Showing posts with label klassenmaatschappij. Show all posts
Showing posts with label klassenmaatschappij. Show all posts

Marcuse en de ambiguïteit van het neoliberalisme


Helaas heeft Marcuse de politiek-economische betekenis van de neoliberale wending nooit kunnen analyseren: hij overleed in 1979, het jaar waarin Thatcher – de iron lady van het neoliberalisme – premier werd, dus net te vroeg om de neoliberale wending mee te maken. Het is een interessante en niet zo gemakkelijk te beantwoorden vraag hoe Marcuse over het neoliberalisme geoordeeld zou hebben. Zou hij de terugkeer van klassenstrijd in de neoliberale wending geduid hebben als de bijl aan de wortel van de eendimensionale maatschappij? Of zou hij het neoliberalisme juist gezien hebben als ultieme consequentie en bevestiging van de eendimensionale maatschappij? Dat laatste ligt voor hand voorzover het neoliberalisme gepresenteerd werd als het definitieve einde van klassenstrijd en van het socialistische alternatief. Met Thatchers beruchte TINA-uitspraak uit 1980 – “There is no alternative”, dé mantra van het neoliberalisme – werd immers de eendimensionaliteit van het heersende bewustzijn min of meer tot officieel beleid uitgeroepen.


Van Keynesiaanse naar neoliberale consensus
Voor Marcuse was het klassencompromis van de Keynesiaanse verzorgingsstaat de economische basis van de eendimensionale maatschappij. Het was deze “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid binnen de sterke staat” waardoor kapitalisten, werknemers en bestuurders een gedeeld belang hadden bij het bevorderen van de status quo van de welvaartsmaatschappij (Marcuse 2023: 26). In zekere zin culmineerde deze verstandhouding in het neoliberalisme, zeker na de ineenstorting van het Sovjet-communisme rond 1990 toen de ideologische fundamenten van socialistisch links definitief leken weg te vallen.


Het brede gevoelen in het Westen was dat het politiek-economisch systeem van liberale democratie en kapitalisme de strijd der ideologieën had gewonnen en met de globalisering een post-historisch ‘Duizendjarig Rijk’ van vrede, vrijheid en welvaart voor iedereen zou brengen. Fukuyama sprak in die zin triomfantelijk van het “Einde van de Geschiedenis”. Tekenend voor de neoliberale consensus was dat ook (gematigd) links meeging in dit “post-ideologische” narratief, met name de Amerikaanse Democraten onder Clinton en het Britse Labour onder Blair. De sociaal-democratie “schudde de ideologische veren af”, zoals PvdA-leider Wim Kok destijds zei, en omarmde het neoliberale kapitalisme als the only game in town. Daarmee leek de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal voorbij: wat goed was voor het kapitaal, was ook goed voor de werkende klasse. En in de jaren ‘90 leek dat aanvankelijk ook zo. Het exuberante consumentisme van de roaring nineties – toen de neoliberale bomen tot de hemel leken te groeien (zie Stiglitz 2003) – was de ultieme bevestiging van Marcuse’s angst dat “welvaartsbeneveling” elk kritisch bewustzijn kan verdoven (Marcuse 2022: 17). 


Maar na het feestje kwam de kater. Zoals bekend impliceerde de neoliberale wending in menig opzicht een terugkeer van klassenstrijd, in die zin dat de relatieve machtspositie van de werkende klasse drastisch verslechterde ten faveure van het kapitaal (wat we bijvoorbeeld terugzien in de al decennia dalende arbeidsinkomensquote, dwz. het aandeel van de werkende klasse in het BBP; zie Kuin & Linssen 2025: 25-27). Daarmee zijn ook klassieke vormen van kapitalistische arbeidsexploitatie in het Westen teruggekeerd (zie Standing 2011). Het neoliberale narratief van het “einde van de klassenstrijd” vanwege het “gedeeld belang” van arbeid en kapitaal bleek de perfecte ideologische smoes waaronder kapitalistische elites hun eigen klassenstrijd konden voeren, tegen de collectieve belangen van de werkende klasse, die daardoor in toenemende mate met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Zoals miljardair Warren Buffett in 2006 openlijk bekende: “Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” (Buffett in Stein 2006)


Deze verslechterende sociaal-economische positie van de werkende klasse heeft – zeker vanaf de bankencrisis van 2008 – geleid tot groeiende onvrede en politieke polarisatie in westerse maatschappijen. Voorzover echter de neoliberale wending ook bij de werkende klasse tot een hernieuwd klasse-bewustzijn heeft geleid, blijft dit bewustzijn vooralsnog beperkt tot linkse minderheden, zoals de vakbonden, de socialistische en sociaal-democratische partijen (voorzover zijn inmiddels van hun flirt met het neoliberalisme bekomen zijn), en de ecologische, feministische en antiracistische actiegroepen (voorzover zij niet door een eenzijdige focus op identiteitspolitiek van klassenpolitiek afgehouden worden). De meerderheid van de werkende klasse lijkt echter vooralsnog trouw te blijven aan het heersende systeem, verleid door de rechtspopulistische of zelfs fascistische strategie om de groeiende crises en contradicties binnen het systeem af te wentelen op zondebokken zoals migranten en de ‘linkse elite’. Maar deze opkomst van radicaal-rechts getuigt op haar manier ook van de groeiende dissensus in westerse maatschappijen ten gevolge van de neoliberale wending (zie Virdee 2024). 


Al met al kunnen we concluderen dat de latente klassenstrijd, die altijd onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij is blijven smeulen (zie onder), door de neoliberale wending aan de oppervlakte is gekomen. Klassenstrijd is daarmee opnieuw een centrale bron van kritische tweedimensionaliteit geworden, zodanig dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij nu in groeiende polarisatie ten onder gaat. In die zin kunnen we inderdaad spreken van de neoliberale terugkeer van de tweedimensionale mens


Naast en in samenhang met de neoliberale wending moeten we daarbij ook wijzen op de ontwrichtende gevolgen van de escalerende klimaatcrisis als gevolg van de kapitalistische verslaving aan fossiel aangedreven economische groei. Ook deze ontwrichtende gevolgen jagen de publieke onvrede en daarmee de desintegratie van de eendimensionale maatschappij aan. Uiteraard kunnen we dit niet los zien van de neoliberale wending, omdat de escalatie van de klimaatcrisis tijdens de afgelopen decennia nauw samenhangt met de ongeëvenaarde groeispurt van de wereldeconomie door de neoliberale globalisering (de Great Acceleration), alsook door het neoliberale “marktfundamentalisme” waardoor milieu-overwegingen naar de achtergrond zijn gedrongen.


