Showing posts with label postmodernisme. Show all posts
Showing posts with label postmodernisme. Show all posts

Wie is er bang voor het universele? Van antiglobalisme naar internationaal socialisme

Verschenen bij: GLOBALINFO, 22 mei 2002.

In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw werden de universele ideologieën van weleer dood verklaard door postmoderne filosofen als Foucault, Lyotard, Rorty en vele anderen. Hun kritiek was vooral gericht tegen het universalisme van ideologieën, dwz. het feit dat elke ideologie uitgaat van een universeel menselijke essentie als uitgangspunt en leidraad van het politieke handelen. Zo zou de Mens in het liberalisme voorgesteld worden als rationele homo economicus, in het nationalisme als exponent van het Volk, in het Christendom als schepsel Gods en in het socialisme als arbeider. In het postmodernisme echter werd zowel de juistheid als de rechtvaardigheid van dit universalisme in twijfel getrokken: er zou geen universaliteit zijn die alle mensen samenbindt, slechts een pluralistische veelheid van particuliere identiteiten, die zich van elkaar onderscheiden door taal, cultuur, etniciteit en gender. De verabsolutering van één bepaalde identiteit tot universele essentie moest daarom wel uitmonden in de onderdrukking van menselijke diversiteit. De universele ideologieën moesten wel uitmonden in de totalitaire verschrikkingen van Auschwitz, Stalinisme en de killing fields.

In zowat alle Westerse democratieën werd de politiek ontdaan van haar ideologische tegenstellingen. In Nederland sprak Wim Kok van ‘het afschudden van de ideologische veren’. Met name de traditionele sociaal-democratische partijen lieten massaal de socialistische ideologie in de steek – een ideologie waarvan het failliet ‘immers’ was ‘aangetoond’ door de val van de Sovjet-Unie. Een val die in navolging van Francis Fukuyama werd geduid als het Einde van de Geschiedenis met hoofdletter “G” – de geschiedenis als de titanenstrijd van rivaliserende ideologieën. Aldus ge-ont-ideologiseerd, werd de politiek gereduceerd tot technocratisch management van de publieke zaak. Beleidskeuzes werden niet meer gemotiveerd door ‘achterhaalde’ principiële keuzes tussen Links of Rechts, maar door pragmatisch-consensuele afwegingen over wat werkt en wat niet, geheel conform een motto van Deng Shao Ping uit de jaren 60: “Het maakt niet uit of een kat rood of wit is, als hij maar muizen vangt.” In Nederland bleek deze kat de kleur paars te hebben.

Dit alles maakte de opkomst van de antiglobaliseringsbeweging eind jaren 90 des te verrassender, en wel om twee redenen. Ten eerste maakte het de politiek weer spannend: het gaf velen het gevoel dat het in de politiek weer om iets fundamenteels gaat, om een principiële keuze vóór of tegen de neoliberale globalisering van het kapitalisme. Dit gevoel – met iets fundamenteels bezig te zijn – sprak uit alle leuzen waarmee demonstranten de straat op gingen: “Een andere wereld is mogelijk!”; “De wereld is niet te koop”; “They make plans, we make history!” Dit gevoel bleef niet beperkt tot de demonstranten alleen, maar sprong over naar grote delen van de samenleving: “het zou best eens kunnen dat de globofoben van Seattle en Genua een impuls hebben gegeven tot de terugkeer van de politiek en de ideologie,” zo melde de Volkskrant in augustus 2001. Deze uitspraak in de Volkskrant is echter maar ten dele juist: van een terugkeer tot ideologie was weinig sprake. Dat is de tweede reden waarom de opkomst van het antiglobalisme zo verrassend was. Het is het antiglobalisme namelijk gelukt de politiek te reanimeren ondanks of wellicht juist dankzij het feit dat antiglobalisten veelal niets van oude of nieuwe ideologieën moeten hebben.

