Showing posts with label Advaita Vedanta. Show all posts
Showing posts with label Advaita Vedanta. Show all posts

Het smeltende ego: Over kosmisch non-dualisme en klimaatverandering

Verschenen bij: Nieuw Wij, 7 oktober 2026.

"Wij smelten. We smelten gewoon en smelten en smelten. Het hart moet smelten, en wanneer het dat doet, openbaart zich een onbeschrijfelijke stroom van liefde."

(Paul Muller-Ortega)

In de zomer van 2018 gebeurde er iets vreemds met mij. Ik had een ervaring van smelten, alsof het ijzige bolwerk van mijn ego oplostte en ik versmolt met de wereld om mij heen. Ik werd 'één met het heelal' in een gevoel van alomvattende liefde. Met andere woorden: ik vóélde de waarheid van het non-dualisme — de oosterse spirituele filosofie die je zowel in het Hindoeïsme als het Boeddhisme aantreft, en die stelt dat wij allemaal manifestaties zijn van één kosmische kracht, de creatieve essentie van het universum.

Non-dualisme is overigens niet alleen een kwestie van gevoel. Het is ook een kwestie van helder nadenken. Want wat hedendaagse natuurkundigen en filosofen ons vertellen over de holistische eenheid van het heelal en de plaats van het bewustzijn daarin, suggereert sterk dat zoiets als non-dualisme waar is. Bovendien vervult het een dringende ethische beoefte die wereldwijd sterk wordt gevoeld. Juist in het licht van mondiale problemen als klimaatverandering is het een filosofie waarvan de tijd nu is gekomen. In deze beschouwing betoog ik dat alleen door onze fundamentele eenheid met elkaar, met de planeet en met de kosmos te erkennen wij de solidariteit kunnen opbrengen die nodig is om al die problemen het hoofd te bieden. En misschien is dat wel de positieve keerzijde van klimaatverandering: dat de opwarming van de aarde een 'mondiaal smelten van het ego' teweegbrengt — en daarmee haar eigen oplossing.

Mijn lange hete zomer van liefde

Wie nu een pikant strandverhaal verwacht, moet ik teleurstellen. Ik ben een gelukkig getrouwde vader van een 15-jarige zoon. Maar ik heb wél een ander verhaal te vertellen: een verhaal van spiritueel ontwaken.

De zomer van 2018 was een van de langste en heetste zomers die ooit in Nederland zijn gemeten — en in grote delen van Europa. Weer een record in een lange reeks van hittegolven, droogtes, tropische stormen en smeltend arctisch ijs. De laatste jaren zijn zulke records zo vertrouwd geworden dat ze haast gewoon lijken. Maar dat zijn ze niet: ze getuigen van de zorgwekkende realiteit van klimaatverandering.

Die lange hete zomer verklaart misschien ook mijn mystieke ervaring van spiritueel ontwaken: maanden van zonnig weer maken een mens nu eenmaal super ontspannen. Natuurlijk maakte ik me ook grote zorgen over de dreiging van klimaatverandering, niet in de laatste plaats vanwege onze zoon wiens toekomst op het spel staat. Maar de waarheid is dat ik ook ten volle genoot van die uitzonderlijke zomer van 2018. Ik voel me er een beetje schuldig over, maar het is wel zo.

We wonen in Zeeland, dicht bij het strand. Daar brachten we dan ook onze vrije dagen door: zwemmen, zandkastelen bouwen, frisbeeën, lezen over non-dualisme, mediteren, ijsjes eten. Kortom: het goede leven. In de namiddag fietsten we loom naar huis, douchten het zout en zand van onze gebruinde huid, en staken de barbecue aan. 's Avonds zat ik daar dan, mijn maag gevuld met vegaburger, friet en alcoholvrij bier, en keek vol verwondering naar het blauwe gewelf boven mijn hoofd en naar de zwaluwen die door de warme lucht zwierden.