Ook hierbij kunnen we spreken van een neoliberale intensivering van klassenstrijd, in die zin dat de oorzaken en gevolgen van de klimaatcrisis grotendeels langs klasse-lijnen zijn verdeeld: waar de rijken het meeste profiteren van de economische groei en zodoende bovengemiddeld bijdragen aan de klimaatcrisis, daar zullen de ontwrichtende ecologische gevolgen – zoals ondraaglijke hittegolven, voedsel- en drinkwater-tekorten, overstromingen door flash floods, een stijgende zeespiegel etc. – vooral bij de niet-rijken terecht komen, en dan vooral bij de allerarmsten in het Mondiale Zuiden. Ook de klimaat-problematiek is doortrokken van klassenstrijd – zoals de vermoordde Mexicaanse socialist en milieu-activist Chico Mendes zei: “Ecologie zonder klassenstrijd is niets meer dan tuinieren.”


Neoliberale zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij

De ambivalentie van de neoliberale wending in het licht van Marcuse’s Kritische Theorie wordt nu duidelijk. Enerzijds was de neoliberale wending een voortzetting van de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij; de door Marcuse (2023: 26) kritisch gesignaleerde “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid” culmineerde in de neoliberale consensus dat kapitaal en arbeid hetzelfde belang hebben bij gedereguleerd kapitalisme. Tegelijk echter leidde de neoliberale wending tot een drastische verslechtering van de machtspositie van de werkende klasse tegenover het kapitaal en daarmee tot een heropleving van klassenstrijd en politieke polarisatie. In die zin kunnen we stellen dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij via de neoliberale wending haar hand heeft overspeeld en zichzelf heeft ondermijnd.


Opmerkelijk genoeg heeft Marcuse zelf de mogelijkheid van deze zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij al voorzien, althans tot op zekere hoogte. In het Politiek voorwoord bij de tweede editie van Eros en cultuur uit 1966 (twee jaar na publicatie van De eendimensionale mens) wijst hij op de mogelijkheid dat de eendimensionale maatschappij – hoewel schijnbaar onaantastbaar – aan haar eigen succes ten onder zou kunnen gaan. Dit is een opmerkelijke passage die haaks staat op Marcuse’s gewoonlijke pessimisme ten aanzien van de eendimensionale maatschappij, die intern zo sterk georganiseerd zou zijn dat radicale verandering alleen van buitenaf zou kunnen komen, zoals in de vorm van oppositionele randgroepen (zie Marcuse 2023: 81). Hier echter oppert Marcuse de mogelijkheid dat het juist de eendimensionaliteit zelf is die deze maatschappijvorm van binnenuit aan het wankelen kan brengen:   


“Wie zich bevrijdt van illusies over de toekomst, beseft dat in de moderne welvaartsmaatschappij het volk, althans de meerderheid van het volk, aan de kant staat van wat is, niet aan de kant van wat mogelijk kan zijn, of zou moeten zijn. [...] Toch is de situatie niet uitzichtloos. Wie zich bevrijdt van moedeloosheid over de toekomst, beseft dat misschien juist de kracht en efficiëntie van de bestaande orde de oorzaken zullen worden van de desintegratie ervan.” (Marcuse 2022: 27)


Marcuse wijst hier op de inherente contradicties van het kapitalisme, die door de sluier van de eendimensionaliteit weliswaar verdekt worden, maar daardoor ook ongemerkt kunnen voortwoekeren en zodoende het systeem van binnenuit kunnen destabiliseren. Hij wijst in dit verband onder andere op het desintegrerende effect van de “steeds toenemende verspilling van natuurlijke hulpbronnen” (ibidem), waarmee Marcuse tot op zekere hoogte anticipeerde op de escalerende milieuproblematiek en bredere ecologische crisis als aanjagers van maatschappelijke dissensus. Hoewel de klimaatcrisis soms geïnterpreteerd wordt als een externe bedreiging voor het systeem (in de vorm van toenemende ‘natuurrampen’) is het in feite een bedreiging die het systeem van binnenuit genereert (door uitstoot van broeikasgassen). 


In zekere zin kunnen we de neoliberale wending ook zo interpreteren: als een endogene desintegratie van de eendimensionale maatschappij. Ook al heeft Marcuse zelf deze mogelijkheid niet expliciet opgemerkt, hij bleef de eendimensionale maatschappij zien als een klassenmaatschappij waar de klassentegenstelling van arbeid en kapitaal verdekt bleef voortwoekeren. Ondanks het Keynesiaanse klassencompromis werd in zijn ogen óók de eendimensionale maatschappij nog steeds gedomineerd door de economische belangen van kapitalistische elites. De maatschappij was slechts eendimensionaal in die zin dat het klasse-karakter ervan effectief verborgen bleef onder een ideologische sluier van massa-consumentisme, massamedia-propaganda, repressieve tolerantie en het ‘gedeelde belang’ van arbeid en kapitaal bij economische stabiliteit en welvaartsgroei:

“Ongetwijfeld blijft zelfs de meest geavanceerde kapitalistische verzorgingsstaat een klassenmaatschappij en daarmee een staat van conflicterende klasse-belangen. Maar zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) 


Klassenstrijd bleef smeulen onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij. Zodoende kon de kapitalistische klasse-overheersing in de neoliberale wending – onder de eendimensionale sluier van de neoliberale consensus – in alle hevigheid opnieuw de kop op steken, met alle disruptieve gevolgen vandien. In die zin kunnen we stellen dat met de neoliberale wending (én de klimaatcrisis) de eendimensionale maatschappij haar eigen desintegratie bewerkstelligt. 


