Showing posts with label klassenstrijd. Show all posts
Showing posts with label klassenstrijd. Show all posts

Marcuse en de ambiguïteit van het neoliberalisme


Helaas heeft Marcuse de politiek-economische betekenis van de neoliberale wending nooit kunnen analyseren: hij overleed in 1979, het jaar waarin Thatcher – de iron lady van het neoliberalisme – premier werd, dus net te vroeg om de neoliberale wending mee te maken. Het is een interessante en niet zo gemakkelijk te beantwoorden vraag hoe Marcuse over het neoliberalisme geoordeeld zou hebben. Zou hij de terugkeer van klassenstrijd in de neoliberale wending geduid hebben als de bijl aan de wortel van de eendimensionale maatschappij? Of zou hij het neoliberalisme juist gezien hebben als ultieme consequentie en bevestiging van de eendimensionale maatschappij? Dat laatste ligt voor hand voorzover het neoliberalisme gepresenteerd werd als het definitieve einde van klassenstrijd en van het socialistische alternatief. Met Thatchers beruchte TINA-uitspraak uit 1980 – “There is no alternative”, dé mantra van het neoliberalisme – werd immers de eendimensionaliteit van het heersende bewustzijn min of meer tot officieel beleid uitgeroepen.


Van Keynesiaanse naar neoliberale consensus
Voor Marcuse was het klassencompromis van de Keynesiaanse verzorgingsstaat de economische basis van de eendimensionale maatschappij. Het was deze “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid binnen de sterke staat” waardoor kapitalisten, werknemers en bestuurders een gedeeld belang hadden bij het bevorderen van de status quo van de welvaartsmaatschappij (Marcuse 2023: 26). In zekere zin culmineerde deze verstandhouding in het neoliberalisme, zeker na de ineenstorting van het Sovjet-communisme rond 1990 toen de ideologische fundamenten van socialistisch links definitief leken weg te vallen.


Het brede gevoelen in het Westen was dat het politiek-economisch systeem van liberale democratie en kapitalisme de strijd der ideologieën had gewonnen en met de globalisering een post-historisch ‘Duizendjarig Rijk’ van vrede, vrijheid en welvaart voor iedereen zou brengen. Fukuyama sprak in die zin triomfantelijk van het “Einde van de Geschiedenis”. Tekenend voor de neoliberale consensus was dat ook (gematigd) links meeging in dit “post-ideologische” narratief, met name de Amerikaanse Democraten onder Clinton en het Britse Labour onder Blair. De sociaal-democratie “schudde de ideologische veren af”, zoals PvdA-leider Wim Kok destijds zei, en omarmde het neoliberale kapitalisme als the only game in town. Daarmee leek de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal voorbij: wat goed was voor het kapitaal, was ook goed voor de werkende klasse. En in de jaren ‘90 leek dat aanvankelijk ook zo. Het exuberante consumentisme van de roaring nineties – toen de neoliberale bomen tot de hemel leken te groeien (zie Stiglitz 2003) – was de ultieme bevestiging van Marcuse’s angst dat “welvaartsbeneveling” elk kritisch bewustzijn kan verdoven (Marcuse 2022: 17). 


Maar na het feestje kwam de kater. Zoals bekend impliceerde de neoliberale wending in menig opzicht een terugkeer van klassenstrijd, in die zin dat de relatieve machtspositie van de werkende klasse drastisch verslechterde ten faveure van het kapitaal (wat we bijvoorbeeld terugzien in de al decennia dalende arbeidsinkomensquote, dwz. het aandeel van de werkende klasse in het BBP; zie Kuin & Linssen 2025: 25-27). Daarmee zijn ook klassieke vormen van kapitalistische arbeidsexploitatie in het Westen teruggekeerd (zie Standing 2011). Het neoliberale narratief van het “einde van de klassenstrijd” vanwege het “gedeeld belang” van arbeid en kapitaal bleek de perfecte ideologische smoes waaronder kapitalistische elites hun eigen klassenstrijd konden voeren, tegen de collectieve belangen van de werkende klasse, die daardoor in toenemende mate met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Zoals miljardair Warren Buffett in 2006 openlijk bekende: “Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” (Buffett in Stein 2006)


Deze verslechterende sociaal-economische positie van de werkende klasse heeft – zeker vanaf de bankencrisis van 2008 – geleid tot groeiende onvrede en politieke polarisatie in westerse maatschappijen. Voorzover echter de neoliberale wending ook bij de werkende klasse tot een hernieuwd klasse-bewustzijn heeft geleid, blijft dit bewustzijn vooralsnog beperkt tot linkse minderheden, zoals de vakbonden, de socialistische en sociaal-democratische partijen (voorzover zijn inmiddels van hun flirt met het neoliberalisme bekomen zijn), en de ecologische, feministische en antiracistische actiegroepen (voorzover zij niet door een eenzijdige focus op identiteitspolitiek van klassenpolitiek afgehouden worden). De meerderheid van de werkende klasse lijkt echter vooralsnog trouw te blijven aan het heersende systeem, verleid door de rechtspopulistische of zelfs fascistische strategie om de groeiende crises en contradicties binnen het systeem af te wentelen op zondebokken zoals migranten en de ‘linkse elite’. Maar deze opkomst van radicaal-rechts getuigt op haar manier ook van de groeiende dissensus in westerse maatschappijen ten gevolge van de neoliberale wending (zie Virdee 2024). 


Al met al kunnen we concluderen dat de latente klassenstrijd, die altijd onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij is blijven smeulen (zie onder), door de neoliberale wending aan de oppervlakte is gekomen. Klassenstrijd is daarmee opnieuw een centrale bron van kritische tweedimensionaliteit geworden, zodanig dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij nu in groeiende polarisatie ten onder gaat. In die zin kunnen we inderdaad spreken van de neoliberale terugkeer van de tweedimensionale mens


Naast en in samenhang met de neoliberale wending moeten we daarbij ook wijzen op de ontwrichtende gevolgen van de escalerende klimaatcrisis als gevolg van de kapitalistische verslaving aan fossiel aangedreven economische groei. Ook deze ontwrichtende gevolgen jagen de publieke onvrede en daarmee de desintegratie van de eendimensionale maatschappij aan. Uiteraard kunnen we dit niet los zien van de neoliberale wending, omdat de escalatie van de klimaatcrisis tijdens de afgelopen decennia nauw samenhangt met de ongeëvenaarde groeispurt van de wereldeconomie door de neoliberale globalisering (de Great Acceleration), alsook door het neoliberale “marktfundamentalisme” waardoor milieu-overwegingen naar de achtergrond zijn gedrongen.


Ook hierbij kunnen we spreken van een neoliberale intensivering van klassenstrijd, in die zin dat de oorzaken en gevolgen van de klimaatcrisis grotendeels langs klasse-lijnen zijn verdeeld: waar de rijken het meeste profiteren van de economische groei en zodoende bovengemiddeld bijdragen aan de klimaatcrisis, daar zullen de ontwrichtende ecologische gevolgen – zoals ondraaglijke hittegolven, voedsel- en drinkwater-tekorten, overstromingen door flash floods, een stijgende zeespiegel etc. – vooral bij de niet-rijken terecht komen, en dan vooral bij de allerarmsten in het Mondiale Zuiden. Ook de klimaat-problematiek is doortrokken van klassenstrijd – zoals de vermoordde Mexicaanse socialist en milieu-activist Chico Mendes zei: “Ecologie zonder klassenstrijd is niets meer dan tuinieren.”


