Showing posts with label socialisme. Show all posts
Showing posts with label socialisme. Show all posts

Perfect leesvoer voor de klassenstrijd

Verschenen in: Tribune, winter 2025, pp. 35-40. Boekrecensie: Machtige mythes: Hoe 21 economische sprookjes ons land steeds ongelijker maken (en wat daaraan te doen). Auteurs: Vrijmoeth, Noten, Kram, Koopmans en De Vos. Amsterdam: Uitgeverij Van Gennep.


In dit handzame boekje ontrafelen vijf FNV-onderzoekers de economische mythes die ons land gevangen houden in neoliberaal beleid: mythes over hoe hard we werken, over stijgende prijzen, over ongelijkheid, over ons belastingstelsel en over het bedrijfsleven. Wat schuilt er achter deze sprookjes en wiens belangen worden er gediend? Machtige mythes is een helder geschreven verzameling eye-openers, die niet alleen stof tot nadenken geven maar ook aanzetten tot actie. In deze recensie bekijken we een aantal van deze mythes en laten we zien hoe de onderzoekers van de FNV er vakkundig korte metten mee maken.


Is het vaste contract ‘te vast’?
Werkgevers roepen al heel lang dat het vaste contract ‘te vast’ is. Al die ‘luxe’ werknemersrechten zijn maar lastig voor ondernemers. Zij moeten door globalisering immers concurreren met bedrijven in lagelonenlanden zoals China en India, waar werknemersrechten niet zoveel voorstellen. 

In 1994 pleitte toenmalig werkgeversvoorman Rinnooy Kan dan ook voor meer ‘Darwin in de arbeidsmarkt’: werkenden moesten maar wennen aan de ‘survival of the fittest’ die globalisering met zich mee zou brengen. Als ‘BV Nederland’ niet voor flexibelere contracten zou kiezen, zo waarschuwde Rinnooy Kan, dan zouden we de internationale concurrentie verliezen, ten koste van de werkgelegenheid en welvaart in ons land. De oproep van Rinnooy Kan was dan ook niet aan dovemansoren gericht: de Paarse kabinetten van PvdA, VVD en D66 maakten flink vaart met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Met ingrijpende gevolgen, aldus de FNV-onderzoekers: 

‘Het aandeel vaste contracten onder alle werkenden heeft sinds 2003 een duikvlucht genomen van 73 procent naar nog slechts 56 procent in 2022. Hadden we er ook wat aan? Nee. Inmiddels moeten we concluderen dat deze flexibilisering van de arbeidsmarkt volledig verkeerd heeft uitgepakt. Het leverde namelijk nauwelijks extra banen op, maar maakte wel het bestaan van veel mensen veel moeilijker.’ (p.21-22) 

De onderzoekers van de FNV laten aan de hand van cijfers over de Europese arbeidsmarkt zien dat er geen enkel verband te constateren valt tussen de mate van ontslagbescherming en de werkgelegenheid. De claim van werkgevers en VVD’ers, dat vaste contracten tot minder banen en flexibele contacten juist tot meer banen zouden leiden, klopt dus simpelweg niet. De vraag is dan: wat heeft die flexibilisering precies opgeleverd? En voor wie? Antwoord: vooral extra winst voor werkgevers, die minder kwijt zijn aan ‘dure’ werknemers, en extra onzekerheid en ellende voor werkenden.

Het schrijnende daarbij is dat de flexibilisering vooral terechtkwam bij de 10 procent Nederlanders met de laagste inkomens: ‘In 2003 kon 64 procent van de werkende mannen in deze groep nog rekenen op een vast contract. In 2021 was dit nog maar 18 procent.’ (p.22-23) Juist de mensen die het al moeilijk hadden, werden dus het hardst geraakt door de stress van toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt. Het mag dan ook niet verbazen, zo merken de onderzoekers op, dat juist de mensen met de laagste inkomens het vaakst uitvallen door ziekte.

Geniepige inflatie-sprookjes

Terwijl de werkende klasse in het voorjaar van 2023 gebukt ging onder historisch hoge prijsstijgingen – steeds duurdere boodschappen, hogere energierekeningen en onbetaalbare woningen – waarschuwde Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank, voor een ‘loon-prijsspiraal’. Als de vakbonden hun zin zouden krijgen, en het koopkrachtverlies voor werkenden met hogere lonen gecompenseerd zou worden, dan zou dat volgens Knot leiden tot nóg hogere inflatie. Want tja, werkgevers zouden dan genoodzaakt zijn de hogere loonkosten door te berekenen aan de consumenten.

Werkende mensen moesten dus maar door de zure appel heen bijten en accepteren dat ‘echt iedereen even hard geraakt wordt’ door de inflatie: werkenden én werkgevers. De gierende inflatie trof immers héél Nederland en was nou eenmaal van buitenaf veroorzaakt: eerst door de covid-pandemie en later door Russische oorlog tegen Oekraïne, die tot hogere olie- en gasprijzen leidde. Dan past het niet om klassenstrijd te gaan voeren; dat althans was de boodschap van Klaas Knot.

Zoals de FNV-onderzoekers echter laten zien, zitten in dit ogenschijnlijk plausibele verhaal een aantal kwalijke mythes verborgen. Ten eerste was er geen enkel bewijs dat er inderdaad sprake was van een loon-prijsspiraal. Vanaf het begin van de inflatie in 2021 begonnen weliswaar ook de lonen te stijgen, maar de prijzen stegen nog veel harder. Zelfs nu lopen de loonstijgingen nog achter bij de prijsstijgingen. Van een loon-prijsspiraal kan dus geen sprake zijn, aldus de FNV-onderzoekers: ‘Hoe kunnen lonen de prijzen tot een vicieuze cirkel drijven als ze nooit sterker stijgen? Het antwoord: dat kunnen ze niet.’ (p.35)


Graaiflatie en monopolies

Ook van de mythe dat de inflatie iedereen – werkenden én werkgevers – even hard zou raken, laten de FNV-onderzoekers weinig heel. Aan de hand van harde cijfers laten zij zien ‘dat bedrijven juist in de periode van hoge inflatie extra winst hebben weten te maken’ (p.39). 

Dat is natuurlijk raar: als de inflatie écht iedereen even hard zou raken, dan zouden winsten juist gedaald moeten zijn. Dat dit niet gebeurde, ontkracht nogmaals het idee van een loon-prijsspiraal; het zijn niet de hogere lonen geweest die de prijzen hebben opgedreven, maar juist de hogere winsten. De inflatie was voor een groot deel ‘graaiflatie’: het prijs-opdrijvende effect van onverzadigbare winsthonger bij bedrijven.

De onderzoekers laten overtuigend zien dat graaiflatie vooral een Nederlands fenomeen was: van 2021 t/m 2024 lagen de prijzen in de Nederlandse supermarkten namelijk een stuk hoger dan in onze buurlanden. ‘De verklaring? In Nederland droegen hogere winsten [...] sterker bij aan de prijsstijgingen dan in andere Europese landen’. (p.40) Kortom, Nederlandse bedrijven maakten misbruik van de inflatie om hun winsten te verhogen: ze hebben de inflatie niet alleen doorberekend in hun prijzen, maar er zelfs nog een schepje bovenop gedaan. 

Gevolg: extra koopkrachtverlies voor de Nederlandse werkende klasse. Zo bezien was de waarschuwing van Klaas Knot voor ‘te hoge looneisen’ extra geniepig: het graaiende grootkapitaal werd de hand boven het hoofd gehouden, terwijl werkende mensen werden leeggeknepen met te dure boodschappen.

Volgens de FNV-onderzoekers wijst dit op een dieper probleem in de Nederlandse economie. Want volgens de economische standaard-theorie zouden bedrijven niet zomaar hun prijzen moeten kunnen verhogen; klanten zouden dan immers uitwijken naar concurrenten met lagere prijzen. Dat supermarkten als Albert Heijn en Jumbo in tijden van inflatie wél hun prijzen konden verhogen, om extra winst te maken, betekent dus dat zij te weinig concurrentie hebben van andere supermarkten: ‘Wie in bepaalde woonplaatsen niet naar de Albert Heijn of Jumbo wil, zal flink om moeten rijden en heeft daar niet altijd zijn in.’ (p.41) Supermarkten maakten dus misbruik van hun lokale monopolieposities om de prijzen extra te verhogen. Dat blijkt ook uit de cijfers: ‘In de periode met graaflatie behaalden bedrijven met meer marktmacht dan ook hogere winstcijfers.’ (p.41) 


Dragen de breedste schouders écht de zwaarste lasten?