Hoewel Marcuse deze mogelijkheid – de disruptieve wederopleving van klassenstrijd binnen de eendimensionale maatschappij – niet expliciet heeft opgemerkt, valt het desintegrerende effect ervan vanuit zijn kritische theorie goed te begrijpen. Voor hem was de stabiliserende werking van de eendimensionale maatschappij immers onlosmakelijk verbonden met het Keynesiaanse aspect ervan, de nivellering van welvaart door de verzorgingsstaat. Afbraak van de verzorgingsstaat zou daarom onherroepelijk ook afbraak van de eendimensionale maatschappij betekenen: “de vooruitzichten van een beheersing van de verandering, geboden door de politiek van de technologische rationaliteit, hangen af van de vooruitzichten van de verzorgingsstaat.” (Marcuse 2023: 80) 


De nivellering van de welvaart hield de disruptieve dialectiek van klassenstrijd in toom, maar dat vereist een sterke staat die actief de kapitalistische economie beheerst: “zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) Desintegratie van de staatsmacht is echter precies waar het neoliberalisme op neerkwam: de verzorgingsstaat werd een zich terugtrekkende “nachtwakersstaat”, die steeds meer publieke taken (zoals volkshuisvesting) privatiseerde en overliet aan een steeds vrijere markt waarin het grootkapitaal domineert. Niet voor niets is de neoliberale staat steeds minder capabel om grote maatschappelijke problemen (zoals de wooncrisis) op te lossen, wat het publieke vertrouwen in de overheid verder ondermijnt.

De nivellerende verzorgingsstaat hield de machtsbalans tussen kapitaal en arbeid in evenwicht. Maar door de neoliberale wending is de machtsbalans ten faveure van het kapitaal doorgeslagen, met als gevolg dat de werkende klasse toenemend met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de vooruitgangsbelofte waar de eendimensionale maatschappij op gebaseerd was: “De hoogste belofte is een steeds comfortabeler leven voor een steeds groter aantal mensen die zich strikt genomen geen kwalitatief andere wereld van spreken en handelen kunnen voorstellen [...].” (Marcuse 2023: 56) Dat hun kinderen het nóg beter krijgen dan zijzelf is echter voor de overgrote meerderheid in het Westen allang geen vanzelfsprekendheid meer. En het is niet alleen de groeiende precariteit die deze belofte nu steeds ongeloofwaardiger maakt, ook de escalerende klimaatcrisis – die voor komende generaties het leven steeds problematischer zal maken – draagt bij aan deze algehele desillusie. 


Het gevolg is dat een toenemend aantal mensen zich nu wél een “kwalitatief andere wereld van spreken en handelen” kan voorstellen, dwz. er is een groeiend tweedimensionaal bewustzijn, waardoor de consensus van de eendimensionale maatschappij wordt opgeblazen. Zoals Marcuse zei: “De ontwikkeling van radicaal politiek bewustzijn onder de massa’s is slechts denkbaar wanneer de economische stabiliteit en de sociale cohesie van het systeem beginnen te verzwakken.” (Marcuse 1972: 59) Het cruciale punt is dat deze verzwakking door de neoliberale wending in gang is gezet.


Gebruikte literatuur

– Kuin, Ruud & Linssen, Bart (2025), Klassenstrijd 2025: Een uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP. Download: https://www.sp.nl/nieuws/wetenschappelijk-bureau-sp-presenteert-klassenstrijd-2025
– Marcuse, Herbert (1972), An Essay on Liberation. Harmondsworth: Penguin Books.
– Marcuse, Herbert (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, Herbert (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.

– Standing, Guy (2011), The Precariat: The New Dangerous Class. London: Bloomsbury.
– Stein, Ben (2006), “In Class Warfare, Guess Which Class is Winning”, in: The New York Times, november 26 2006. Zie: https://www.nytimes.com/2006/11/26/business/yourmoney/26every.html 

– Stiglitz, Joseph E. (2003), The Roaring Nineties. New York / London: W.W. Norton & Company.

– Virdee, Satnam (2024), “Living in the slipstream of defeat: neoliberalism and the far-right”, in: International Politics, 20 August 2024, Volume 62, pp. 487-494. 




Klassenstrijd, fascisme en zondebokpolitiek in de Kritische Theorie

 

De neoliberale intensivering van de klassenstrijd vertaalt zich vooralsnog niet naar hernieuwd klassenbewustzijn bij de werkende klasse, ondanks het feit dat deze klasse – door de verslechterde positie tegenover het kapitaal – geconfronteerd wordt met toenemende precariteit. Daardoor nemen wel de algehele onvrede, het wantrouwen in de politiek en de polarisatie toe, en in die zin is er – in Marcuse’s terminologie – groeiend “tweedimensionaal” bewustzijn, maar dit gaat nog niet zo ver dat het kapitalistisch systeem als zodanig in twijfel getrokken wordt.


Afgezien van radicaliserende linkse minderheden, blijft de meerderheid van de werkende klasse zich eendimensionaal met de bestaande economische orde vereenzelvigen. In die zin kunnen we spreken van gefnuikt tweedimensionaal klassenbewustzijn – iets dat met name duidelijk wordt in de populariteit van het complotdenken, waarin enerzijds de bestaande orde kritisch wordt ‘ontmaskerd’, maar anderzijds deze kritische impuls meteen geneutraliseerd wordt door het aanwijzen van imaginaire schuldigen, van een vermeende links-satanistisch-pedofiele deep state tot en met buitenaardse reptilians die een menselijke gedaante aan zouden kunnen nemen en dan verrassend vaak als rijke invloedrijke Joden verschijnen; de Rothschilds zouden hun aanvoerders zijn, aldus complotdenker David Icke.


Daarmee wijst het complotdenken op de bredere strategie van zondebokpolitiek die het rechtspopulisme en neofascisme inzetten om het groeiende tweedimensionale bewustzijn te neutraliseren, om de bestaande machtsverhoudingen in stand te houden of zelfs te versterken (niet voor niets zijn de populaire complottheorieën standaard van radicaal-rechtse signatuur). De groeiende onvrede onder de werkende klasse wordt expliciet erkend en benoemd, maar afgewenteld op zondebokken als migranten, moslims en de linkse elite met haar “woke-” en “trans-ideologie” – waardoor de neoliberale wending als achterliggende oorzaak van de verslechterende positie van de werkende klasse buiten zicht blijft. De neofascistische zondebokpolitiek kanaliseert de groeiende onvrede zodanig dat de kapitalistische machtsverhoudingen buiten schot blijven.    