Neoliberale zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij

De ambivalentie van de neoliberale wending in het licht van Marcuse’s Kritische Theorie wordt nu duidelijk. Enerzijds was de neoliberale wending een voortzetting van de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij; de door Marcuse (2023: 26) kritisch gesignaleerde “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid” culmineerde in de neoliberale consensus dat kapitaal en arbeid hetzelfde belang hebben bij gedereguleerd kapitalisme. Tegelijk echter leidde de neoliberale wending tot een drastische verslechtering van de machtspositie van de werkende klasse tegenover het kapitaal en daarmee tot een heropleving van klassenstrijd en politieke polarisatie. In die zin kunnen we stellen dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij via de neoliberale wending haar hand heeft overspeeld en zichzelf heeft ondermijnd.


Opmerkelijk genoeg heeft Marcuse zelf de mogelijkheid van deze zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij al voorzien, althans tot op zekere hoogte. In het Politiek voorwoord bij de tweede editie van Eros en cultuur uit 1966 (twee jaar na publicatie van De eendimensionale mens) wijst hij op de mogelijkheid dat de eendimensionale maatschappij – hoewel schijnbaar onaantastbaar – aan haar eigen succes ten onder zou kunnen gaan. Dit is een opmerkelijke passage die haaks staat op Marcuse’s gewoonlijke pessimisme ten aanzien van de eendimensionale maatschappij, die intern zo sterk georganiseerd zou zijn dat radicale verandering alleen van buitenaf zou kunnen komen, zoals in de vorm van oppositionele randgroepen (zie Marcuse 2023: 81). Hier echter oppert Marcuse de mogelijkheid dat het juist de eendimensionaliteit zelf is die deze maatschappijvorm van binnenuit aan het wankelen kan brengen:   


“Wie zich bevrijdt van illusies over de toekomst, beseft dat in de moderne welvaartsmaatschappij het volk, althans de meerderheid van het volk, aan de kant staat van wat is, niet aan de kant van wat mogelijk kan zijn, of zou moeten zijn. [...] Toch is de situatie niet uitzichtloos. Wie zich bevrijdt van moedeloosheid over de toekomst, beseft dat misschien juist de kracht en efficiëntie van de bestaande orde de oorzaken zullen worden van de desintegratie ervan.” (Marcuse 2022: 27)


Marcuse wijst hier op de inherente contradicties van het kapitalisme, die door de sluier van de eendimensionaliteit weliswaar verdekt worden, maar daardoor ook ongemerkt kunnen voortwoekeren en zodoende het systeem van binnenuit kunnen destabiliseren. Hij wijst in dit verband onder andere op het desintegrerende effect van de “steeds toenemende verspilling van natuurlijke hulpbronnen” (ibidem), waarmee Marcuse tot op zekere hoogte anticipeerde op de escalerende milieuproblematiek en bredere ecologische crisis als aanjagers van maatschappelijke dissensus. Hoewel de klimaatcrisis soms geïnterpreteerd wordt als een externe bedreiging voor het systeem (in de vorm van toenemende ‘natuurrampen’) is het in feite een bedreiging die het systeem van binnenuit genereert (door uitstoot van broeikasgassen). 


In zekere zin kunnen we de neoliberale wending ook zo interpreteren: als een endogene desintegratie van de eendimensionale maatschappij. Ook al heeft Marcuse zelf deze mogelijkheid niet expliciet opgemerkt, hij bleef de eendimensionale maatschappij zien als een klassenmaatschappij waar de klassentegenstelling van arbeid en kapitaal verdekt bleef voortwoekeren. Ondanks het Keynesiaanse klassencompromis werd in zijn ogen óók de eendimensionale maatschappij nog steeds gedomineerd door de economische belangen van kapitalistische elites. De maatschappij was slechts eendimensionaal in die zin dat het klasse-karakter ervan effectief verborgen bleef onder een ideologische sluier van massa-consumentisme, massamedia-propaganda, repressieve tolerantie en het ‘gedeelde belang’ van arbeid en kapitaal bij economische stabiliteit en welvaartsgroei:

“Ongetwijfeld blijft zelfs de meest geavanceerde kapitalistische verzorgingsstaat een klassenmaatschappij en daarmee een staat van conflicterende klasse-belangen. Maar zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) 


Klassenstrijd bleef smeulen onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij. Zodoende kon de kapitalistische klasse-overheersing in de neoliberale wending – onder de eendimensionale sluier van de neoliberale consensus – in alle hevigheid opnieuw de kop op steken, met alle disruptieve gevolgen vandien. In die zin kunnen we stellen dat met de neoliberale wending (én de klimaatcrisis) de eendimensionale maatschappij haar eigen desintegratie bewerkstelligt. 


Hoewel Marcuse deze mogelijkheid – de disruptieve wederopleving van klassenstrijd binnen de eendimensionale maatschappij – niet expliciet heeft opgemerkt, valt het desintegrerende effect ervan vanuit zijn kritische theorie goed te begrijpen. Voor hem was de stabiliserende werking van de eendimensionale maatschappij immers onlosmakelijk verbonden met het Keynesiaanse aspect ervan, de nivellering van welvaart door de verzorgingsstaat. Afbraak van de verzorgingsstaat zou daarom onherroepelijk ook afbraak van de eendimensionale maatschappij betekenen: “de vooruitzichten van een beheersing van de verandering, geboden door de politiek van de technologische rationaliteit, hangen af van de vooruitzichten van de verzorgingsstaat.” (Marcuse 2023: 80) 


De nivellering van de welvaart hield de disruptieve dialectiek van klassenstrijd in toom, maar dat vereist een sterke staat die actief de kapitalistische economie beheerst: “zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) Desintegratie van de staatsmacht is echter precies waar het neoliberalisme op neerkwam: de verzorgingsstaat werd een zich terugtrekkende “nachtwakersstaat”, die steeds meer publieke taken (zoals volkshuisvesting) privatiseerde en overliet aan een steeds vrijere markt waarin het grootkapitaal domineert. Niet voor niets is de neoliberale staat steeds minder capabel om grote maatschappelijke problemen (zoals de wooncrisis) op te lossen, wat het publieke vertrouwen in de overheid verder ondermijnt.

De nivellerende verzorgingsstaat hield de machtsbalans tussen kapitaal en arbeid in evenwicht. Maar door de neoliberale wending is de machtsbalans ten faveure van het kapitaal doorgeslagen, met als gevolg dat de werkende klasse toenemend met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de vooruitgangsbelofte waar de eendimensionale maatschappij op gebaseerd was: “De hoogste belofte is een steeds comfortabeler leven voor een steeds groter aantal mensen die zich strikt genomen geen kwalitatief andere wereld van spreken en handelen kunnen voorstellen [...].” (Marcuse 2023: 56) Dat hun kinderen het nóg beter krijgen dan zijzelf is echter voor de overgrote meerderheid in het Westen allang geen vanzelfsprekendheid meer. En het is niet alleen de groeiende precariteit die deze belofte nu steeds ongeloofwaardiger maakt, ook de escalerende klimaatcrisis – die voor komende generaties het leven steeds problematischer zal maken – draagt bij aan deze algehele desillusie. 