En dan kwam het. Momenten van gelukzalige eenheid. Ik keek naar de mensen om me heen en had het vreemde gevoel dat 'zij mij zijn' of 'ik hen ben'. Wat er ook uit mijn ogen naar de wereld keek, keek ook uit hun ogen. Wat er ook in mij genoot van de zon, de zee, de smaak van ijs — het genoot op dezelfde manier in hen. Het voelde alsof het heelal van zichzelf genoot op het strand, zichzelf proefde, met zichzelf speelde. Een gevoel van alomvattende liefde welde in mij op en verzwolg mij, verzwolg alles en iedereen om me heen...

Ontwaken uit de droom van gescheidenheid

Deze gedachten waren op zich niet nieuw voor mij. Met een achtergrond in de filosofie ben ik geïnteresseerd in het absoluut idealisme, de filosofische traditie die reikt van de Indiase Upanishads en het Helleense neoplatonisme tot Duitse en Britse idealisten als Schelling, Hegel en Bradley. Kort gezegd: volgens het absoluut idealisme bestaat alles omdat het wordt gedacht en ervaren door een ‘Universeel Ik’, dat op zijn beurt bestaat omdat Het zichzelf denkt en ervaart. Tot de zomer van 2018 was mijn interesse hierin puur theoretisch. Het idee dat het heelal één bewustzijn is, leek mij simpelweg plausibel. Maar nu werd het een ervaringswerkelijkheid. Ik begon de waarheid ervan te voelen.

Dat kwam deels doordat ik was gaan mediteren, gestimuleerd door mijn vrouw die een mindfulness-cursus volgde. Maar de uitzonderlijk lange hete zomer van 2018 speelde zeker ook een rol: door mij bijna letterlijk te 'smelten' maakte die mij ontvankelijker om de kosmische eenheid te voelen in plaats van alleen verstandelijk te begrijpen. Wat uiteindelijk de doorslag gaf, was het uitzonderlijke boek Tantra Illuminated van Christopher Wallis over de filosofische traditie van het Kasjmir-Shivaïsme (wat overigens weinig tot niets te maken heeft met de gecommercialiseerde sekstherapie die in het Westen als 'Tantra' wordt verkocht). Toen ik deze passage aan het strand las, voelde ik letterlijk de 'flits van herkenning' waar Wallis over spreekt. Daar was het: boem! Kosmische eenheid, kosmische liefde.

"Alle bewuste wezens zijn slechts verschillende vormen van één goddelijk Bewustzijn, dat door ontelbare paren ogen naar het heelal kijkt dat zijn eigen lichaam is... Wanneer je jezelf helder ziet, komt er een flits van herkenning: ook jij bent een microkosmische uitdrukking van dezelfde goddelijke kracht die dit hele universum schept, in stand houdt en weer oplost. Je angst en kleinzieligheid vallen weg, terwijl je harmonieus samenvalt met de kosmische dans van levensenergie... Een explosie van vreugde begeleidt de realisatie dat er niets te doen is, niets te bereiken, anders dan het volledig omarmen van de goddelijke kracht die zich door jou wil manifesteren, door de totaliteit van je diepste essentie uit te drukken in de volheid van elk moment, in een eindeloze stroom van zulke momenten." (Wallis 2013: 56, 62, 67)

Het Kasjmir-Shivaïsme, waar Wallis zo mooi over schrijft, is een specifiek voorbeeld van de bredere traditie van het absoluut idealisme. In Oosterse context heet dat gewoonlijk 'non-dualisme'. Je zou kunnen zeggen dat het absoluut idealisme van Plotinus, Schelling, Hegel en Bradley de Westerse variant hiervan is. De Westerse benaderingen zijn vooral theoretisch en intellctueel — gericht op kennistheoretische, ontologische en theologische vragen. De Oosterse benaderingen, hoewel theorie daarin zeker niet ontbreekt, richten zich meer op de ervaring van non-dualiteit als een existentieel transformerende ervaring: de sleutel tot verlichting en bevrijding van het lijden.