Een van de meest interessante – en schokkende – onderdelen van Machtige mythes vormen de hoofdstukken over het Nederlandse belastingstelsel. Hier richten de FNV-onderzoekers hun pijlen op een breed gedeeld idee, namelijk dat ons belastingsysteem ‘best wel progressief’ zou zijn: de breedste schouders dragen de zwaarste lasten. 

Op papier lijkt dat te kloppen: de inkomstenbelasting gaat in drie stappen omhoog naar een belasting van 49,5 procent voor de allerhoogste inkomens (vanaf iets meer dan 76 duizend euro per jaar). Ook de belastingen op winst en vermogen zijn tamelijk progressief: het mkb betaalt relatief minder winstbelasting dan het grootbedrijf, en bij vermogensbelasting zijn de laagste vermogens belastingvrij. Kortom: best wel sociaal, zou je denken – op het socialistische af zelfs, zo meende minister-president Mark Rutte destijds: ‘We zijn natuurlijk een land dat in de kern diep socialistisch is. We hebben een eindeloze overdracht van geld van de ene groep naar de andere groep.’ (p.74)

Rutte deed deze opmerkelijke uitspraak tijdens een Kamerdebat op 1 april 2020. En hoewel hij het serieus bedoelde, blijkt het – voor wie in de cijfers duikt – inderdaad niet meer dan een 1 april-grap te zijn, en een slechte bovendien. In 2022 werd Rutte’s rooskleurige beeld van Nederland als ‘herverdelend landje’ hard onderuit gehaald door het Centraal Planbureau (CPB), dat aan de hand van cijfers liet zien hoe het écht zat. Het grote probleem, zo concludeerde het CPB, is dat mensen met veel vermogen in staat zijn een groot deel van hun geld voor de Belastingdienst te verstoppen via handige belastingtrucs en ‘creatieve’ boekhouding. 

Het CPB besloot om dit weggestopte geld mee te rekenen, en toen bleek ineens ‘dat de allerrijksten in ons land het minste belasting betalen van iedereen’! (p.76) Sterker nog: de rekenmeesters van het CPB lieten zien dat juist de mensen met de lagere inkomens relatief het meeste belasting betaalden: ‘Toen de onderzoekers het land opdeelden in een aantal groepen, zagen ze dat de helft van het land met de lagere inkomens meer dan vijftig procent van hun geld kwijt is aan de Belastingdienst.’ (p.76) Tweeëneenhalf keer zoveel als de allerrijksten! 

Deel van het probleem, zo laten de FNV-onderzoekers zien, is dat er procentueel meer belasting wordt geheven op inkomen uit werk dan op inkomen uit vermogen (zoals huur, rente en dividend). Een andere factor die meespeelt is de ongelijke verdeling van de btw op consumptie. Deze belasting drukt het zwaarste op de laagste inkomens, omdat zij een veel groter deel van hun budget aan boodschappen kwijt zijn dan rijke mensen, die veel meer kunnen sparen. ‘Het is een soort extra belasting op inkomen’, schrijven de FNV-onderzoekers: ‘In tegenstelling tot andere belastingen is de btw juist niet progressief, maar regressief: iedereen betaalt hetzelfde tarief, waardoor lagere inkomens relatief – als aandeel van hun inkomen – meer betalen.’ (p.77)

Kortom, wie dit alles bij elkaar optelt, moet concluderen dat Nederland allerminst een ‘socialistisch’ landje is, zoals Rutte voorspiegelde. De breedste schouders dragen hier níet de zwaarste lasten. Sterker nog, zo concluderen de FNV-onderzoekers, als het gaat om progressiviteit dan bungelt het Nederlandse belastingstelsel in internationaal opzicht tamelijk onderaan: ‘Zo’n beetje elk West-Europees land én de Verenigde Staten belasten progressiever dan wij.’ (p.77) Weer een illusie armer en een ervaring rijker.


Tot slot: werkende klasse, verenigt u!

Een van de sympathieke aspecten van Machtige mythes is dat de FNV-onderzoekers het niet alleen bij cijfers laten, maar ook oproepen tot actie en daar tips voor geven. De cijfers zijn natuurlijk uiterst belangrijk, maar ze komen pas tot leven als we er wat mee doen. De auteurs sluiten het boekje dan ook af met de ontmanteling van een venijnige ‘bonusmythe’, het passief-makende idee ‘dat we er toch niets aan kunnen veranderen’. 

Hiervoor duiken de FNV-onderzoekers de geschiedenis in, om te laten zien hoe arbeiders, vakbonden en socialisten in het verleden door gezamenlijke strijd belangrijke overwinningen hebben behaald – van een verbod op kinderarbeid tot de achturige werkdag, van hogere lonen tot de vijfdaagse werkweek, van ontslagbescherming tot algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen, en ga zo maar door. 

De werkende klasse heeft ontzettend veel economische macht en als we die macht heel bewust samen inzetten, dan is the sky the limit zogezegd. Dat bleek onlangs nog maar eens bij de inspirerende staking in de Rotterdamse havens, waar slechts een paar honderd sjorders de wereldwijde handel konden stilleggen – wat herinneringen opriep aan de oude vakbondsleus: ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil!’ En dat kunnen wij als SP alleen maar beamen.

Machtige mythes ontrafeld
Interview met Vera Vrijmoeth en Felix Kram


Op 11 november vond in TivoliVredenburg de boekpresentatie plaats van Machtige mythes, waarin vijf onderzoekers van de FNV kritisch kijken naar 21 mythes die de economische ongelijkheid vergroten. De avond had als veelzeggende titel meegekregen: ‘Hoe grijp je de macht?’ – tekenend voor de praktische inzet van het boekje, waar het ontmaskeren van mythes hand in hand gaat met een gepassioneerd pleidooi voor een strijdbare werkende klasse. De Tribune sprak erover met twee van de auteurs, Vera Vrijmoeth en Felix Kram.  


Hoe is het idee achter jullie boek ontstaan?
Vera: ‘Het boekje is ontstaan omdat we in de FNV al vier jaar lang onderzoek deden naar scheefgroei in de economie. We deden dat vanuit de overtuiging dat je moet begrijpen hoe kapitaal werkt om de belangen van arbeid te kunnen verdedigen. Wat ons toen schokte was dat er heel veel beelden over de economie circuleren die gewoonweg niet kloppen – beelden die vooral door de werkgevers en partijen als de VVD verspreid worden. En die journalisten soms klakkeloos overnemen. Gaandeweg zijn we onze taak steeds meer gaan zien als het aangaan van de cijfer- en beeldvormingsstrijd, om die schadelijke mythes te ontkrachten.’

Hoe komt dat nou, dat die verkeerde beelden zoveel invloed hebben? 

Vera: ‘Wij vragen ons dat ook af. Politici en werkgevers hebben er soms gewoon belang bij om deze beelden neer te zetten. En vaak hebben journalisten dan niet de achtergrondkennis om deze materie goed te kunnen doorzien.’
Felix: ‘Deel van het probleem is ook dat die verkeerde beelden vaak een simplistisch beeld schetsen, dat juist daardoor heel eenvoudig en logisch lijkt. De VVD heeft het er bijvoorbeeld vaak over dat het niet gaat om de verdeling van de taart, maar dat de taart als geheel groter moet worden, want daar zou iedereen van profiteren. Zeker als je de achterliggende cijfers niet goed kent, dan kan dat een heel aantrekkelijk verhaal zijn, ook omdat je zo conflicten over verdeling uit de weg gaat.’ 

Vera: ‘Bovendien is het zo dat onze commerciële media grotendeels in handen zijn van grote buitenlandse bedrijven. Die mediabedrijven zijn eigenlijk een soort monopolies geworden, dus daar zit wel een probleem. Maar het is niet helemaal helder hoe dat doorwerkt in de berichtgeving over de economie. Sowieso is economie een heel ontoegankelijke discipline. Het wordt expres zo complex gemaakt dat er een soort autoriteit vanuit gaat, waardoor mensen denken: dat begrijp ik toch niet, dus daar hou ik me maar niet mee bezig!’


Hoe proberen jullie daar tegen op te boksen?

Felix: ‘Onze taak is om dat ingewikkelde cijferwerk te doen en dan vervolgens de vertaalslag te maken naar het grote publiek, om het voor iedereen begrijpelijk te maken. Dan helpt het enorm als je zo’n onderwerp in één treffende term kunt samenvatten, waarmee je je eigen frame tegenover dat van de werkgevers en de VVD kunt zetten. Bij de discussie rond de loon-prijsspiraal was dat betrekkelijk eenvoudig, omdat we toen de term ‘graaiflatie’ hadden, die in één aansprekend woord aangaf wat wij bedoelden.’
Vera: ‘In 2023 is ‘graaiflatie’ niet voor niks het woord van het jaar geworden.’

