Showing posts with label psychoanalyse. Show all posts
Showing posts with label psychoanalyse. Show all posts

Repressie en bevrijding bij Marx, Freud en Marcuse

In de Kritische Theorie van Marcuse speelt het begrip ‘tweedimensionaliteit’ een belangrijke rol. In deze blog-post ga ik dieper in op hoe dit begrip samenhangt met Marcuses synthese van Marx en Freud.

Klassenstrijd en kritische tweedimensionaliteit
De tweedimensionale “spanning tussen het ‘is’ en het ‘zou moeten’, tussen essentie en verschijning, potentialiteit en actualiteit” was volgens Marcuse (2023: 125) cruciaal voor de mogelijkheid van kritisch bewustzijn: “Deze aanhoudende spanning doordringt het tweedimensionale universum van het discours, het universum van het kritische [...] denken.” (Ibid.) Alleen in naam van onderdrukte mogelijkheden en utopische alternatieven kan immers een heersende werkelijkheid theoretisch bekritiseerd en – door politieke actie – praktisch getransformeerd worden.


Voor Marcuse als marxist was deze tweedimensionaliteit “materialistisch” gefundeerd in de tegenstelling tussen arbeidersklasse en kapitaal. Volgens Marx was het onderdrukte en uitgebuite proletariaat immers de “levende contradictie” binnen het kapitalisme, de maatschappelijke tegenkracht die vroeg of laat – opgejaagd door toenemende uitbuiting en Verelendung – in opstand moest komen. In de ellende en dromen van het proletariaat schemerde een utopisch alternatief door, het “spook van het communisme” dat (volgens Marx en Engels in het Communistisch Manifest) de heersende orde van het kapitalisme de stuipen op het lijf joeg.


Wat Marcuse echter begin 20ste eeuw moest constateren, samen met vele andere gedesillusioneerde westerse marxisten, was dat de revolutionaire voorspellingen van Marx niet leken uit te komen en de arbeidersklasse juist steeds verder geïntegreerd raakte in het kapitalisme: het “spook van het communisme” vervaagde en leek in niets op te lossen. Door deze graduele inkapseling van de arbeidersklasse in het kapitalisme, aldus Marcuse, ging de maatschappij over van kritische tweedimensionaliteit naar consensuele eendimensionaliteit. 


Het verraad van de sociaal-democratie

Zo brak rond 1900 in het Europese socialisme het zogenoemde revisionisme-debat uit, waarin met name de sociaal-democraat Eduard Bernstein betoogde dat de revolutionaire doelen van het marxisme beter opgegeven konden worden, omdat de arbeidersklasse beter af zou zijn met geleidelijke hervorming van het kapitalisme, door vakbondsstrijd voor hogere lonen, betere arbeidsvoorwaarden en meer politieke vertegenwoordiging. De visie van Bernstein bleek profetisch, in ieder geval voor het Westen. 


Voor de orthodoxe marxisten kwam die visie echter neer op verraad: Bernstein maakte de arbeidersklasse medeplichtig aan de uitbuiting en onderdrukking die aan het kapitalisme inherent zijn, ook in een zogenaamd ‘hervormd’ kapitalisme. De jonge Marcuse ondervond dit aan den lijve, toen hij als 20-jarige betrokken was bij de Duitse Spartacusopstand van 1919, die door de paramilitaire eenheden van het protofascistische Freikorps bruut werd neergeslagen, waarbij Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht zonder proces werden geëxecuteerd. Dit alles gebeurde met medeweten en impliciete goedkeuring van de toenmalige sociaal-democratische regering. Voor Marcuse was deze traumatische ervaring van beslissende invloed op zijn latere politiek-filosofische visie (zie Wolin 2001: 135-136). Het maakte voor hem pijnlijk duidelijk dat de sociaal-democratische integratie van de arbeidersklasse in het kapitalisme alleen maar ten koste kon gaan van het kritisch bewustzijn en de emancipatoire doelen van het marxisme.


Marx aangevuld met Freud

Voor de westerse marxisten ontstond zo echter een probleem: enerzijds wilde men vasthouden aan Marx’ kritische analyse van het kapitalisme, anderzijds moest men constateren dat Marx’ revolutionaire voorspellingen niet uit kwamen. De marxistische theorie op zich bleek niet toereikend en moest met andere theorieën worden aangevuld. De psychoanalyse van Freud leek daarvoor bij uitstek geschikt, althans volgens neomarxisten als Horkheimer en Adorno van het Institut fur Sozialforschung in Frankfurt, waar ook Marcuse in 1933 kwam te werken.