In de Oosterse filosofie wordt de non-duale ervaring gezien als het einde van het lijden dat inherent is aan het zijn van een schijnbaar geïsoleerd individu, dat tegenover een onafhankelijke wereld staat en daarin moet worstelen om zich te handhaven. Naarmate echter de illusie van het afgescheiden ego wegvalt, vallen ook zijn kleinzielige zorgen weg, zijn kibbelende sympathieën en antipathieën, zijn angsten en onvervulde verlangens. Wat overblijft is serene gelukzaligheid en een diep gevoel van liefdevolle eenheid met alles en iedereen.

Dit wordt vaak geïllustreerd met het beeld van een meer dat de lucht weerspiegelt. Normaal is het water gerimpeld door de veranderlijke (en verraderlijke) wind van onze gedachten en emoties, waardoor het beeld vervormd raakt. Maar bij de non-duale ervaring kalmeren de golven, wordt het water glad als een spiegel, en weerspiegelt het eindelijk de blauwe lucht erboven, met de stralende zon in het centrum. Die zon is een metafoor voor de creatieve essentie van de werkelijkheid — de bron van alle energie en leven, waarvan je nu realiseert dat het je diepste kern is.

"Net toen ik dacht dat ik eruit was, trekken ze me er weer in!"

Dat is ongeveer wat ik ervoer in 2018: een verlichtingservaring. Niet dat ik nu permanent verlicht ben — geenszins. Zoals veel spirituele zoekers zullen getuigen, zijn zulke roze gevoelens van alomvattende vreugde meestal niet permanent. Ze duren een tijdje, maar dan komt het dagelijks leven weer binnen. Het is net als bij maffiabaas Michael Corleone in The Godfather, die uit het mafia-leven wil stappen, maar ontdekt dat de banden met zijn vroegere persoonlijkheid niet zomaar verbroken kunnen worden. De mensen om hem heen blijven hem behandelen als de Capo di capi. Waarop hij vertwijfeld uitroept: "Just when I thought I was out, they pull me back in!"

De meeste spirituele zoekers die non-dualiteit beschouwen als het eindpunt van hun pad, hebben op wanhopige moment ongetwijfeld iets soortgelijks gedacht. De onvoorziene gebeurtenissen van het dagelijks leven trekken hen steeds terug in de dualiteit — ze worden nog steeds aangesproken als afgescheiden individuen. Je kunt ziek worden, je baan verliezen, een dierbare verliezen, terugvallen in een verslaving, of gewoon keihard je hoofd stoten. Elke negatieve ervaring kan je roze bubbel van kosmische eenheid doorprikken. Vandaar het belang van dagelijkse spirituele praktijken — sadhana in de Indiase filosofie, zoals yoga en meditatie — die je helpen de verlichtingservaring te stabiliseren en te integreren in het dagelijks leven.

De dreiging van klimaatverandering

In mijn geval was wat mij uit mijn roze droom schudde precies hetzelfde als wat mij erin had gebracht: de lange hete zomer van 2018. Zo opgetogen als ik was over het smelten van mijn ego, wist ik in mijn achterhoofd dat dit smelten — vanuit een ander perspectief — iets heel slechts was. Alsof de poolkappen zelf in mij smolten. Liggend op het strand, verlamd door de drukkende hitte, zag ik visioenen van smeltende poolkappen die in enorme stukken afbraken, met als gevolg verwoestende vloedgolven over de Zeeuwse dijken.

De opwarming van de aarde had mijn roze bubbel van kosmische vrede gecreëerd — en liet die bijna gelijktijdig weer uiteenspatten. Het is wetenschappelijk bewezen dat CO2-uitstoot de hoofdoorzaak is van klimaatverandering. Zelfs volgens gematigde scenario's zal de opwarming tegen het einde van deze eeuw rampzalige gevolgen hebben die de mondiale beschaving op haar grondvesten zullen doen wankelen. Toegegeven, de aarde is eerder opgewarmd en afgekoeld, maar zulke cycli namen miljoenen jaren in beslag. Nu bereiken we binnen tweehonderd jaar niveaus die in het verleden tot massa-uitstervingen hebben geleid.