Fascisme en antisemitisme volgens de Kritische Theorie
Om dit proces te begrijpen blijft de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule met haar analyses van het fascisme en antisemitisme uiterst actueel. De Kritische Theorie ontstond uit het falen van het klassieke marxisme, toen in de jaren ‘20 en ‘30 de westerse arbeidersklasse niet revolutionair werd maar juist onder invloed kwam van burgerlijke en fascistische ideologieën. De verklaringen die de Frankfurters daarvoor gaven, kunnen nu nagenoeg naadloos toegepast worden op de opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme (net zoals Marcuse’s theorie van surplus-repressie naadloos past op de huidige opkomst van een conservatievere seksuele moraal; zie hier). Zoals wij nu de opkomst van radicaal-rechts moeten zien in het licht van de neoliberale wending en de daaruit volgende verslechterende positie van de werkende klasse, zo was destijds voor de Frankfurters duidelijk dat het fascisme begrepen moest worden vanuit de crisis van het laissez-faire kapitalisme, dat na de roaring twenties ontspoorde in de Great Depression van de jaren ‘30 (een situatie die in het verslagen Duitsland nog verergerd werd door de astronomische herstelbetalingen aan de geallieerden). 


“Wie niet over het kapitalisme wil spreken, zou ook over het fascisme moeten zwijgen”, aldus Horkheimer (1939: 115), waarmee hij doelde op de maatschappelijke functie van het fascisme als neutralisatie van de volkswoede die door de crisis van het kapitalisme was ontstaan. Het fascisme zorgde ervoor, aldus Horkheimer, dat die volkswoede zich niet tegen het kapitalisme keerde (wat met de opmars van het Bolsjewisme een reëel gevaar was), maar zodanig werd gekanaliseerd dat de kapitalistische machtsverhoudingen buiten schot bleven. Niet voor niets kozen de Duitse industriëlen grotendeels de kant van Hitler (net zoals we recent de Amerikaanse Tech-sector zich achter Trump hebben zien scharen). Cruciaal daarvoor was de zondebokpolitiek van het antisemitisme, waarmee de maatschappelijke onvrede op de Joden kon worden afgewenteld. Met name Horkheimer en Adorno hebben in het antisemitisme-hoofdstuk van hun Dialectiek van de Verlichting deze maatschappelijke functie van de Jodenhaat geanalyseerd. 


Het geweld tegen de Joden kanaliseerde de volkswoede die door de crisis van het kapitalisme was ontstaan: “De Joden vormen vandaag de dag de groepering die zowel praktisch als theoretisch de vernietigingswil aantrekt, die door de verkeerde maatschappelijke orde wordt geproduceerd.” (Horkheimer & Adorno 2022: 183) Door hun traditionele discriminatie in christelijk Europa en uitsluiting van het gildesysteem, waren de Joden economisch veroordeeld tot tussenhandel en geldhandel: “De handel was niet zijn beroep, maar zijn noodlot.” (idem: 190) Dat maakte ‘de Jood’ tot een voor de hand liggend doelwit van de volkswoede. Voorzover mensen aanvoelden dat hun malaise te wijten viel aan het kapitalisme, kon men de schuld leggen bij ‘de Joodse geldwoekeraar’ – waardoor de eigenlijke bron van uitbuiting, de ongelijke machtsverhouding tussen arbeider en kapitalist in het productieproces, buiten zicht bleef:


“Op basis van zijn bezit aan machines en materiaal dwong hij [de kapitalist] af dat de anderen produceerden. Hij noemde zich de producent, maar wist net als ieder ander heimelijk hoe de vork in de steel zat. De productieve arbeid van de kapitalist was [...] de ideologie die de essentie van het arbeidscontract en de schraapzucht van het economisch systeem in het algemeen toedekte. / Daarom schreeuwt men: ‘Houdt de dief’, en wijst de Jood aan. Hij is inderdaad de zondebok [...] in de omvattende zin dat hem het economisch onrecht van de hele klasse ten laste wordt gelegd.” (Idem: 188-189)


Zo fungeerde het antisemitisme als afleiding en afwenteling van de oplaaiende klassenstrijd, die de kapitalistische machtsverhoudingen bedreigde. Iets soortgelijks zien we nu gebeuren, bijvoorbeeld ten aanzien van de wooncrisis die door radicaal-rechts geweten wordt aan de ‘instroom’ van asielzoekers die ‘onze woningen inpikken’, waarmee de neoliberale vermarkting van de volkshuisvesting als achterliggende oorzaak wordt verdoezeld. 


Uiteraard speelt het antisemitisme nu een veel minder belangrijke rol dan destijds, al moet erkend worden dat Jodenhaat nog steeds springlevend is in radicaal-rechtse kringen (alsook in islamistische en sommige extreem-linkse kringen trouwens). Nog steeds geldt dat voorzover het kapitalisme al als probleem wordt gezien, het gaat om een antisemitisch antikapitalisme, waarin joodse kapitalisten als George Soros en de Rothschilds als hoofdschuldigen figureren (met name in complottheorieën als QAnon en de reptilian conspiracy, waarin duidelijke echo’s doorklinken van de nazi-mythe van het zionistisch complot). Ook de ‘joodse marxisten’ van de Frankfurter Schule zijn doelwit geworden van dit radicaal-rechtse antisemitisme, voorzover hun Kritische Theorie aangewezen wordt als oervorm van het “cultuur-marxisme” dat nu als “woke-denken” de Westerse cultuur van binnenuit zou verzwakken (alsof de ontegenzeggelijke verloedering van de cultuur niets te maken heeft met de grenzeloze dynamiek van het kapitalisme). 


Over het algemeen geldt echter dat de zondebokfunctie verschoven is van Joden naar minderheden in het algemeen: asielzoekers, moslims, vrouwen, queer- en trans-mensen, “woke-links” etc. Horkheimer en Adorno wezen al op deze fluïditeit van de zondebokfunctie:

“De woede ontlaadt zich op diegene die opvalt en geen bescherming heeft. En zoals de slachtoffers onderling inwisselbaar zijn naargelang de constellatie: vagebonden, Joden, protestanten, katholieken, kan elk van die slachtoffers ook de plaats van moordenaars innemen, met dezelfde blinde lust tot doodslaan, zodra het zich norm voelt en dus machtig.” (Idem: 186)


De sadomasochistische persoonlijkheid

Waar het om gaat is dat slachtoffers zichtbaar afwijken van de maatschappelijke norm en relatief zwak en onbeschermd zijn; dat maakt hen tot geschikte zondebokken en doelwitten van de volkswoede. Hierbij speelt voor de Kritische Theorie de psychoanalytische theorie van het sadomasochisme als verklaring van de “autoritaire persoonlijkheid” een belangrijke rol. 


