Om Marcuse te begrijpen, moeten we hem plaatsen in de context waarin hij als filosoof tot wasdom kwam, de Kritische Theorie. Maar Marcuse kwam allerminst als onbeschreven blad bij het Frankfurter Institut für Sozialforschung terecht. Jammergenoeg wordt deze persoonlijke voorgeschiedenis vaak overgeslagen in beschouwingen over Marcuse, alsof zijn filosofische betekenis uitsluitend in de context van de Frankfurter Schule gezocht moet worden en zijn toetreding tot het instituut in 1933 zijn ‘intellectuele geboorte’ was. Daarvoor had de jonge Marcuse echter al cruciale – praktische en theoretische – ervaringen opgedaan, die zijn latere denken diepgaand zouden beïnvloeden en deels zijn geheel eigen inflectie van de Kritische Theorie verklaren.
Marcuse werd in 1898 in Berlijn geboren, in een welgesteld en geassimileerd joods middenklassegezin. Na zijn middelbare school werd hij in 1916 tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger opgeroepen maar diende uitsluitend in Berlijn (waar hij, naar eigen zeggen, vooral de stront van infanterie-paarden moest opruimen). Aan het eind van de oorlog sloot hij zich aan bij een socialistische soldatenraad, die deelnam aan de mislukte Spartakusopstand, waarbij Marcuse’s taak onder andere bestond in het terugvuren op scherpschutters van het proto-fascistische Freikorps. In die tumultueuze periode, toen uit de Duitse Revolutie van 1918-’19 de democratische Weimar-republiek ontstond, ontstond ook Marcuse’s levenslange engagement met het marxisme.
Na de oorlog studeerde hij literatuur in Berlijn en Freiburg waar hij in 1922 promoveerde op de Duitse Künstlerroman – een subgenre van de Bildungsroman, waarin de persoonlijke ontwikkeling van de kunstenaar en zijn problematische positie in de burgerlijke maatschappij centraal staat. Marcuse’s proefschrift was sterk beïnvloed door het vroeg-marxistische werk van Georg Lukács en anticipeert op het cruciale belang dat kunst en esthetica voor Marcuse’s latere filosofie hebben.
Na 1922 volgt er een intermezzo van ongeveer vijf jaar, waarin Marcuse onder andere zijn geluk beproeft als medewerker van een Berlijns antiquariaat. In het kader van zijn antiquarische werk stelt Marcuse een wetenschappelijke bibliografie samen van het werk van Friedrich von Schiller; met name diens filosofische brieven Über die ästhetische Erziehung des Menschen oefenen een grote invloed uit op Marcuse’s latere filosofie van de erotische rede.
Dan, in 1927, slaat er een filosofische bom in: Heideggers meesterwerk Sein und Zeit verschijnt, dat Marcuse datzelfde jaar nog verbluft leest. Na de trauma’s van de Eerste Wereldoorlog, het mislukken van Duitse revolutie en de politieke en economische chaos van de Weimar-republiek, raakte Heideggers existentiële fenomenologie bij de jongere generatie filosofen een gevoelige snaar. Zeker in contrast met de behoudende, stoffige en abstracte filosofie die aan de universiteiten werd onderwezen. Zoals de oude Marcuse in een terugblik opmerkt: “Wat gebeurt er nadat de revolutie is mislukt? Dat was een beslissende vraag voor ons. Er werd toen zeker filosofie onderwezen, het academische toneel werd gedomineerd door neokantianisme en neohegelianisme, maar toen verscheen plotseling Sein und Zeit als een echt concrete filosofie. Men sprak over Dasein, existentie, het Men, de dood, de zorg. Dat leek tot ons te spreken.” (Marcuse 1978: 125)
Marcuse voelt zich geroepen om zijn academische studie weer op te pakken en keert in 1928 terug naar Freiburg om bij Husserl en Heidegger fenomenologie te studeren. Hij blijft echter een – door Lukács beïnvloedde – marxist. Marcuse begint filosofisch een eigen stem te ontwikkelen en schrijft zijn eerste filosofische artikelen (verzameld in Marcuse 2005), waarin hij een originele zij het nog enigszins onbeholpen synthese van marxisme en Heideggeriaanse existentiële fenomenologie ontwerpt. Marcuse staat daarmee aan het begin van een filosofische stroming die na de Tweede Oorlog een rol van betekenis zal spelen in de Europese filosofie, het existentialisisch-fenomenologisch marxisme (met denkers als Karl Kosik, Kostas Axelos, Jean-Paul Sartre en Maurice Merleau-Ponty).
