op nagenoeg álle terreinen van het huidige wereldbeeld. In die zin kunnen we spreken van een heuse paradigmawisseling: van de rol van het internet in het sociale en economische leven tot en met de netwerkstructuur van ecosystemen en zelfs van de kosmos als geheel (bijv. quantum-verstrengeling), en van neurale netwerken in de neurobiologie en artificiële intelligentie tot en met de horizontale en decentrale organisatievormen van nieuwe sociale bewegingen – overal zien we de holistische netwerkstructuur van interdependente eenheden opduiken.


Het egalitarisme van ecosystemen

Wat betekent deze paradigmawisseling voor onze relatie tot de natuur en voor de politiek-economische organisatie van samenlevingen? Duidelijk is dat daar, in beide gevallen, geen plaats is voor kapitalisme. Dit niet alleen vanwege het onnatuurlijke klassenverschil tussen rijk en niet-rijk, maar ook vanwege de kapitalistische noodzaak van constante economische groei. Die ‘noodzaak’ heeft weliswaar ook buiten-kapitalistische redenen, met name om bevolkingsgroei te faciliteren, maar volgt hoofdzakelijk uit de logica van het kapitalisme zelf, waar bedrijfskapitalen moeten groeien om de onderlinge concurrentiestrijd aan te kunnen en waar groei ook nodig is om de klassenheerschappij van de superrijken in stand te houden. 


In een economie gebaseerd op de uitbuiting van de één door de ander is welvaartsgroei noodzakelijk om de uitgebuite klassen een minimum van welvaart te gunnen, om zo maatschappelijke onrust te voorkomen. In die zin zei de econoom Henry Wallich, oud-bestuurder van de Amerikaanse centrale bank, treffend dat “groei een substituut is voor gelijkheid van inkomen”. 


Vanuit ecologisch oogpunt echter is het kapitalistische groei-imperatief totaal onhoudbaar. Economieën worden geacht jaarlijks zo’n drie procent te groeien, maar eindeloze exponentiële groei – met bijbehorende groei in grondstoffenverbruik en afval-uitstoot – is absurd op een eindige planeet. In de natuur komt eindeloze groei dan ook niet voor, behalve in zeer schadelijke vormen – bijvoorbeeld wildgroei van kankercellen of sprinkhanenplagen – waarbij de ondersteunende natuurlijke omgeving al snel uitgeput raakt of waarbij de almaar groeiende populatie vatbaar wordt voor ziektes, parasieten of roofdieren. De netwerkstructuur van ecosystemen is dan ook fundamenteel egalitair, omdat de competitieve en coöperatieve relaties tussen zowel individuele organismen als soorten ervoor zorgen dat geen enkel organisme dominant kan worden en de rest kan overheersen.


Naar een wederkerige samenleving
Tegenover het extractivisme van het westerse wereldbeeld plaatst de ecologische beweging het begrip “wederkerigheid” als leidend principe: ‘Ik geef aan anderen en krijg daar in gelijke mate iets voor terug.’ Wederkerigheid is wat de netwerkstructuur van ecosystemen bijeenhoudt: zonder wederkerigheid geen symbiotische samenwerkingsverbanden. Extractie is eenzijdig nemen, wederkerigheid is nemen én geven. 


Willen wij als mensheid niet het aardse ecosysteem volledig uitputten en kapotmaken, dan zullen we een dergelijke wederkerigheid met de natuur moeten ontwikkelen, waarbij wat we nemen van de natuur (bijv. door ontbossing, grondstoffen-extractie of natuurvernietiging door milieuvervuiling) direct of indirect en in evenredige mate aan de natuur teruggegeven wordt (bijv. door bomen te planten of de natuur tijd en ruimte te geven om zich te herstellen). Alleen door deze wederkerigheid kunnen we in een ecologisch equilibrium met de natuur samenleven.


Binnen de ecologische beweging gaat het echter niet slechts om herstel van onze relatie met de natuur maar ook om herstel van onze relaties met elkaar: het einde van de natuuroverheersing moet ook het einde van de sociale overheersing betekenen. Daarbij moeten we echter wel waken voor een simplistische naturalistic fallacy, waarbij we uit de egalitaire aard van ecosystemen de gemakzuchtige conclusie trekken dat een ecologische samenleving “dus ook” egalitair moet zijn. Dan redeneren we te veel vanuit de natuur en ontkennen we de evolutionaire eigenheid van de menselijke soort als cultuurwezen. De mens is immers niet slechts nature maar ook nurture. Wij geven zelf vorm aan onze samenlevingen op basis van historisch gegroeide culturele tradities. 


