Showing posts with label antisemitisme. Show all posts
Showing posts with label antisemitisme. Show all posts

Klassenstrijd, fascisme en zondebokpolitiek in de Kritische Theorie

 

De neoliberale intensivering van de klassenstrijd vertaalt zich vooralsnog niet naar hernieuwd klassenbewustzijn bij de werkende klasse, ondanks het feit dat deze klasse – door de verslechterde positie tegenover het kapitaal – geconfronteerd wordt met toenemende precariteit. Daardoor nemen wel de algehele onvrede, het wantrouwen in de politiek en de polarisatie toe, en in die zin is er – in Marcuse’s terminologie – groeiend “tweedimensionaal” bewustzijn, maar dit gaat nog niet zo ver dat het kapitalistisch systeem als zodanig in twijfel getrokken wordt.


Afgezien van radicaliserende linkse minderheden, blijft de meerderheid van de werkende klasse zich eendimensionaal met de bestaande economische orde vereenzelvigen. In die zin kunnen we spreken van gefnuikt tweedimensionaal klassenbewustzijn – iets dat met name duidelijk wordt in de populariteit van het complotdenken, waarin enerzijds de bestaande orde kritisch wordt ‘ontmaskerd’, maar anderzijds deze kritische impuls meteen geneutraliseerd wordt door het aanwijzen van imaginaire schuldigen, van een vermeende links-satanistisch-pedofiele deep state tot en met buitenaardse reptilians die een menselijke gedaante aan zouden kunnen nemen en dan verrassend vaak als rijke invloedrijke Joden verschijnen; de Rothschilds zouden hun aanvoerders zijn, aldus complotdenker David Icke.


Daarmee wijst het complotdenken op de bredere strategie van zondebokpolitiek die het rechtspopulisme en neofascisme inzetten om het groeiende tweedimensionale bewustzijn te neutraliseren, om de bestaande machtsverhoudingen in stand te houden of zelfs te versterken (niet voor niets zijn de populaire complottheorieën standaard van radicaal-rechtse signatuur). De groeiende onvrede onder de werkende klasse wordt expliciet erkend en benoemd, maar afgewenteld op zondebokken als migranten, moslims en de linkse elite met haar “woke-” en “trans-ideologie” – waardoor de neoliberale wending als achterliggende oorzaak van de verslechterende positie van de werkende klasse buiten zicht blijft. De neofascistische zondebokpolitiek kanaliseert de groeiende onvrede zodanig dat de kapitalistische machtsverhoudingen buiten schot blijven.    


Fascisme en antisemitisme volgens de Kritische Theorie
Om dit proces te begrijpen blijft de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule met haar analyses van het fascisme en antisemitisme uiterst actueel. De Kritische Theorie ontstond uit het falen van het klassieke marxisme, toen in de jaren ‘20 en ‘30 de westerse arbeidersklasse niet revolutionair werd maar juist onder invloed kwam van burgerlijke en fascistische ideologieën. De verklaringen die de Frankfurters daarvoor gaven, kunnen nu nagenoeg naadloos toegepast worden op de opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme (net zoals Marcuse’s theorie van surplus-repressie naadloos past op de huidige opkomst van een conservatievere seksuele moraal; zie hier). Zoals wij nu de opkomst van radicaal-rechts moeten zien in het licht van de neoliberale wending en de daaruit volgende verslechterende positie van de werkende klasse, zo was destijds voor de Frankfurters duidelijk dat het fascisme begrepen moest worden vanuit de crisis van het laissez-faire kapitalisme, dat na de roaring twenties ontspoorde in de Great Depression van de jaren ‘30 (een situatie die in het verslagen Duitsland nog verergerd werd door de astronomische herstelbetalingen aan de geallieerden). 


“Wie niet over het kapitalisme wil spreken, zou ook over het fascisme moeten zwijgen”, aldus Horkheimer (1939: 115), waarmee hij doelde op de maatschappelijke functie van het fascisme als neutralisatie van de volkswoede die door de crisis van het kapitalisme was ontstaan. Het fascisme zorgde ervoor, aldus Horkheimer, dat die volkswoede zich niet tegen het kapitalisme keerde (wat met de opmars van het Bolsjewisme een reëel gevaar was), maar zodanig werd gekanaliseerd dat de kapitalistische machtsverhoudingen buiten schot bleven. Niet voor niets kozen de Duitse industriëlen grotendeels de kant van Hitler (net zoals we recent de Amerikaanse Tech-sector zich achter Trump hebben zien scharen). Cruciaal daarvoor was de zondebokpolitiek van het antisemitisme, waarmee de maatschappelijke onvrede op de Joden kon worden afgewenteld. Met name Horkheimer en Adorno hebben in het antisemitisme-hoofdstuk van hun Dialectiek van de Verlichting deze maatschappelijke functie van de Jodenhaat geanalyseerd. 


Het geweld tegen de Joden kanaliseerde de volkswoede die door de crisis van het kapitalisme was ontstaan: “De Joden vormen vandaag de dag de groepering die zowel praktisch als theoretisch de vernietigingswil aantrekt, die door de verkeerde maatschappelijke orde wordt geproduceerd.” (Horkheimer & Adorno 2022: 183) Door hun traditionele discriminatie in christelijk Europa en uitsluiting van het gildesysteem, waren de Joden economisch veroordeeld tot tussenhandel en geldhandel: “De handel was niet zijn beroep, maar zijn noodlot.” (idem: 190) Dat maakte ‘de Jood’ tot een voor de hand liggend doelwit van de volkswoede. Voorzover mensen aanvoelden dat hun malaise te wijten viel aan het kapitalisme, kon men de schuld leggen bij ‘de Joodse geldwoekeraar’ – waardoor de eigenlijke bron van uitbuiting, de ongelijke machtsverhouding tussen arbeider en kapitalist in het productieproces, buiten zicht bleef:


“Op basis van zijn bezit aan machines en materiaal dwong hij [de kapitalist] af dat de anderen produceerden. Hij noemde zich de producent, maar wist net als ieder ander heimelijk hoe de vork in de steel zat. De productieve arbeid van de kapitalist was [...] de ideologie die de essentie van het arbeidscontract en de schraapzucht van het economisch systeem in het algemeen toedekte. / Daarom schreeuwt men: ‘Houdt de dief’, en wijst de Jood aan. Hij is inderdaad de zondebok [...] in de omvattende zin dat hem het economisch onrecht van de hele klasse ten laste wordt gelegd.” (Idem: 188-189)


Zo fungeerde het antisemitisme als afleiding en afwenteling van de oplaaiende klassenstrijd, die de kapitalistische machtsverhoudingen bedreigde. Iets soortgelijks zien we nu gebeuren, bijvoorbeeld ten aanzien van de wooncrisis die door radicaal-rechts geweten wordt aan de ‘instroom’ van asielzoekers die ‘onze woningen inpikken’, waarmee de neoliberale vermarkting van de volkshuisvesting als achterliggende oorzaak wordt verdoezeld. 


Uiteraard speelt het antisemitisme nu een veel minder belangrijke rol dan destijds, al moet erkend worden dat Jodenhaat nog steeds springlevend is in radicaal-rechtse kringen (alsook in islamistische en sommige extreem-linkse kringen trouwens). Nog steeds geldt dat voorzover het kapitalisme al als probleem wordt gezien, het gaat om een antisemitisch antikapitalisme, waarin joodse kapitalisten als George Soros en de Rothschilds als hoofdschuldigen figureren (met name in complottheorieën als QAnon en de reptilian conspiracy, waarin duidelijke echo’s doorklinken van de nazi-mythe van het zionistisch complot). Ook de ‘joodse marxisten’ van de Frankfurter Schule zijn doelwit geworden van dit radicaal-rechtse antisemitisme, voorzover hun Kritische Theorie aangewezen wordt als oervorm van het “cultuur-marxisme” dat nu als “woke-denken” de Westerse cultuur van binnenuit zou verzwakken (alsof de ontegenzeggelijke verloedering van de cultuur niets te maken heeft met de grenzeloze dynamiek van het kapitalisme). 


Over het algemeen geldt echter dat de zondebokfunctie verschoven is van Joden naar minderheden in het algemeen: asielzoekers, moslims, vrouwen, queer- en trans-mensen, “woke-links” etc. Horkheimer en Adorno wezen al op deze fluïditeit van de zondebokfunctie:

“De woede ontlaadt zich op diegene die opvalt en geen bescherming heeft. En zoals de slachtoffers onderling inwisselbaar zijn naargelang de constellatie: vagebonden, Joden, protestanten, katholieken, kan elk van die slachtoffers ook de plaats van moordenaars innemen, met dezelfde blinde lust tot doodslaan, zodra het zich norm voelt en dus machtig.” (Idem: 186)


De sadomasochistische persoonlijkheid

Waar het om gaat is dat slachtoffers zichtbaar afwijken van de maatschappelijke norm en relatief zwak en onbeschermd zijn; dat maakt hen tot geschikte zondebokken en doelwitten van de volkswoede. Hierbij speelt voor de Kritische Theorie de psychoanalytische theorie van het sadomasochisme als verklaring van de “autoritaire persoonlijkheid” een belangrijke rol. 


Zoals Fromm (1994) uitlegt, wordt de sadomasochistische driftstructuur geactiveerd in tijden van grote maatschappelijke onzekerheid: mensen voelen zich gedwongen veiligheid te zoeken door zich masochistisch te onderwerpen aan de spreekwoordelijke ‘Sterke Man’ die orde op zaken zal stellen, een zelfvernedering die vervolgens sadistisch gecompenseerd wordt door de vernedering van anderen die gelukkig nóg lager op de maatschappelijke ladder staan. In de gewelddadige overheersing van anderen deelt de autoritaire persoonlijkheid ten minste in de ongebreidelde macht van de leider aan wie hij zijn individuele macht en autonomie heeft opgeofferd. Gedreven door existentiële angst en onzekerheid vervalt de sadomasochistische persoonlijkheid in een primitieve verering van brute macht en daarmee ook in een diepe verachting van machteloosheid. De slachtoffers wekken zijn haat op juist omdat ze zwak en machteloos zijn:

“Macht fascineert hem niet vanwege de waarden waarvoor een specifieke macht zou kunnen staan, maar louter omdat het macht is. Net zoals zijn “liefde” automatisch door macht wordt opgewekt, zo wekken machteloze personen of instellingen automatisch zijn minachting op. Alleen al het zien van een machteloos persoon maakt dat hij hem wil aanvallen, domineren, vernederen.” (Fromm 1994: 166-167)


Het is de politieke machteloosheid en/of fysieke zwakte van asielzoekers, vrouwen, quer- en trans-mensen en ‘soft links’ die de walging en woede opwekken van de neofascist, die vol verering opkijkt naar de masculiene kracht en patriarchale macht van een Trump, Poetin, Andrew Tate, etc. 