In 1932 slaat er een tweede filosofische bom in: de publicatie van de net ontdekte Economisch-Filosofische Manuscripten van 1844 van de jonge Marx (ook wel de Parijse Manuscripten genoemd). Deze filosofisch complexe maar onafgemaakte manuscripten legden een bom onder de toen heersende “vulgair-marxistische” interpretatie van Marx als econoom en grondlegger van het “wetenschappelijk socialisme”, die materialistisch afstand had genomen van het burgerlijk humanisme en idealisme van de klassieke Duitse filosofie. In de Economisch-Filosofische Manuscripten zien we juist een uitgesproken humanistische Marx aan het werk, die het dialectisch idealisme van Hegel combineert met een socialistisch materialisme. Zo articuleert de jonge Marx een geheel eigen visie op het communisme, als de ultieme menselijke werkelijkheid waarin mens en natuur verzoend zijn en onvervreemde arbeid samenvalt met kunst.
Als een van de eersten schrijft Marcuse een recensie van de Economisch-Filosofische Manuscripten; hij noemt hun ontdekking en publicatie een “cruciale gebeurtenis in de geschiedenis van marxistische studies” (Marcuse 2005: 86) en gebruikt vervolgens opvallend Heideggeriaanse begrippen – zoals historiciteit, facticiteit en zorg – om de portee van Marx’ visie te analyseren. Voor Marcuse paste deze vroege, hegeliaanse Marx naadloos in zijn project om marxisme en existentiële fenomenologie te integreren. In een terugblik zal Marcuse zeggen: “Toen verschenen de Economisch-filosofische manuscripten van 1844. [...] Dit was, in zekere zin, een nieuwe Marx: iemand die echt concreet was en tegelijkertijd verder reikte dan het versteende praktische en theoretische marxisme van de partijen. Vanaf dat moment was de tegenstelling tussen Heidegger en Marx voor mij geen probleem meer.” (Marcuse 1978: 125)
In diezelfde periode schrijft Marcuse als student-assistent onder Heidegger een habilitatie over Hegel. Deze studie, gepubliceerd in 1932 als Hegels Ontologie und die Theorie der Geschichtlichkeit, is een verdere uitwerking van Marcuse’s pogingen om Heideggers fenomenologie, dialectiek en marxisme te verbinden. Marx wordt – voorzichtigheidshalve – niet bij naam genoemd, maar het is duidelijk dat de auteur naar het marxisme neigt. Toen Heidegger zich in 1933 bij de NSDAP aansloot – wat voor velen, Marcuse incluis, als een schokkende verrassing kwam – en namens de nazi’s rector werd van de univeriteit van Freiburg, besefte Marcuse dat Heidegger zijn Habilitationsschrift nooit zou goedkeuren. Gedesillusioneerd keerde Marcuse zich van zijn mentor af.
Vanaf dat moment speelt Heideggers filosofie geen expliciete rol meer in Marcuse’s denken, al blijft diens invloed subtiel op de achtergrond aanwezig, om met name in Marcuse’s latere denken over technologie weer expliciet op te duiken. Zoals Habermas later zal opmerken, heeft Heideggers fenomenologie ook een systematische invloed uitgeoefend op Marcuse’s interpretatie en toepassing van Freuds driftenleer (zie Habermas 1968: 10-11). Dit zal belangrijk blijken als we het vermeende ‘biologisme’ van Marcuse’s freudianisme bespreken.
Terug naar 1933. Als ‘marxistische Jood’ wist Marcuse dat zijn kansen op een academische loopbaan in nazi-Duitsland verkeken waren. Maar Marcuse had geluk en zijn leven zou snel een verrassende wending nemen. Door bemiddeling van Husserl, die zich als mede-Jood het lot van de jonge student aantrok, kwam Marcuse in contact met Max Horkheimer, sinds twee jaar directeur van het marxistische Institut für Sozialforschung. Horkheimer zag wel wat in deze jonge, belezen, originele filosoof en marxist, die – in Horkheimers ogen – gelukkig steeds meer van Heidegger loskwam. Zo kwam Marcuse in 1933 met alle bovengenoemde bagage op zak bij het Frankfurter Institut te werken.
Veel tijd heeft Marcuse echter niet in Frankfurt kunnen doorbrengen. Na Hitlers machtsovername kozen de veelal joodse medewerkers van het instituut ervoor om snel naar het buitenland te emigreren. In 1934 volgde Marcuse zijn collega’s naar Amerika, waar het instituut zich omdoopte tot Institute for Social Research en een samenwerkingsverband aanging met Columbia University in New York. In deze ballingschap beleefde het instituut zijn bloeiperiode, waarin de Kritische Theorie methodologisch werd uitgwerkt, de integratie van Freud in het marxisme zich consolideerde en klassieke teksten verschenen zoals Horkheimer en Adorno’s Dialectiek van de Verlichting (1947). Na de oorlog keerde het instituut in 1950 terug naar Duitsland, nam zijn oude naam weer aan en hervatte de samenwerking met de universiteit van Frankfurt. Marcuse volgde zijn collega’s echter niet terug naar het door nazisme, oorlog en Holocaust getekende vaderland; hij bleef de rest van zijn leven – als freudo-marxistische luis in de pels – in het kapitalistische Amerika wonen.