Wat volgens hen bij Marx ontbrak was een adequate cultuur-theorie en sociale psychologie. Cultuur en bewustzijn zijn volgens het marxistische “basis-bovenbouw-schema” niet meer dan passieve “afspiegelingen” van de onderliggende economische onderbouw, waarmee aan hun relatieve autonomie en inherente dynamiek echter geen recht kon worden gedaan. Zo kon niet verklaard worden waarom de arbeidersklasse soms politieke overtuigingen omarmt die haaks staan op hun sociaal-economische belangen. 


Aldus Thijs Lijster in zijn boek over de Frankfurter Schule: “Ideologie en bewustzijn – het nationalisme, gefaciliteerd door de opkomende massacultuur – waren immers bij uitstek de aanjagers geweest van maatschappelijke ontwikkelingen. Het enthousiasme waarmee een groot deel van de Europese bevolking zich aanvankelijk in het oorlogsgeweld [van de Eerste Wereldoorlog] had gestort was daarvan een voorbeeld.” (Lijster 2024: 31) Freuds psychoanalyse verklaarde wel deze eigen dynamiek van de psyche.

Vooral de verleiding van grote delen van de arbeidersklasse door het opkomend fascisme in de jaren ‘30 leek om een psychoanalytische verklaring te vragen. Zo “meenden de Frankfurters [...] dat het fascisme gekenmerkt werd door een libidinale band tussen de leider of de beweging en zijn volgers, dat wil zeggen een band die niet zozeer gebaseerd was op materiële belangen, maar op identificatie en de mate waarin men zijn onbewuste [...] wensen en verlangens op die beweging of leider kon projecteren.” (Ibid.) Deze psychoanalytische duiding van het fascisme werd met name uitgewerkt in Reichs Massenpsychologie des Faschismus (1933) en Fromms Escape from freedom (1941).


Klasse-heerschappij en libido-repressie
Bovendien leek Freuds visie op de psyche, als strijdtoneel van subversieve driften en de maatschappelijke repressie daarvan, wonderwel te passen bij de marxistische visie op de kapitalistische maatschappij als een onderdrukkend geheel. Zoals Marcuse opmerkt, leek Freud zelf deze connectie tussen psychische repressie van het libido en maatschappelijke onderdrukking te erkennen “toen hij de houding van de beschaving tegenover de seksualiteit vergeleek met die van een stam of een sociale laag van de bevolking ‘die een andere aan uitbuiting heeft onderworpen’” (Marcuse 2022: 63).

Zo leek de psychoanalyse de politiek-economische onderdrukking van het proletariaat door de bourgeoisie rechtstreeks te vertalen naar de psychisch geïnternaliseerde repressie van het libido door het Über-Ich, dat voor het individu de eisen van de samenleving vertegenwoordigt (eisen die in het burgerlijke gezin primair door de vader aan het kind werden opgelegd, wat Freuds theorie over het Oedipus-conflict tot uitdrukking bracht). 


Met die geïnternaliseerde repressie is het individu perfect aangepast aan de kapitalistische klasse-overheersing, wat vanuit psychoanalytisch oogpunt het conformisme van de arbeidersklasse zou kunnen verklaren. Als Freud vervolgens zegt: “De angst voor opstand van de onderdrukten drijft tot strengere voorzorgsmaatregelen”, blijft toepasselijk genoeg onbepaald wie of wat deze voorzorgsmaatregelen neemt: het Über-Ich of de heersende klasse? Marxistisch geïnterpreteerd doelde Freud op allebei. De vaak opgemerkte parallel tussen Freuds hiërarchisch model van de psyche (Es-Ich-Über-Ich) en de hiërarchie van de klassenmaatschappij (onderklasse-middenklasse-bovenklasse) kon dan ook geen toeval zijn, volgens de denkers van de Frankfurter Schule.


Het conservatisme van de psychoanalyse
De combinatie van marxistische maatschappijtheorie en freudiaanse psychoanalyse schiep echter meteen ook een probleem voor de Kritische Theorie van de Frankfurters. De psychoanalyse leek dan wel het gebrek aan revolutionaire impulsen bij de arbeidersklasse te verklaren (door de psychische internalisering van de klasse-onderdrukking), maar kon daar geen emancipatoir laat staan revolutionair perspectief tegenover plaatsen. Het enige dat de psychoanalyse kon bieden was therapeutische aanpassing van het individu aan het “realiteitsprincipe” en de daaruit volgende maatschappelijke repressie van het libido.