Felix: ‘Maar in andere gevallen is dat moeilijker, vanwege de technische details. Neem bijvoorbeeld de ‘buffelboete’, de belastingverhoging die – om onduidelijke redenen – met ingang van 2025 werd ingevoerd voor mensen met een laag inkomen, vooral parttimers die er fors op achteruitgingen. Daar kwamen wij bij toeval achter, omdat de FNV telefoontjes kreeg van mensen die plots minder loon overhielden. Wij zijn dat gaan uitzoeken en dan wordt het al snel héél technisch. Je moet dan het belastingsysteem induiken en onderzoeken hoe de heffingskortingen werken. Dat is voor leken bijna niet te volgen. Maar ook hierbij hielp het dat een slimme FNV-bestuurder, Linda Vermeulen, de catchy term ‘buffelboete’ bedacht, waardoor het door de media kon worden opgepikt.’

Vera: ‘Daardoor is het gelukt om een heel technisch onderwerp – dat eigenlijk niemand echt snapt – samen te vatten in een heel simpele boodschap: mensen met een laag inkomen zijn meer belasting gaan betalen en dat raakt ongeveer 800.000 huishoudens. Schoof werd daardoor gedwongen erop te reageren. Vlak voor de verkiezingen was dat best wel explosief.’ 


Is er een rol voor de SP bij het ontmaskeren van die ‘machtige mythes’?
Vera: ‘Absoluut. Het lezen van onze onderzoeken en daar vragen over stellen in de Tweede Kamer of in de provincie of gemeenteraad, dat maakt echt heel veel uit. Ook het organiseren in wijken is hierbij van vitaal belang. Persoonlijk geloof ik niet in het idee: ‘Ik stem op een politicus, dus die moet het dan allemaal maar voor mij gaan fixen.’ Nee, als we iets willen veranderen aan hoe die economie werkt, dan zullen we allemaal ons steentje moeten bijdragen.’

Felix: ‘Wat dan ook helpt, is dat je er acties of een bredere campagne aan kunt koppelen.’
Vera: ‘Want als je zoiets als ‘graaiflatie’ naar buiten brengt, dan krijg je misschien wel aandacht in de media, maar dat ebt dan ook weer snel weg. Terwijl als je dat koppelt aan acties, zoals bijvoorbeeld de staking bij de distributiecentra van Albert Heijn – een van de bedrijven die onder vuur lag vanwege de graaiflatie –, dan wordt zo’n verhaal nóg sterker en dan leidt dat tot meer aandacht in de media. En dan is het heel goed als politieke partijen die acties ondersteunen en daarbij aanwezig zijn.’

In jullie boek ontmaskeren jullie 21 mythes die de ongelijkheid vergroten. Wat is jullie top drie van meest schadelijke mythes?

Vera: ‘Ik vind de ‘Eerst verdienen, dan verdelen’-mythe toch wel de meest schadelijke. Daardoor wordt het beeld neergezet dat vooral bedrijven welvaart creëren, in plaats van het besef dat het vooral werkende mensen zijn die samen met de overheid welvaart creëren. Op dit moment is dat een heel schadelijke mythe, zeker in combinatie met de huidige bezuinigingen op de WW, de WIA en de publieke sector in het algemeen. Zo ondermijn je de basis van onze economie, maar ook ons gezamenlijke bezit als samenleving. Want we weten uit onderzoek dat publieke investeringen heel goed zijn voor ons verdienvermogen als land. Bovendien, publiek vermogen komt ten goede aan iedereen, maar als je dat steeds kleiner maakt, ten gunste van privaat vermogen, dan komt dat alleen ten goede aan een kleine rijke minderheid.’


Dat idee, dat alleen bedrijven welvaart creëren, heeft ook te maken met een andere mythe die in jullie boek ontkracht wordt, namelijk dat een goed investeringsklimaat zou vragen om lagere belastingen op winst en vermogen.
Vera: ‘Tegenover dat argument kun je heel goed een ander argument zetten, namelijk dat het verdienvermogen van onze economie juist afhankelijk is van de publieke sector. De overheid zelf creëert heel veel waarde voor de economie door haar publieke investeringen. Overigens zeggen bedrijven dat zelf ook. Bij de bezuinigingen op het hoger onderwijs bijvoorbeeld werd er door CEO’s van grote bedrijven in Nederland gewaarschuwd dat deze bezuinigingen niet goed zijn voor ons verdienvermogen. Ook bij de CPB-doorrekening van het verkiezingsprogramma van de VVD werd dat duidelijk. De VVD wilde bezuinigen op het onderwijs en daarover zei het CPB stellig: ‘Dat is niet verstandig voor de economie’. De VVD presenteert zichzelf wel als de verstandige economische keuze, maar als je concreet kijkt naar hun plannen, dan ondermijnen ze juist op langere termijn het verdienvermogen van Nederland.’
 

Welke mythes staan er nog meer in jullie top drie?

Felix: ‘Ik vind de mythes over uitkeringsgerechtigden heel schadelijk voor het publieke debat. Hierbij zie je dat er zondebokpolitiek wordt bedreven. De VVD spreekt altijd van ‘uitkeringstrekkers’, wat een heel negatieve term is. De VVD schetst graag het beeld dat het veel aantrekkelijker is om een bijstandsuitkering te trekken dan om aan het werk te gaan. Daarom heeft Yeşilgöz er recentelijk nog voor gepleit dat de uitkeringen niet meer mee mogen stijgen met het minimumloon. Het verschil tussen bijstand en inkomen uit werk zou niet groot genoeg zijn en daarom zouden mensen niet genoeg gestimuleerd worden om aan het werk te gaan. Daar zijn wij ook ingedoken en wat blijkt? Wat de VVD hierover zegt, klopt gewoon niet. Er is een groot verschil van ongeveer 800 tot 1.000 euro per maand tussen een fulltime minimumloon en een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Dus dat de bijstandsuitkeringen te hoog zouden zijn, zodat werken niet loont, dat is echt onzin. Ik vind dit om twee redenen een heel schadelijke mythe. Ten eerste omdat, als je gaat bezuinigen op de uitkeringen, je een heel grote groep mensen in de armoede drukt. Maar ook omdat je op deze manier werkenden en uitkeringsgerechtigden tegen elkaar uitspeelt; je ondermijnt de onderlinge solidariteit. Beide groepen gaan er daardoor op achteruit. Want als werken meer moet lonen, dan kun je ook gewoon de lonen verhogen, maar dat zegt de VVD natuurlijk niet.’


En de laatste mythe in jullie top drie?

Vera: ‘Wat ik ook een heel schadelijke en actuele mythe vind is die over de middenklasse. Heel veel mensen denken namelijk dat ze tot de middenklasse behoren, zowel de mensen met minder dan 20 duizend euro vermogen als de mensen met een vermogen tot één miljoen euro. Als je mensen vraagt: ‘Waar zit je in de vermogensverdeling?’, dan denken de meeste mensen dat ze ongeveer in het midden zitten. En dat is heel problematisch, omdat dat betekent dat mensen heel vaak hun eigen belang niet goed kunnen inschatten. Dat zag je ook bij de afgelopen verkiezingscampagne heel goed. Yeşilgöz had het de hele tijd over de middeninkomens, die geraakt zouden worden in hun portemonnee als de belastingen voor rijke mensen omhoog zouden gaan. Maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Het is, denk ik, moeilijk voor een leek om dat verkeerde beeld door te prikken.’

Hoe komt dat dan, dat mensen hun eigen economisch belang vaak niet goed kunnen inschatten?

Vera: ‘Veel mensen hebben heel weinig besef van hoe de welvaartsverdeling precies in elkaar zit. Mensen zien vooral hun eigen omgeving en denken dan dat ze qua inkomen en vermogen best wel gemiddeld zijn. Maar ze zien niet de mensen met de heel hoge inkomens en vermogens, want die wonen en werken op heel andere plekken. Er zijn dus heel grote verschillen die mensen in hun dagelijkse leven niet ervaren. En ongetwijfeld speelt er ook iets psychologisch mee, in die zin dat mensen het zien als een soort falen als ze onder het gemiddelde zitten. Zeker in een kapitalistische samenleving, waarin alles draait om welke successen je hebt behaald, word je dan geconfronteerd met je eigen ‘falen’. Maar uit onderzoek blijkt ook dat als je mensen laat zien hoe de welvaartsverdeling écht in elkaar zit, ze over het algemeen dan wel zeggen: Oh, ik word nu toch wel voorstander van hogere belastingen voor rijke mensen!’