Het gevolg is dat een toenemend aantal mensen zich nu wél een “kwalitatief andere wereld van spreken en handelen” kan voorstellen, dwz. er is een groeiend tweedimensionaal bewustzijn, waardoor de consensus van de eendimensionale maatschappij wordt opgeblazen. Zoals Marcuse zei: “De ontwikkeling van radicaal politiek bewustzijn onder de massa’s is slechts denkbaar wanneer de economische stabiliteit en de sociale cohesie van het systeem beginnen te verzwakken.” (Marcuse 1972: 59) Het cruciale punt is dat deze verzwakking door de neoliberale wending in gang is gezet.


Gebruikte literatuur

– Kuin, Ruud & Linssen, Bart (2025), Klassenstrijd 2025: Een uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP. Download: https://www.sp.nl/nieuws/wetenschappelijk-bureau-sp-presenteert-klassenstrijd-2025
– Marcuse, Herbert (1972), An Essay on Liberation. Harmondsworth: Penguin Books.
– Marcuse, Herbert (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, Herbert (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.

– Standing, Guy (2011), The Precariat: The New Dangerous Class. London: Bloomsbury.
– Stein, Ben (2006), “In Class Warfare, Guess Which Class is Winning”, in: The New York Times, november 26 2006. Zie: https://www.nytimes.com/2006/11/26/business/yourmoney/26every.html 

– Stiglitz, Joseph E. (2003), The Roaring Nineties. New York / London: W.W. Norton & Company.

– Virdee, Satnam (2024), “Living in the slipstream of defeat: neoliberalism and the far-right”, in: International Politics, 20 August 2024, Volume 62, pp. 487-494. 




Klassenstrijd, fascisme en zondebokpolitiek in de Kritische Theorie

 

De neoliberale intensivering van de klassenstrijd vertaalt zich vooralsnog niet naar hernieuwd klassenbewustzijn bij de werkende klasse, ondanks het feit dat deze klasse – door de verslechterde positie tegenover het kapitaal – geconfronteerd wordt met toenemende precariteit. Daardoor nemen wel de algehele onvrede, het wantrouwen in de politiek en de polarisatie toe, en in die zin is er – in Marcuse’s terminologie – groeiend “tweedimensionaal” bewustzijn, maar dit gaat nog niet zo ver dat het kapitalistisch systeem als zodanig in twijfel getrokken wordt.


Afgezien van radicaliserende linkse minderheden, blijft de meerderheid van de werkende klasse zich eendimensionaal met de bestaande economische orde vereenzelvigen. In die zin kunnen we spreken van gefnuikt tweedimensionaal klassenbewustzijn – iets dat met name duidelijk wordt in de populariteit van het complotdenken, waarin enerzijds de bestaande orde kritisch wordt ‘ontmaskerd’, maar anderzijds deze kritische impuls meteen geneutraliseerd wordt door het aanwijzen van imaginaire schuldigen, van een vermeende links-satanistisch-pedofiele deep state tot en met buitenaardse reptilians die een menselijke gedaante aan zouden kunnen nemen en dan verrassend vaak als rijke invloedrijke Joden verschijnen; de Rothschilds zouden hun aanvoerders zijn, aldus complotdenker David Icke.


Daarmee wijst het complotdenken op de bredere strategie van zondebokpolitiek die het rechtspopulisme en neofascisme inzetten om het groeiende tweedimensionale bewustzijn te neutraliseren, om de bestaande machtsverhoudingen in stand te houden of zelfs te versterken (niet voor niets zijn de populaire complottheorieën standaard van radicaal-rechtse signatuur). De groeiende onvrede onder de werkende klasse wordt expliciet erkend en benoemd, maar afgewenteld op zondebokken als migranten, moslims en de linkse elite met haar “woke-” en “trans-ideologie” – waardoor de neoliberale wending als achterliggende oorzaak van de verslechterende positie van de werkende klasse buiten zicht blijft. De neofascistische zondebokpolitiek kanaliseert de groeiende onvrede zodanig dat de kapitalistische machtsverhoudingen buiten schot blijven.    


Fascisme en antisemitisme volgens de Kritische Theorie
Om dit proces te begrijpen blijft de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule met haar analyses van het fascisme en antisemitisme uiterst actueel. De Kritische Theorie ontstond uit het falen van het klassieke marxisme, toen in de jaren ‘20 en ‘30 de westerse arbeidersklasse niet revolutionair werd maar juist onder invloed kwam van burgerlijke en fascistische ideologieën. De verklaringen die de Frankfurters daarvoor gaven, kunnen nu nagenoeg naadloos toegepast worden op de opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme (net zoals Marcuse’s theorie van surplus-repressie naadloos past op de huidige opkomst van een conservatievere seksuele moraal; zie hier). Zoals wij nu de opkomst van radicaal-rechts moeten zien in het licht van de neoliberale wending en de daaruit volgende verslechterende positie van de werkende klasse, zo was destijds voor de Frankfurters duidelijk dat het fascisme begrepen moest worden vanuit de crisis van het laissez-faire kapitalisme, dat na de roaring twenties ontspoorde in de Great Depression van de jaren ‘30 (een situatie die in het verslagen Duitsland nog verergerd werd door de astronomische herstelbetalingen aan de geallieerden). 


“Wie niet over het kapitalisme wil spreken, zou ook over het fascisme moeten zwijgen”, aldus Horkheimer (1939: 115), waarmee hij doelde op de maatschappelijke functie van het fascisme als neutralisatie van de volkswoede die door de crisis van het kapitalisme was ontstaan. Het fascisme zorgde ervoor, aldus Horkheimer, dat die volkswoede zich niet tegen het kapitalisme keerde (wat met de opmars van het Bolsjewisme een reëel gevaar was), maar zodanig werd gekanaliseerd dat de kapitalistische machtsverhoudingen buiten schot bleven. Niet voor niets kozen de Duitse industriëlen grotendeels de kant van Hitler (net zoals we recent de Amerikaanse Tech-sector zich achter Trump hebben zien scharen). Cruciaal daarvoor was de zondebokpolitiek van het antisemitisme, waarmee de maatschappelijke onvrede op de Joden kon worden afgewenteld. Met name Horkheimer en Adorno hebben in het antisemitisme-hoofdstuk van hun Dialectiek van de Verlichting deze maatschappelijke functie van de Jodenhaat geanalyseerd. 