De psychoanalyse was wezenlijk conservatief, omdat ze deze repressie zag als inherent aan de menselijke beschaving als zodanig: ‘bevrijding van het libido’ kon voor Freud slechts terugval in prehistorische barbarij betekenen. Freud was echter geen conservatief uit overtuiging (religieus, aristocratisch of anderszins), maar vooral uit een nuchter pessimistisch realisme: de repressie van het libido zou altijd “onbehagen in de cultuur” met zich meebrengen, maar het was volgens Freud (1930) een noodzakelijk onbehagen, zonder welke er geen cultuur kon zijn. 


Volgens Freud was economische schaarste (“Lebensnot”) het onvermijdelijk lot van de mensheid, die echter tevens door een “natuurlijke arbeidsschuwheid” gekenmerkt wordt. Van nature wordt de mens beheerst door een “lustprincipe” dat streeft naar onmiddellijke behoeftebevrediging met minimale inspanning; maar deze aangeboren hedonistische houding botst op de harde realiteit van schaarste. “In het zweet uws aanschijns zult gij werken voor uw brood”, aldus Genesis 3:19. Tegenover het lustprincipe zou dan ook volgens Freud in de psyche een “realiteitsprincipe” ontstaan, dat de mens dwingt zijn behoeften uit te stellen of zelfs helemaal te onderdrukken en zijn driftenergie in te zetten voor nuttig werk.

“Hier ligt een centrale gedachte van Freuds theorie”, aldus Marcuse: “Als er geen oorspronkelijke “arbeidsdrift” is, dan moet de voor het onaangename werk nodige energie worden “onttrokken” aan de primaire driften, dus aan de geslachtsdriften [...]. In Freuds ogen krijgt de cultuur dus ‘een groot deel van de psychische energie die ze nodig heeft door die aan de seksualiteit te onttrekken.’” (Marcuse 2022: 98) Volgens Freud wordt het libido in naam van de beschaving onderdrukt en tevens “gesublimeerd”, dwz. gekanaliseerd in nuttige arbeid en bevredigd op een ‘hoger niveau’ zoals in sport, wetenschap en kunst. Alleen in de vrije scheppingen van de verbeelding mag het lustprincipe zich nog min of meer onbeperkt uitleven; de bevrediging is daar immers ‘slechts fantasie’, geen werkelijkheid en dus maatschappelijk ongevaarlijk


Marcuse’s historisering van Freud
De uitdaging voor de Frankfurters was om Marx en Freud zodanig te combineren dat er – ondanks het diepgewortelde conservatisme van de psychoanalyse – uitzicht bleef op een emancipatoir perspectief, voorbij het heersende kapitalisme. Het was met name deze uitdaging die Marcuse in Eros en cultuur op zich nam (zie Jay 1973: 106). Zijn antwoord was door niet alleen Marx met Freud, maar omgekeerd ook Freud met Marx aan te vullen, oftewel door Marx te psychologiseren en Freud te historiseren (vgl. Lijster 2024: 34).

Freud had een wezenlijk ahistorische visie op de menselijke beschaving en de rol van libido-repressie daarin; door de schaarste als het onvermijdelijke lot van de mensheid zou élke maatschappij zich aan de repressieve eisen van het realiteitsprincipe moeten aanpassen. Volgens Marcuse zag Freud daarmee echter de historische relativiteit van het begrip “schaarste” over het hoofd. Vanuit marxistisch oogpunt hangt de mate waarin een maatschappij geteisterd wordt door schaarste immers niet alleen af van de stand van de technologische ontwikkeling van de productiemiddelen, maar ook van de politiek-economische ordening van die maatschappij. Een klassenmaatschappij creëert immers kunstmatige schaarste doordat de heersende klasse zich het gros van de welvaart toe-eigent, terwijl een egalitaire samenleving de schaarste kan minimaliseren door de welvaart gelijk te verdelen. 


