Marcuse en de ambiguïteit van het neoliberalisme


Helaas heeft Marcuse de politiek-economische betekenis van de neoliberale wending nooit kunnen analyseren: hij overleed in 1979, het jaar waarin Thatcher – de iron lady van het neoliberalisme – premier werd, dus net te vroeg om de neoliberale wending mee te maken. Het is een interessante en niet zo gemakkelijk te beantwoorden vraag hoe Marcuse over het neoliberalisme geoordeeld zou hebben.

Zou hij de terugkeer van klassenstrijd in de neoliberale wending geduid hebben als de bijl aan de wortel van de eendimensionale maatschappij? Of zou hij het neoliberalisme juist gezien hebben als ultieme consequentie en bevestiging van de eendimensionale maatschappij? Dat laatste ligt voor hand voorzover het neoliberalisme gepresenteerd werd als het definitieve einde van klassenstrijd en van het socialistische alternatief. Met Thatchers beruchte TINA-uitspraak uit 1980 – “There is no alternative”, dé mantra van het neoliberalisme – werd immers de eendimensionaliteit van het heersende bewustzijn min of meer tot officieel beleid uitgeroepen.


Van Keynesiaanse naar neoliberale consensus
Voor Marcuse was het klassencompromis van de Keynesiaanse verzorgingsstaat de economische basis van de eendimensionale maatschappij. Het was deze “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid binnen de sterke staat” waardoor kapitalisten, werknemers en bestuurders een gedeeld belang hadden bij het bevorderen van de status quo van de welvaartsmaatschappij (Marcuse 2023: 26). In zekere zin culmineerde deze verstandhouding in het neoliberalisme, zeker na de ineenstorting van het Sovjet-communisme rond 1990 toen de ideologische fundamenten van socialistisch links definitief leken weg te vallen.


Het brede gevoelen in het Westen was dat het politiek-economisch systeem van liberale democratie en kapitalisme de strijd der ideologieën had gewonnen en met de globalisering een post-historisch ‘Duizendjarig Rijk’ van vrede, vrijheid en welvaart voor iedereen zou brengen. Fukuyama sprak in die zin triomfantelijk van het “Einde van de Geschiedenis”. Tekenend voor de neoliberale consensus was dat ook (gematigd) links meeging in dit “post-ideologische” narratief, met name de Amerikaanse Democraten onder Clinton en het Britse Labour onder Blair. De sociaal-democratie “schudde de ideologische veren af”, zoals PvdA-leider Wim Kok destijds zei, en omarmde het neoliberale kapitalisme als the only game in town. Daarmee leek de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal voorbij: wat goed was voor het kapitaal, was ook goed voor de werkende klasse. En in de jaren ‘90 leek dat aanvankelijk ook zo. Het exuberante consumentisme van de roaring nineties – toen de neoliberale bomen tot de hemel leken te groeien (zie Stiglitz 2003) – was de ultieme bevestiging van Marcuse’s angst dat “welvaartsbeneveling” elk kritisch bewustzijn kan verdoven (Marcuse 2022: 17). 


Maar na het feestje kwam de kater. Zoals bekend impliceerde de neoliberale wending in menig opzicht een terugkeer van klassenstrijd, in die zin dat de relatieve machtspositie van de werkende klasse drastisch verslechterde ten faveure van het kapitaal (wat we bijvoorbeeld terugzien in de al decennia dalende arbeidsinkomensquote, dwz. het aandeel van de werkende klasse in het BBP; zie Kuin & Linssen 2025: 25-27). Daarmee zijn ook klassieke vormen van kapitalistische arbeidsexploitatie in het Westen teruggekeerd (zie Standing 2011). Het neoliberale narratief van het “einde van de klassenstrijd” vanwege het “gedeeld belang” van arbeid en kapitaal bleek de perfecte ideologische smoes waaronder kapitalistische elites hun eigen klassenstrijd konden voeren, tegen de collectieve belangen van de werkende klasse, die daardoor in toenemende mate met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Zoals miljardair Warren Buffett in 2006 openlijk bekende: “Er is inderdaad een klassenoorlog gaande, dat is een feit, maar het is mijn klasse, de rijke klasse, die de oorlog voert en we zijn aan het winnen.” (Buffett in Stein 2006)