Het geweld tegen de Joden kanaliseerde de volkswoede die door de crisis van het kapitalisme was ontstaan: “De Joden vormen vandaag de dag de groepering die zowel praktisch als theoretisch de vernietigingswil aantrekt, die door de verkeerde maatschappelijke orde wordt geproduceerd.” (Horkheimer & Adorno 2022: 183) Door hun traditionele discriminatie in christelijk Europa en uitsluiting van het gildesysteem, waren de Joden economisch veroordeeld tot tussenhandel en geldhandel: “De handel was niet zijn beroep, maar zijn noodlot.” (idem: 190) Dat maakte ‘de Jood’ tot een voor de hand liggend doelwit van de volkswoede. Voorzover mensen aanvoelden dat hun malaise te wijten viel aan het kapitalisme, kon men de schuld leggen bij ‘de Joodse geldwoekeraar’ – waardoor de eigenlijke bron van uitbuiting, de ongelijke machtsverhouding tussen arbeider en kapitalist in het productieproces, buiten zicht bleef:


“Op basis van zijn bezit aan machines en materiaal dwong hij [de kapitalist] af dat de anderen produceerden. Hij noemde zich de producent, maar wist net als ieder ander heimelijk hoe de vork in de steel zat. De productieve arbeid van de kapitalist was [...] de ideologie die de essentie van het arbeidscontract en de schraapzucht van het economisch systeem in het algemeen toedekte. / Daarom schreeuwt men: ‘Houdt de dief’, en wijst de Jood aan. Hij is inderdaad de zondebok [...] in de omvattende zin dat hem het economisch onrecht van de hele klasse ten laste wordt gelegd.” (Idem: 188-189)


Zo fungeerde het antisemitisme als afleiding en afwenteling van de oplaaiende klassenstrijd, die de kapitalistische machtsverhoudingen bedreigde. Iets soortgelijks zien we nu gebeuren, bijvoorbeeld ten aanzien van de wooncrisis die door radicaal-rechts geweten wordt aan de ‘instroom’ van asielzoekers die ‘onze woningen inpikken’, waarmee de neoliberale vermarkting van de volkshuisvesting als achterliggende oorzaak wordt verdoezeld. 


Uiteraard speelt het antisemitisme nu een veel minder belangrijke rol dan destijds, al moet erkend worden dat Jodenhaat nog steeds springlevend is in radicaal-rechtse kringen (alsook in islamistische en sommige extreem-linkse kringen trouwens). Nog steeds geldt dat voorzover het kapitalisme al als probleem wordt gezien, het gaat om een antisemitisch antikapitalisme, waarin joodse kapitalisten als George Soros en de Rothschilds als hoofdschuldigen figureren (met name in complottheorieën als QAnon en de reptilian conspiracy, waarin duidelijke echo’s doorklinken van de nazi-mythe van het zionistisch complot). Ook de ‘joodse marxisten’ van de Frankfurter Schule zijn doelwit geworden van dit radicaal-rechtse antisemitisme, voorzover hun Kritische Theorie aangewezen wordt als oervorm van het “cultuur-marxisme” dat nu als “woke-denken” de Westerse cultuur van binnenuit zou verzwakken (alsof de ontegenzeggelijke verloedering van de cultuur niets te maken heeft met de grenzeloze dynamiek van het kapitalisme). 


Over het algemeen geldt echter dat de zondebokfunctie verschoven is van Joden naar minderheden in het algemeen: asielzoekers, moslims, vrouwen, queer- en trans-mensen, “woke-links” etc. Horkheimer en Adorno wezen al op deze fluïditeit van de zondebokfunctie:

“De woede ontlaadt zich op diegene die opvalt en geen bescherming heeft. En zoals de slachtoffers onderling inwisselbaar zijn naargelang de constellatie: vagebonden, Joden, protestanten, katholieken, kan elk van die slachtoffers ook de plaats van moordenaars innemen, met dezelfde blinde lust tot doodslaan, zodra het zich norm voelt en dus machtig.” (Idem: 186)


De sadomasochistische persoonlijkheid

Waar het om gaat is dat slachtoffers zichtbaar afwijken van de maatschappelijke norm en relatief zwak en onbeschermd zijn; dat maakt hen tot geschikte zondebokken en doelwitten van de volkswoede. Hierbij speelt voor de Kritische Theorie de psychoanalytische theorie van het sadomasochisme als verklaring van de “autoritaire persoonlijkheid” een belangrijke rol. 


Zoals Fromm (1994) uitlegt, wordt de sadomasochistische driftstructuur geactiveerd in tijden van grote maatschappelijke onzekerheid: mensen voelen zich gedwongen veiligheid te zoeken door zich masochistisch te onderwerpen aan de spreekwoordelijke ‘Sterke Man’ die orde op zaken zal stellen, een zelfvernedering die vervolgens sadistisch gecompenseerd wordt door de vernedering van anderen die gelukkig nóg lager op de maatschappelijke ladder staan. In de gewelddadige overheersing van anderen deelt de autoritaire persoonlijkheid ten minste in de ongebreidelde macht van de leider aan wie hij zijn individuele macht en autonomie heeft opgeofferd. Gedreven door existentiële angst en onzekerheid vervalt de sadomasochistische persoonlijkheid in een primitieve verering van brute macht en daarmee ook in een diepe verachting van machteloosheid. De slachtoffers wekken zijn haat op juist omdat ze zwak en machteloos zijn:

“Macht fascineert hem niet vanwege de waarden waarvoor een specifieke macht zou kunnen staan, maar louter omdat het macht is. Net zoals zijn “liefde” automatisch door macht wordt opgewekt, zo wekken machteloze personen of instellingen automatisch zijn minachting op. Alleen al het zien van een machteloos persoon maakt dat hij hem wil aanvallen, domineren, vernederen.” (Fromm 1994: 166-167)


Het is de politieke machteloosheid en/of fysieke zwakte van asielzoekers, vrouwen, quer- en trans-mensen en ‘soft links’ die de walging en woede opwekken van de neofascist, die vol verering opkijkt naar de masculiene kracht en patriarchale macht van een Trump, Poetin, Andrew Tate, etc. 


Tot slot: de conservatieve demonisering van vrije seksualiteit
Het is echter niet alleen door de theorie van het sadomasochisme dat Freuds psychoanalyse deze situatie verheldert, maar ook door zijn bredere theorie van libido-repressie. Omdat (aldus Freud) het repressieve superego ontstaat door internalisering van de maatschappelijke repressie – gemedieerd door de “strenge vader” – , worden (aldus de Frankfurters) maatschappelijke machtsverhoudingen in de psychische structuur gereproduceerd. De vaak opgemerkte parallel tussen Freuds hiërarchisch model van de psyche (es-ego-superego) en de hiërarchie van de klassenmaatschappij (onderklasse-middenklasse-bovenklasse) kon volgens de Frankfurters geen toeval zijn (zie bijvoorbeeld Horkheimer en Adorno 2022: 219). Niet voor niets wordt de onderste, meest uitgebuite klasse binnen de culturele context van een repressieve klassenmaatschappij standaard voorgesteld als seksueel losbandig, pervers en gevaarlijk


Net als het duistere onbewuste, waarin de onderdrukte seksualiteit voortwoekert, wordt ook de meest onderdrukte klasse cultureel voorgesteld als donker, onbewust, onwetend, dom en dierlijk. Van de “gevaarlijke, dierlijke seksualiteit” van de zwarte slaven waar de witte slavenhouders voor waarschuwden, en van de door Malthus betreurde onbeperkte seksualiteit van de arbeidersklasse (met als gevolg een structureel “bevolkingsoverschot” en dus armoede), tot en met Wilders’ demonisering van Arabische mannen als “testosteron-bommen” – steeds fungeert de onderklasse als heersend schrikbeeld van seksuele ‘losbandigheid’ (vrijheid), die door het supero c.q. de heersende klasse onderdrukt moet worden. In het nazisme speelde het stereotype van “geile Joodse bankiers” een vergelijkbare rol (zie Horkheimer & Adorno 2022: 187).