Freuds argument dat schaarste en dus libido-repressie inherent zijn aan beschaving als zodanig, ging er bij Marcuse dan ook niet in: “Dit argument, dat steeds weer in Freuds metapsychologie opdoemt, is echter onjuist in zoverre het deze situatie aan het brute feit van de schaarste toeschrijft. In werkelijkheid is de situatie echter het gevolg van een bepaalde ordening van de schaarste en van een bepaalde levenshouding die door deze ordening wordt opgelegd.” (Marcuse 2022: 60) Elke maatschappijvorm, met haar specifieke politiek-economische ordening en bijbehorende verdeling van schaarste, impliceert z’n eigen vorm van het realiteitsprincipe in antwoord op die schaarste: “De verschillende manieren om mens en natuur te overheersen, vinden hun neerslag in de verschillende historische vormen van het realiteitsprincipe.” (Idem: 61)

In de kapitalistische maatschappijvorm nam het realiteitsprincipe volgens Marcuse specifiek de vorm aan van een “prestatieprincipe”, dat mensen uitsluitend op hun “economische prestaties” beoordeeld: “Het prestatieprincipe is het leidend principe van een samenleving die gericht is op gewin, concurrentie en voortdurende expansie, zoals de moderne samenleving.” (Idem: 67)


Van ‘gewone’ repressie naar surplus-repressie
Door Marcuses marxistische historisering van de psychoanalyse werd ook Freuds begrip van libido-repressie een stuk vloeibaarder. Om te beginnen moest er volgens Marcuse onderscheid worden gemaakt tussen ‘gewone’ repressie en surplus-repressie. Deze laatste is de extra libido-repressie die nodig is om de onderdrukking van een klassenmaatschappij in stand te houden: “Surplusrepressie (overbodige, overmatige onderdrukking) gebruik ik als term voor de beperkingen die nodig worden door de sociale overheersing. [...] Deze additionele controles, die verder gaan dan de voor een menselijke samenleving noodzakelijke, komen voort uit de specifieke instellingen van maatschappelijke en culturele overheersing [...].” (Idem: 59-61)

Dat Marcuse hier het voorvoegsel “surplus-” gebruikt, duidt overigens niet alleen op wat hij het “overbodige, overmatige” karakter van deze repressie noemt, die louter het gevolg is van klasse-overheersing (en dus niet van de eisen van beschaving als zodanig). Voor de goede (dwz. marxistische) verstaander is het tevens een impliciete verwijzing naar Marx’ begrip van “surplus-productie” waarop elke klassenmaatschappij is gebaseerd. Het surplus-product is bij Marx wat de arbeidende klasse extra produceert, bovenop de minimale welvaart die de arbeidersklasse voor haar voortbestaan nodig heeft (waarbij de feitelijke vaststelling van dit minimum altijd het resultaat is van klassenstrijd).

Het is dit economisch surplus dat door de heersende klasse wordt afgeroomd en dat de klasseheerschappij in stand houdt (bijv. doordat het in staat stelt om een militair apparaat te bekostigen, om opstanden neer te kunnen slaan). Surplus-repressie is bij Marcuse dan ook de extra libido-repressie die nodig is voor psychische aanpassing aan klasse-overheersing en de bijbehorende kunstmatige schaarste die door afroming van het surplus-product ontstaat. 


Tot slot: Revolutie en het ‘psychoanalytisch Utopia’
Marcuse herinterpreteert dus Freuds kernbegrippen vanuit Marx’ historisch materialisme, waarbij het realiteitsprincipe binnen het kapitalisme wordt begrepen als prestatieprincipe en libido-repressie wordt aangevuld met surplus-repressie. Daardoor kon Marcuse het conservatisme van de psychoanalyse omzeilen en uit de synthese van Max en Freud een emancipatoir of zelfs revolutionair perspectief afleiden.

Om te beginnen zou de – door Freud onmogelijk geachte – “psychoanalytisch Utopia” van een “niet-repressieve beschaving” (idem: 143) een stuk dichterbij komen in een klasseloze maatschappij, waar geen surplus-repressie van het libido meer nodig is om de klasse-overheersing in stand te houden. Een dergelijke “volwassen beschaving” zou volgens Marcuse zodanig zijn “dat de moeiteloze bevrediging van behoeften mogelijk zou worden zonder dat deze bevrediging nog langer systematisch zou worden verhinderd door overheersing. [...] In deze omstandigheden zou de tegenstelling tussen lustprincipe en realiteitsprincipe dus gewijzigd worden ten gunste van het eerste. Eros, de levensdrift, zou in ongekende mate worden vrijgemaakt.” (Idem: 162)

Hoe minder de klasse-overheersing, dwz. hoe minder de surplus-productie, hoe minder de surplus-repressie: “De mate van surplusrepressie levert de maatstaf: hoe kleiner ze is, des te minder repressief het stadium van de beschaving. Het verschil is gelijkwaardig aan dat tussen de biologische en de historische bronnen van lijden.” (Idem: 103) Het lijden veroorzaakt door surplus-repressie is immers “historisch” in die zin dat het afhangt van een historisch variabele maatschappijvorm – de klassemaatschappij, in de moderne tijd het kapitalisme – en niet van de repressieve eisen van beschaving als zodanig (eisen die Marcuse “biologisch” noemt omdat ze wortelen in de ‘natuurlijk’ spanning tussen libido en beschaving).