Anderzijds moeten we het onderscheid van nature en nurture ook relativeren. Als harde tegenstelling geformuleerd is dit een symptoom van het westerse dualisme van mens en natuur – precies het dualisme dat we middels holisme en interdependentie willen overwinnen. We moeten nurture niet zien als het tegendeel van nature maar juist als een evolutionaire manifestatie van de natuur zelf – nurture ís onze nature. De natuur zélf heeft ons als cultuurwezens voortgebracht.


Precies daarom is wederkerigheid een intrinsiek onderdeel van onze biologische constitutie. De mens is geëvolueerd als de “dialogische soort”: talige communicatie en de daardoor mogelijk gemaakte complexe samenwerkingsverbanden vormen de sleutel tot ons evolutionaire succes. “De mens is van nature een sociaal dier” zei Aristoteles al. En de latere evolutionaire antropologie heeft hem daarin gelijk gegeven: talige communicatie en coöperatie zijn bij ons genetisch ingebakken. Maar taal en samenwerking kunnen niet zonder wederkerigheid – de wederkerigheid van aanspreken en aangesproken worden, maar ook van dienst en wederdienst.


Deze communicatieve en coöperatieve wederkerigheid vormt de antropologische grondslag die aan de diversiteit van menselijke culturen ten grondslag ligt, zoals diverse antropologen hebben laten zien. Een ecologische samenleving, waarin de natuur van de mens alle ruimte krijgt, is dan ook een samenleving waar sociale relaties zoveel als mogelijk wederkerig zijn – en dat wil zeggen egalitair, omdat machtsverschillen de neiging hebben deze wederkerigheid te verstoren en tot extractivisme te leiden. Immers, als ik macht heb over jou, dan kan ik meer van jou eisen dan dat ik teruggeef. Daarom concludeert bijvoorbeeld de filosoof Habermas dat de wederkerigheid van communicatie “machtsvrijheid” vereist. 


Tot slot: naar een klassenloze markteconomie

Wederkerigheid staat op gespannen voet met de ongelijkheid tussen rijk en niet-rijk in het huidige kapitalisme. Daarom is een ecologische samenleving ook een post-kapitalistische samenleving. Al betekent dit niet automatisch het einde van de markteconomie – integendeel. De markt, als toneel van interdependentie, concurrentie en samenwerking (binnen bedrijven), past op zich goed bij de evolutionaire achtergrond van de mens, waar immers ook Darwiniaanse competitie en coöperatie hand in hand gaan. Het probleem is alleen dat de marktwerking hapert in het kapitalisme door een fundamenteel gebrek aan wederkerigheid.


Marktwerking vereist, zoals economen zeggen, een gelijk speelveld: om met elkaar te kunnen concurreren moeten marktspelers dezelfde kansen hebben. Maar als er iets op gespannen voet staat met gelijke speelvelden dan is dat het kapitalisme met zijn inherente tendens tot eindeloze kapitaalaccumulatie in de handen van enkelen. Hierdoor leidt gedereguleerd kapitalisme tot steeds grotere ongelijkheden tussen rijk en niet-rijk, tot steeds grotere multinationals en daarmee ook tot kartel- en monopolievorming – allemaal ontwikkelingen die de vrije markt ondermijnen. 


Kortom, juist om echt vrije marktwerking mogelijk te maken moeten we voorbij het kapitalisme gaan. Vanuit ecologisch perspectief ligt de oplossing hier in het wederkerig maken van de ruilverhoudingen, die door de enorme machtsverschillen binnen het kapitalisme te vaak ongelijk en dus extractief zijn, bijvoorbeeld tussen kapitaalbezitter en werknemer en tussen rijke landen/ multinationals en arme landen. Maken we die ruilverhoudingen écht wederkerig, dan vindt er geen extractie meer plaats en dus geen verrijking van de één ten koste van de ander. Zo opent de ecologie het perspectief op een duurzame en klassenloze markteconomie, gekenmerkt door wederkerigheid met de natuur en tussen mensen onderling.


Een uitgebreidere versie van dit essay verscheen eerder bij NieuwWij.