Deze antiglobalistische afkeer van ideologie heeft veel te maken met het verwijt dat standaard tegen de antiglobalisten wordt gericht, nl. het verwijt dat hun kritiek op de neoliberale wereldorde krachteloos is omdat zij er geen alternatief voor zouden bieden. Zij zouden wel de juiste vragen stellen, maar niet de juiste antwoorden geven. Zo werden de antiglobalisten in het NRC omschreven als “een eclectisch zootje zonder samenhangend programma.” (21-7-01) Dit gebrek aan alternatieven bij de antiglobalisten wordt dan vervolgens opgevat als extra argument vóór de neoliberale globalisering, het zgn. TINA-argument: There is no alternative. De achterliggende gedachte daarbij is: als je economisch wilt overleven, is er geen alternatief voor het je aanpassen aan de vrije wereldmarkt. “Globalisering is als een golf die onvermijdelijk over ons heen komt,” aldus een Shell-woordvoerder in Trouw (21-7-01).

Maar is het ook waar dat de antiglobalisten geen enkel alternatief voor de neoliberale wereldorde te bieden zouden hebben? Enerzijds is dit echt absolute onzin. Binnen de antiglobaliseringsbeweging wordt enorm veel nagedacht, gediscussieerd en geschreven over hoe de wereld dan wel ingericht zou moeten worden. De slogan waarmee antiglobalisten de straat op gaan – nl. “Een andere wereld is mogelijk!” – is niet zomaar een loze kreet, maar een serieuze boodschap met een vaak zeer concrete en praktische betekenis. De stroom aan boeken over alternatieven is niet meer bij te houden: The new protectionism van Tim Lang en Colin Hines, The postcorporate world van David Korten, De antwoorden van het antiglobalisme van Dirk Barrez, Globalization from below van Brecher, Costello en Smith, La recherche d’alternatives van Francois Houtart. Hele conferenties worden belegd, waar antiglobalisten samenkomen om over alternatieven te discussiëren, met als recent hoogtepunt het World Social Forum dat begin februari in Porto Alegre, in Brazilië, werd gehouden en waarbij 50.000 mensen van over de hele wereld aanwezig waren. Critici die zeggen dat de antiglobalisten geen enkel alternatief aanbieden, spreken dus ofwel vanuit onwetendheid (en dat is een verwijtbare schande in het huidige informatietijdperk), ofwel vanuit boze opzet.

Anderzijds echter zit er een kern van waarheid in. Het is inderdaad zo dat de antiglobalisten niet slechts één alternatief bieden – zij bieden er vele. De antiglobaliseringsbeweging is niet één homogene beweging, maar een beweging van bewegingen, samengesteld uit talloze verschillende groepen en organisaties, vaak met heel verschillende agenda’s, zoals bijvoorbeeld Attac, die zich vooral inzet voor invoering van een Tobin-tax; Jubilee 2000, die zich inzet voor kwijtschelding van de Derde Wereld-schuld; de Confederation Paysanne, die zich inzet voor lokale ecologische landbouw, enzovoort. Slechts een klein aantal van deze organisaties draagt expliciet een universele ideologie als het socialisme uit. Maar veel antiglobalisten hebben een uitgesproken afkeer van universele ideologieën. Van deze anti-ideologische stroming binnen het antiglobalisme is Naomi Klein, de auteur van No Logo, zonder twijfel de bekendste woordvoerder:

“Veel deelnemers aan protestbewegingen tegen het bedrijfsleven staan even wantrouwend tegenover ideologieën die zogenaamd op iedereen van toepassing zijn…Wanneer de critici zeggen dat het de protesterende demonstranten aan visie ontbreekt, zeggen ze eigenlijk dat ze niet beschikken over een overkoepelende revolutionaire filosofie – zoals marxisme […] – waar iedereen mee instemt. Dat is absoluut waar en daar moeten we buitengewoon dankbaar voor zijn.” (Klein 2001: 408, 511/2)