Marcuse noemt de surplus-repressie van het libido dan ook “overbodige, overmatige onderdrukking” (idem: 59), die als zodanig afgeschaft kan en moet worden, omdat ze onnodig (dwz. “historisch”) psychisch lijden veroorzaakt. Daarvoor is echter wel een revolutionaire transformatie van het kapitalisme nodig, want “de erotische energie van de levensdriften kan niet worden bevrijd onder omstandigheden van louter op winst gerichte welvaart” (idem: 28). Kortom, de seksuele revolutie moet tevens een socialistische revolutie zijn. En vice versa: de omverwerping van het uitbuitende kapitalisme is onmogelijk zonder bevrijding van de levensdrift, die aan de seksualiteit ten grondslag ligt.

Gebruikte literatuur
– Freud, S. (1930), Das Unbehagen in der Kultur. Wien: Internationaler Psychoanalytischer Verlag. – Jay, M. (1973), The Dialectical Imagination: A History of the Frankfurt School en de Institute of Social Research 1923-1950. Boston: Little, Brown and Company.
– Lijster, T. (2024), Frankfurter Schule. Elementaire Deeltjes 82. Amsterdam: Athenaeum.
– Marcuse, H. (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, H. (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.

– Wolin, R. (2001), “Herbert Marcuse: From Existential Marxism to Left Heideggerianism”, in: Wolin, Heidegger’s Children, pp. 134-172. Princeton and Oxford: Princeton University Press.





Waarom we stiekem genieten van klimaatverandering

Verschenen bij: Joop BNNVARA, 14-04-2023 

In het Westen hebben wij vaak de neiging om onszelf superieur te voelen, zeker als we onszelf vergelijken met dictaturen als Rusland, China, Iran of Noord-Korea. Wij hebben tenminste mensenrechten, zeggen we dan, wij hebben tenminste democratie, wij hebben tenminste vrijheid van meningsuiting. En toch leven ook wij in een dictatuur, namelijk die van het geld, de Mammon waaraan alles dienstbaar wordt gemaakt, de oncontroleerbare krachten en eisen van een kapitalistische wereldmarkt waaraan wij onszelf met de neoliberale globalisering uitgeleverd hebben. Wat dit betreft leggen we een opvallend gespleten bewustzijn aan de dag dat duidelijk onze ideologische bevangenheid laat zien, dwz. onze internalisering van de kapitalistische ideologie, zonder welke dit politiek-economisch systeem niet zou kunnen functioneren. Dit gespleten bewustzijn blijkt hieruit dat we enerzijds heel goed weten dat dit systeem niet deugt:

 

  • Dat geldzucht “de wortel van alle kwaad” is (zoals de Bijbel al zei).

  • Dat de ongelijkheid tussen rijk en niet-rijk (of zelfs straatarm) alleen maar groter wordt en inmiddels is uitgegroeid tot een absurde kloof, die totaal niets meer te maken heeft met het principe “een eerlijke beloning voor eerlijk werk”. 

  • Dat de kapitalistische elite inmiddels zo rijk en machtig is dat de Westerse democratie een lachertje is geworden (want politici doen uiteindelijk toch wat het bedrijfsleven wil). 

  • Dat de winsthonger van de fossiele industrie ons opzadelt met catastrofale klimaatverandering die de planeet voor toekomstige generaties onleefbaar dreigt te maken. 

  • Dat we vitale publieke diensten als openbaar vervoer, onderwijs en gezondheidszorg kapot hebben bezuinigd en geprivatiseerd om de belastingdruk voor de rijken en de grote bedrijven maar zo laag mogelijk te maken. 

  • Dat arbeid steeds verder is “geflexibiliseerd” (een eufemisme voor “van zekerheden beroofd”) om aan de wensen van werkgevers tegemoet te komen.