Kortom, het heeft zin om deze ‘machtige mythes’ te blijven ontkrachten, om mensen duidelijk te blijven maken hoe het écht zit…

Felix: ‘Zeker weten. Wat wij heel interessant vinden is dat als je mensen vraagt of ze voor meer herverdeling zijn, dan zegt een overgrote meerderheid ‘Ja’. Zo is er een paar jaar geleden onderzoek gedaan naar het verhogen van het minimumloon naar 16 euro per uur en daarbij gaf een meerderheid van de kiezers van CDA, NSC, PVV en BBB aan dat ze dat een goed idee vonden. Dus bij sommige sociaal-economische kwesties denken heel veel mensen in de maatschappij best wel links, maar vervolgens gaat er dan iets mis in de vertaling naar de politiek. En dat heeft veel te maken met die economische mythes; die staan dan een linkse overwinning in de weg. En daarom moeten we onderzoek blijven doen, en onze bevindingen steeds maar weer herhalen, herhalen, herhalen, om op die manier een nieuw frame neer te zetten, gekoppeld aan acties.’

Vera: ‘Wat heel bepalend is in verkiezingen, zo blijkt uit onderzoek, dat is welke issues er op dat moment dominant zijn. Dat is dan waar de mediadebatten over gaan, en waar de gesprekken op straat over gaan. Maar dat verbergt dan de andere opvattingen van mensen over sociaal-economische thema’s. Ik denk dat ook bij de afgelopen verkiezingen de debatten niet van een heel hoog inhoudelijk niveau waren. En dat zie je dan terug in de uitslag.’








Als de SP staat voor Noord-Korea, staat de PVV dan voor Nazi-Duitsland?

 Verschenen bij: JOOP BNNVARA, 19-9-2024.

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van dinsdag 18 september liet de heer Wilders zich weer eens zien zoals wij hem kennen: beledigend, haatdragend, op de man spelend, en uiterst domrechts. Toen hem de maat werd genomen door SP-leider Jimmy Dijk, die Wilders een door de VVD aangestuurde “loopjongen van het grootkapitaal” noemde, kon hij daarop alleen reageren door Dijk een “communist” te noemen, gevolgd door: “Nou ja, Koreaan dan, ik weet niet hoe je dat noemt…” (Gelach uit de PVV-fractie.) Ongetwijfeld doelde Wilders op de communistische dictatuur van Noord-Korea, aangezien Zuid-Korea juist een uiterst kapitalistisch land is. Maar zulke subtiele details zijn natuurlijk niet aan de heer Wilders besteed: hij gaat er als vanouds met de botte bijl in en gooit het hele Koreaanse schiereiland op één hoop. K-pop is blijkbaar niet zijn ding, maar dat zij hem vergeven.

Democratische SP komt op voor de werkende klasse

Minder vergeeflijk of zelfs ronduit belachelijk is de geïmpliceerde beschuldiging aan het adres van Jimmy Dijk, dat deze een dictatoriaal-communistische ‘Noord-Koreaan’ zou zijn. Een hetzerige beschuldiging, die kant nog wal raakt. Jazeker, de SP is socialistisch en komt – anders dan de heer Wilders, die kritiekloos meegaat met VVD-beleid – écht op voor de werkende klasse. Waar het kabinet Schoof belastingcadeautjes uitdeelt aan de rijken en grote bedrijven, en daarnaast bezuinigt op onderwijs, sport, cultuur en natuur, daar strijdt de SP voor een eerlijke verdeling van de koek in Nederland en voor een socialistische transformatie van het neoliberale kapitalisme, dat met zijn ongebreidelde winsthonger de hele planeet opvreet. Met o.a. desastreuze klimaatverandering tot gevolg. Maar ja, daar gelooft Wilders natuurlijk niet in. Heel Midden- en Oost-Europa heeft te maken met ongekende regenval en dito overstromingen, ten gevolge van de verhitting van de aarde door de uitstoot van broeikasgassen. En Geert Wilders staat erbij en kijkt ernaar.


In tegenstelling tot de PVV komt de SP dus wel op voor de werkende klasse. Maar anders dan Wilders doet geloven, maakt dat de SP natuurlijk níet tot een dictatoriale partij van de Stalinistische stempel. De SP is een uiterst democratische partij, met een bloeiende interne partijdemocratie waarin álle leden stemrecht hebben, een partij die heilig gelooft in de parlementaire democratie. Versterking van de democratie in Nederland is een van de speerpunten van de SP, die als geen ander ziet hoe de ongezonde macht van de ‘vrije’ markt en het grootkapitaal tot een uitholling van de democratie heeft geleid, wat grotendeels het kelderende vertrouwen van de burger in de politiek verklaart. Wilders’ vergelijking van de SP met het dictatoriale regime in Noord-Korea slaat dus als een tang op een varken. 


Is Wilders de Kim Jong-oen van Nederland?

Sterker nog, als er één partij in Nederland is die dictatoriale trekjes vertoont, dan is dat wel de PVV van Wilders zelf. Een partij met nota bene maar één lid, een partij dus zonder enige vorm van interne democratie. Een partij die officieus tégen militaire steun aan Oekraïne is (Wilders heeft dit standpunt uitsluitend ‘gemilderd’ om mee te kunnen regeren) en die dus blijkbaar geen moeite heeft met de oorlogszuchtige veroveringsdrang van dictator Poetin. Sterker nog, het is bekend dat Wilders altijd een groot bewonderaar is geweest van de ‘sterke man’ Poetin: in 2018, terwijl het MH17-proces al in volle gang was, heeft Wilders zich nog een Russisch vriendschapsspeldje op laten prikken. Dan is het duidelijk dat je loyaliteit in ieder geval níet bij de democratie ligt, ook al ben je dan (het enige) lid van de Partij voor de Vrijheid. Wat een gotspe.


Ook nu weer toont de PVV zich een vijand van de democratie. Om de vermeende asielcrisis – die, zoals premier Schoof toegaf, alleen maar een crisis is “omdat dit door mensen zo gevoeld wordt” – het hoofd te kunnen bieden, wil dit kabinet een noodwet invoeren, om zo de Tweede Kamer buitenspel te kunnen zetten (pace NSC). Dictatoriaal asielbeleid dus, op basis van populistische onderbuikgevoelens. Kortom, als er één partij in Nederland is die zich met het dictatoriale regime van Noord-Korea laat vergelijken, dan is dat de PVV zelf: Wilders als de Kim Jong-oen van Nederland. Die laatste is trouwens ook een vriendje van Poetin.   


Monsterverbond van kapitalisme en fascisme

Maar als we dan toch historische vergelijkingen gaan trekken, moeten we bij Wilders eerder denken aan de grote fascistische leiders uit de jaren ‘30 en ‘40 van de vorige eeuw. Net als die leiders bedrijft Wilders een racistische zondebokpolitiek, om de aandacht af te leiden van de échte problemen in deze wereld en de échte verantwoordelijken daarvoor. Waarom is er woningnood in Nederland? Omdat al die asielzoekers onze woningen inpikken! Zo luidt de extreemrechtse mantra. Daarmee wordt echter het feit verdoezeld dat de huidige woningnood het logische gevolg is van jarenlang keihard neoliberaal VVD-beleid, waarbij grote beleggers en huisjesmelkers vrij spel kregen op de woningmarkt, geprivatiseerde woningcorporaties veranderden in winstgerichte bedrijven en de sociale huursector door de verhuurderheffing kapot werd gemaakt. Dat is dus gewoon VVD-beleid geweest, dat echter door Wilders wordt verdoezeld met zijn door vreemdelingenhaat gedreven zondebokpolitiek. 


Wat dat betreft moet ik bij Wilders altijd denken aan die meme, waarbij een kapitalist, een witte arbeider en een gekleurde arbeider samen aan tafel zitten. De gekleurde arbeider heeft één koekje, de witte arbeider heeft twee koekjes en de kapitalist heeft een hele berg koekjes voor zich op tafel liggen. Vervolgens keert de kapitalist zich tot de witte arbeider en waarschuwt: “Pas op voor die buitenlander, hij wil je koekjes stelen!” Op dezelfde wijze houdt Wilders de VVD uit de wind door al zijn pijlen op asielzoekers te richten. Ook zijn verbluffende ontkenning van de door de fossiele industrie aangedreven klimaatcrisis bevestigt de analyse van Jimmy Dijk: Wilders is niet meer dan een “loopjongen van het grootkapitaal”.