Zoals Fromm (1994) uitlegt, wordt de sadomasochistische driftstructuur geactiveerd in tijden van grote maatschappelijke onzekerheid: mensen voelen zich gedwongen veiligheid te zoeken door zich masochistisch te onderwerpen aan de spreekwoordelijke ‘Sterke Man’ die orde op zaken zal stellen, een zelfvernedering die vervolgens sadistisch gecompenseerd wordt door de vernedering van anderen die gelukkig nóg lager op de maatschappelijke ladder staan. In de gewelddadige overheersing van anderen deelt de autoritaire persoonlijkheid ten minste in de ongebreidelde macht van de leider aan wie hij zijn individuele macht en autonomie heeft opgeofferd. Gedreven door existentiële angst en onzekerheid vervalt de sadomasochistische persoonlijkheid in een primitieve verering van brute macht en daarmee ook in een diepe verachting van machteloosheid. De slachtoffers wekken zijn haat op juist omdat ze zwak en machteloos zijn:

“Macht fascineert hem niet vanwege de waarden waarvoor een specifieke macht zou kunnen staan, maar louter omdat het macht is. Net zoals zijn “liefde” automatisch door macht wordt opgewekt, zo wekken machteloze personen of instellingen automatisch zijn minachting op. Alleen al het zien van een machteloos persoon maakt dat hij hem wil aanvallen, domineren, vernederen.” (Fromm 1994: 166-167)


Het is de politieke machteloosheid en/of fysieke zwakte van asielzoekers, vrouwen, quer- en trans-mensen en ‘soft links’ die de walging en woede opwekken van de neofascist, die vol verering opkijkt naar de masculiene kracht en patriarchale macht van een Trump, Poetin, Andrew Tate, etc. 


Tot slot: de conservatieve demonisering van vrije seksualiteit
Het is echter niet alleen door de theorie van het sadomasochisme dat Freuds psychoanalyse deze situatie verheldert, maar ook door zijn bredere theorie van libido-repressie. Omdat (aldus Freud) het repressieve superego ontstaat door internalisering van de maatschappelijke repressie – gemedieerd door de “strenge vader” – , worden (aldus de Frankfurters) maatschappelijke machtsverhoudingen in de psychische structuur gereproduceerd. De vaak opgemerkte parallel tussen Freuds hiërarchisch model van de psyche (es-ego-superego) en de hiërarchie van de klassenmaatschappij (onderklasse-middenklasse-bovenklasse) kon volgens de Frankfurters geen toeval zijn (zie bijvoorbeeld Horkheimer en Adorno 2022: 219). Niet voor niets wordt de onderste, meest uitgebuite klasse binnen de culturele context van een repressieve klassenmaatschappij standaard voorgesteld als seksueel losbandig, pervers en gevaarlijk


Net als het duistere onbewuste, waarin de onderdrukte seksualiteit voortwoekert, wordt ook de meest onderdrukte klasse cultureel voorgesteld als donker, onbewust, onwetend, dom en dierlijk. Van de “gevaarlijke, dierlijke seksualiteit” van de zwarte slaven waar de witte slavenhouders voor waarschuwden, en van de door Malthus betreurde onbeperkte seksualiteit van de arbeidersklasse (met als gevolg een structureel “bevolkingsoverschot” en dus armoede), tot en met Wilders’ demonisering van Arabische mannen als “testosteron-bommen” – steeds fungeert de onderklasse als heersend schrikbeeld van seksuele ‘losbandigheid’ (vrijheid), die door het supero c.q. de heersende klasse onderdrukt moet worden. In het nazisme speelde het stereotype van “geile Joodse bankiers” een vergelijkbare rol (zie Horkheimer & Adorno 2022: 187).


We zien hiermee een tweede functie van het huidige conservatiever worden van de seksuele moraal aan de dag treden: het gaat niet alleen om toenemende maatschappelijke aanpassing in reactie op de toegenomen neoliberale precariteit (zoals we betoogd hebben aan de hand van Marcuse’s theorie van surplus-repressie), maar ook om de demonisering van vrije seksualiteit. Strengere libido-repressie maakt niet alleen strengere maatschappelijke aanpassing mogelijk, maar ook de seksuele demonisering van minderheden waar de misleide volkswoede zich op richt en op uitleeft.

Niet voor niets worden Arabische mannen als “testosteron-bommen” en trans-mensen als seksuele perverselingen gezien, en niet voor niets wordt de vermeende linkse elite een pedofielennetwerk in de schoenen geschoven. Daarmee staat de toegenomen conservatieve libido-repressie namelijk ook in dienst van de neofascistische zondebokpolitiek, waardoor de dreigende klassenstrijd geneutraliseerd wordt.

Gebruikte literatuur
– Fromm, Erich (1994), Escape from Freedom. New York: Henry Holt and Company.
– Horkheimer, Max (1939), “Die Juden und Europa”, in: Zeitschrift für Sozialforschung, Jahrgang VIII 1939, Doppelheft 1/2.

– Horkheimer, Max & Adorno, Theodor W. (2022), Dialectiek van de Verlichting: Filosofische fragmenten. Amsterdam: Boom.






Repressie en bevrijding bij Marx, Freud en Marcuse

In de Kritische Theorie van Marcuse speelt het begrip ‘tweedimensionaliteit’ een belangrijke rol. In deze blog-post ga ik dieper in op hoe dit begrip samenhangt met Marcuses synthese van Marx en Freud.

Klassenstrijd en kritische tweedimensionaliteit
De tweedimensionale “spanning tussen het ‘is’ en het ‘zou moeten’, tussen essentie en verschijning, potentialiteit en actualiteit” was volgens Marcuse (2023: 125) cruciaal voor de mogelijkheid van kritisch bewustzijn: “Deze aanhoudende spanning doordringt het tweedimensionale universum van het discours, het universum van het kritische [...] denken.” (Ibid.) Alleen in naam van onderdrukte mogelijkheden en utopische alternatieven kan immers een heersende werkelijkheid theoretisch bekritiseerd en – door politieke actie – praktisch getransformeerd worden.