  • Dat burnout inmiddels volksziekte nummer één is omdat we massaal aanlopen tegen de psychisch-lichamelijke grenzen van de constante versnelling van het economische leven (een versnelling die uiteindelijk voortkomt uit de wens van het kapitaal om steeds sneller te renderen).

  • Dat de armoede in de wereld een rechtstreeks gevolg is van het uitbuitende verdienmodel van multinationals en hun puissant rijke aandeelhouders. 

  • Dat dezelfde multinationals ons doelbewust ongezonde, verslavende consumptiepatronen opdringen (want de beste klant is een verslaafde klant, die blijft immers steeds terugkomen voor meer). 

  • Dat Big Tech ervandoor gaat met ónze data en ons opsluit in algoritmisch gegenereerde informatie-bubbels (wat onze democratie nog verder ondermijnt), etc. etc. etc. 


Dit alles weten we dondersgoed. Toch weigeren we collectief om daaruit de enig juiste conclusie te trekken, namelijk dat het kapitalistisch systeem drastisch op de schop moet, dat we financiële belangen (lees: de belangen van de kapitalistische klasse) niet langer ten koste moeten laten gaan van de belangen van ‘gewone’ mensen, van de rechten van dieren op een dierwaardig leven en van de intrinsieke waarde van het kwetsbare ecosysteem van de aarde. Dát is de gespletenheid van ons bewustzijn: dat we enerzijds weten dat het systeem niet werkt, maar anderzijds niet in staat zijn om de noodzaak van systeemverandering onder ogen te zien. Dat inzicht stoppen we – psychoanalytisch gezegd – collectief weg in ons onbewuste: we weigeren de traumatische waarheid bewust te registreren en rationeel te verwerken. Zo praktiseren wij in het ‘vrije Westen’ een zelfcensuur waar menig dictator jaloers op zal zijn. Het is deze psychische verdringing die de politiek filosoof Mark Fisher “kapitalistisch realisme” noemt.


Het onrealistische van kapitalistisch realisme

Kapitalistisch realisme is de houding van de zelfverklaarde “realist” die zegt: “Er zitten inderdaad wel wat nadeeltjes en scherpe randjes aan het kapitalisme… Maar die wegen toch niet op tegen de voordelen? Is het kapitalisme er de laatste 100 jaar niet in geslaagd om enorme welvaart voort te brengen, om de Westerse arbeidersklasse uit bittere armoede omhoog te trekken en tot een welvarende, op consumptie gerichte middenklasse om te vormen? Geef het kapitalisme nog even de tijd, dan gebeurt dat in de rest van de wereld ook! De minder fraaie kanten van het kapitalisme zijn nou eenmaal de prijs die we moeten betalen voor economische vooruitgang, waar uiteindelijk iedereen van profiteert. En ja, de kapitalisten graaien heel wat geld binnen. Maar daar staat tegenover dat zij ons van werk voorzien. Zonder de kapitalist zou de arbeider immers werkloos thuis zitten! En denk ook aan alle technologische innovaties die het kapitalisme ons heeft gebracht! Personal computers, staafmixers, afwasmachines, stairmasters, smartphones, de meest fantastische apps – daar kunnen we toch niet meer zonder? Mag de kapitalist daarvoor dan een beetje beloond worden? Bovendien, wat is het alternatief? Wat wil je dan? Communisme? De geschiedenis heeft laten zien dat dát niet werkt. Discussie gesloten. Zelfs de Volksrepubliek China is alleen nog in politiek opzicht communistisch (in die zin dat het een éénpartijstaat is) – in economisch opzicht heeft ook China het kapitalisme omarmd en is het uitgegroeid tot dé winstgevende werkplaats van de wereldmarkt…”


Wat hierbij opvalt is hoe onrealistisch het kapitalistisch realisme eigenlijk is. Zo stelt het, onder andere, dat als we het globaliserende kapitalisme maar een kans geven (alsof het nog geen kansen genoeg heeft gehad) uiteindelijk de gehele mensheid zal kunnen genieten van hetzelfde consumptieparadijs als het rijke Westen (alsof er in het westen geen arme mensen zijn). Maar dat scenario is volstrekt ongeloofwaardig geworden. Het is bekend dat we vijf aardes nodig hebben als ieder mens op aarde dezelfde materiële welvaart krijgt als de gemiddelde Amerikaan. Dat kan dus niet: we hebben maar één aarde, waar we heel zuinig op moeten zijn. Doorgaan op de huidige koers, waarbij steeds meer voormalige ontwikkelingslanden opgestuwd worden in de kapitalistische vaart der volkeren (China, Brazilië, India etc.), zal uiteindelijk leiden tot een totale ecologische uitputting van de aarde (en, niet te vergeten, uitputting van de mensheid zelf) en een klimaatcatastrofe van apocalyptische proporties. Toch is dat doorgaan op de huidige koers de enige optie die het kapitalistisch realisme voor mogelijk houdt. 