De huidige parallellen met de opkomst van het fascisme in de jaren ‘30 zijn dan ook opvallend. Net als nu bevond het kapitalisme zich toen in een diepe crisis, de Great Depression, waardoor wereldwijd armoede en maatschappelijke onvrede enorm toenamen. Het fascisme ontstond als een manier om die onvrede te kanaliseren op zo’n manier dat het kapitalistische systeem daardoor niet geraakt werd, namelijk door de onvrede te projecteren op fictieve oorzaken, zoals de nazi-mythe van het Joodse complot. De Joden waren de ideale zondebokken die het fascisme gebruikte om het kapitalisme te beschermen tegen broodnodige socialistische hervorming. Dat monsterverbond tussen fascisme en kapitalisme zien we nu ook weer in het kabinet Schoof, waar de racistische zondebokpolitiek van de PVV en het kapitalisme van de VVD hand in hand gaan. Niet voor niets was het fascisme altijd rabiaat anti-socialistisch. Net zoals Wilders nu, getuige zijn absurde en hetzerige beschuldiging aan Jimmy Dijk dat deze ‘een Koreaan’ zou zijn. Waar overigens ook weer aardig wat vreemdelingenhaat in doorklinkt.


De “grootste vriend van Israël”

Ongetwijfeld zal Wilders deze beschuldiging van fascistische zondebokpolitiek verontwaardigd verre van zich werpen, door zich trots te beroepen op zijn onvoorwaardelijke steun aan Israël. We horen het hem zeggen: Hoe kunnen jullie mij fascistisch noemen? Ik ben toch geen antisemiet? Ik ben juist de grootste vriend van Israël! Wederom: wat een gotspe. Meneer Wilders, racistische zondebokpolitiek kan vele vormen aannemen: anti-semitisch, maar bijvoorbeeld ook anti-islamitisch. Dat Joden in het verleden slachtoffer waren van genocide door de nazi’s, wil niet zeggen dat de staat Israël nu ‘heilig’ en boven alle kritiek verheven is. Kritiek op Israël is niet automatisch antisemitisme, en steun voor de Palestijnen is niet automatisch steun voor Hamas (een ‘denkfout’ die ook Yeşilgöz maakte in haar ‘watermeloenen-debat’ met Esther Ouwehand). Integendeel, de “apartheidstaat Israël” (aldus Amnesty International) maakt zich nu zelf schuldig aan dehumanisering van en genocide op de Palestijnen. Dat Wilders in deze kwestie pal achter Israël blijft staan, pleit hem dus niet vrij van fascistische zondebokpolitiek, integendeel. Wat de Joden toen waren, dat zijn de Palestijnen nu. 


Wie is er bang voor het universele? Van antiglobalisme naar internationaal socialisme

Verschenen bij: GLOBALINFO, 22 mei 2002.

In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw werden de universele ideologieën van weleer dood verklaard door postmoderne filosofen als Foucault, Lyotard, Rorty en vele anderen. Hun kritiek was vooral gericht tegen het universalisme van ideologieën, dwz. het feit dat elke ideologie uitgaat van een universeel menselijke essentie als uitgangspunt en leidraad van het politieke handelen. Zo zou de Mens in het liberalisme voorgesteld worden als rationele homo economicus, in het nationalisme als exponent van het Volk, in het Christendom als schepsel Gods en in het socialisme als arbeider. In het postmodernisme echter werd zowel de juistheid als de rechtvaardigheid van dit universalisme in twijfel getrokken: er zou geen universaliteit zijn die alle mensen samenbindt, slechts een pluralistische veelheid van particuliere identiteiten, die zich van elkaar onderscheiden door taal, cultuur, etniciteit en gender. De verabsolutering van één bepaalde identiteit tot universele essentie moest daarom wel uitmonden in de onderdrukking van menselijke diversiteit. De universele ideologieën moesten wel uitmonden in de totalitaire verschrikkingen van Auschwitz, Stalinisme en de killing fields.

In zowat alle Westerse democratieën werd de politiek ontdaan van haar ideologische tegenstellingen. In Nederland sprak Wim Kok van ‘het afschudden van de ideologische veren’. Met name de traditionele sociaal-democratische partijen lieten massaal de socialistische ideologie in de steek – een ideologie waarvan het failliet ‘immers’ was ‘aangetoond’ door de val van de Sovjet-Unie. Een val die in navolging van Francis Fukuyama werd geduid als het Einde van de Geschiedenis met hoofdletter “G” – de geschiedenis als de titanenstrijd van rivaliserende ideologieën. Aldus ge-ont-ideologiseerd, werd de politiek gereduceerd tot technocratisch management van de publieke zaak. Beleidskeuzes werden niet meer gemotiveerd door ‘achterhaalde’ principiële keuzes tussen Links of Rechts, maar door pragmatisch-consensuele afwegingen over wat werkt en wat niet, geheel conform een motto van Deng Shao Ping uit de jaren 60: “Het maakt niet uit of een kat rood of wit is, als hij maar muizen vangt.” In Nederland bleek deze kat de kleur paars te hebben.

Dit alles maakte de opkomst van de antiglobaliseringsbeweging eind jaren 90 des te verrassender, en wel om twee redenen. Ten eerste maakte het de politiek weer spannend: het gaf velen het gevoel dat het in de politiek weer om iets fundamenteels gaat, om een principiële keuze vóór of tegen de neoliberale globalisering van het kapitalisme. Dit gevoel – met iets fundamenteels bezig te zijn – sprak uit alle leuzen waarmee demonstranten de straat op gingen: “Een andere wereld is mogelijk!”; “De wereld is niet te koop”; “They make plans, we make history!” Dit gevoel bleef niet beperkt tot de demonstranten alleen, maar sprong over naar grote delen van de samenleving: “het zou best eens kunnen dat de globofoben van Seattle en Genua een impuls hebben gegeven tot de terugkeer van de politiek en de ideologie,” zo melde de Volkskrant in augustus 2001. Deze uitspraak in de Volkskrant is echter maar ten dele juist: van een terugkeer tot ideologie was weinig sprake. Dat is de tweede reden waarom de opkomst van het antiglobalisme zo verrassend was. Het is het antiglobalisme namelijk gelukt de politiek te reanimeren ondanks of wellicht juist dankzij het feit dat antiglobalisten veelal niets van oude of nieuwe ideologieën moeten hebben.

Deze antiglobalistische afkeer van ideologie heeft veel te maken met het verwijt dat standaard tegen de antiglobalisten wordt gericht, nl. het verwijt dat hun kritiek op de neoliberale wereldorde krachteloos is omdat zij er geen alternatief voor zouden bieden. Zij zouden wel de juiste vragen stellen, maar niet de juiste antwoorden geven. Zo werden de antiglobalisten in het NRC omschreven als “een eclectisch zootje zonder samenhangend programma.” (21-7-01) Dit gebrek aan alternatieven bij de antiglobalisten wordt dan vervolgens opgevat als extra argument vóór de neoliberale globalisering, het zgn. TINA-argument: There is no alternative. De achterliggende gedachte daarbij is: als je economisch wilt overleven, is er geen alternatief voor het je aanpassen aan de vrije wereldmarkt. “Globalisering is als een golf die onvermijdelijk over ons heen komt,” aldus een Shell-woordvoerder in Trouw (21-7-01).

Maar is het ook waar dat de antiglobalisten geen enkel alternatief voor de neoliberale wereldorde te bieden zouden hebben? Enerzijds is dit echt absolute onzin. Binnen de antiglobaliseringsbeweging wordt enorm veel nagedacht, gediscussieerd en geschreven over hoe de wereld dan wel ingericht zou moeten worden. De slogan waarmee antiglobalisten de straat op gaan – nl. “Een andere wereld is mogelijk!” – is niet zomaar een loze kreet, maar een serieuze boodschap met een vaak zeer concrete en praktische betekenis. De stroom aan boeken over alternatieven is niet meer bij te houden: The new protectionism van Tim Lang en Colin Hines, The postcorporate world van David Korten, De antwoorden van het antiglobalisme van Dirk Barrez, Globalization from below van Brecher, Costello en Smith, La recherche d’alternatives van Francois Houtart. Hele conferenties worden belegd, waar antiglobalisten samenkomen om over alternatieven te discussiëren, met als recent hoogtepunt het World Social Forum dat begin februari in Porto Alegre, in Brazilië, werd gehouden en waarbij 50.000 mensen van over de hele wereld aanwezig waren. Critici die zeggen dat de antiglobalisten geen enkel alternatief aanbieden, spreken dus ofwel vanuit onwetendheid (en dat is een verwijtbare schande in het huidige informatietijdperk), ofwel vanuit boze opzet.