Vanwaar deze afkeer van universele ideologie? Dit hangt samen met het feit dat de antiglobalisten zich verzetten tegen de neoliberale globalisering juist omdat deze een universeel systeem voortbrengt, het mondiale kapitalisme, waarin nagenoeg de hele wereld en alle aspecten van het leven ondergeschikt worden gemaakt aan de dictatuur van de winst. Om slechts een paar voorbeelden te noemen, in het streven naar winst
* worden democratisch gekozen regeringen door multinationals onder druk gezet om de belastingen te verlagen, nutsbedrijven te privatiseren en de sociale zekerheid af te breken;
* worden duizenden mensen ontslagen door bedrijven die zo hun winsten willen veilig stellen;
* worden zoveel mogelijk handelsgrenzen opgeheven, zodat lokale economieen in arme landen worden weggeconcurreerd door Westerse multinationals;
* worden gigantische hoeveelheden kapitaal met een muisklik de wereld over geflitst, op zoek naar de meest winstgevende plekken, daarbij verwoeste economieen achter zich latend (Azië-crisis van 1997);
* worden oorlogen gevoerd in een neo-imperialistische wedloop om natuurlijke hulpbronnen en afzetmarkten;
* worden de genetische codes van mensen, dieren en planten gepatenteerd en zo tot handelswaar gedegradeerd;
* wordt de natuur en haar biodiversiteit onherstelbare schade toegebracht;
* wordt er achter onze rug om met hormonen en genetische modificatie in ons voedsel geknoeid;
* worden er door marketingpropaganda kunstmatige verlangens gecreëerd;
* wordt persoonlijke identiteit tot een consumptie-artikel gedegradeerd;
* wordt overal de rijkdom aan lokale culturen verdrongen door de commerciële monocultuur van McDonald’s, Microsoft, Nike, Coca Cola, etc.

Misschien vergeet ik nog een aantal dingen, maar het punt is duidelijk: het is juist de universaliteit, de alomvattendheid van het globaliserende kapitalisme dat de antiglobalisten zo tegen de borst stuit. En dat verklaart ook waarom veel antiglobalisten zo afkerig zijn van universele ideologieën in het algemeen. Het mondiale kapitalisme bevechten door er een universele ideologie als het socialisme tegenover te stellen, is voor velen niets anders dan het ene totalitaire en onderdrukkende systeem vervangen door het andere. Daarmee scharen zij zich achter de reeds genoemde postmoderne kritiek op het universalisme van ideologieën als iets dat inherent onderdrukkend is. Dit postmoderne sentiment is vooral bij Naomi Klein duidelijk. Over de antiglobaliseringsbeweging zegt zij bijvoorbeeld: “[D]eze beweging draait om zelfbeschikking en dan moet je je niet hiërarchisch gaan organiseren en een eenheidsideologie formuleren.” (in: Barrez 2001: 224) Met andere woorden: ideologieën zijn per definitie in strijd met zelfbeschikking en dus onderdrukkend. Daartegenover plaatsen antiglobalisten veelal het postmoderne ideaal van pluralisme, het ideaal van vele lokale gemeenschappen, die allemaal anders zijn en allemaal de baas zijn over hun eigen levenswijze, hun politiek, hun economie, hun cultuur en hun ecologische habitat. Het universalisme van ideologieën zou dit pluralisme onmogelijk maken. Naast Naomi Klein is deze houding te vinden bij bekende antiglobalisten als Walden Bello van Focus on the Global South en Bernard Cassen van Attac. Deze laatste zegt bijvoorbeeld:

“We moeten tegenover dat echte eenheidsdenken […] geen eenheidsdoctrine uitwerken. Er zijn heel verschillende samenlevingen mogelijk en onze thesis is dat elke samenleving zich moet organiseren volgens eigen waarden en criteria. Er is geen eenheidsmodel nodig. Het is de neoliberale globalisering die een eenheidsmodel tracht op te dringen.” (in: Barrez 2001: 75)

In het volgende wil ik enkele vraagtekens zetten bij deze negatieve houding van veel antiglobalisten tegenover ideologie in het algemeen. De stelling die ik zal verdedigen is dat de antiglobaliseringsbeweging niet zonder universele ideologie kan en dat – verre van voorgoed afgeschreven te zijn – met name het socialisme binnen de beweging nog een belangrijke rol te spelen heeft.