Van rampenfilm naar climate collapse

De gevleugelde uitspraak van de neo-marxistische filosoof Fredric Jameson, dat het makkelijker is om ons het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme, blijkt nu dan ook veel profetischer te zijn dan hij ooit had kunnen voorzien. Jameson doelde met zijn uitspraak op de niet aflatende populariteit van apocalyptische rampenfilms uit Hollywood, afgezet tegen het totale gebrek aan radicale kritiek op en utopische alternatieven voor het kapitalisme in de populaire massacultuur. Inmiddels kunnen we concluderen dat dit zich voorstellen van het einde van de wereld is overgegaan van het fantasmatische register van de Hollywoodfilm naar het realistische register van de harde wetenschap, die immers waarschuwt voor de ineenstorting van vitale ecosystemen en zelfs van de menselijke beschaving als zodanig als we niets doen aan klimaatverandering en de ecologische uitputting van de aarde. Met andere woorden: we weten dat deze ramp eraan komt, dat dit werkelijkheid is en niet slechts een Hollywood-fantasie. En toch blijven we, in navolging van Thatcher, over het kapitalisme zeggen: “There is no alternative.”


Maar als de dreiging van maatschappij-ontwrichtende climate collapse de overgang markeert van het fantasmatische register van Hollywood naar het realistische register van de harde werkelijkheid, betekent dit dan niet ook dat deze harde werkelijkheid iets van de functie van het fantasmatische register heeft overgenomen? Anders gezegd: ervaren we de escalerende klimaatcrisis niet als de verwerkelijking van de Hollywood-rampenfilm? Alsof we terecht aan het komen zijn in een mix van The Day After Tomorrow, Waterworld, Children of Men, The Road, etc. En zit iets van het paradoxale genot, dat we aan dergelijke films beleven, dan niet ook in onze ervaring van de klimaatcrisis en de bredere dreiging van ecologische ineenstorting? Deze situatie lijkt sterk op de Islamistische terreuraanval van 9/11. Zoals Slavoj Zizek destijds opmerkte, ervoeren veel mensen de spectaculaire beelden van de vliegtuigen die zich in de WTC-torens boorden en de uiteindelijke ineenstorting van die torens als de ultieme Hollywood-rampenfilm.


Aldus Zizek: “Voor de grote meerderheid van het publiek was de ineenstorting van de WTC-torens een gebeurtenis op tv. En toen we keken naar het vaak herhaalde beeld van angstige mensen die voor de enorme stofwolk van de ineenstortende torens in de richting van de camera renden, herinnerde de kadrering zelf toen niet aan spectaculaire beelden uit rampenfilms, een special effect dat alle andere overtrof… Toen onze blik, nog dagen na 11 september 2001, in de ban werd gehouden door beelden van het vliegtuig dat een van de torens treft, waren we allen gedwongen te ondervinden wat herhalingsdwang en jouissance voorbij het lustprincipe zijn: we wilden het telkens weer zien; dezelfde beelden werden ad nauseam herhaald, en de ongemakkelijke bevrediging die het schonk was pure jouissance.”


De jouissance van klimaatverandering

Met het begrip jouissance (Frans voor “genot”) duidt Zizek op de paradoxale combinatie van pijn en plezier die volgens de Lacaniaanse psychoanalyse vrijkomt als ons gevestigde zelfbeeld – ons ego – en het bijbehorende wereldbeeld aan het wankelen worden gebracht of zelfs geheel desintegreren. Waarom zou die desintegratie van het normale genotvol zijn? Omdat volgens de psychoanalyse ons alledaagse zelf- en wereldbeeld altijd gevestigd is op de verdringing van ongetemde verlangens, die in strijd zijn met de heersende normen van de (kapitalistische) cultuur waarin we leven, normen die we in ons “super-ego internaliseren en die ons motiveren om onze meest wilde verlangens in het onbewuste weg te stoppen. Ons gangbare ego-systeem is het “symptoom” van die verdringing: het is het gereinigde beeld van onszelf en onze wereld, waar al onze verboden driften uit weggefilterd zijn. De onderdrukkende normen van het culturele super-ego definiëren zo ons beeld van normaliteit, ze leggen de grenzen vast van ‘de normale werkelijkheid’. 