We zien hiermee een tweede functie van het huidige conservatiever worden van de seksuele moraal aan de dag treden: het gaat niet alleen om toenemende maatschappelijke aanpassing in reactie op de toegenomen neoliberale precariteit (zoals we betoogd hebben aan de hand van Marcuse’s theorie van surplus-repressie), maar ook om de demonisering van vrije seksualiteit. Strengere libido-repressie maakt niet alleen strengere maatschappelijke aanpassing mogelijk, maar ook de seksuele demonisering van minderheden waar de misleide volkswoede zich op richt en op uitleeft.

Niet voor niets worden Arabische mannen als “testosteron-bommen” en trans-mensen als seksuele perverselingen gezien, en niet voor niets wordt de vermeende linkse elite een pedofielennetwerk in de schoenen geschoven. Daarmee staat de toegenomen conservatieve libido-repressie namelijk ook in dienst van de neofascistische zondebokpolitiek, waardoor de dreigende klassenstrijd geneutraliseerd wordt.

Gebruikte literatuur
– Fromm, Erich (1994), Escape from Freedom. New York: Henry Holt and Company.
– Horkheimer, Max (1939), “Die Juden und Europa”, in: Zeitschrift für Sozialforschung, Jahrgang VIII 1939, Doppelheft 1/2.

– Horkheimer, Max & Adorno, Theodor W. (2022), Dialectiek van de Verlichting: Filosofische fragmenten. Amsterdam: Boom.






Perfect leesvoer voor de klassenstrijd

Verschenen in: Tribune, winter 2025, pp. 35-40. Boekrecensie: Machtige mythes: Hoe 21 economische sprookjes ons land steeds ongelijker maken (en wat daaraan te doen). Auteurs: Vrijmoeth, Noten, Kram, Koopmans en De Vos. Amsterdam: Uitgeverij Van Gennep.


In dit handzame boekje ontrafelen vijf FNV-onderzoekers de economische mythes die ons land gevangen houden in neoliberaal beleid: mythes over hoe hard we werken, over stijgende prijzen, over ongelijkheid, over ons belastingstelsel en over het bedrijfsleven. Wat schuilt er achter deze sprookjes en wiens belangen worden er gediend? Machtige mythes is een helder geschreven verzameling eye-openers, die niet alleen stof tot nadenken geven maar ook aanzetten tot actie. In deze recensie bekijken we een aantal van deze mythes en laten we zien hoe de onderzoekers van de FNV er vakkundig korte metten mee maken.


Is het vaste contract ‘te vast’?
Werkgevers roepen al heel lang dat het vaste contract ‘te vast’ is. Al die ‘luxe’ werknemersrechten zijn maar lastig voor ondernemers. Zij moeten door globalisering immers concurreren met bedrijven in lagelonenlanden zoals China en India, waar werknemersrechten niet zoveel voorstellen. 

In 1994 pleitte toenmalig werkgeversvoorman Rinnooy Kan dan ook voor meer ‘Darwin in de arbeidsmarkt’: werkenden moesten maar wennen aan de ‘survival of the fittest’ die globalisering met zich mee zou brengen. Als ‘BV Nederland’ niet voor flexibelere contracten zou kiezen, zo waarschuwde Rinnooy Kan, dan zouden we de internationale concurrentie verliezen, ten koste van de werkgelegenheid en welvaart in ons land. De oproep van Rinnooy Kan was dan ook niet aan dovemansoren gericht: de Paarse kabinetten van PvdA, VVD en D66 maakten flink vaart met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Met ingrijpende gevolgen, aldus de FNV-onderzoekers: 

‘Het aandeel vaste contracten onder alle werkenden heeft sinds 2003 een duikvlucht genomen van 73 procent naar nog slechts 56 procent in 2022. Hadden we er ook wat aan? Nee. Inmiddels moeten we concluderen dat deze flexibilisering van de arbeidsmarkt volledig verkeerd heeft uitgepakt. Het leverde namelijk nauwelijks extra banen op, maar maakte wel het bestaan van veel mensen veel moeilijker.’ (p.21-22) 

De onderzoekers van de FNV laten aan de hand van cijfers over de Europese arbeidsmarkt zien dat er geen enkel verband te constateren valt tussen de mate van ontslagbescherming en de werkgelegenheid. De claim van werkgevers en VVD’ers, dat vaste contracten tot minder banen en flexibele contacten juist tot meer banen zouden leiden, klopt dus simpelweg niet. De vraag is dan: wat heeft die flexibilisering precies opgeleverd? En voor wie? Antwoord: vooral extra winst voor werkgevers, die minder kwijt zijn aan ‘dure’ werknemers, en extra onzekerheid en ellende voor werkenden.

Het schrijnende daarbij is dat de flexibilisering vooral terechtkwam bij de 10 procent Nederlanders met de laagste inkomens: ‘In 2003 kon 64 procent van de werkende mannen in deze groep nog rekenen op een vast contract. In 2021 was dit nog maar 18 procent.’ (p.22-23) Juist de mensen die het al moeilijk hadden, werden dus het hardst geraakt door de stress van toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt. Het mag dan ook niet verbazen, zo merken de onderzoekers op, dat juist de mensen met de laagste inkomens het vaakst uitvallen door ziekte.

Geniepige inflatie-sprookjes

Terwijl de werkende klasse in het voorjaar van 2023 gebukt ging onder historisch hoge prijsstijgingen – steeds duurdere boodschappen, hogere energierekeningen en onbetaalbare woningen – waarschuwde Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank, voor een ‘loon-prijsspiraal’. Als de vakbonden hun zin zouden krijgen, en het koopkrachtverlies voor werkenden met hogere lonen gecompenseerd zou worden, dan zou dat volgens Knot leiden tot nóg hogere inflatie. Want tja, werkgevers zouden dan genoodzaakt zijn de hogere loonkosten door te berekenen aan de consumenten.

Werkende mensen moesten dus maar door de zure appel heen bijten en accepteren dat ‘echt iedereen even hard geraakt wordt’ door de inflatie: werkenden én werkgevers. De gierende inflatie trof immers héél Nederland en was nou eenmaal van buitenaf veroorzaakt: eerst door de covid-pandemie en later door Russische oorlog tegen Oekraïne, die tot hogere olie- en gasprijzen leidde. Dan past het niet om klassenstrijd te gaan voeren; dat althans was de boodschap van Klaas Knot.

Zoals de FNV-onderzoekers echter laten zien, zitten in dit ogenschijnlijk plausibele verhaal een aantal kwalijke mythes verborgen. Ten eerste was er geen enkel bewijs dat er inderdaad sprake was van een loon-prijsspiraal. Vanaf het begin van de inflatie in 2021 begonnen weliswaar ook de lonen te stijgen, maar de prijzen stegen nog veel harder. Zelfs nu lopen de loonstijgingen nog achter bij de prijsstijgingen. Van een loon-prijsspiraal kan dus geen sprake zijn, aldus de FNV-onderzoekers: ‘Hoe kunnen lonen de prijzen tot een vicieuze cirkel drijven als ze nooit sterker stijgen? Het antwoord: dat kunnen ze niet.’ (p.35)


Graaiflatie en monopolies

Ook van de mythe dat de inflatie iedereen – werkenden én werkgevers – even hard zou raken, laten de FNV-onderzoekers weinig heel. Aan de hand van harde cijfers laten zij zien ‘dat bedrijven juist in de periode van hoge inflatie extra winst hebben weten te maken’ (p.39). 