Als we onze uitstoot niet drastisch verminderen, stijgt de gemiddelde temperatuur tegen 2100 met 3 tot 5 graden. Het arctisch ijs smelt versneld, de zeespiegel stijgt, kustgebieden overstromen. Kleine eilandstaten zullen verdwijnen. Extreme weersverschijnselen nemen toe en brengen de voedselvoorziening in gevaar. Gletsjers smelten, rivieren drogen op, drinkwater raakt op. Uitgestrekte gebieden worden onbewoonbaar. Het gevolg: miljoenen klimaatvluchtelingen. Europa worstelt nu al met een vluchtelingencrisis, maar het aantal klimaatvluchtelingen zal die doen verbleken. Het resultaat: politieke conflicten, instabiliteit, oorlog.

Maar zelfs toen mijn roze bubbel werd doorgeprikt, bleef het liefdevolle bewustzijn van kosmische eenheid bij mij. Sterker nog: het werd des te belangrijker. Want non-dualisme zou wel eens de spirituele stimulus kunnen zijn die mensen tot collectieve actie aanzet. Niet alleen om klimaatverandering aan te pakken, maar ook om armoede, oorlog, racisme en extreme ongelijkheid te bestrijden. Wat is inspirerender dan te beseffen dat jij, een schijnbaar afgescheiden individu, in werkelijkheid niet afgescheiden bent? Dat jij en de ander hetzelfde zijn — hetzelfde lijdende wezen dat lijdt omdat het nog niet beseft dat het één is? Wat bevordert mondiale verantwoordelijkheid en solidariteit beter dan de wetenschap dat jij en de wereld één zijn?

Kosmisch versus akosmisch non-dualisme

Hier is echter een belangrijk onderscheid nodig: dat tussen kosmisch en akosmisch non-dualisme. 'Akosmisme' betekent in de filosofie de ontkenning van de realiteit van de alledaagse, empirische wereld van veelheid. Het universum lijkt te bestaan uit talloze individuele objecten — atomen, bomen, mensen, planeten, sterren. Volgens het akosmisme is die veelheid uiteindelijk onwerkelijk, een loutere verschijning of illusie.

Non-duale filosofen zijn hier vaak toe geneigd: als de werkelijkheid één geheel is, moet de wereld van veelheid wel onwerkelijk zijn. Zulke akosmische vormen van non-dualisme gaan vaak gepaard met een ascetische ethiek van wereldverzaking. Om verlichting te bereiken moet het individu de empirische wereld achter zich laten — alleen dan realiseert hij het bevrijdende inzicht in 'het Ene' dat als enige werkelijk bestaat. Dit akosmisme vind je in het Oosten bij uitstek in de Advaita Vedanta en in mindere mate het Boeddhisme, en in het Westen bij denkers als Parmenides, Spinoza, Schelling en Bradley. (De term ‘akosmisme’ is overigens oorspronkelijk bedacht door de Duitse filosoof Jacobi in zijn bijtende kritiek op Spinoza’s substantie-monisme, waarin de wereld van verschillende individuen geheel lijkt te verdwijnen, aldus Jacobi.)