Voor Marcuse als marxist was deze tweedimensionaliteit “materialistisch” gefundeerd in de tegenstelling tussen arbeidersklasse en kapitaal. Volgens Marx was het onderdrukte en uitgebuite proletariaat immers de “levende contradictie” binnen het kapitalisme, de maatschappelijke tegenkracht die vroeg of laat – opgejaagd door toenemende uitbuiting en Verelendung – in opstand moest komen. In de ellende en dromen van het proletariaat schemerde een utopisch alternatief door, het “spook van het communisme” dat (volgens Marx en Engels in het Communistisch Manifest) de heersende orde van het kapitalisme de stuipen op het lijf joeg.


Wat Marcuse echter begin 20ste eeuw moest constateren, samen met vele andere gedesillusioneerde westerse marxisten, was dat de revolutionaire voorspellingen van Marx niet leken uit te komen en de arbeidersklasse juist steeds verder geïntegreerd raakte in het kapitalisme: het “spook van het communisme” vervaagde en leek in niets op te lossen. Door deze graduele inkapseling van de arbeidersklasse in het kapitalisme, aldus Marcuse, ging de maatschappij over van kritische tweedimensionaliteit naar consensuele eendimensionaliteit. 


Het verraad van de sociaal-democratie

Zo brak rond 1900 in het Europese socialisme het zogenoemde revisionisme-debat uit, waarin met name de sociaal-democraat Eduard Bernstein betoogde dat de revolutionaire doelen van het marxisme beter opgegeven konden worden, omdat de arbeidersklasse beter af zou zijn met geleidelijke hervorming van het kapitalisme, door vakbondsstrijd voor hogere lonen, betere arbeidsvoorwaarden en meer politieke vertegenwoordiging. De visie van Bernstein bleek profetisch, in ieder geval voor het Westen. 


Voor de orthodoxe marxisten kwam die visie echter neer op verraad: Bernstein maakte de arbeidersklasse medeplichtig aan de uitbuiting en onderdrukking die aan het kapitalisme inherent zijn, ook in een zogenaamd ‘hervormd’ kapitalisme. De jonge Marcuse ondervond dit aan den lijve, toen hij als 20-jarige betrokken was bij de Duitse Spartacusopstand van 1919, die door de paramilitaire eenheden van het protofascistische Freikorps bruut werd neergeslagen, waarbij Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht zonder proces werden geëxecuteerd. Dit alles gebeurde met medeweten en impliciete goedkeuring van de toenmalige sociaal-democratische regering. Voor Marcuse was deze traumatische ervaring van beslissende invloed op zijn latere politiek-filosofische visie (zie Wolin 2001: 135-136). Het maakte voor hem pijnlijk duidelijk dat de sociaal-democratische integratie van de arbeidersklasse in het kapitalisme alleen maar ten koste kon gaan van het kritisch bewustzijn en de emancipatoire doelen van het marxisme.


Marx aangevuld met Freud

Voor de westerse marxisten ontstond zo echter een probleem: enerzijds wilde men vasthouden aan Marx’ kritische analyse van het kapitalisme, anderzijds moest men constateren dat Marx’ revolutionaire voorspellingen niet uit kwamen. De marxistische theorie op zich bleek niet toereikend en moest met andere theorieën worden aangevuld. De psychoanalyse van Freud leek daarvoor bij uitstek geschikt, althans volgens neomarxisten als Horkheimer en Adorno van het Institut fur Sozialforschung in Frankfurt, waar ook Marcuse in 1933 kwam te werken.

Wat volgens hen bij Marx ontbrak was een adequate cultuur-theorie en sociale psychologie. Cultuur en bewustzijn zijn volgens het marxistische “basis-bovenbouw-schema” niet meer dan passieve “afspiegelingen” van de onderliggende economische onderbouw, waarmee aan hun relatieve autonomie en inherente dynamiek echter geen recht kon worden gedaan. Zo kon niet verklaard worden waarom de arbeidersklasse soms politieke overtuigingen omarmt die haaks staan op hun sociaal-economische belangen. 


Aldus Thijs Lijster in zijn boek over de Frankfurter Schule: “Ideologie en bewustzijn – het nationalisme, gefaciliteerd door de opkomende massacultuur – waren immers bij uitstek de aanjagers geweest van maatschappelijke ontwikkelingen. Het enthousiasme waarmee een groot deel van de Europese bevolking zich aanvankelijk in het oorlogsgeweld [van de Eerste Wereldoorlog] had gestort was daarvan een voorbeeld.” (Lijster 2024: 31) Freuds psychoanalyse verklaarde wel deze eigen dynamiek van de psyche.

Vooral de verleiding van grote delen van de arbeidersklasse door het opkomend fascisme in de jaren ‘30 leek om een psychoanalytische verklaring te vragen. Zo “meenden de Frankfurters [...] dat het fascisme gekenmerkt werd door een libidinale band tussen de leider of de beweging en zijn volgers, dat wil zeggen een band die niet zozeer gebaseerd was op materiële belangen, maar op identificatie en de mate waarin men zijn onbewuste [...] wensen en verlangens op die beweging of leider kon projecteren.” (Ibid.) Deze psychoanalytische duiding van het fascisme werd met name uitgewerkt in Reichs Massenpsychologie des Faschismus (1933) en Fromms Escape from freedom (1941).


Klasse-heerschappij en libido-repressie
Bovendien leek Freuds visie op de psyche, als strijdtoneel van subversieve driften en de maatschappelijke repressie daarvan, wonderwel te passen bij de marxistische visie op de kapitalistische maatschappij als een onderdrukkend geheel. Zoals Marcuse opmerkt, leek Freud zelf deze connectie tussen psychische repressie van het libido en maatschappelijke onderdrukking te erkennen “toen hij de houding van de beschaving tegenover de seksualiteit vergeleek met die van een stam of een sociale laag van de bevolking ‘die een andere aan uitbuiting heeft onderworpen’” (Marcuse 2022: 63).