Dat is natuurlijk raar: als de inflatie écht iedereen even hard zou raken, dan zouden winsten juist gedaald moeten zijn. Dat dit niet gebeurde, ontkracht nogmaals het idee van een loon-prijsspiraal; het zijn niet de hogere lonen geweest die de prijzen hebben opgedreven, maar juist de hogere winsten. De inflatie was voor een groot deel ‘graaiflatie’: het prijs-opdrijvende effect van onverzadigbare winsthonger bij bedrijven.

De onderzoekers laten overtuigend zien dat graaiflatie vooral een Nederlands fenomeen was: van 2021 t/m 2024 lagen de prijzen in de Nederlandse supermarkten namelijk een stuk hoger dan in onze buurlanden. ‘De verklaring? In Nederland droegen hogere winsten [...] sterker bij aan de prijsstijgingen dan in andere Europese landen’. (p.40) Kortom, Nederlandse bedrijven maakten misbruik van de inflatie om hun winsten te verhogen: ze hebben de inflatie niet alleen doorberekend in hun prijzen, maar er zelfs nog een schepje bovenop gedaan. 

Gevolg: extra koopkrachtverlies voor de Nederlandse werkende klasse. Zo bezien was de waarschuwing van Klaas Knot voor ‘te hoge looneisen’ extra geniepig: het graaiende grootkapitaal werd de hand boven het hoofd gehouden, terwijl werkende mensen werden leeggeknepen met te dure boodschappen.

Volgens de FNV-onderzoekers wijst dit op een dieper probleem in de Nederlandse economie. Want volgens de economische standaard-theorie zouden bedrijven niet zomaar hun prijzen moeten kunnen verhogen; klanten zouden dan immers uitwijken naar concurrenten met lagere prijzen. Dat supermarkten als Albert Heijn en Jumbo in tijden van inflatie wél hun prijzen konden verhogen, om extra winst te maken, betekent dus dat zij te weinig concurrentie hebben van andere supermarkten: ‘Wie in bepaalde woonplaatsen niet naar de Albert Heijn of Jumbo wil, zal flink om moeten rijden en heeft daar niet altijd zijn in.’ (p.41) Supermarkten maakten dus misbruik van hun lokale monopolieposities om de prijzen extra te verhogen. Dat blijkt ook uit de cijfers: ‘In de periode met graaflatie behaalden bedrijven met meer marktmacht dan ook hogere winstcijfers.’ (p.41) 


Dragen de breedste schouders écht de zwaarste lasten?

Een van de meest interessante – en schokkende – onderdelen van Machtige mythes vormen de hoofdstukken over het Nederlandse belastingstelsel. Hier richten de FNV-onderzoekers hun pijlen op een breed gedeeld idee, namelijk dat ons belastingsysteem ‘best wel progressief’ zou zijn: de breedste schouders dragen de zwaarste lasten. 

Op papier lijkt dat te kloppen: de inkomstenbelasting gaat in drie stappen omhoog naar een belasting van 49,5 procent voor de allerhoogste inkomens (vanaf iets meer dan 76 duizend euro per jaar). Ook de belastingen op winst en vermogen zijn tamelijk progressief: het mkb betaalt relatief minder winstbelasting dan het grootbedrijf, en bij vermogensbelasting zijn de laagste vermogens belastingvrij. Kortom: best wel sociaal, zou je denken – op het socialistische af zelfs, zo meende minister-president Mark Rutte destijds: ‘We zijn natuurlijk een land dat in de kern diep socialistisch is. We hebben een eindeloze overdracht van geld van de ene groep naar de andere groep.’ (p.74)

Rutte deed deze opmerkelijke uitspraak tijdens een Kamerdebat op 1 april 2020. En hoewel hij het serieus bedoelde, blijkt het – voor wie in de cijfers duikt – inderdaad niet meer dan een 1 april-grap te zijn, en een slechte bovendien. In 2022 werd Rutte’s rooskleurige beeld van Nederland als ‘herverdelend landje’ hard onderuit gehaald door het Centraal Planbureau (CPB), dat aan de hand van cijfers liet zien hoe het écht zat. Het grote probleem, zo concludeerde het CPB, is dat mensen met veel vermogen in staat zijn een groot deel van hun geld voor de Belastingdienst te verstoppen via handige belastingtrucs en ‘creatieve’ boekhouding. 

Het CPB besloot om dit weggestopte geld mee te rekenen, en toen bleek ineens ‘dat de allerrijksten in ons land het minste belasting betalen van iedereen’! (p.76) Sterker nog: de rekenmeesters van het CPB lieten zien dat juist de mensen met de lagere inkomens relatief het meeste belasting betaalden: ‘Toen de onderzoekers het land opdeelden in een aantal groepen, zagen ze dat de helft van het land met de lagere inkomens meer dan vijftig procent van hun geld kwijt is aan de Belastingdienst.’ (p.76) Tweeëneenhalf keer zoveel als de allerrijksten! 

Deel van het probleem, zo laten de FNV-onderzoekers zien, is dat er procentueel meer belasting wordt geheven op inkomen uit werk dan op inkomen uit vermogen (zoals huur, rente en dividend). Een andere factor die meespeelt is de ongelijke verdeling van de btw op consumptie. Deze belasting drukt het zwaarste op de laagste inkomens, omdat zij een veel groter deel van hun budget aan boodschappen kwijt zijn dan rijke mensen, die veel meer kunnen sparen. ‘Het is een soort extra belasting op inkomen’, schrijven de FNV-onderzoekers: ‘In tegenstelling tot andere belastingen is de btw juist niet progressief, maar regressief: iedereen betaalt hetzelfde tarief, waardoor lagere inkomens relatief – als aandeel van hun inkomen – meer betalen.’ (p.77)

Kortom, wie dit alles bij elkaar optelt, moet concluderen dat Nederland allerminst een ‘socialistisch’ landje is, zoals Rutte voorspiegelde. De breedste schouders dragen hier níet de zwaarste lasten. Sterker nog, zo concluderen de FNV-onderzoekers, als het gaat om progressiviteit dan bungelt het Nederlandse belastingstelsel in internationaal opzicht tamelijk onderaan: ‘Zo’n beetje elk West-Europees land én de Verenigde Staten belasten progressiever dan wij.’ (p.77) Weer een illusie armer en een ervaring rijker.


Tot slot: werkende klasse, verenigt u!

Een van de sympathieke aspecten van Machtige mythes is dat de FNV-onderzoekers het niet alleen bij cijfers laten, maar ook oproepen tot actie en daar tips voor geven. De cijfers zijn natuurlijk uiterst belangrijk, maar ze komen pas tot leven als we er wat mee doen. De auteurs sluiten het boekje dan ook af met de ontmanteling van een venijnige ‘bonusmythe’, het passief-makende idee ‘dat we er toch niets aan kunnen veranderen’. 