Anderzijds echter zit er een kern van waarheid in. Het is inderdaad zo dat de antiglobalisten niet slechts één alternatief bieden – zij bieden er vele. De antiglobaliseringsbeweging is niet één homogene beweging, maar een beweging van bewegingen, samengesteld uit talloze verschillende groepen en organisaties, vaak met heel verschillende agenda’s, zoals bijvoorbeeld Attac, die zich vooral inzet voor invoering van een Tobin-tax; Jubilee 2000, die zich inzet voor kwijtschelding van de Derde Wereld-schuld; de Confederation Paysanne, die zich inzet voor lokale ecologische landbouw, enzovoort. Slechts een klein aantal van deze organisaties draagt expliciet een universele ideologie als het socialisme uit. Maar veel antiglobalisten hebben een uitgesproken afkeer van universele ideologieën. Van deze anti-ideologische stroming binnen het antiglobalisme is Naomi Klein, de auteur van No Logo, zonder twijfel de bekendste woordvoerder:

“Veel deelnemers aan protestbewegingen tegen het bedrijfsleven staan even wantrouwend tegenover ideologieën die zogenaamd op iedereen van toepassing zijn…Wanneer de critici zeggen dat het de protesterende demonstranten aan visie ontbreekt, zeggen ze eigenlijk dat ze niet beschikken over een overkoepelende revolutionaire filosofie – zoals marxisme […] – waar iedereen mee instemt. Dat is absoluut waar en daar moeten we buitengewoon dankbaar voor zijn.” (Klein 2001: 408, 511/2)

Vanwaar deze afkeer van universele ideologie? Dit hangt samen met het feit dat de antiglobalisten zich verzetten tegen de neoliberale globalisering juist omdat deze een universeel systeem voortbrengt, het mondiale kapitalisme, waarin nagenoeg de hele wereld en alle aspecten van het leven ondergeschikt worden gemaakt aan de dictatuur van de winst. Om slechts een paar voorbeelden te noemen, in het streven naar winst
* worden democratisch gekozen regeringen door multinationals onder druk gezet om de belastingen te verlagen, nutsbedrijven te privatiseren en de sociale zekerheid af te breken;
* worden duizenden mensen ontslagen door bedrijven die zo hun winsten willen veilig stellen;
* worden zoveel mogelijk handelsgrenzen opgeheven, zodat lokale economieen in arme landen worden weggeconcurreerd door Westerse multinationals;
* worden gigantische hoeveelheden kapitaal met een muisklik de wereld over geflitst, op zoek naar de meest winstgevende plekken, daarbij verwoeste economieen achter zich latend (Azië-crisis van 1997);
* worden oorlogen gevoerd in een neo-imperialistische wedloop om natuurlijke hulpbronnen en afzetmarkten;
* worden de genetische codes van mensen, dieren en planten gepatenteerd en zo tot handelswaar gedegradeerd;
* wordt de natuur en haar biodiversiteit onherstelbare schade toegebracht;
* wordt er achter onze rug om met hormonen en genetische modificatie in ons voedsel geknoeid;
* worden er door marketingpropaganda kunstmatige verlangens gecreëerd;
* wordt persoonlijke identiteit tot een consumptie-artikel gedegradeerd;
* wordt overal de rijkdom aan lokale culturen verdrongen door de commerciële monocultuur van McDonald’s, Microsoft, Nike, Coca Cola, etc.

Misschien vergeet ik nog een aantal dingen, maar het punt is duidelijk: het is juist de universaliteit, de alomvattendheid van het globaliserende kapitalisme dat de antiglobalisten zo tegen de borst stuit. En dat verklaart ook waarom veel antiglobalisten zo afkerig zijn van universele ideologieën in het algemeen. Het mondiale kapitalisme bevechten door er een universele ideologie als het socialisme tegenover te stellen, is voor velen niets anders dan het ene totalitaire en onderdrukkende systeem vervangen door het andere. Daarmee scharen zij zich achter de reeds genoemde postmoderne kritiek op het universalisme van ideologieën als iets dat inherent onderdrukkend is. Dit postmoderne sentiment is vooral bij Naomi Klein duidelijk. Over de antiglobaliseringsbeweging zegt zij bijvoorbeeld: “[D]eze beweging draait om zelfbeschikking en dan moet je je niet hiërarchisch gaan organiseren en een eenheidsideologie formuleren.” (in: Barrez 2001: 224) Met andere woorden: ideologieën zijn per definitie in strijd met zelfbeschikking en dus onderdrukkend. Daartegenover plaatsen antiglobalisten veelal het postmoderne ideaal van pluralisme, het ideaal van vele lokale gemeenschappen, die allemaal anders zijn en allemaal de baas zijn over hun eigen levenswijze, hun politiek, hun economie, hun cultuur en hun ecologische habitat. Het universalisme van ideologieën zou dit pluralisme onmogelijk maken. Naast Naomi Klein is deze houding te vinden bij bekende antiglobalisten als Walden Bello van Focus on the Global South en Bernard Cassen van Attac. Deze laatste zegt bijvoorbeeld:

“We moeten tegenover dat echte eenheidsdenken […] geen eenheidsdoctrine uitwerken. Er zijn heel verschillende samenlevingen mogelijk en onze thesis is dat elke samenleving zich moet organiseren volgens eigen waarden en criteria. Er is geen eenheidsmodel nodig. Het is de neoliberale globalisering die een eenheidsmodel tracht op te dringen.” (in: Barrez 2001: 75)

In het volgende wil ik enkele vraagtekens zetten bij deze negatieve houding van veel antiglobalisten tegenover ideologie in het algemeen. De stelling die ik zal verdedigen is dat de antiglobaliseringsbeweging niet zonder universele ideologie kan en dat – verre van voorgoed afgeschreven te zijn – met name het socialisme binnen de beweging nog een belangrijke rol te spelen heeft.

Dat het antiglobalisme niet zonder universele ideologie kan, blijkt reeds uit het tweede ideaal van veel antiglobalisten, het ideaal van een mondiale democratie. Een bekende klacht van antiglobalisten is dat de neoliberale globalisering tot een onaanvaardbare verzwakking van de democratie heeft geleid, in die zin dat de natiestaat steeds meer overgeleverd is aan democratische oncontroleerbare of zelfs ronduit ondemocratische krachten, zoals multinationals, de WTO, het IMF, de grillen van de ‘vrije’ wereldmarkt en internationale speculatieve kapitaalstromen. Volgens bekende antiglobalisten als Noreena Hertz en Naomi Klein zou de economische globalisering daarom begeleid en beteugeld moeten worden door een navenante globalisering van de democratie; het mondiale kapitalisme zou gecontroleerd en gereguleerd moeten worden door een mondiale democratie, een wereldparlement la Habermas. Zo zegt Naomi Klein:

“Ik ben ervan overtuigd dat we juist meer internationalisme nodig hebben. De multinationals opereren internationaal, dus zijn ze ook alleen maar te controleren en aan banden te leggen via internationale organen. Maar die moeten dan wel de democratie dienen.” (De Groene Amsterdammer, jrg. 125, nr. 44, 3 nov. 2001, 16)

Bovendien leven we nu eenmaal in een geglobaliseerde economie, waarin mensen wereldwijd van elkaar afhankelijk zijn. Een terugkeer naar absolute lokale autonomie is daarom niet mogelijk zonder dat massa’s mensen in grote economische problemen komen. Alleen daarom al moet het ideaal van lokale autonomie op een of andere manier gecombineerd worden met een mondiale coördinatie van de economie, een coördinatie die volgens antiglobalisten natuurlijk democratisch moet gebeuren. Dat is de reden waarom veel antiglobalisten zich verzetten tegen de naam “antiglobalisten” of zelfs “globofoben” – dat zijn slechts de labels die zij door de media opgedrukt krijgen. Zij zijn immers niet tegen globalisering per se, maar tegen de huidige neoliberale vorm ervan. Velen prefereren dan ook andere benamingen zoals “antikapitalisten,” “andersglobalisten,” “democratisch globalisten,” en sommigen zelfs “socialisten,” maar dat is helaas nog maar een kleine minderheid.