Dat het antiglobalisme niet zonder universele ideologie kan, blijkt reeds uit het tweede ideaal van veel antiglobalisten, het ideaal van een mondiale democratie. Een bekende klacht van antiglobalisten is dat de neoliberale globalisering tot een onaanvaardbare verzwakking van de democratie heeft geleid, in die zin dat de natiestaat steeds meer overgeleverd is aan democratische oncontroleerbare of zelfs ronduit ondemocratische krachten, zoals multinationals, de WTO, het IMF, de grillen van de ‘vrije’ wereldmarkt en internationale speculatieve kapitaalstromen. Volgens bekende antiglobalisten als Noreena Hertz en Naomi Klein zou de economische globalisering daarom begeleid en beteugeld moeten worden door een navenante globalisering van de democratie; het mondiale kapitalisme zou gecontroleerd en gereguleerd moeten worden door een mondiale democratie, een wereldparlement la Habermas. Zo zegt Naomi Klein:

“Ik ben ervan overtuigd dat we juist meer internationalisme nodig hebben. De multinationals opereren internationaal, dus zijn ze ook alleen maar te controleren en aan banden te leggen via internationale organen. Maar die moeten dan wel de democratie dienen.” (De Groene Amsterdammer, jrg. 125, nr. 44, 3 nov. 2001, 16)

Bovendien leven we nu eenmaal in een geglobaliseerde economie, waarin mensen wereldwijd van elkaar afhankelijk zijn. Een terugkeer naar absolute lokale autonomie is daarom niet mogelijk zonder dat massa’s mensen in grote economische problemen komen. Alleen daarom al moet het ideaal van lokale autonomie op een of andere manier gecombineerd worden met een mondiale coördinatie van de economie, een coördinatie die volgens antiglobalisten natuurlijk democratisch moet gebeuren. Dat is de reden waarom veel antiglobalisten zich verzetten tegen de naam “antiglobalisten” of zelfs “globofoben” – dat zijn slechts de labels die zij door de media opgedrukt krijgen. Zij zijn immers niet tegen globalisering per se, maar tegen de huidige neoliberale vorm ervan. Velen prefereren dan ook andere benamingen zoals “antikapitalisten,” “andersglobalisten,” “democratisch globalisten,” en sommigen zelfs “socialisten,” maar dat is helaas nog maar een kleine minderheid.

Maar wat antiglobalisten zoals Naomi Klein over het hoofd zien is dat democratie alleen werkt in gemeenschappen waarvan de leden iets voor elkaar over hebben en bereid zijn beslissingen te aanvaarden die weliswaar democratisch genomen zijn, maar slechts aan anderen ten goede komen of zelfs hun directe eigenbelang schaden. Immers, hoe groter een democratie, hoe meer mensen zij omvat, hoe kleiner de kans dat zij altijd aan ieders wensen kan voldoen. Van de leden van een democratie wordt derhalve vereist dat zij solidair zijn, dat zij het algemeen belang kunnen laten prevaleren boven hun particuliere eigenbelang. Daarom werkt democratie alleen in gemeenschappen waarvan de leden iets delen, zoals een cultuur, een geschiedenis, een taal of een etniciteit, iets waardoor zij zich verbonden kunnen voelen. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor mondiale democratie, die derhalve een universaliteit vereist, iets dat álle mensen tot één hechte wereldgemeenschap zou kunnen samenbinden. Het moge duidelijk zijn dat deze universaliteit nu verder weg lijkt dan ooit. Natuurlijk zou deze universaliteit ooit nog kunnen ontstaan, juist doordat mensen over heel de wereld elkaar herkennen in de gezamenlijke strijd tegen de neoliberale globalisering. Ware het niet dat antiglobalisten als Naomi Klein, juist door hun postmoderne afkeer van universele ideologieën, de vorming van deze universaliteit in de weg staan – en daarmee ook in de weg staan van hun eigen ideaal van een mondiale democratie.