Hiervoor duiken de FNV-onderzoekers de geschiedenis in, om te laten zien hoe arbeiders, vakbonden en socialisten in het verleden door gezamenlijke strijd belangrijke overwinningen hebben behaald – van een verbod op kinderarbeid tot de achturige werkdag, van hogere lonen tot de vijfdaagse werkweek, van ontslagbescherming tot algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen, en ga zo maar door. 

De werkende klasse heeft ontzettend veel economische macht en als we die macht heel bewust samen inzetten, dan is the sky the limit zogezegd. Dat bleek onlangs nog maar eens bij de inspirerende staking in de Rotterdamse havens, waar slechts een paar honderd sjorders de wereldwijde handel konden stilleggen – wat herinneringen opriep aan de oude vakbondsleus: ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil!’ En dat kunnen wij als SP alleen maar beamen.

Machtige mythes ontrafeld
Interview met Vera Vrijmoeth en Felix Kram


Op 11 november vond in TivoliVredenburg de boekpresentatie plaats van Machtige mythes, waarin vijf onderzoekers van de FNV kritisch kijken naar 21 mythes die de economische ongelijkheid vergroten. De avond had als veelzeggende titel meegekregen: ‘Hoe grijp je de macht?’ – tekenend voor de praktische inzet van het boekje, waar het ontmaskeren van mythes hand in hand gaat met een gepassioneerd pleidooi voor een strijdbare werkende klasse. De Tribune sprak erover met twee van de auteurs, Vera Vrijmoeth en Felix Kram.  


Hoe is het idee achter jullie boek ontstaan?
Vera: ‘Het boekje is ontstaan omdat we in de FNV al vier jaar lang onderzoek deden naar scheefgroei in de economie. We deden dat vanuit de overtuiging dat je moet begrijpen hoe kapitaal werkt om de belangen van arbeid te kunnen verdedigen. Wat ons toen schokte was dat er heel veel beelden over de economie circuleren die gewoonweg niet kloppen – beelden die vooral door de werkgevers en partijen als de VVD verspreid worden. En die journalisten soms klakkeloos overnemen. Gaandeweg zijn we onze taak steeds meer gaan zien als het aangaan van de cijfer- en beeldvormingsstrijd, om die schadelijke mythes te ontkrachten.’

Hoe komt dat nou, dat die verkeerde beelden zoveel invloed hebben? 

Vera: ‘Wij vragen ons dat ook af. Politici en werkgevers hebben er soms gewoon belang bij om deze beelden neer te zetten. En vaak hebben journalisten dan niet de achtergrondkennis om deze materie goed te kunnen doorzien.’
Felix: ‘Deel van het probleem is ook dat die verkeerde beelden vaak een simplistisch beeld schetsen, dat juist daardoor heel eenvoudig en logisch lijkt. De VVD heeft het er bijvoorbeeld vaak over dat het niet gaat om de verdeling van de taart, maar dat de taart als geheel groter moet worden, want daar zou iedereen van profiteren. Zeker als je de achterliggende cijfers niet goed kent, dan kan dat een heel aantrekkelijk verhaal zijn, ook omdat je zo conflicten over verdeling uit de weg gaat.’ 

Vera: ‘Bovendien is het zo dat onze commerciële media grotendeels in handen zijn van grote buitenlandse bedrijven. Die mediabedrijven zijn eigenlijk een soort monopolies geworden, dus daar zit wel een probleem. Maar het is niet helemaal helder hoe dat doorwerkt in de berichtgeving over de economie. Sowieso is economie een heel ontoegankelijke discipline. Het wordt expres zo complex gemaakt dat er een soort autoriteit vanuit gaat, waardoor mensen denken: dat begrijp ik toch niet, dus daar hou ik me maar niet mee bezig!’


Hoe proberen jullie daar tegen op te boksen?

Felix: ‘Onze taak is om dat ingewikkelde cijferwerk te doen en dan vervolgens de vertaalslag te maken naar het grote publiek, om het voor iedereen begrijpelijk te maken. Dan helpt het enorm als je zo’n onderwerp in één treffende term kunt samenvatten, waarmee je je eigen frame tegenover dat van de werkgevers en de VVD kunt zetten. Bij de discussie rond de loon-prijsspiraal was dat betrekkelijk eenvoudig, omdat we toen de term ‘graaiflatie’ hadden, die in één aansprekend woord aangaf wat wij bedoelden.’
Vera: ‘In 2023 is ‘graaiflatie’ niet voor niks het woord van het jaar geworden.’

Felix: ‘Maar in andere gevallen is dat moeilijker, vanwege de technische details. Neem bijvoorbeeld de ‘buffelboete’, de belastingverhoging die – om onduidelijke redenen – met ingang van 2025 werd ingevoerd voor mensen met een laag inkomen, vooral parttimers die er fors op achteruitgingen. Daar kwamen wij bij toeval achter, omdat de FNV telefoontjes kreeg van mensen die plots minder loon overhielden. Wij zijn dat gaan uitzoeken en dan wordt het al snel héél technisch. Je moet dan het belastingsysteem induiken en onderzoeken hoe de heffingskortingen werken. Dat is voor leken bijna niet te volgen. Maar ook hierbij hielp het dat een slimme FNV-bestuurder, Linda Vermeulen, de catchy term ‘buffelboete’ bedacht, waardoor het door de media kon worden opgepikt.’

Vera: ‘Daardoor is het gelukt om een heel technisch onderwerp – dat eigenlijk niemand echt snapt – samen te vatten in een heel simpele boodschap: mensen met een laag inkomen zijn meer belasting gaan betalen en dat raakt ongeveer 800.000 huishoudens. Schoof werd daardoor gedwongen erop te reageren. Vlak voor de verkiezingen was dat best wel explosief.’ 


Is er een rol voor de SP bij het ontmaskeren van die ‘machtige mythes’?
Vera: ‘Absoluut. Het lezen van onze onderzoeken en daar vragen over stellen in de Tweede Kamer of in de provincie of gemeenteraad, dat maakt echt heel veel uit. Ook het organiseren in wijken is hierbij van vitaal belang. Persoonlijk geloof ik niet in het idee: ‘Ik stem op een politicus, dus die moet het dan allemaal maar voor mij gaan fixen.’ Nee, als we iets willen veranderen aan hoe die economie werkt, dan zullen we allemaal ons steentje moeten bijdragen.’

Felix: ‘Wat dan ook helpt, is dat je er acties of een bredere campagne aan kunt koppelen.’
Vera: ‘Want als je zoiets als ‘graaiflatie’ naar buiten brengt, dan krijg je misschien wel aandacht in de media, maar dat ebt dan ook weer snel weg. Terwijl als je dat koppelt aan acties, zoals bijvoorbeeld de staking bij de distributiecentra van Albert Heijn – een van de bedrijven die onder vuur lag vanwege de graaiflatie –, dan wordt zo’n verhaal nóg sterker en dan leidt dat tot meer aandacht in de media. En dan is het heel goed als politieke partijen die acties ondersteunen en daarbij aanwezig zijn.’

In jullie boek ontmaskeren jullie 21 mythes die de ongelijkheid vergroten. Wat is jullie top drie van meest schadelijke mythes?