Deze verslechterende sociaal-economische positie van de werkende klasse heeft – zeker vanaf de bankencrisis van 2008 – geleid tot groeiende onvrede en politieke polarisatie in westerse maatschappijen. Voorzover echter de neoliberale wending ook bij de werkende klasse tot een hernieuwd klasse-bewustzijn heeft geleid, blijft dit bewustzijn vooralsnog beperkt tot linkse minderheden, zoals de vakbonden, de socialistische en sociaal-democratische partijen (voorzover zijn inmiddels van hun flirt met het neoliberalisme bekomen zijn), en de ecologische, feministische en antiracistische actiegroepen (voorzover zij niet door een eenzijdige focus op identiteitspolitiek van klassenpolitiek afgehouden worden). De meerderheid van de werkende klasse lijkt echter vooralsnog trouw te blijven aan het heersende systeem, verleid door de rechtspopulistische of zelfs fascistische strategie om de groeiende crises en contradicties binnen het systeem af te wentelen op zondebokken zoals migranten en de ‘linkse elite’. Maar deze opkomst van radicaal-rechts getuigt op haar manier ook van de groeiende dissensus in westerse maatschappijen ten gevolge van de neoliberale wending (zie Virdee 2024). 


Al met al kunnen we concluderen dat de latente klassenstrijd, die altijd onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij is blijven smeulen (zie onder), door de neoliberale wending aan de oppervlakte is gekomen. Klassenstrijd is daarmee opnieuw een centrale bron van kritische tweedimensionaliteit geworden, zodanig dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij nu in groeiende polarisatie ten onder gaat. In die zin kunnen we inderdaad spreken van de neoliberale terugkeer van de tweedimensionale mens


Naast en in samenhang met de neoliberale wending moeten we daarbij ook wijzen op de ontwrichtende gevolgen van de escalerende klimaatcrisis als gevolg van de kapitalistische verslaving aan fossiel aangedreven economische groei. Ook deze ontwrichtende gevolgen jagen de publieke onvrede en daarmee de desintegratie van de eendimensionale maatschappij aan. Uiteraard kunnen we dit niet los zien van de neoliberale wending, omdat de escalatie van de klimaatcrisis tijdens de afgelopen decennia nauw samenhangt met de ongeëvenaarde groeispurt van de wereldeconomie door de neoliberale globalisering (de Great Acceleration), alsook door het neoliberale “marktfundamentalisme” waardoor milieu-overwegingen naar de achtergrond zijn gedrongen.


Ook hierbij kunnen we spreken van een neoliberale intensivering van klassenstrijd, in die zin dat de oorzaken en gevolgen van de klimaatcrisis grotendeels langs klasse-lijnen zijn verdeeld: waar de rijken het meeste profiteren van de economische groei en zodoende bovengemiddeld bijdragen aan de klimaatcrisis, daar zullen de ontwrichtende ecologische gevolgen – zoals ondraaglijke hittegolven, voedsel- en drinkwater-tekorten, overstromingen door flash floods, een stijgende zeespiegel etc. – vooral bij de niet-rijken terecht komen, en dan vooral bij de allerarmsten in het Mondiale Zuiden. Ook de klimaat-problematiek is doortrokken van klassenstrijd – zoals de vermoordde Mexicaanse socialist en milieu-activist Chico Mendes zei: “Ecologie zonder klassenstrijd is niets meer dan tuinieren.”


Neoliberale zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij

De ambivalentie van de neoliberale wending in het licht van Marcuse’s Kritische Theorie wordt nu duidelijk. Enerzijds was de neoliberale wending een voortzetting van de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij; de door Marcuse (2023: 26) kritisch gesignaleerde “verstandhouding tussen bedrijfsleven en arbeid” culmineerde in de neoliberale consensus dat kapitaal en arbeid hetzelfde belang hebben bij gedereguleerd kapitalisme. Tegelijk echter leidde de neoliberale wending tot een drastische verslechtering van de machtspositie van de werkende klasse tegenover het kapitaal en daarmee tot een heropleving van klassenstrijd en politieke polarisatie. In die zin kunnen we stellen dat de consensuele politiek van de eendimensionale maatschappij via de neoliberale wending haar hand heeft overspeeld en zichzelf heeft ondermijnd.