Maar wat antiglobalisten zoals Naomi Klein over het hoofd zien is dat democratie alleen werkt in gemeenschappen waarvan de leden iets voor elkaar over hebben en bereid zijn beslissingen te aanvaarden die weliswaar democratisch genomen zijn, maar slechts aan anderen ten goede komen of zelfs hun directe eigenbelang schaden. Immers, hoe groter een democratie, hoe meer mensen zij omvat, hoe kleiner de kans dat zij altijd aan ieders wensen kan voldoen. Van de leden van een democratie wordt derhalve vereist dat zij solidair zijn, dat zij het algemeen belang kunnen laten prevaleren boven hun particuliere eigenbelang. Daarom werkt democratie alleen in gemeenschappen waarvan de leden iets delen, zoals een cultuur, een geschiedenis, een taal of een etniciteit, iets waardoor zij zich verbonden kunnen voelen. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor mondiale democratie, die derhalve een universaliteit vereist, iets dat álle mensen tot één hechte wereldgemeenschap zou kunnen samenbinden. Het moge duidelijk zijn dat deze universaliteit nu verder weg lijkt dan ooit. Natuurlijk zou deze universaliteit ooit nog kunnen ontstaan, juist doordat mensen over heel de wereld elkaar herkennen in de gezamenlijke strijd tegen de neoliberale globalisering. Ware het niet dat antiglobalisten als Naomi Klein, juist door hun postmoderne afkeer van universele ideologieën, de vorming van deze universaliteit in de weg staan – en daarmee ook in de weg staan van hun eigen ideaal van een mondiale democratie.

Een tweede reden waarom het antiglobalisme niet zonder universele ideologie kan, is dat de verschillende eisen van de antiglobalisten op zichzelf genomen, los van een wereldomvattend alternatief, krachteloos zijn of zelfs averechts uitwerken. Bijvoorbeeld:
* Natuurlijk moet je vechten tegen lage lonen en kinderarbeid in derdewereldlanden, anders sta je toe dat ondernemers het leven van miljoenen mensen verwoesten door de uitbuiting tot extreme hoogten op te voeren. Maar als je alleen tegen deze misstanden vecht, beroof je arme mensen van wat vaak hun enige bron van inkomsten is. Je doet dan immers nog niets tegen de omstandigheden die armen mensen dwingen tot kinderarbeid of arbeid voor te lage lonen.
* Natuurlijk moet je vechten – zoals Jubilee 2000 doet – tegen de schuldenlast van Derde Wereld-landen, anders leg je je erbij neer dat de armste landen hun economieën niet kunnen opbouwen, omdat ze leeggezogen worden door de grootste banken. Maar het kwijtschelden van schulden alleen zou de situatie alleen maar verergeren. Ten eerste zou kwijtschelding de ergste, meest roekeloze regeringen belonen. Ten tweede zou kwijtschelding in de nabije toekomst de arme landen veranderen in financiële paria’s: ze zouden niet meer in staat zijn basisbenodigdheden te importeren, omdat hun kredietwaardigheid nul is geworden.
* Natuurlijk moet je vechten – zoals bijvoorbeeld de Confederation Payssane doet – tegen de industriële landbouw, omdat deze traditionele, lokale gemeenschappen verwoest, rampzalige gevolgen heeft voor het ecosysteem en wegens het gebruik van genetische modificatie een gevaar voor de volksgezondheid betekent. Maar het is een gevaarlijke illusie te denken dat we terug moeten naar traditionele, lokale landbouwmethodes – waarvan sommige antiglobalisten zoals Vandana Shiva een overdreven ideaalbeeld koesteren. Ten eerste waren traditionele landbouwmethodes vaak gebaseerd op de onderdrukking van vrouwen en bepaalde klassen en kasten. Ten tweede zijn traditionele landbouwmethodes niet in staat om de snel groeiende wereldbevolking te voeden. Het is beter voort te bouwen op de moderne, door het kapitalisme voortgebrachte landbouwmethodes, maar dan ten dienste van menselijke behoeften en het ecosysteem, en niet het winststreven van multinationals.
* Natuurlijk moet je vechten – zoals Attac doet – voor de Tobin-tax, de belasting op speculatieve transacties. Anders sta je toe dat speculanten in hun queeste naar steeds grotere winsten, enorme hoeveelheden kapitaal over de wereld schuiven, daarbij economieën in crisis achterlaten. Maar het is een illusie te denken dat een Tobin-tax alleen economische crises zal voorkomen. Economische crises komen voort uit het feit dat bedrijven in hun concurrentie winst moeten maken door de productie te verhogen en tegelijk de lonen te drukken, zodat er steeds weer overproductie ontstaat.

Kortom, de verschillende eisen van de antiglobalisten blijven krachteloos zolang ze niet worden ingebed in een ideologie, in een verhaal waarin het mondiale kapitalisme als geheel wordt betwist door een even wereldomvattend alternatief. Het socialisme staat voor zo’n alternatief. In plaats van haar beheersing door een handjevol multinationals, willen socialisten de economie onder democratische controle van iedereen brengen, zodat er niet meer wordt geproduceerd voor het winststreven van de aandeelhouders, maar voor de behoeften van de mensen zelf.

Bovendien, – en dat is de derde reden – zonder universele ideologie dreigt het antiglobalisme volledig binnen het kapitalisme getrokken en zo geneutraliseerd te worden. De ironie van de geschiedenis is dat de door sommige antiglobalisten omarmde postmoderne kritiek op ideologie precies datgene heeft mogelijk gemaakt waartegen zij protesteren: de neoliberale globalisering van het kapitalisme. Dit wordt steeds meer erkend. Sinds 1984 toen Frederic Jameson over het postmodernisme schreef als “the cultural logic of late capitalism,” is dit punt herhaaldelijk naar voren gebracht door verschillende filosofen, zoals Alex Calinicos, Slavoj Zizek en recentelijk Hardt & Negri. Het postmodernisme kon wegens haar anti-universalisme, geen weerstand bieden aan de universaliserende tendens van het kapitalisme. De onderlinge concurrentie van kapitalisten vereist constante economische groei, door technologische innovatie, maar ook door de creatie van nieuwe afzetmarkten, wingewesten en lage-loon-gebieden. In die zin is globalisering inherent aan het kapitalisme zelf. Zoals Marx zei in 1858: “De neiging om n wereldmarkt te creëren is onmiddellijke gegeven in het begrip van het kapitaal zelf. Elke grens verschijnt als een barrière die overwonnen moet worden.” (Marx 1973 [1857-‘8]: 408) Daar zal elke neoliberaal het met Marx over eens zijn. Maar om zich kritisch tegenover een universaliserend proces te kunnen verhouden, heeft men even universele idealen nodig. Zonder wereldomvattende idealen kan men slechts particuliere aspecten van een wereldomvattend proces bekritiseren, maar niet dat proces in zijn geheel. En wie zich niet kritisch tegenover een globaliserend proces kan verhouden, wordt er onherroepelijk door opgeslokt en meegesleept. Juist wie bang is voor het universele, valt eraan ten prooi.

In de politiek betekende het postmodernisme dan ook een kritiekloze onderwerping aan de neoliberale globalisering. Het Einde van de Grote Verhalen was feitelijk het Begin van het Grote Graaien. Zoals gezegd, als gevolg van haar ont-ideologisering liet de politiek zich niet langer leiden door principiële keuzes tussen Links of Rechts, maar door pragmatische afwegingen over wat werkt en wat niet. Maar wat werkt en wat niet – dat wordt bepaald door de dominante praktijk in de wereld, dat wil zeggen: het kapitalisme. Zoals de filosoof Zizek zegt:

“Zeggen dat effectieve ideeën hetzelfde zijn als goede ideeën, betekent een acceptatie op voorhand van de (wereldomvattende, kapitalistische) constellatie die bepaalt wat werkt. (Als je bijvoorbeeld te veel geld aan onderwijs of de gezondheidszorg besteedt, ‘werkt dat niet’, omdat dat inbreuk maakt op de voorwaarden van de kapitalistische winstgevendheid).” (Zizek 1998: 26)

Dit idee – dat de vrije markt hét maatschappelijke ordeningsprincipe zou moeten zijn – is hét kernidee van het neoliberalisme. De postmoderne kritiek op ideologie had dus het paradoxale effect dat zij de overwinnig van één specifieke – namelijk de neoliberale – ideologie in de hand heeft gewerkt. Deze ideologie was des te hardnekkiger omdat zij niet als ideologie verscheen, maar verkleed ging als non-ideologisch pragmatisme. Zo zegt Viviane Forrester over het neoliberalisme:

“Dat internationale en zelfs universele systeem heeft zich openlijk en toch zonder dat iemand er erg in had, in ons midden geïnstalleerd, niet illegaal maar in het geniep. Dat viel des te minder op omdat de bijbehorende ideologie elk politiek beginsel ter zijde schuift…” (Forrester 2001: 8)

Zo kon het neoliberalisme zich als een koekoeksjong nestelen in de ont-ideologiserende sociaal-democratie van de zogenoemde ‘Derde Weg’. Met het afscheid van het socialisme aan de voordeur haalden sociaal-democraten als Kok, Blair en Schröder stilzwijgend het neoliberalisme binnen door de achterdeur. Juist wie bang is voor universele ideologie, valt eraan ten prooi.