Een tweede reden waarom het antiglobalisme niet zonder universele ideologie kan, is dat de verschillende eisen van de antiglobalisten op zichzelf genomen, los van een wereldomvattend alternatief, krachteloos zijn of zelfs averechts uitwerken. Bijvoorbeeld:
* Natuurlijk moet je vechten tegen lage lonen en kinderarbeid in derdewereldlanden, anders sta je toe dat ondernemers het leven van miljoenen mensen verwoesten door de uitbuiting tot extreme hoogten op te voeren. Maar als je alleen tegen deze misstanden vecht, beroof je arme mensen van wat vaak hun enige bron van inkomsten is. Je doet dan immers nog niets tegen de omstandigheden die armen mensen dwingen tot kinderarbeid of arbeid voor te lage lonen.
* Natuurlijk moet je vechten – zoals Jubilee 2000 doet – tegen de schuldenlast van Derde Wereld-landen, anders leg je je erbij neer dat de armste landen hun economieën niet kunnen opbouwen, omdat ze leeggezogen worden door de grootste banken. Maar het kwijtschelden van schulden alleen zou de situatie alleen maar verergeren. Ten eerste zou kwijtschelding de ergste, meest roekeloze regeringen belonen. Ten tweede zou kwijtschelding in de nabije toekomst de arme landen veranderen in financiële paria’s: ze zouden niet meer in staat zijn basisbenodigdheden te importeren, omdat hun kredietwaardigheid nul is geworden.
* Natuurlijk moet je vechten – zoals bijvoorbeeld de Confederation Payssane doet – tegen de industriële landbouw, omdat deze traditionele, lokale gemeenschappen verwoest, rampzalige gevolgen heeft voor het ecosysteem en wegens het gebruik van genetische modificatie een gevaar voor de volksgezondheid betekent. Maar het is een gevaarlijke illusie te denken dat we terug moeten naar traditionele, lokale landbouwmethodes – waarvan sommige antiglobalisten zoals Vandana Shiva een overdreven ideaalbeeld koesteren. Ten eerste waren traditionele landbouwmethodes vaak gebaseerd op de onderdrukking van vrouwen en bepaalde klassen en kasten. Ten tweede zijn traditionele landbouwmethodes niet in staat om de snel groeiende wereldbevolking te voeden. Het is beter voort te bouwen op de moderne, door het kapitalisme voortgebrachte landbouwmethodes, maar dan ten dienste van menselijke behoeften en het ecosysteem, en niet het winststreven van multinationals.
* Natuurlijk moet je vechten – zoals Attac doet – voor de Tobin-tax, de belasting op speculatieve transacties. Anders sta je toe dat speculanten in hun queeste naar steeds grotere winsten, enorme hoeveelheden kapitaal over de wereld schuiven, daarbij economieën in crisis achterlaten. Maar het is een illusie te denken dat een Tobin-tax alleen economische crises zal voorkomen. Economische crises komen voort uit het feit dat bedrijven in hun concurrentie winst moeten maken door de productie te verhogen en tegelijk de lonen te drukken, zodat er steeds weer overproductie ontstaat.

Kortom, de verschillende eisen van de antiglobalisten blijven krachteloos zolang ze niet worden ingebed in een ideologie, in een verhaal waarin het mondiale kapitalisme als geheel wordt betwist door een even wereldomvattend alternatief. Het socialisme staat voor zo’n alternatief. In plaats van haar beheersing door een handjevol multinationals, willen socialisten de economie onder democratische controle van iedereen brengen, zodat er niet meer wordt geproduceerd voor het winststreven van de aandeelhouders, maar voor de behoeften van de mensen zelf.