Opmerkelijk genoeg heeft Marcuse zelf de mogelijkheid van deze zelfondermijning van de eendimensionale maatschappij al voorzien, althans tot op zekere hoogte. In het Politiek voorwoord bij de tweede editie van Eros en cultuur uit 1966 (twee jaar na publicatie van De eendimensionale mens) wijst hij op de mogelijkheid dat de eendimensionale maatschappij – hoewel schijnbaar onaantastbaar – aan haar eigen succes ten onder zou kunnen gaan. Dit is een opmerkelijke passage die haaks staat op Marcuse’s gewoonlijke pessimisme ten aanzien van de eendimensionale maatschappij, die intern zo sterk georganiseerd zou zijn dat radicale verandering alleen van buitenaf zou kunnen komen, zoals in de vorm van oppositionele randgroepen (zie Marcuse 2023: 81). Hier echter oppert Marcuse de mogelijkheid dat het juist de eendimensionaliteit zelf is die deze maatschappijvorm van binnenuit aan het wankelen kan brengen:   


“Wie zich bevrijdt van illusies over de toekomst, beseft dat in de moderne welvaartsmaatschappij het volk, althans de meerderheid van het volk, aan de kant staat van wat is, niet aan de kant van wat mogelijk kan zijn, of zou moeten zijn. [...] Toch is de situatie niet uitzichtloos. Wie zich bevrijdt van moedeloosheid over de toekomst, beseft dat misschien juist de kracht en efficiëntie van de bestaande orde de oorzaken zullen worden van de desintegratie ervan.” (Marcuse 2022: 27)


Marcuse wijst hier op de inherente contradicties van het kapitalisme, die door de sluier van de eendimensionaliteit weliswaar verdekt worden, maar daardoor ook ongemerkt kunnen voortwoekeren en zodoende het systeem van binnenuit kunnen destabiliseren. Hij wijst in dit verband onder andere op het desintegrerende effect van de “steeds toenemende verspilling van natuurlijke hulpbronnen” (ibidem), waarmee Marcuse tot op zekere hoogte anticipeerde op de escalerende milieuproblematiek en bredere ecologische crisis als aanjagers van maatschappelijke dissensus. Hoewel de klimaatcrisis soms geïnterpreteerd wordt als een externe bedreiging voor het systeem (in de vorm van toenemende ‘natuurrampen’) is het in feite een bedreiging die het systeem van binnenuit genereert (door uitstoot van broeikasgassen). 


In zekere zin kunnen we de neoliberale wending ook zo interpreteren: als een endogene desintegratie van de eendimensionale maatschappij. Ook al heeft Marcuse zelf deze mogelijkheid niet expliciet opgemerkt, hij bleef de eendimensionale maatschappij zien als een klassenmaatschappij waar de klassentegenstelling van arbeid en kapitaal verdekt bleef voortwoekeren. Ondanks het Keynesiaanse klassencompromis werd in zijn ogen óók de eendimensionale maatschappij nog steeds gedomineerd door de economische belangen van kapitalistische elites. De maatschappij was slechts eendimensionaal in die zin dat het klasse-karakter ervan effectief verborgen bleef onder een ideologische sluier van massa-consumentisme, massamedia-propaganda, repressieve tolerantie en het ‘gedeelde belang’ van arbeid en kapitaal bij economische stabiliteit en welvaartsgroei:

“Ongetwijfeld blijft zelfs de meest geavanceerde kapitalistische verzorgingsstaat een klassenmaatschappij en daarmee een staat van conflicterende klasse-belangen. Maar zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) 


Klassenstrijd bleef smeulen onder de oppervlakte van de eendimensionale maatschappij. Zodoende kon de kapitalistische klasse-overheersing in de neoliberale wending – onder de eendimensionale sluier van de neoliberale consensus – in alle hevigheid opnieuw de kop op steken, met alle disruptieve gevolgen vandien. In die zin kunnen we stellen dat met de neoliberale wending (én de klimaatcrisis) de eendimensionale maatschappij haar eigen desintegratie bewerkstelligt. 