Vera: ‘Ik vind de ‘Eerst verdienen, dan verdelen’-mythe toch wel de meest schadelijke. Daardoor wordt het beeld neergezet dat vooral bedrijven welvaart creëren, in plaats van het besef dat het vooral werkende mensen zijn die samen met de overheid welvaart creëren. Op dit moment is dat een heel schadelijke mythe, zeker in combinatie met de huidige bezuinigingen op de WW, de WIA en de publieke sector in het algemeen. Zo ondermijn je de basis van onze economie, maar ook ons gezamenlijke bezit als samenleving. Want we weten uit onderzoek dat publieke investeringen heel goed zijn voor ons verdienvermogen als land. Bovendien, publiek vermogen komt ten goede aan iedereen, maar als je dat steeds kleiner maakt, ten gunste van privaat vermogen, dan komt dat alleen ten goede aan een kleine rijke minderheid.’


Dat idee, dat alleen bedrijven welvaart creëren, heeft ook te maken met een andere mythe die in jullie boek ontkracht wordt, namelijk dat een goed investeringsklimaat zou vragen om lagere belastingen op winst en vermogen.
Vera: ‘Tegenover dat argument kun je heel goed een ander argument zetten, namelijk dat het verdienvermogen van onze economie juist afhankelijk is van de publieke sector. De overheid zelf creëert heel veel waarde voor de economie door haar publieke investeringen. Overigens zeggen bedrijven dat zelf ook. Bij de bezuinigingen op het hoger onderwijs bijvoorbeeld werd er door CEO’s van grote bedrijven in Nederland gewaarschuwd dat deze bezuinigingen niet goed zijn voor ons verdienvermogen. Ook bij de CPB-doorrekening van het verkiezingsprogramma van de VVD werd dat duidelijk. De VVD wilde bezuinigen op het onderwijs en daarover zei het CPB stellig: ‘Dat is niet verstandig voor de economie’. De VVD presenteert zichzelf wel als de verstandige economische keuze, maar als je concreet kijkt naar hun plannen, dan ondermijnen ze juist op langere termijn het verdienvermogen van Nederland.’
 

Welke mythes staan er nog meer in jullie top drie?

Felix: ‘Ik vind de mythes over uitkeringsgerechtigden heel schadelijk voor het publieke debat. Hierbij zie je dat er zondebokpolitiek wordt bedreven. De VVD spreekt altijd van ‘uitkeringstrekkers’, wat een heel negatieve term is. De VVD schetst graag het beeld dat het veel aantrekkelijker is om een bijstandsuitkering te trekken dan om aan het werk te gaan. Daarom heeft Yeşilgöz er recentelijk nog voor gepleit dat de uitkeringen niet meer mee mogen stijgen met het minimumloon. Het verschil tussen bijstand en inkomen uit werk zou niet groot genoeg zijn en daarom zouden mensen niet genoeg gestimuleerd worden om aan het werk te gaan. Daar zijn wij ook ingedoken en wat blijkt? Wat de VVD hierover zegt, klopt gewoon niet. Er is een groot verschil van ongeveer 800 tot 1.000 euro per maand tussen een fulltime minimumloon en een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Dus dat de bijstandsuitkeringen te hoog zouden zijn, zodat werken niet loont, dat is echt onzin. Ik vind dit om twee redenen een heel schadelijke mythe. Ten eerste omdat, als je gaat bezuinigen op de uitkeringen, je een heel grote groep mensen in de armoede drukt. Maar ook omdat je op deze manier werkenden en uitkeringsgerechtigden tegen elkaar uitspeelt; je ondermijnt de onderlinge solidariteit. Beide groepen gaan er daardoor op achteruit. Want als werken meer moet lonen, dan kun je ook gewoon de lonen verhogen, maar dat zegt de VVD natuurlijk niet.’


En de laatste mythe in jullie top drie?

Vera: ‘Wat ik ook een heel schadelijke en actuele mythe vind is die over de middenklasse. Heel veel mensen denken namelijk dat ze tot de middenklasse behoren, zowel de mensen met minder dan 20 duizend euro vermogen als de mensen met een vermogen tot één miljoen euro. Als je mensen vraagt: ‘Waar zit je in de vermogensverdeling?’, dan denken de meeste mensen dat ze ongeveer in het midden zitten. En dat is heel problematisch, omdat dat betekent dat mensen heel vaak hun eigen belang niet goed kunnen inschatten. Dat zag je ook bij de afgelopen verkiezingscampagne heel goed. Yeşilgöz had het de hele tijd over de middeninkomens, die geraakt zouden worden in hun portemonnee als de belastingen voor rijke mensen omhoog zouden gaan. Maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Het is, denk ik, moeilijk voor een leek om dat verkeerde beeld door te prikken.’

Hoe komt dat dan, dat mensen hun eigen economisch belang vaak niet goed kunnen inschatten?

Vera: ‘Veel mensen hebben heel weinig besef van hoe de welvaartsverdeling precies in elkaar zit. Mensen zien vooral hun eigen omgeving en denken dan dat ze qua inkomen en vermogen best wel gemiddeld zijn. Maar ze zien niet de mensen met de heel hoge inkomens en vermogens, want die wonen en werken op heel andere plekken. Er zijn dus heel grote verschillen die mensen in hun dagelijkse leven niet ervaren. En ongetwijfeld speelt er ook iets psychologisch mee, in die zin dat mensen het zien als een soort falen als ze onder het gemiddelde zitten. Zeker in een kapitalistische samenleving, waarin alles draait om welke successen je hebt behaald, word je dan geconfronteerd met je eigen ‘falen’. Maar uit onderzoek blijkt ook dat als je mensen laat zien hoe de welvaartsverdeling écht in elkaar zit, ze over het algemeen dan wel zeggen: Oh, ik word nu toch wel voorstander van hogere belastingen voor rijke mensen!

Kortom, het heeft zin om deze ‘machtige mythes’ te blijven ontkrachten, om mensen duidelijk te blijven maken hoe het écht zit…

Felix: ‘Zeker weten. Wat wij heel interessant vinden is dat als je mensen vraagt of ze voor meer herverdeling zijn, dan zegt een overgrote meerderheid ‘Ja’. Zo is er een paar jaar geleden onderzoek gedaan naar het verhogen van het minimumloon naar 16 euro per uur en daarbij gaf een meerderheid van de kiezers van CDA, NSC, PVV en BBB aan dat ze dat een goed idee vonden. Dus bij sommige sociaal-economische kwesties denken heel veel mensen in de maatschappij best wel links, maar vervolgens gaat er dan iets mis in de vertaling naar de politiek. En dat heeft veel te maken met die economische mythes; die staan dan een linkse overwinning in de weg. En daarom moeten we onderzoek blijven doen, en onze bevindingen steeds maar weer herhalen, herhalen, herhalen, om op die manier een nieuw frame neer te zetten, gekoppeld aan acties.’

Vera: ‘Wat heel bepalend is in verkiezingen, zo blijkt uit onderzoek, dat is welke issues er op dat moment dominant zijn. Dat is dan waar de mediadebatten over gaan, en waar de gesprekken op straat over gaan. Maar dat verbergt dan de andere opvattingen van mensen over sociaal-economische thema’s. Ik denk dat ook bij de afgelopen verkiezingen de debatten niet van een heel hoog inhoudelijk niveau waren. En dat zie je dan terug in de uitslag.’