Op cultureel-politiek vlak kreeg het postmodernisme de vorm van het multiculturalisme, de zgn. identity politics van begin jaren ’90, waarin de tolerantie voor verschillende etnische, culturele en seksuele identiteiten centraal stond. Hoewel in intentie kritisch, kon het multiculturalisme – juist door haar gebrek aan universaliteit – volledig binnen het kapitalisme getrokken worden. Het kapitalisme kon volledig aan het multiculturalisme tegemoet komen door lifestyle-producten aan te bieden voor de articulatie van ‘originele’ groepsidentiteiten, van rebelse skaters en succesvolle zakenmannen tot new agers en avontuurlijke globetrotters. Aldus betekende het multiculturalisme voor het kapitalisme een schier onuitputtelijke bron van nieuwe afzetmarkten voor talloze nieuwe merken oftewel brands. In No Logo beschrijft Naomi Klein uit eigen, pijnlijke ervaring de desillusie van de identity politics-activisten eind jaren ’90:

“Maar één ding was vele activisten […] onmiskenbaar duidelijk geworden: het identiteitsactivisme vocht niet tegen het systeem en ondermijnde het zelfs niet. Toen de onafzienbare nieuwe bedrijfstak van de [branding] was begonnen, ondersteunden die activisten dat systeem alleen maar.” (Klein 2001: 142)

Als zodanig leverde het multiculturalisme de hoognodige boost voor de inzakkende economie van begin jaren ’90. “This revolution,” zoals de cultuurcriticus Richard Goldstein over het multiculturalisme opmerkt, “turned out to be the savior of late capitalism.” (Goldstein 1996) Bovendien, zoals vooral Zizek benadrukt, fungeert het multiculturalisme als een soort rookscherm waarachter het mondiale kapitalisme zich kan verschuilen. Door de globalisering van het kapitalisme worden overal de lokale, particuliere, min of meer authentieke culturen bedreigd door dezelfde commerciële monocultuur van McDonald’s, Nike, Microsoft, et cetera. Deze culturele ontworteling wordt echter door het multiculturalisme gemaskeerd doordat het mensen laat geloven dat zij hun eigen particuliere, authentieke identiteit kunnen behouden…uiteraard binnen de overkoepelende universaliteit van het mondiale kapitalisme.

De postmoderne kritiek op universele ideologie is dus een uitgelezen middel om de kritische, antikapitalistische impuls van het antiglobalisme onschadelijk te maken. Zoals we hebben gezien weet Naomi Klein uit persoonlijke ervaring hoe het multiculturalisme destijds binnen het kapitalisme is getrokken; dat zij niet ziet dat hetzelfde gevaar voor het antiglobalisme dreigt, is daarom des te opmerkelijker. Men zou hier iets willen zeggen over de ezel die zich tweemaal aan dezelfde steen stoot.

Conclusie: om een vuist tegen het mondiale kapitalisme te kunnen maken, heeft het antiglobalisme een universele ideologie nodig. Maar betekent dit niet dat het antiglobalisme tot mislukken is gedoemd? Immers, volgens het postmodernisme zou er geen universaliteit, geen reële basis voor universele ideologie zijn, slechts een pluralistische veelheid van particuliere identiteiten. Deze postmoderne positie is echter achterhaald door de feitelijke ontwikkeling, beter gezegd: door de neoliberale globalisering van het kapitalisme zelf. Een gevolg van de globalisering is dat alle mensen in toenemende mate een gemeenschappelijke ‘essentie’ delen: we zijn allemaal verworden tot producerende en/of consumerende radertjes in de wereldwijde winstmachine. En daarmee ontstaat ook de universele basis voor de ideologie die het antiglobalisme zo hard nodig heeft. Toegegeven, op het eerste gezicht lijkt dat onwaarschijnlijk. Wat met de globalisering immers universeel wordt is het egoïstisch individualisme dat inherent is aan de kapitalistische concurrentie van allen met allen. De universaliteit van het mondiale kapitalisme is dus een negatieve, het universele ontbreken van solidariteit – niet echt een goede basis voor mondiale democratie. Om voor het antiglobalisme vruchtbaar te kunnen zijn, moet deze negatieve universaliteit omgezet worden in iets positiefs, iets op grond waarvan alle mensen zich zouden kunnen verenigen. En hier blijkt het belang voor het antiglobalisme van één specifieke ideologie in het bijzonder, het socialisme, dat bij uitstek de ideologie is die mensen bij elkaar brengt op grond van het feit dat zij allen onder het kapitalisme te lijden hebben. Denk aan de oproep van Marx: “Proletariërs aller landen, verenigt u!” Laat je niet van de wijs brengen door de ouderwetse term “proletariërs” – dat zijn alle mensen die van loonarbeid afhankelijk zijn. Van ouderwetse fabrieksarbeiders tot universitair docenten, en van Turkse schoonmaaksters tot het witteboordenproleratiaat in de IT-business – we zijn allemaal loonslaven. Daarmee lijkt het socialisme bij uitstek de ideologie te zijn die het antiglobalisme nodig heeft om een vuist te kunnen maken tegen het globaliserende kapitalisme. Antiglobalisten als Naomi Klein zullen daar tegen in brengen dat het socialisme net als elke universele ideologie inherent totalitair en onderdrukkend is. Maar daarmee zien zij over het hoofd dat het socialisme voortkomt uit de gezamenlijke strijd tegen kapitalisme: de universaliteit van het socialisme wordt niet van bovenaf opgelegd, maar ontstaat van onderaf, doordat mensen elkaar in deze gezamenlijke strijd herkennen. Kenmerkend voor het socialisme is het idee dat de mens een sociaal wezen is, dat zijn individuele vrijheid slechts in gemeenschap met anderen kan ontwikkelen. Zoals Marx het formuleert:

“Pas in de gemeenschap zijn voor ieder individu de middelen voorhanden om zijn aanleg alzijdig te ontwikkelen; pas in de gemeenschap is daarom persoonlijke vrijheid mogelijk…In de werkelijke gemeenschap bereiken de individuen hun vrijheid in en door hun associatie.” (Marx 1974 [1845-‘6]: 74)

De universaliteit van het socialisme is dus een universaliteit in naam van individuele vrijheid, de echte vrijheid die binnen het individualiserende kapitalisme niet kan ontstaan. “En de Sovjet Unie dan?,” zo roepen de critici in koor, “uit de Sovjet Unie blijkt toch duidelijk dat het socialisme een inherent totalitaire en onderdrukkende ideologie is!” Maar dat de Sovjet Unie iets met socialisme te maken had is al lang een achterhaald idee – in feite was het een extreme vorm van staatskapitalisme, waarin de arbeiders onderdrukt en uitgebuit werden ter verrijking van een bureaucratische elite, die de concurrentie met het Westen aanging. In die zin was de ondergang van de Sovjet Unie juist een overwinning vóór het socialisme! Het was in ieder geval allesbehalve het Einde van de Geschiedenis. Zolang het kapitalisme regeert, zitten we nog in wat Marx “de voorgeschiedenis van de menselijke samenleving” noemt. (Marx 1979 [1959]: 8) De echte Geschiedenis met een hoofdletter “G”, d.w.z. de historische ontwikkeling van de vrije mens, moet nog altijd beginnen. De antiglobaliseringsbeweging is een stap op weg naar dat begin. En aan socialisten is de taak om het antiglobalisme op die weg te houden.

Gebruikte literatuur
* Barrez, Dirk (2001), De antwoorden van het antiglobalisme: Van Seattle tot Porto Alegre. Amsterdam: Mets & Schilt uitgevers.
* Forrester, Viviane (2001), De terreur van de nieuwe economie. Amsterdam: Uitgeverij Byblos.
* Goldstein, Richard (1996), “The culture war is over! We won! (For now),” in: Village Voice, 19 November 1996.
* Harman, Chris (2002), Antikapitalisme: Theorie en praktijk. Amsterdam: Internationale Socialisten.
* Klein, Naomi (2001), No Logo: De strijd tegen de dwang van de wereldmarkten. Rotterdam: Lemniscaat.
* Marx, Karl (1973 [1857-‘8]), Grundrisse: Foundations of the critique of political economy. New York: Random House.
* Marx, Karl & Engels, Friedrich (1974 [1845-’61]), De duitse ideologie, deel I: Feuerbach. Nijmegen: SUN.
* Marx, Karl (1979 [1859]), Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie. Amsterdam: Uitgeverij Pegasus.
* Zizek, Slavoj (1998), Pleidooi voor intolerantie. Amsterdam: Boom.