Zo leek de psychoanalyse de politiek-economische onderdrukking van het proletariaat door de bourgeoisie rechtstreeks te vertalen naar de psychisch geïnternaliseerde repressie van het libido door het Über-Ich, dat voor het individu de eisen van de samenleving vertegenwoordigt (eisen die in het burgerlijke gezin primair door de vader aan het kind werden opgelegd, wat Freuds theorie over het Oedipus-conflict tot uitdrukking bracht). 


Met die geïnternaliseerde repressie is het individu perfect aangepast aan de kapitalistische klasse-overheersing, wat vanuit psychoanalytisch oogpunt het conformisme van de arbeidersklasse zou kunnen verklaren. Als Freud vervolgens zegt: “De angst voor opstand van de onderdrukten drijft tot strengere voorzorgsmaatregelen”, blijft toepasselijk genoeg onbepaald wie of wat deze voorzorgsmaatregelen neemt: het Über-Ich of de heersende klasse? Marxistisch geïnterpreteerd doelde Freud op allebei. De vaak opgemerkte parallel tussen Freuds hiërarchisch model van de psyche (Es-Ich-Über-Ich) en de hiërarchie van de klassenmaatschappij (onderklasse-middenklasse-bovenklasse) kon dan ook geen toeval zijn, volgens de denkers van de Frankfurter Schule.


Het conservatisme van de psychoanalyse
De combinatie van marxistische maatschappijtheorie en freudiaanse psychoanalyse schiep echter meteen ook een probleem voor de Kritische Theorie van de Frankfurters. De psychoanalyse leek dan wel het gebrek aan revolutionaire impulsen bij de arbeidersklasse te verklaren (door de psychische internalisering van de klasse-onderdrukking), maar kon daar geen emancipatoir laat staan revolutionair perspectief tegenover plaatsen. Het enige dat de psychoanalyse kon bieden was therapeutische aanpassing van het individu aan het “realiteitsprincipe” en de daaruit volgende maatschappelijke repressie van het libido.

De psychoanalyse was wezenlijk conservatief, omdat ze deze repressie zag als inherent aan de menselijke beschaving als zodanig: ‘bevrijding van het libido’ kon voor Freud slechts terugval in prehistorische barbarij betekenen. Freud was echter geen conservatief uit overtuiging (religieus, aristocratisch of anderszins), maar vooral uit een nuchter pessimistisch realisme: de repressie van het libido zou altijd “onbehagen in de cultuur” met zich meebrengen, maar het was volgens Freud (1930) een noodzakelijk onbehagen, zonder welke er geen cultuur kon zijn. 


Volgens Freud was economische schaarste (“Lebensnot”) het onvermijdelijk lot van de mensheid, die echter tevens door een “natuurlijke arbeidsschuwheid” gekenmerkt wordt. Van nature wordt de mens beheerst door een “lustprincipe” dat streeft naar onmiddellijke behoeftebevrediging met minimale inspanning; maar deze aangeboren hedonistische houding botst op de harde realiteit van schaarste. “In het zweet uws aanschijns zult gij werken voor uw brood”, aldus Genesis 3:19. Tegenover het lustprincipe zou dan ook volgens Freud in de psyche een “realiteitsprincipe” ontstaan, dat de mens dwingt zijn behoeften uit te stellen of zelfs helemaal te onderdrukken en zijn driftenergie in te zetten voor nuttig werk.

“Hier ligt een centrale gedachte van Freuds theorie”, aldus Marcuse: “Als er geen oorspronkelijke “arbeidsdrift” is, dan moet de voor het onaangename werk nodige energie worden “onttrokken” aan de primaire driften, dus aan de geslachtsdriften [...]. In Freuds ogen krijgt de cultuur dus ‘een groot deel van de psychische energie die ze nodig heeft door die aan de seksualiteit te onttrekken.’” (Marcuse 2022: 98) Volgens Freud wordt het libido in naam van de beschaving onderdrukt en tevens “gesublimeerd”, dwz. gekanaliseerd in nuttige arbeid en bevredigd op een ‘hoger niveau’ zoals in sport, wetenschap en kunst. Alleen in de vrije scheppingen van de verbeelding mag het lustprincipe zich nog min of meer onbeperkt uitleven; de bevrediging is daar immers ‘slechts fantasie’, geen werkelijkheid en dus maatschappelijk ongevaarlijk


Marcuse’s historisering van Freud
De uitdaging voor de Frankfurters was om Marx en Freud zodanig te combineren dat er – ondanks het diepgewortelde conservatisme van de psychoanalyse – uitzicht bleef op een emancipatoir perspectief, voorbij het heersende kapitalisme. Het was met name deze uitdaging die Marcuse in Eros en cultuur op zich nam (zie Jay 1973: 106). Zijn antwoord was door niet alleen Marx met Freud, maar omgekeerd ook Freud met Marx aan te vullen, oftewel door Marx te psychologiseren en Freud te historiseren (vgl. Lijster 2024: 34).

Freud had een wezenlijk ahistorische visie op de menselijke beschaving en de rol van libido-repressie daarin; door de schaarste als het onvermijdelijke lot van de mensheid zou élke maatschappij zich aan de repressieve eisen van het realiteitsprincipe moeten aanpassen. Volgens Marcuse zag Freud daarmee echter de historische relativiteit van het begrip “schaarste” over het hoofd. Vanuit marxistisch oogpunt hangt de mate waarin een maatschappij geteisterd wordt door schaarste immers niet alleen af van de stand van de technologische ontwikkeling van de productiemiddelen, maar ook van de politiek-economische ordening van die maatschappij. Een klassenmaatschappij creëert immers kunstmatige schaarste doordat de heersende klasse zich het gros van de welvaart toe-eigent, terwijl een egalitaire samenleving de schaarste kan minimaliseren door de welvaart gelijk te verdelen. 