Tot slot: de conservatieve demonisering van vrije seksualiteit
Het is echter niet alleen door de theorie van het sadomasochisme dat Freuds psychoanalyse deze situatie verheldert, maar ook door zijn bredere theorie van libido-repressie. Omdat (aldus Freud) het repressieve superego ontstaat door internalisering van de maatschappelijke repressie – gemedieerd door de “strenge vader” – , worden (aldus de Frankfurters) maatschappelijke machtsverhoudingen in de psychische structuur gereproduceerd. De vaak opgemerkte parallel tussen Freuds hiërarchisch model van de psyche (es-ego-superego) en de hiërarchie van de klassenmaatschappij (onderklasse-middenklasse-bovenklasse) kon volgens de Frankfurters geen toeval zijn (zie bijvoorbeeld Horkheimer en Adorno 2022: 219). Niet voor niets wordt de onderste, meest uitgebuite klasse binnen de culturele context van een repressieve klassenmaatschappij standaard voorgesteld als seksueel losbandig, pervers en gevaarlijk


Net als het duistere onbewuste, waarin de onderdrukte seksualiteit voortwoekert, wordt ook de meest onderdrukte klasse cultureel voorgesteld als donker, onbewust, onwetend, dom en dierlijk. Van de “gevaarlijke, dierlijke seksualiteit” van de zwarte slaven waar de witte slavenhouders voor waarschuwden, en van de door Malthus betreurde onbeperkte seksualiteit van de arbeidersklasse (met als gevolg een structureel “bevolkingsoverschot” en dus armoede), tot en met Wilders’ demonisering van Arabische mannen als “testosteron-bommen” – steeds fungeert de onderklasse als heersend schrikbeeld van seksuele ‘losbandigheid’ (vrijheid), die door het supero c.q. de heersende klasse onderdrukt moet worden. In het nazisme speelde het stereotype van “geile Joodse bankiers” een vergelijkbare rol (zie Horkheimer & Adorno 2022: 187).


We zien hiermee een tweede functie van het huidige conservatiever worden van de seksuele moraal aan de dag treden: het gaat niet alleen om toenemende maatschappelijke aanpassing in reactie op de toegenomen neoliberale precariteit (zoals we betoogd hebben aan de hand van Marcuse’s theorie van surplus-repressie), maar ook om de demonisering van vrije seksualiteit. Strengere libido-repressie maakt niet alleen strengere maatschappelijke aanpassing mogelijk, maar ook de seksuele demonisering van minderheden waar de misleide volkswoede zich op richt en op uitleeft.

Niet voor niets worden Arabische mannen als “testosteron-bommen” en trans-mensen als seksuele perverselingen gezien, en niet voor niets wordt de vermeende linkse elite een pedofielennetwerk in de schoenen geschoven. Daarmee staat de toegenomen conservatieve libido-repressie namelijk ook in dienst van de neofascistische zondebokpolitiek, waardoor de dreigende klassenstrijd geneutraliseerd wordt.

Gebruikte literatuur
– Fromm, Erich (1994), Escape from Freedom. New York: Henry Holt and Company.
– Horkheimer, Max (1939), “Die Juden und Europa”, in: Zeitschrift für Sozialforschung, Jahrgang VIII 1939, Doppelheft 1/2.

– Horkheimer, Max & Adorno, Theodor W. (2022), Dialectiek van de Verlichting: Filosofische fragmenten. Amsterdam: Boom.






Heidegger, Zijnsgeschiedenis en Nazisme

Martin Heidegger is hét schandaal en dé paradox van de 20ste-eeuwse Europese filosofie. Hét schandaal, omdat er zeker na de geruchtmakende publicatie van de Schwarze Hefte in 2014 geen twijfel meer kan bestaan over het interne verband tussen Heideggers Zijnsfilosofie en zijn nazi-engagement (al blijft de precieze aard en omvang van dit verband een onderwerp van discussie). Dé paradox, omdat Heidegger volgens velen de grootste filosoof van Europa was en in ieder geval de meest invloedrijke filosoof, zonder wie stromingen als fenomenologie, existentialisme, hermeneutiek, structuralisme, post-structuralisme en deep ecology zich nooit ontwikkeld hadden zoals dat feitelijk gebeurd is. We kunnen niet om de bizarre conclusie heen dat de grootste / meest invloedrijke Europese denker van de afgelopen eeuw om filosofische redenen een “nationaal-socialistische revolutionair” (aldus Safranski) was én een “Zijnshistorische antisemiet” (aldus Trawny 2015: 11). 


Met name deze laatste constatering, die Trawny doet op basis van het nieuwe materiaal dat met de publicatie van de Schwarze Hefte toegankelijk is geworden, is in de filosofische wereld ingeslagen als een bom. Lange tijd was de heersende mening dat Heidegger weliswaar zo ‘onverstandig’ was geweest om zich voor het karretje van de nazi’s te laten spannen, maar dat hij zich gelukkig altijd verre had gehouden van de rabiate jodenhaat van de nazi’s. In zijn gepubliceerde werken en officiële voordrachten heeft hij zich nagenoeg nooit antisemitisch uitgelaten – hij heeft zich integendeel op verschillende gelegenheden juist expliciet van het biologische racisme van de nazi’s gedistantieerd (zie Polt 2009: 156, 159, 169, 171). Zo kon Safranski in zijn Heidegger-biografie uit 1994 nog met volle overtuiging concluderen: “Heidegger – een antisemiet? / Hij was het niet in de zin van het ideologische waansysteem van de nationaalsocialisten.” (Safranski 2002: 316)


Dit semi-geruststellende beeld van Heidegger blijkt nu echter in het licht van de Schwarze Hefte niet langer houdbaar te zijn. Niet dat hij in deze teksten alsnog het biologische antisemitisme van de nazi’s omarmt (dat blijft hij als “vulgair biologisme” verwerpen), maar hij tilt het antisemitisme op een ‘hoger’ plan door het vanuit zijn denken over de “Zijnsgeschiedenis” te interpreteren en te motiveren. Heidegger overtreft als het ware het biologische “waansysteem” van de nazistische jodenhaat met het waansysteem van zijn eigen “Zijnshistorisch antisemitisme”. In de Schwarze Hefte blijken “de Joden” voor hem de ontwortelden bij uitstek te zijn, die door hun diaspora en assimilatie aan andere culturen elke “geworteldheid” [Bodenständigkeit] in historische eenheden van cultuur en landschap missen en daardoor gedoemd zijn om het noodlot van de “Zijnsvergetelheid” (die de geschiedenis van het Westen sinds Plato en Aristoteles kenmerkt) te voltooien. Dit heeft voor Heidegger niet zozeer te maken met de biologische constitutie van het Joods “ras” als wel met de rol van de “ontwortelde” Joden in de Zijnsgeschiedenis. Aldus Heidegger: “De vraag naar de rol van het wereldjodendom is geen raciale vraag, maar de metafysische vraag naar het type mens-zijn [Menschentümlichkeit] dat op volstrekt ongebonden wijze de wereldhistorische “missie” om al het zijnde uit het zijn te ontwortelen, op zich kan nemen.” (Geciteerd in Trawny 2015: 34) 