Daartegenover staat het 'kosmisch non-dualisme': een positie die de fundamentele eenheid van de werkelijkheid wel erkent, maar tegelijk de realiteit van de empirische wereld niet ontkent. De kosmos wordt gezien als een werkelijke manifestatie van het Ene. Voor kosmisch non-dualisme verschijnt het Ene áls de wereld van veelheid: de werkelijkheid is een eenheid-in-verscheidenheid, een geïntegreerd geheel met innerlijke complexiteit — niet een soort ‘blob’ van ongedifferentieerde eenheid, waar het akosmisch non-dualisme naar neigt. Daarom neigt het kosmisch non-dualisme niet tot wereldverzaking maar tot wereldbevestiging: een viering van het bestaan als manifestatie van het goddelijke. Verlichting wordt niet bereikt door de wereld te verwerpen, maar door haar te omarmen als je eigen Zelf. Dat leidt tot actieve betrokkenheid bij de wereld in plaats van afzijdigheid.

In het Oosten vind je dit in de oorspronkelijke Vedanta van de Upanishads en vooral in het Shivaïstisch Tantrisme. In het Westen bij het Neoplatonisme van Plotinus — die de extreme wereldverzaking van het gnosticisme verwierp — en bij Hegel, die zijn absolute idealisme deels ontwikkelde in kritiek op Schellings akosmisme.

De ethische waarde van kosmisch non-dualisme

Kortom, als we non-dualisme willen gebruiken om mondiale solidariteit te bevorderen, dan hebben we de kosmische versie nodig, niet de akosmische — die neigt juist tot een nihilistische onverschilligheid tegenover de wereld. Dat blijkt treffend uit Robert Pirsigs Zen and the Art of Motorcycle Maintenance, waarin de hoofdpersoon Phaedrus een college Oosterse filosofie volgt bij een professor met een voorliefde voor Advaita Vedanta:

"Toen de professor voor de vijftigste keer begon uit te wijden over het illusoire karakter van de wereld, stak Phaedrus zijn hand op en vroeg ijskoud of de atoombommen die op Hiroshima en Nagasaki waren gevallen dan ook illusies waren. De professor glimlachte en zei ja."
(Pirsig 1999, p. 144)

Precies daarom is het verschil tussen kosmisch en akosmisch non-dualisme zo cruciaal. Een activistische ethiek van universele solidariteit is precies wat onze lijdende wereld nodig heeft, verscheurd als zij wordt door steeds diepere verdeeldheid: tussen bezitters en bezitslozen, tussen etnische groepen, tussen seculiere samenleving en fundamentalisme, tussen massa en individu, tussen rechtspopulisme en een onverschillige politieke elite, tussen economische groei en een weerloze natuur die stikt in de vuilnisbelt die die groei produceert.

Dit zijn mondiale problemen die mondiale oplossingen vereisen — en dus ook mondiale solidariteit. Vandaar het ethische belang van kosmisch non-dualisme. Zodra de scheiding tussen zelf en ander overwonnen is, kun je niet langer onverschillig blijven voor lijden en onrecht. Je moet handelen, simpelweg omdat je in het helpen van anderen jezelf helpt — niet direct je individuele zelf, maar je onderliggende Zelf, de creatieve essentie van het universum waarvan alles en iedereen deel is. De non-duale leraar Jeff Foster zegt het zo:

"Het is mijzelf in Myanmar, het is mijzelf in de aardbeving. Het is mijzelf die honger lijdt in Afrika. Mensen horen de boodschap van non-dualiteit en denken dat het gaat om achterover leunen en niets doen... Maar eenheid herkent zichzelf in het gezicht van dat hongerende kind en kan zich in beweging zetten om zichzelf te helpen, niet uit medelijden, niet omdat je een goed mens moet zijn. Het komt niet voort uit een opgelegde moraal. Maar in het zien dat het allemaal Eén is, beweegt het zich om zichzelf te helpen." (Jeff Foster in Gilbert 2011, p. 37)