Freuds argument dat schaarste en dus libido-repressie inherent zijn aan beschaving als zodanig, ging er bij Marcuse dan ook niet in: “Dit argument, dat steeds weer in Freuds metapsychologie opdoemt, is echter onjuist in zoverre het deze situatie aan het brute feit van de schaarste toeschrijft. In werkelijkheid is de situatie echter het gevolg van een bepaalde ordening van de schaarste en van een bepaalde levenshouding die door deze ordening wordt opgelegd.” (Marcuse 2022: 60) Elke maatschappijvorm, met haar specifieke politiek-economische ordening en bijbehorende verdeling van schaarste, impliceert z’n eigen vorm van het realiteitsprincipe in antwoord op die schaarste: “De verschillende manieren om mens en natuur te overheersen, vinden hun neerslag in de verschillende historische vormen van het realiteitsprincipe.” (Idem: 61)

In de kapitalistische maatschappijvorm nam het realiteitsprincipe volgens Marcuse specifiek de vorm aan van een “prestatieprincipe”, dat mensen uitsluitend op hun “economische prestaties” beoordeeld: “Het prestatieprincipe is het leidend principe van een samenleving die gericht is op gewin, concurrentie en voortdurende expansie, zoals de moderne samenleving.” (Idem: 67)


Van ‘gewone’ repressie naar surplus-repressie
Door Marcuses marxistische historisering van de psychoanalyse werd ook Freuds begrip van libido-repressie een stuk vloeibaarder. Om te beginnen moest er volgens Marcuse onderscheid worden gemaakt tussen ‘gewone’ repressie en surplus-repressie. Deze laatste is de extra libido-repressie die nodig is om de onderdrukking van een klassenmaatschappij in stand te houden: “Surplusrepressie (overbodige, overmatige onderdrukking) gebruik ik als term voor de beperkingen die nodig worden door de sociale overheersing. [...] Deze additionele controles, die verder gaan dan de voor een menselijke samenleving noodzakelijke, komen voort uit de specifieke instellingen van maatschappelijke en culturele overheersing [...].” (Idem: 59-61)

Dat Marcuse hier het voorvoegsel “surplus-” gebruikt, duidt overigens niet alleen op wat hij het “overbodige, overmatige” karakter van deze repressie noemt, die louter het gevolg is van klasse-overheersing (en dus niet van de eisen van beschaving als zodanig). Voor de goede (dwz. marxistische) verstaander is het tevens een impliciete verwijzing naar Marx’ begrip van “surplus-productie” waarop elke klassenmaatschappij is gebaseerd. Het surplus-product is bij Marx wat de arbeidende klasse extra produceert, bovenop de minimale welvaart die de arbeidersklasse voor haar voortbestaan nodig heeft (waarbij de feitelijke vaststelling van dit minimum altijd het resultaat is van klassenstrijd).

Het is dit economisch surplus dat door de heersende klasse wordt afgeroomd en dat de klasseheerschappij in stand houdt (bijv. doordat het in staat stelt om een militair apparaat te bekostigen, om opstanden neer te kunnen slaan). Surplus-repressie is bij Marcuse dan ook de extra libido-repressie die nodig is voor psychische aanpassing aan klasse-overheersing en de bijbehorende kunstmatige schaarste die door afroming van het surplus-product ontstaat. 


Tot slot: Revolutie en het ‘psychoanalytisch Utopia’
Marcuse herinterpreteert dus Freuds kernbegrippen vanuit Marx’ historisch materialisme, waarbij het realiteitsprincipe binnen het kapitalisme wordt begrepen als prestatieprincipe en libido-repressie wordt aangevuld met surplus-repressie. Daardoor kon Marcuse het conservatisme van de psychoanalyse omzeilen en uit de synthese van Max en Freud een emancipatoir of zelfs revolutionair perspectief afleiden.

Om te beginnen zou de – door Freud onmogelijk geachte – “psychoanalytisch Utopia” van een “niet-repressieve beschaving” (idem: 143) een stuk dichterbij komen in een klasseloze maatschappij, waar geen surplus-repressie van het libido meer nodig is om de klasse-overheersing in stand te houden. Een dergelijke “volwassen beschaving” zou volgens Marcuse zodanig zijn “dat de moeiteloze bevrediging van behoeften mogelijk zou worden zonder dat deze bevrediging nog langer systematisch zou worden verhinderd door overheersing. [...] In deze omstandigheden zou de tegenstelling tussen lustprincipe en realiteitsprincipe dus gewijzigd worden ten gunste van het eerste. Eros, de levensdrift, zou in ongekende mate worden vrijgemaakt.” (Idem: 162)

Hoe minder de klasse-overheersing, dwz. hoe minder de surplus-productie, hoe minder de surplus-repressie: “De mate van surplusrepressie levert de maatstaf: hoe kleiner ze is, des te minder repressief het stadium van de beschaving. Het verschil is gelijkwaardig aan dat tussen de biologische en de historische bronnen van lijden.” (Idem: 103) Het lijden veroorzaakt door surplus-repressie is immers “historisch” in die zin dat het afhangt van een historisch variabele maatschappijvorm – de klassemaatschappij, in de moderne tijd het kapitalisme – en niet van de repressieve eisen van beschaving als zodanig (eisen die Marcuse “biologisch” noemt omdat ze wortelen in de ‘natuurlijk’ spanning tussen libido en beschaving).

Marcuse noemt de surplus-repressie van het libido dan ook “overbodige, overmatige onderdrukking” (idem: 59), die als zodanig afgeschaft kan en moet worden, omdat ze onnodig (dwz. “historisch”) psychisch lijden veroorzaakt. Daarvoor is echter wel een revolutionaire transformatie van het kapitalisme nodig, want “de erotische energie van de levensdriften kan niet worden bevrijd onder omstandigheden van louter op winst gerichte welvaart” (idem: 28). Kortom, de seksuele revolutie moet tevens een socialistische revolutie zijn. En vice versa: de omverwerping van het uitbuitende kapitalisme is onmogelijk zonder bevrijding van de levensdrift, die aan de seksualiteit ten grondslag ligt.

Gebruikte literatuur
– Freud, S. (1930), Das Unbehagen in der Kultur. Wien: Internationaler Psychoanalytischer Verlag. – Jay, M. (1973), The Dialectical Imagination: A History of the Frankfurt School en de Institute of Social Research 1923-1950. Boston: Little, Brown and Company.
– Lijster, T. (2024), Frankfurter Schule. Elementaire Deeltjes 82. Amsterdam: Athenaeum.
– Marcuse, H. (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, H. (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.

– Wolin, R. (2001), “Herbert Marcuse: From Existential Marxism to Left Heideggerianism”, in: Wolin, Heidegger’s Children, pp. 134-172. Princeton and Oxford: Princeton University Press.