Het Joodse denken mist volgens Heidegger de worteling in een traditioneel betekenisgeheel van volk-en-landschap en is daardoor het “ongebonden” denken van de “holle rationaliteit” die door louter “rekenkundige begaafdheid” wordt gekenmerkt, waarmee Heidegger een Zijnsfilosofische invulling geeft van het antisemitische stereotype dat Joden uitblinken in “rekenen met geld” (zie Trawny 2015: 32-33). Het materialisme, zowel in de wetenschappelijke betekenis van natuurkundig materialisme als in de economische betekenis van kapitalistische hebzucht, is voor Heidegger een wezenlijk Joods fenomeen. Zo wijst Heidegger in de Schwarze Hefte de Joden aan als hoofdschuldigen achter het “rekenende denken” dat in de moderne tijd is uitgemond in het zieldodende Gestell van de technologie, waarin de Zijnsvergetelheid tot een hoogtepunt komt. Het is tegenover deze “holle rationaliteit” van het joodse “rekenende denken” dat Heidegger zijn eigen “bezinnende denken” plaatst dat de mensheid uit haar Zijnsvergetelheid moet wakker schudden.


Daarmee wordt ook duidelijk hoezeer Heideggers Zijnsdenken, in ieder geval na grofweg 1930, verbonden was met de Blut-und-Boden-ideologie van het nazisme; ook daarover kunnen we zeggen dat Heidegger deze ideologie Zijnshistorisch interpreteert en zodoende op een ‘hoger’ plan tilt. In feite pretendeert hij de nazi’s beter te begrijpen dan zij zichzelf begrepen; in die zin plaatst hij zijn eigen “geestelijk nationaalsocialisme” boven hun “vulgair-nationaalsocialisme” (zie Trawny 2015: 29). Heideggers basisidee in dit “geestelijk nationaalsocialisme” is dat het Zijn zich “wezenlijk” openbaart in de traditioneel-culturele “werelden” van historische volkeren in hun “geworteldheid” in specifieke landschappen (zoals de Griekse cultuur onlosmakelijk verbonden was met het Griekse landschap, de Duitse cultuur met het Duitse landschap, enzovoort). Dergelijke traditionele en gewortelde betekenisgehelen zijn voor Heidegger de “beslissingsdomeinen van het Zijn” [Entscheidungsbezirke zum Seyn] waarin de Zijnsgeschiedenis zich “wezenlijk” voltrekt. Het verlies van dergelijke gewortelde culturen, wat Heidegger de “zelfvervreemding van de volkeren” noemt, is voor hem dan ook “het verlies van de geschiedenis” (dwz. van de Zijnsgeschiedenis) in de voltooiing van de Zijnsvergetelheid (zie Trawny 2015: 33-34). 


Hier wordt voor Heidegger de Zijnshistorische rol van de Duitsers en het nationaalsocialisme duidelijk, als de tegenhangers van de Zijnshistorische rol van het “wereldjodendom”. Zoals de Joden in hun voltooide ontworteling de “wereldhistorische “missie” [hebben] om al het zijnde uit het zijn te ontwortelen”, daar hebben de Duitsers met hun Bodenständigkeit in een cultuur en landschap de tegenovergestelde wereldhistorische missie om deze ontworteling tegen te gaan en een nieuw begin van de Zijnsgeschiedenis mogelijk te maken (zie Trawny 2015: 30). “Alleen de Duitser kan het zijn op een oorspronkelijke wijze opnieuw dichten en uitspreken”, aldus Heidegger (geciteerd in Trawny 2015: 27). De wedergeboorte van het Duitse volk in de nationaalsocialistische revolutie ziet Heidegger dan ook als een metafysisch verzet tegen het Gestell van de technologie, waar zowel het Amerikaanse kapitalisme als het Russische communisme manifestaties van zijn – zoals Heidegger in 1935 stelt in zijn collegereeks Einführung in die Metaphysik: “Rusland en Amerika zijn beide metafysisch gezien hetzelfde: dezelfde troosteloze razernij van de ontketende techniek en van de grenzeloze organisatie van de gemiddelde mens.” (Heidegger 1997: 63) 


Aangezien het Gestell voor Heidegger onlosmakelijk verbonden is met het “rekenende denken” van de Joden, ziet hij dan ook in de schijnbaar tegengestelde dreigingen van het “Amerikanisme” en “Bolsjewisme” de verderfelijke invloed van hetzelfde “wereldjodendom”. Het is volgens Heidegger de Zijnshistorische missie van de nationaalsocialistische revolutie om zich tegen deze ‘tweelingdreiging’ van Amerika en Rusland teweer te stellen en de Duitse cultuur te redden van de volledige “zelfvervreemding” in het Gestell van de technologie. 