Jouissance is dan de genotvolle “terugkeer van het onderdrukte” als die grenzen tijdelijk of permanent opgeheven worden, zoals in de carnavaleske opheffing van de alledaagse verhoudingen of – een stuk minder feestelijk – in de psychotische desintegratie van het ego. Als ons alledaagse ego-systeem desintegreert, wordt het onderdrukte verlangen bevrijdt, wat gepaard gaat met een explosie van genot gekoppeld aan de ontstellende angst van ego-desintegratie. Vandaar dat Zizek zegt dat jouissance “voorbij het lustprincipe” ligt, omdat het lustprincipe van onze psyche eenzijdig op genotsmaximalisatie is gericht, terwijl de jouissance juist bestaat in de paradoxale vereniging van genot en angst. De dodelijke angst van ego-desintegratie valt in de jouissance samen met  een orgiastische “terugkeer van het onderdrukte”. 


Volgens Fredric Jameson verklaart dit de connectie tussen enerzijds de populariteit van apocalyptische rampenfilms en anderzijds ons collectieve onvermogen om het einde van het kapitalisme voor te stellen. Dat onvermogen is precies de ideologische verdringing die aan ons alledaagse, kapitalistische zelf- en wereldbeeld ten grondslag ligt: hoewel we dondersgoed weten dat het systeem niet deugt, kunnen we de noodzaak van systeemverandering niet onder ogen zien. Het revolutionaire, utopische verlangen naar een systeem zonder exploitatie van mens en dier, zonder extreme ongelijkheid, zonder ecologische uitputting van de aarde – dat antikapitalistische verlangen stoppen we diep weg in het onbewuste, om überhaupt te kunnen functioneren in de alledaagse, kapitalistische werkelijkheid. Vandaar de jouissance van de apocalyptische rampenfilm, waarin we de desintegratie van die werkelijkheid – door een natuurramp, door een komeet, door een virus, door wat dan ook – voor onze ogen zien plaatsvinden. Dan ervaren we de genotvolle maar tegelijk ook beangstigende release van het onderdrukte verlangen naar revolutie. Voor eventjes ontsnappen we aan onze ideologische zelfcensuur.


Hetzelfde gebeurt dan ook als het fantasmatische register van de Hollywood-rampenfilm wordt ingehaald door het realistische register van de harde werkelijkheid, bijvoorbeeld in 9/11, maar nu ook steeds meer in onze ervaring van de aanstormende klimaatcatastrofe en ecologische ineenstorting. Hoewel diep beangstigend is deze ervaring tegelijk ook uiterst genotvol, omdat de dreiging van maatschappij-ontwrichtende climate collapse tegelijk ook een “terugkeer van het onderdrukte” inhoudt, de release van het utopische verlangen. Met hetzelfde genot waarmee we naar films als The Day After Tomorrow of Children of Men kijken, ervaren we nu ook de uiterst reële en in rap tempo escalerende klimaatcrisis. Verklaart dit niet het bijna sardonisch genoegen waarmee klimaatactivisten zich voor hun zaak inzetten? Hun zwelgen in de dreigende, apocalyptische gevolgen van escalerende klimaatverandering en ecologische ineenstorting? 


Het beeld van een door klimaatverandering verwoeste, levenloze aarde – waarin de ene helft door de stijgende zeespiegel is verzwolgen en de andere helft door ondraaglijke hittegolven is verschroeid – is natuurlijk een angstbeeld en daarmee ook een fantasiebeeld, een fantasmatische voorstelling van het onvoorstelbare. Maar zit in dat ‘fantaseren’ over een verwoeste aarde niet ook een paradoxaal genot, een zich verlustigen in de komende catastrofe, namelijk de jouissance van de “terugkeer van het onderdrukte”? Nu wil ik de beweging van klimaat- en eco-activisten absoluut niet afdoen als een stelletje fantasten – integendeel juist, de dreiging van climate collapse en ecologische ineenstorting is zeer reëel en een rechtstreeks gevolg van de kapitalistische winsthonger. Maar de menselijke psyche werkt nou eenmaal zoals zij werkt: ook de activisten van bijvoorbeeld Extinction Rebellion ontsnappen daar niet aan.