Laten we dus hopen dat de opwarming van de aarde ten minste dit positieve gevolg heeft: een mondiaal smelten van het ego, en daarmee een mondiale omarming van non-dualistische manieren van denken en ervaren. Dan hebben we een kans om onze problemen samen aan te pakken, als één mensheid, in harmonie met elkaar en met onze planeet. Dat dit niet helemaal speculatief is, blijkt uit de non-duale leer dat het ego een soort 'contractie' is van het kosmische geheel tot een schijnbaar afgescheiden individu — een samentrekking die zich lichamelijk uit in samengetrokken, gespannen spieren. Als kou ons lichaam doet samentrekken, zou warmte ons dan ook lichamelijk én mentaal kunnen doen ontspannen? Geest en lichaam zijn immers één. Misschien dat non-dualiteit daarom juist in de warmere delen van India ontstond. Laten we hopen dat de opwarming van de aarde wereldwijd een soortgelijk effect zal hebben.

Om & vrede!

Referenties

Gilbert, Eleonora (2011), Conversations on Non-Duality: Twenty-Six Awakenings. Cherry Red Books.
Pirsig, Robert M. (1999 [1974]), Zen and the Art of Motorcycle Maintenance. London: Vintage.
Wallis, Christopher D. (2013), Tantra Illuminated: The Philosophy, History, and Practice of a Timeless Tradition.
Boulder, CO: Mattamayura Press.

 

Het mysterie van Māyā

Dit artikel is eerder verschenen in: InZicht, jaargang 24, nr. 4, november 2022.

Commentaar bij verzen 109-125 van de Viveka Chudamani in de vertaling van Philip Renard, Bevrijding, Samsara, Amsterdam, 2022.

Verzen 109-125 van de Viveka Chudamani gaan over Māyā, de kracht van illusie, van onwetendheid (avidyā), dat wat ervoor zorgt dat we niet onze ware natuur van puur Bewustzijn zien maar ons identificeren met het individu dat we denken te zijn. Māyā is datgene wat opgeheven of doorzien moet worden wil het zien van de eigen natuur, het Zelf, en daarmee Bevrijding mogelijk zijn (zie bijvoorbeeld vers 125).

Viveka Chudamani is een kerntekst van de Advaita Vedanta in de traditie van Shankara (ca. 700-750). In dit commentaar wil ik Māyā echter niet alleen vanuit Shankara's Advaita belichten maar ook vanuit een alternatieve Hindoe-traditie, de non-duale Tantra van het Kasjmir Shivaïsme, dat zich parallel aan de Advaita Vedanta ontwikkeld heeft. Hoewel er kruisbestuivingen over en weer zijn geweest, werkt juist het contrast tussen deze tradities verhelderend.

Waar in Shankara's Advaita de neiging bestaat om Māyā uitsluitend negatief te bejegenen – als een rampzalige illusie die nauw samenhangt met gebondenheid aan het lichaam – daar wordt Māyā in de non-duale Tantra juist positief gewaardeerd als belichamende manifestatie van Shiva, dwz. van het Bewustzijn zelf. Māyā is de kracht (shakti) van Shiva om aan Zichzelf te verschijnen in de vorm van het Heelal. Māyā wordt dan mythologisch voorgesteld als de godin Shakti (gekend onder namen als Devi, Parvati en Kali), de geliefde van Shiva – bekende goden in het Hindoe-pantheon, maar in de non-duale Tantra staan zij voor complementaire aspecten van het Absolute: het waarnemende Bewustzijn en zijn Vermogen om waarneembare vormen aan te nemen.

Ascetisme vs bhoga-yoga

In de Tantra belichaamt Shiva zich in Shakti, zijn Kosmische Lichaam waar onze individuele lichamen onderdeel van zijn. Vandaar de positieve waardering die er in de Tantra aan het lichaam gegeven wordt als de "Tempel van het Bewustzijn" die, via lichamelijke yoga, de uitgelezen toegang biedt tot Zelfrealisatie. In Shankara's Advaita is de binding met het lichaam juist het eerste waar de zoeker mee moet breken. Zo bevat de Viveka Chudamani tal van tirades tegen het "walgelijke lichaam", maar deze passages zijn door Philip Renard – helaas? – niet in zijn vertaling opgenomen.