Dat Heidegger later kritischer over het nationaalsocialisme is gaan denken, heeft alles te maken met de veranderende houding van de nazi’s tegenover technologie en industrialisatie. Heidegger schijnt zich vooral aangetrokken te hebben gevoeld tot de meer ‘romantisch’ gestemde SA van Ernst Röhm, zodat de eliminatie van de zgn. Röhm-factie in 1934 (tijdens de historische Nacht van de lange messen) een belangrijke factor is geweest in Heideggers graduele desillusie met het nazisme (zie Farias 1987: 111-204). Stond het vroege nationaalsocialisme nog in het teken van een romantische verering voor het pre-industriële Duitsland, na 1936 kwam daarvoor steeds meer een fascistische verering voor technologie en industrialisatie in de plaats, vooral ook omdat Hitler en de zijnen zich op de komende oorlog begonnen voor te bereiden (zie Zimmerman 1990: 104). In de filosofie kwam deze nationaal-socialistische toewending tot de technologie paradigmatisch tot uiting in Ernst Jüngers door Nietzsche geïnspireerde verering van de fabrieksarbeider en de Totale Mobilmachung van het leven in de moderne technologie (iets dat Heideggers latere visie op het Gestell van de technologie sterk heeft beïnvloed). 


Het uiteindelijke falen van de nationaalsocialistische revolutie zag Heidegger dan ook als een logisch gevolg van het feit dat het nazisme op den duur geen weerstand kon bieden tegen de technologie en zo door het Gestell werd opgeslokt, waarmee het op hetzelfde metafysische niveau kwam te staan als het Amerikanisme en Bolsjewisme. De Zijnshistorische missie van het nationaalsocialisme – om tegen het Gestell in een nieuw begin in de Zijnsgeschiedenis te maken – was mislukt, wat voor een belangrijk deel Heideggers latere pessimisme over de totale overwinning van het Gestell en het voltooide nihilisme van de Zijnsvergetelheid verklaart. Daarmee is, in de visie van Heidegger, het “wereldjodendom” uiteindelijk toch geslaagd in zijn “wereldhistorische “missie” om al het zijnde uit het zijn te ontwortelen” – ondanks de zes miljoen joden die door de nazi’s om het leven zijn gebracht.   


Aan zijn oorspronkelijke Zijnshistorische interpretatie en legitimatie van het nationaalsocialisme, als een metafysisch verzet tegen het Gestell, is Heidegger altijd blijven vasthouden. Zo liet Heidegger in de uiteindelijke publicatie in 1953 van de collegereeks Einführung in die Metaphysik (uit 1935) een controversiële opmerking staan over “de innerlijke waarheid en grootsheid van deze beweging” (dwz. het nationaalsocialisme), al voegde hij daar tussen haakjes aan toe dat deze “waarheid en grootsheid” gezocht moesten worden in “de confrontatie tussen de wereldwijd toegepaste techniek en de moderne mens” (Heidegger 1997: 223). Deze “waarheid en grootsheid” lagen dus in het feit dat het nazisme vanuit z’n Zijnshistorische rol deze confrontatie met de technologie was aangegaan. De tragiek van het nazisme was echter dat het deze confrontatie uiteindelijk had verloren, met de huidige planetaire heerschappij van het Gestell tot gevolg. Heidegger, kortom, heeft nooit afstand genomen van zijn oorspronkelijke nazi-engagement, simpelweg omdat deze verankerd lag in de kern van zijn denken over de Zijnsgeschiedenis.   


Literatuur
-Farias, Victor (1987), Heidegger et le nazisme. Lagrasse: Verdier.

-Heidegger, Martin (1997), Inleiding in de metafysica. Nijmegen: SUN.

-Polt, Richard (2009), “Jenseits von Kampf und Macht: Heideggers heimlicher Widerstand”, in: Denker, Alfred & Zaborowski, Holger (eds)., Heidegger und der Nationalsozialismus, vol. 2, Interpretationen (Heidegger-Jahrbuch, 5), pp.155–186. Freiburg/München: Verlag Karl Alber.

-Safranski, Rüdiger (2002), Heidegger en zijn tijd. Amsterdam: Olympus.

-Trawny, Peter (2015), Heidegger en de mythe van de joodse wereldsamenzwering. Zoetermeer: Uitgeverij Klement.

-Zimmerman, Michael E. (1990), Heidegger’s Confrontation with Modernity. Politics, Technology, Art. Bloomington and Indianapolis: Indiana University Press. 





Reptielen in het brein

De reptielen van Baudet zitten vooral in zijn eigen hoofd. Daar zijn ze ingestopt door Poetin, de evolutie en de onmenselijke werking van het kapitalisme.

Dinsdag 18 oktober werd de fractievoorzitter van de PVV in de Eerste Kamer, Marjolein Faber, het woord ontnomen door de Senaatsvoorzitter. Faber had namelijk aan Rutte gevraagd of “de vijfde colonne niet eigenlijk achter de regeringstafel zit”. Naar eigen zeggen gebruikte zij de beladen term “vijfde colonne” omdat volgens haar “het Nederlandse volk zich verraden voelt”.

Hoewel Faber daarin deels zeker gelijk heeft (al kun je over de redenen van mening verschillen), ben ik het toch eens met het oordeel van de Eerste Kamervoorzitter dat de PVV’er “zwaar beledigende taal” richting Rutte had gebruikt en dus de mond gesnoerd moest worden. Niet dat ik nou zo’n fan van Rutte ben – verre van, ook ik vind dat Rutte met zijn beleid van de afgelopen 12 jaar het Nederlandse volk (en dan vooral het niet-rijke deel daarvan) verraden heeft. Net als de mislukte Thatcher-lookalike Truss moet ook Rutte zo snel mogelijk het veld ruimen wegens neoliberaal wanbeleid, waar alleen de rijken en de grote bedrijven van geprofiteerd hebben.