Hoewel Marcuse deze mogelijkheid – de disruptieve wederopleving van klassenstrijd binnen de eendimensionale maatschappij – niet expliciet heeft opgemerkt, valt het desintegrerende effect ervan vanuit zijn kritische theorie goed te begrijpen. Voor hem was de stabiliserende werking van de eendimensionale maatschappij immers onlosmakelijk verbonden met het Keynesiaanse aspect ervan, de nivellering van welvaart door de verzorgingsstaat. Afbraak van de verzorgingsstaat zou daarom onherroepelijk ook afbraak van de eendimensionale maatschappij betekenen: “de vooruitzichten van een beheersing van de verandering, geboden door de politiek van de technologische rationaliteit, hangen af van de vooruitzichten van de verzorgingsstaat.” (Marcuse 2023: 80) 


De nivellering van de welvaart hield de disruptieve dialectiek van klassenstrijd in toom, maar dat vereist een sterke staat die actief de kapitalistische economie beheerst: “zolang de staatsmacht niet desintegreert, houden het staatsapparaat en de repressieve kracht van het systeem de klassenstrijd binnen het kapitalistische kader.” (Marcuse 1972: 85) Desintegratie van de staatsmacht is echter precies waar het neoliberalisme op neerkwam: de verzorgingsstaat werd een zich terugtrekkende “nachtwakersstaat”, die steeds meer publieke taken (zoals volkshuisvesting) privatiseerde en overliet aan een steeds vrijere markt waarin het grootkapitaal domineert. Niet voor niets is de neoliberale staat steeds minder capabel om grote maatschappelijke problemen (zoals de wooncrisis) op te lossen, wat het publieke vertrouwen in de overheid verder ondermijnt.

De nivellerende verzorgingsstaat hield de machtsbalans tussen kapitaal en arbeid in evenwicht. Maar door de neoliberale wending is de machtsbalans ten faveure van het kapitaal doorgeslagen, met als gevolg dat de werkende klasse toenemend met precariteit geconfronteerd werd en wordt. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de vooruitgangsbelofte waar de eendimensionale maatschappij op gebaseerd was: “De hoogste belofte is een steeds comfortabeler leven voor een steeds groter aantal mensen die zich strikt genomen geen kwalitatief andere wereld van spreken en handelen kunnen voorstellen [...].” (Marcuse 2023: 56) Dat hun kinderen het nóg beter krijgen dan zijzelf is echter voor de overgrote meerderheid in het Westen allang geen vanzelfsprekendheid meer. En het is niet alleen de groeiende precariteit die deze belofte nu steeds ongeloofwaardiger maakt, ook de escalerende klimaatcrisis – die voor komende generaties het leven steeds problematischer zal maken – draagt bij aan deze algehele desillusie. 


Het gevolg is dat een toenemend aantal mensen zich nu wél een “kwalitatief andere wereld van spreken en handelen” kan voorstellen, dwz. dat er is een groeiend tweedimensionaal bewustzijn, waardoor de consensus van de eendimensionale maatschappij wordt opgeblazen. Zoals Marcuse zei: “De ontwikkeling van radicaal politiek bewustzijn onder de massa’s is slechts denkbaar wanneer de economische stabiliteit en de sociale cohesie van het systeem beginnen te verzwakken.” (Marcuse 1972: 59) Het cruciale punt is dat deze verzwakking door de neoliberale wending in gang is gezet.


Gebruikte literatuur

– Kuin, Ruud & Linssen, Bart (2025), Klassenstrijd 2025: Een uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP. Download: https://www.sp.nl/nieuws/wetenschappelijk-bureau-sp-presenteert-klassenstrijd-2025
– Marcuse, Herbert (1972), An Essay on Liberation. Harmondsworth: Penguin Books.
– Marcuse, Herbert (2022), Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud. Utrecht: Erven J. Bijleveld.

– Marcuse, Herbert (2023), De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.

– Standing, Guy (2011), The Precariat: The New Dangerous Class. London: Bloomsbury.
– Stein, Ben (2006), “In Class Warfare, Guess Which Class is Winning”, in: The New York Times, november 26 2006. Zie: https://www.nytimes.com/2006/11/26/business/yourmoney/26every.html 

– Stiglitz, Joseph E. (2003), The Roaring Nineties. New York / London: W.W. Norton & Company.

– Virdee, Satnam (2024), “Living in the slipstream of defeat: neoliberalism and the far-right”, in: International Politics, 20 August 2024, Volume 62, pp. 487-494. 




No comments:

Post a Comment