Dit verschil tussen Advaita en Tantra hangt samen met het feit dat Advaita, zeker in de traditie van Shankara, een streng ascetische klooster-traditie was waar van monniken werd verwacht dat zij celibatair leefden en al hun banden met de wereld verbraken – alleen zo zou de macht van Māyā gebroken en het ware Zelf gezien kunnen worden. De non-duale Tantra daarentegen was van meet af aan geen wereldverzakende traditie maar een grihastha- oftewel gezinshoofd-traditie, waar het spirituele pad was toegesneden op mensen die vol aan het leven deelnemen, met alle wereldlijke geneugten, verplichtingen en ellende vandien. Moest Shankara's advaitin zich van het wereldse genieten (bhoga) afkeren, in de Tantra werd dit genieten een integraal onderdeel van yoga als het pad naar Verlichting (bhoga-yoga).

Graatje in de keel

Māyā duidt op een breed herkenbaar probleem – een mysterie eigenlijk – waar in álle non-dualistische en monistische spiritueel-filosofische tradities mee geworsteld wordt, zowel in het Oosten als in het Westen (waar het bekendstaat als "het probleem van het Ene en het Vele"). Als de absolute Werkelijkheid één ongedeeld en oneindig Geheel is, waarom is er dan ook een veelheid van eindige, individuele dingen? Of als die veelheid een illusie is, waarom is de illusie er dan? Hoe kan er naast de absolute Eenheid ook nog de verschijning of schijn van veelheid zijn? Waarom is er naast Brahman ook nog Māyā?

Vooral in de Advaita Vedanta komt dit probleem in alle duidelijkheid naar voren door de extreme visie op de absolute Werkelijkheid als Nirguna Brahman, dwz. Brahman zonder enige eigenschap (nir-guna). Hier wordt Brahman gezien als het Atman op zich, het Kennende zonder het gekende, leeg en onveranderlijk Bewustzijn, zonder enig object. Zoals Shankara in zijn commentaar op de Brahmasoetra's zegt: Brahman is "puur Bewustzijn, zich niet bewust van iets in het bijzonder" – een visie die in nirvikalpa samādhi 'ervaren' wordt als ultieme Werkelijkheid.

Maar als dát de absolute Werkelijkheid is, dan rijst vanzelf de vraag: waar komt het gekende dan vandaan? Wat verklaart het bestaan van het veranderlijke object dat aan het Bewustzijn verschijnt, de wereld van verschil? Het Bewustzijn zelf kan daarvan niet de oorzaak zijn, aldus Advaita, want het oorzaak-zijn zou een aantasting betekenen van Brahmans onveranderlijkheid, eigenschapsloosheid, verschilloosheid en relatieloosheid. Het Niet-iets kán geen oorzaak van iets anders zijn, want dan zou het een iets worden (namelijk een oorzaak verschillend van z'n gevolg). Hier rest de Advaita Vedanta weinig anders dan het object tot storende illusie, tot Māyā te verklaren.

Een illusie die stoort omdat zij het zicht beneemt op de ware natuur van het Zelf, het pure Bewustzijn. Daarom moet Māyā doorzien en opgeheven worden, wil Bevrijding mogelijk zijn (en het ascetisme van Shankara's Advaita past daar goed bij).

Maar de illusie stoort óók omdat zij eigenlijk niet past in de extreme, sublieme visie van Advaita. Als de wereld van verschil illusie is, vanwaar dan deze illusie? Hierbij geldt al helemaal dat Brahman er niet de oorzaak van kan zijn, want hoe kan het Kennende ooit de bron van onwetendheid zijn, hoe kan het Licht van het Bewustzijn ooit duisternis voortbrengen? Ook kan Advaita dit probleem niet oplossen door Māyā te verklaren als een vergissing van het individu, want ook zíjn bestaan is illusoir en dus onderdeel van Māyā.