Waarom is Fabers opmerking richting Rutte dan toch zo fout? De PVV-senator deed haar uitspraak een paar dagen na Baudets breed uitgemeten psycho-fascistische uitglijder over het complot van “kwaadaardige reptielen” dat de wereld zou bedreigen en waar Poetin als enige wereldleider tegen op zou staan. In zo’n context is het duidelijk dat Fabers opmerking over een “vijfde colonne” maar op één manier begrepen kan worden, namelijk als een impliciete beschuldiging aan het adres van Rutte dat er onder zijn glanzend-blauwe maatpak en quasi-menselijke gedaante ook een reptiel schuilgaat. Gaat de PVV nu ook al op de complot-tour? Als Baudet in de Tweede Kamer gecensureerd mag worden voor het spuien van achterlijke en gevaarlijke complottheorieën (“Kaag is een spion”), dan geldt dat ook voor mevrouw Faber.


Fascisme: het innerlijke reptiel
Overigens heeft Baudet na zijn reptielen-uitglijder nog geprobeerd een deel van zijn imago-schade (want welk enigszins weldenkend mens gelooft deze waanzinnige nog?) ongedaan te maken door te zeggen dat hij het niet zo letterlijk had bedoeld: de term “reptielen” zou metaforisch begrepen moeten worden, als aanduiding voor de “gevoelloze mensen” die wereldwijd aan de touwtjes trekken. 

Maar zo gemakkelijk komt ‘Herrie Thierry’ er deze keer niet vanaf. Zijn reptielen-opmerking was een duidelijke verwijzing naar de door hem bewonderde Britse complot-‘denker’ en notoire Jodenhater David Icke, die het toch echt letterlijk heeft over buitenaardse “reptilians” die de macht op aarde willen overnemen – reptielachtige wezens die op mysterieuze wijze (zijn het shapeshifters? hologrammen?) mensachtige gedaante aan kunnen nemen en heel toevallig ook vaak Joden zijn. De Joodse bankiersfamilie Rothschild zou volgens Icke hun aanvoerder zijn. Kortom: antisemitisme in een shock-horror-science-fiction-jasje. De fascistische waanzin spat ervan af. De nazi-mythe van het Zionistische complot leeft voort in het huidige complot-‘denken’. 

Ook hier is context dus bepalend: gegeven Baudets bewondering voor Icke, die hij een “groot denker” noemt, moet zijn reptielen-opmerking wel degelijk letterlijk in plaats van louter metaforisch begrepen worden. Maar zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat Baudet met “reptielen” inderdaad slechts “ongevoelige mensen” bedoelde, dan nog is hij duidelijk de weg kwijt. Want in één adem door prijst hij Poetin als zijn grote held, de “viriele” Verlosser, de “Dark Knight” die het tegen de reptielen op durft te nemen in een apocalyptische strijd van goed en kwaad. 

Vladimir Poetin, de man die een illegale en wrede veroveringsoorlog is begonnen en de wereld met nucleaire wapens bedreigt? De dictatoriale oligarch die met zijn kleptocratische bende van mede-oligarchen Rusland heeft leeggezogen en aan de rand van de afgrond heeft gebracht? De gifmenger van het Kremlin die al zijn politieke tegenstanders heeft opgeruimd? De massamoordenaar van Syrië? De slager van Boetsja? De terrorist die Oekraïense woonwijken, ziekenhuizen, scholen en energiecentrales met raketten en kamikaze-drones bestookt? Is dat je grote held, je kampioen in de strijd tegen de “gevoelloosheid”? Kom op nou, meneer Baudet… Is Poetin zelf niet het opper-reptiel, het prototype van de ijskoude killer? 


Poetins vijfde colonne

De reptielen van Baudet zitten primair in hemzelf, in zijn hoofd, waar het gif van de fascistische waanzin flink heeft huisgehouden. Waar komt dat gif, dat “innerlijke reptiel” vandaan? Enerzijds is het duidelijk dat Poetin het daar gestopt heeft – althans, Poetin heeft in ieder geval Baudets innerlijke reptiel zorgvuldig gevoed en verzorgd. Het is inmiddels breed bekend dat Poetin het rechts-populisme in heel Europa en Amerika heeft aangewakkerd en gesteund. Deels door het verspreiden van nepnieuws en complottheorieën via Russische trollen en bots. Maar ook door regelrechte financiële steun aan rechts-populistische politici. Van Nigel Farage en Marine le Pen is bekend dat ze geld vanuit Russische hoek hebben aangenomen. De Brexit, waardoor de EU en het VK tegen elkaar zijn uitgespeeld, is mede door Russisch geld mogelijk gemaakt. En zoals recentelijk bekend werd heeft ook Berlusconi, geheel in maffia-stijl, van Poetin een betaling mogen ontvangen, in de vorm van 20 flessen vodka. Ik zie Poetin al in het Kremlin een Marlon Brando-imitatie doen: “I’m gonna make him an offer he can’t refuse.”

Ook Baudet lijkt Russisch geld ontvangen te hebben. Zo heeft het er alle schijn van dat hij in de aanloop naar het Oekraïne-referendum van 2016 nauw samenwerkte met een aan het Kremlin verbonden Rus. In app-berichten, die door Zembla en De Nieuws BV naar buiten zijn gebracht, verwijst Baudet naar betalingen van deze man, die hij omschrijft als “een Rus die voor Poetin werkt”. Volgens lolbroek Baudet waren deze berichten bedoeld als “grapjes”, maar voormalig Forum-bestuurslid Henk Otten zag destijds de humor er niet van in en waarschuwde Baudet meermaals voor Russische invloeden. 