De Tweede Ooorlog bracht voor Marcuse ook andere uitdagingen met zich mee. In 1942 stopte hij als medewerker van het instituut, om als onderzoeker voor de Amerikaanse inlichtingendienst OSS (Office of Strategic Services, de voorloper van de CIA) bij te dragen aan de strijd tegen het fascisme in Europa. Hij werkte onder andere aan analyses van het nazi-regime en plannen voor de naoorlogse reconstructie van Duitsland. In 1950 stopte hij echter ook daarmee, mede omdat hij zich niet kon verenigen met de Koude-Oorlogspolitiek van de Verenigde Staten. Bijdragen aan de strijd tegen de nazi’s was één ding; bijdragen aan de waanzin van nucleaire wapenwedloop en rabiate communistenhaat was iets geheel anders.
Niet dat Marcuse als marxist voorstander was van het Sovjet-communisme – integendeel: in zijn boek Soviet Marxism (1958) laat Marcuse zien hoe de Sovjet Unie door de overheersende focus op militarisering en industrialisering steeds verder van Marx’ humanistische visie op het communisme af komt te staan. Daardoor verschilde het Sovjet-communisme volgens Marcuse uiteindelijk niet zo heel veel van zijn ideologische tegenhanger, het Amerikaanse kapitalisme: twee systemen die beide gebaseerd zijn op ontmenselijking en uitputting van de natuur.
In 1954 begon Marcuse's universitaire carrière in Amerika, eerst aan de Brandeis University in Massachusetts, vanaf 1965 aan de University of California in San Diego. In die periode schreef hij zijn beroemdste boeken – Eros en cultuur (1955) en De eendimensionale mens (1964) – en raakte hij actief betrokken bij de radicaal-linkse studentenbeweging die in mei ‘68 haar hoogtepunt bereikte. Dan overkomt Marcuse iets unieks: hij groeit op zijn 70ste uit tot een filosofische ‘rock-ster’, die wereldwijd door linkse studenten op handen wordt gedragen en door het establishment wordt verketterd. Opnieuw, voor de tweede keer in zijn leven – na de revolutiejaren van 1918-’19 – was Marcuse nauw en actief betrokken bij radicaal-linkse politiek. Deze keerde vuurde hij echter geen geweren af maar vlammende toespraken tegen de Vietnam-oorlog en de “eendimensionale” welvaartsmaatschappij. Na 1970 begint Marcuse zich ook steeds duidelijker uit te spreken over het revolutionaire belang van feminisme en ecologie.
Twee jaar voor zijn dood publiceert hij zijn laatste boek, The Aesthetic Dimension, waarmee hij terugkeert naar het onderwerp van zijn jeugd, toen hij als literatuur-student zijn eerste schreden op het filosofische pad zette: de revolutionaire betekenis van kunst. Daarmee sluit zich Marcuse’s cirkel. Op 29 juli 1979 overlijdt hij in Duitsland, tijdens een reis door zijn oude vaderland.
Kortom, al met al was Marcuse slechts negen jaar – van 1933 tot 1942 – officieel aan het Frankfurter instituut verbonden (al bleef hij daarna nog informeel gelieerd: hij bleef corresponderen met Horkheimer en Adorno en voerde in de jaren ‘60 en ‘70 meerdere publieke debatten met Habermas). In die relatief korte periode van negen jaar leverde hij echter met een handvol belangrijke essays in het Zeitschrift für Sozialforschung – het officiële tijdschrift van het instituut – en met één baanbrekend boek – Reason and Revolution: Hegel and the Rise of Social Theory (1941) – een substantiële bijdrage aan de vorming van de Kritische Theorie, waar de Frankfurter Schule bekend om is geworden.
Literatuur
Marcuse, H. (1978), “Theory and politics: A discussion with Herbert Marcuse, Jürgen Habermas, Heinz Lubasz and Telman Spengler”, in: Telos, vol. 1978, no. 38, pp. 124-153.
Marcuse, H. (2005), Heideggerian Marxism. Edited by Richard Wolin and John Abromeit. Lincoln and London: University of Nebraska Press.

No comments:
Post a Comment