Vandaar de "ontologische thuisloosheid" van Māyā in de Advaita Vedanta, dwz. het feit dat er voor Māyā geen plek is in de Werkelijkheid. Māyā is de vreemde eend in de bijt van Advaita: het kan eigenlijk niet bestaan maar het is er toch. Daarom wordt Māyā in de Advaita Vedanta traditioneel gezien als zonder begin (anadi) want zonder oorzaak (hoewel het wel ten einde komt in de Bevrijding), als "niet-bestaand en ook niet niet-bestaand" (zie bijvoorbeeld vers 111 van de Viveka Chudamani), als onbegrijpelijk (acintya) en ondefinieerbaar (anirvacaniya).

Māyā is het graatje dat blijft steken in de keel van Brahman als het de wereld van verschil verzwolgen heeft.

Zelf-verduisterend Licht

De non-duale Tantra van het Kasjmir Shivaïsme maakt hier de tegenovergestelde keuze: het plaatst Māyā midden in de absolute Werkelijkheid van het Bewustzijn. Is het Absolute voor Advaita louter a-bheda (zonder verschil), voor Tantra is het bhedābheda: verschilloos en verschillend tegelijk.

Daarmee is niet gezegd dat Tantra het Māyā-probleem 'oplost', want dat kan niet: de relatie tussen het Verschilloze en de wereld van verschil blijft een mysterie. Advaita omarmt de paradox door de "ontologische thuisloosheid" van Māyā te accepteren. Tantra omarmt de paradox ook maar op tegengestelde wijze: door te accepteren dat het tijd- en verschilloze Ene zich manifesteert als de veranderlijke wereld van veelheid en verschil.

Is het Absolute voor Advaita onveranderlijk en eigenschapsloos, voor Tantra is het een eindeloos wordingsproces (satatodita), een continue "trilling" (spanda) tussen veruiterlijking en verinnerlijking. Het Bewustzijn objectiveert zichzelf en splitst zich zo in subject (cit) en object (acit), waarnemer en waargenomene, Shiva en Shakti. Aldus Abhinavagupta (ca. 950-1016), de grootste leraar van het Kasjmir Shivaïsme: "De Hoogste Heer, die wezenlijk Bewustzijn is, maakt Zichzelf tot een gekend object, hoewel het geen gekend object is, want de Kenner is ongedeeld."

In de beleving van Tantra speelt het Bewustzijn zo een spel (krīdā) met zichzelf, een eindeloos spel van Zelf-verberging en Zelf-herkenning. Het speelt als het ware 'verstoppertje' met zichzelf, waarbij Shiva zich in de samsarische wereld 'kwijtraakt' om zich daarin steeds weer terug te vinden, om zo de "hemelse nectar" (amrita) van z'n eigen essentie keer op keer te proeven en de oneindige rijkdom van z'n oneindige creativiteit te kunnen bewonderen en aanbidden.

Het doel van de tantrika is om zich volledig aan dat goddelijke Spel over te geven. Onwetendheid, als het niet-zien (a-vidya) van non-dualiteit, is dan geen jammerlijke dwaling meer die voor eens en altijd opgelost moet worden zoals in Shankara's Advaita, maar een steeds weer terugkerende fase in het eindeloze Spel van Zelf-verlies en Zelf-herkenning.

Het paradoxale van Tantra komt hier duidelijk naar voren: wat wezenlijk geen object is, de Kenner van alle objecten, maakt zichzelf tot object. Advaita is hier in zekere zin zuiverder, omdat het strikt uitgaat van de niet-objectiveerbaarheid van het Bewustzijn – met als gevolg dat het met Māyā als onverteerbare rest in de maag blijft zitten. Daartegenover kan Tantra Māyā zien als volwaardige manifestatie van het Absolute – maar alleen ten koste van de paradox dat het niet-objectiveerbare Bewustzijn voor Zichzelf object wordt. Hoe je het ook wendt of keert, Māyā blijft een mysterie.