Overigens heeft ook Geert Wilders in het verleden gedweept met Poetin en zich tijdens een bezoek aan Rusland een vriendschapsspeldje op laten spelden, terwijl het MH17-proces in volle gang was. Over vijfde kolonne gesproken…

Toch is het te simpel om Poetin als enige verantwoordelijk te stellen voor de “reptielen” in de hoofden van extreem-rechtse figuren als Trump, Baudet en David Icke. Blijkbaar is er een maatschappelijke voedingsbodem voor fascistische complottheorieën – een voedingsbodem waar demagogen als Hitler, Poetin en Trump handig misbruik van maken. Er zijn hele volksstammen die hierin meegesleept werden én worden: we kennen allemaal mensen in onze directe of indirecte omgeving die met het complotvirus zijn aangedaan. Zo had mijn moeder aan het begin van de coronacrisis een tandarts die tijdens een wortelkanaalbehandeling losjes begon te keuvelen over de “Great Reset” en het feit dat de vaccins toch eigenlijk bedoeld waren om 90 procent van de mensheid uit te roeien, om zo de overbevolking op te lossen. Mijn moeder, toch al geen held in de tandartsstoel, heeft stante pede een andere tandarts gezocht. 


Martin Buber en het “Demonische Jij”

Van waar die waanzin? Waarom gaan mensen hierin mee? Waarom schakelen zij op een gegeven moment hun kritisch denkvermogen uit, om zich over te geven aan fascistische fantasieën over buitenaardse reptielen annex Joden die onze wereld bedreigen? Waar komt deze psychotische obsessie met een complot van onmenselijke vijanden vandaan? Wat zijn de maatschappelijke oorzaken hiervan? Wat is er mis met onze samenlevingen, dat zij deze massa-psychose produceren? 

Want het spreekt voor zich dat dergelijke fantasieën, zeker als zij breed gedragen worden, niet zomaar uit de lucht komen vallen. Dan is er meer aan de hand dan de gekte van een paar enkelingen. Marxistisch gezegd: mensen worden gevormd door hun sociaal-economische omstandigheden. Ergo: als mensen massaal het gevoel hebben dat ze door onmenselijke vijanden belaagd worden, dan zijn hun omstandigheden blijkbaar onmenselijk geworden. Het is dan te gemakkelijk om figuren als David Icke en Baudet af te doen als losgeslagen gekken. Natuurlijk, ze zijn knettergek, maar hun waanzin is een afspiegeling van de maatschappij die blijkbaar deze massa-psychose in de hand werkt. Laten we daarom onszelf eens bekijken in de spiegel die Baudet ons voorhoudt. 

Na Hitler en de Holocaust hebben talloze schrijvers, psychologen, sociologen en filosofen zich gebogen over de vraag hoe het zó mis kon gaan: hoe konden zoveel Duitsers meegaan in de nazi-fantasieën over het Joodse complot en de fascistische overgave aan de Führer. Van alle theorieën die in de loop der tijd over het fascisme ontwikkeld zijn, van Wilhelm Reichs seksuele repressie-these tot het zondebokmechanisme van René Girard, vind ik er eentje uitspringen voor onze door ‘bubbelficatie’ beheerste tijd: de theorie van de “verstoorde dialoog” van de Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965).

Voor Buber staat menselijkheid gelijk aan mede-menselijkheid. Alleen door de dialoog aan te gaan, door volledig open te staan voor anderen in al hun andersheid, door ons aan te laten spreken en vanuit ons hart te antwoorden, worden we échte mensen. De “gehele mens”, aldus Buber, is “de mens mét de mens”, de dialogische mens. Het gaat dan ook fundamenteel fout als de maatschappij zo wordt ingericht dat mensen steeds meer ‘een nummer’ worden, als mensen primair op hun financiële eigenbelang worden aangesproken en niet op hun medemenselijkheid, als mensen niet meer openstaan voor elkaar en hun onderlinge communicatie stokt. In plaats van door de dialogische “Ik-Jij-relatie” wordt de samenleving dan in toenemende mate beheerst door de instrumentele “Ik-Het-relatie”, waarin mensen elkaar (maar bijvoorbeeld ook dieren en de natuur) als dingen gaan gebruiken. 

In dergelijke tijden van vervreemding en ontmenselijking, zegt Buber, gaat het “Demonische Jij” overheersen: “het Demonische Jij voor wie niemand anders een Jij kan worden”. Mensen ervaren elkaar dan niet meer primair als medemensen, maar in het beste geval als ‘neutrale dingen’, in het ergste geval als existentiële bedreigingen, als angstaanjagende vreemdelingen, ja – om in de sfeer van Baudet te blijven – als ‘reptielen’ die haaks staan op onze aangeboren behoefte aan medemenselijkheid. De één wordt een “Demonisch Jij” voor de ander. Vervolgens wordt dit sociaal-psychische trauma in de politiek uitgeleefd door de fascistische leider, die de algehele ontmenselijking in zekere zin openlijk uitspreekt en belichaamt. Zo is de fascistische leider zelf het ultieme “Demonische Jij” voor Buber, de leider die zijn eigen (mede-)menselijkheid uitschakelt door een bepaalde groep mensen in de samenleving te dehumaniseren en als dé schuldigen van alle misère aan te wijzen (de ‘reptielen’) – een politieke strategie die Buber als Jood in nazi-Duitsland aan den lijve heeft meegemaakt. 


Bubbelficatie en neoliberalisme
Kijken we vanuit Bubers dialogische filosofie naar onze tijd – het tijdperk van de bubbels – dan valt zijn relevantie niet te ontkennen. Steeds meer mensen trekken zich terug in de bubbel van het eigen gelijk en ontmoeten elkaar niet meer. In Nederland constateert het SCP al tientallen jaren dat verschillende groepen en lagen van de bevolking steeds minder contact met elkaar hebben, laat staan dat zij mengen. De sociale verhoudingen gaan op slot. De Russen en het Westen, de ‘complotwappies’ en de ‘sheeple’, links en rechts, witte mensen en gekleurde mensen, de Israëli’s en de Palestijnen, de ‘klimaatwappies’ en de ‘klimaatontkenners’, de haves en de have-nots – iedereen zit in z’n eigen informatiebubbel, wereldbeeld, comfortzone, getto of gated community. Echte dialoog, dwars door bubbelwanden heen, vindt nog maar zelden plaats. 

En daarmee boeten we aan medemenselijkheid in: de onmenselijkheid van Poetins oorlog en van de fascistische reptielen-fantasie getuigen daarvan. Maar ook los daarvan zien we de ontmenselijking om ons heen oprukken: online scheldpartijen, de verhuftering in het verkeer, doodsbedreigingen, de onmenselijke behandeling van asielzoekers, de verharding van het publieke debat op sociale media en in de Tweede Kamer – het zijn allemaal symptomen van een tekort aan medemenselijkheid.

Vragen we naar de onderliggende oorzaak van dit tekort, dan komen we volgens de anarcho-socialist Buber uit bij het kapitalisme. In het kapitalisme heerst immers niet de dialogische Ik-Jij-relatie, maar de instrumentele Ik-Het-relatie. De ander verschijnt niet primair als medemens maar als concurrent, als consument, als baas of als bron van arbeid. Het kapitalisme heeft “geen andere band tussen de mensen overgelaten dan die van het naakte profijt, van de hardvochtige ‘contante betaling’”, zo schreef Marx al in zijn Communistisch Manifest van 1848. En Buber zegt het hem in 1923 na: “Heeft niet de ontwikkeling van de moderne wijze van arbeid en bezit bijna elk spoor [...] van de betekenisvolle relatie vernietigt?”

Toen al zag Buber de winstmachine van het kapitalisme op hol slaan: “De stokers hopen nog wel de kolen op, maar de leiders regeren slechts voor de schijn over de voortrazende machines.” Alle menselijke waarden worden in financiële waarden omgezet, met als gevolg dat voortaan het geld regeert, niet langer de menselijkheid. Zo moest het kapitalisme volgens Buber wel uitmonden in de onmenselijkheid van het fascisme van de jaren ‘30. Hetzelfde zien we nu gebeuren.

Ongetwijfeld heeft de coronacrisis, met z’n virus-paranoia en gedwongen social distancing, bij veel mensen deze sociale vervreemding enorm aangewakkerd. Zo bezien is het niet verwonderlijk dat veel complottheorieën zich met name op corona richtten. Maar de coronacrisis heeft slechts een ontmenselijking blootgelegd die sinds de neoliberale wending rond het jaar 1990 steeds meer om zich heen grijpt in onze samenleving. Met het neoliberale ieder-voor-zich-denken en de voortschrijdende digitalisering nam de bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aan. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving, raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. 

Het neoliberalisme heeft ons egoïstisch gemaakt, ons vervreemd van elkaar en van onszelf, ons opgesloten in privé-bubbels en gereduceerd tot producerende en consumerende schakeltjes in de geldmachine van het geglobaliseerde kapitalisme – een machine waarin financiële belangen centraal staan, niet de werkelijke belangen van mensen en de natuur. Zo kreeg Margaret Thatcher, de ‘Iron Lady’ van het neoliberalisme, vanzelf gelijk toen zij in 1987 zei: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen.”

In zekere zin heeft PVV’er Marjolein Faber dus wel gelijk als zij de neoliberaal Rutte er impliciet van beschuldigd een reptiel te zijn, geen buitenaardse reptilian natuurlijk, maar een kille kapitalistische reptiel, bij wie de financiële belangen altijd bovenaan staan. Rutte, de vijfde colonne van het grootkapitaal in het Torentje. Zijn recente houding ten aanzien van het WK in Qatar spreekt weer eens boekdelen: Rutte ziet er geen been in om te juichen in de stadions waar het bloed van duizenden dode dwangarbeiders aan kleeft – “maar wij juichen dan voor het Nederlands elftal”, zo haastte hij zich erbij te zeggen. Wat hij natuurlijk écht bedoelt is: “wij juichen dan voor het goedkope Qatarese gas…” Dat is nou precies de onmenselijkheid waar onze samenlevingen zo onder lijden. Op deze wijze brengen kapitalistische reptielen vanzelf fascistische reptielen voort.


Tot slot: de reptiel in ons eigen brein
Natuurlijk hebben we allemaal een reptiel in ons brein, namelijk de hersenstam, het in evolutionair opzicht oudste gedeelte van onze hersenen dat we met de reptielen gemeen hebben. Het reptielenbrein is verantwoordelijk voor de meeste primitieve overlevingsinstincten: het waarnemen van gevaar en het razendsnel kiezen voor vluchten of vechten. Onze neiging tot agressie ligt in het reptielenbrein besloten. In die zin zouden we een neurologische theorie over het fascisme op kunnen stellen: fascisme als het ontketende reptielenbrein dat overal vijanden ziet en met naakte agressie reageert. Baudet, met zijn paranoïde angst voor een reptielen-complot, projecteert dus eigenlijk gewoon z’n innerlijke reptiel op de buitenwereld.

Gelukkig wordt het reptielenbrein in onze schedel omgeven door het warmbloedige zoogdierenbrein, het limbisch systeem dat onder andere verantwoordelijk is voor de warme sociale gevoelens die horen bij het zogen van de eigen jongen en het succesvol samenleven in groepen. In het verlengde daarvan, aan de voorkant van onze schedel, heeft zich ten slotte het mensenbrein ontwikkeld, de neocortex die vooral goed is in taal en bewust-logisch nadenken. Met enige overdrijving maar wel met een kern van waarheid zouden we kunnen stellen dat de agressieve oer-instincten van het koudbloedige reptielenbrein in toom gehouden worden door de sociale warmte van het zoogdierenbrein en de rationaliteit van de neocortex. Laten we daarom onze medemenselijkheid en ons kritisch denkvermogen blijven koesteren, om onze innerlijke reptielen te beteugelen.