Bovendien, – en dat is de derde reden – zonder universele ideologie dreigt het antiglobalisme volledig binnen het kapitalisme getrokken en zo geneutraliseerd te worden. De ironie van de geschiedenis is dat de door sommige antiglobalisten omarmde postmoderne kritiek op ideologie precies datgene heeft mogelijk gemaakt waartegen zij protesteren: de neoliberale globalisering van het kapitalisme. Dit wordt steeds meer erkend. Sinds 1984 toen Frederic Jameson over het postmodernisme schreef als “the cultural logic of late capitalism,” is dit punt herhaaldelijk naar voren gebracht door verschillende filosofen, zoals Alex Calinicos, Slavoj Zizek en recentelijk Hardt & Negri. Het postmodernisme kon wegens haar anti-universalisme, geen weerstand bieden aan de universaliserende tendens van het kapitalisme. De onderlinge concurrentie van kapitalisten vereist constante economische groei, door technologische innovatie, maar ook door de creatie van nieuwe afzetmarkten, wingewesten en lage-loon-gebieden. In die zin is globalisering inherent aan het kapitalisme zelf. Zoals Marx zei in 1858: “De neiging om n wereldmarkt te creëren is onmiddellijke gegeven in het begrip van het kapitaal zelf. Elke grens verschijnt als een barrière die overwonnen moet worden.” (Marx 1973 [1857-‘8]: 408) Daar zal elke neoliberaal het met Marx over eens zijn. Maar om zich kritisch tegenover een universaliserend proces te kunnen verhouden, heeft men even universele idealen nodig. Zonder wereldomvattende idealen kan men slechts particuliere aspecten van een wereldomvattend proces bekritiseren, maar niet dat proces in zijn geheel. En wie zich niet kritisch tegenover een globaliserend proces kan verhouden, wordt er onherroepelijk door opgeslokt en meegesleept. Juist wie bang is voor het universele, valt eraan ten prooi.

In de politiek betekende het postmodernisme dan ook een kritiekloze onderwerping aan de neoliberale globalisering. Het Einde van de Grote Verhalen was feitelijk het Begin van het Grote Graaien. Zoals gezegd, als gevolg van haar ont-ideologisering liet de politiek zich niet langer leiden door principiële keuzes tussen Links of Rechts, maar door pragmatische afwegingen over wat werkt en wat niet. Maar wat werkt en wat niet – dat wordt bepaald door de dominante praktijk in de wereld, dat wil zeggen: het kapitalisme. Zoals de filosoof Zizek zegt:

“Zeggen dat effectieve ideeën hetzelfde zijn als goede ideeën, betekent een acceptatie op voorhand van de (wereldomvattende, kapitalistische) constellatie die bepaalt wat werkt. (Als je bijvoorbeeld te veel geld aan onderwijs of de gezondheidszorg besteedt, ‘werkt dat niet’, omdat dat inbreuk maakt op de voorwaarden van de kapitalistische winstgevendheid).” (Zizek 1998: 26)

Dit idee – dat de vrije markt hét maatschappelijke ordeningsprincipe zou moeten zijn – is hét kernidee van het neoliberalisme. De postmoderne kritiek op ideologie had dus het paradoxale effect dat zij de overwinnig van één specifieke – namelijk de neoliberale – ideologie in de hand heeft gewerkt. Deze ideologie was des te hardnekkiger omdat zij niet als ideologie verscheen, maar verkleed ging als non-ideologisch pragmatisme. Zo zegt Viviane Forrester over het neoliberalisme:

“Dat internationale en zelfs universele systeem heeft zich openlijk en toch zonder dat iemand er erg in had, in ons midden geïnstalleerd, niet illegaal maar in het geniep. Dat viel des te minder op omdat de bijbehorende ideologie elk politiek beginsel ter zijde schuift…” (Forrester 2001: 8)

Zo kon het neoliberalisme zich als een koekoeksjong nestelen in de ont-ideologiserende sociaal-democratie van de zogenoemde ‘Derde Weg’. Met het afscheid van het socialisme aan de voordeur haalden sociaal-democraten als Kok, Blair en Schröder stilzwijgend het neoliberalisme binnen door de achterdeur. Juist wie bang is voor universele ideologie, valt eraan ten prooi.

Op cultureel-politiek vlak kreeg het postmodernisme de vorm van het multiculturalisme, de zgn. identity politics van begin jaren ’90, waarin de tolerantie voor verschillende etnische, culturele en seksuele identiteiten centraal stond. Hoewel in intentie kritisch, kon het multiculturalisme – juist door haar gebrek aan universaliteit – volledig binnen het kapitalisme getrokken worden. Het kapitalisme kon volledig aan het multiculturalisme tegemoet komen door lifestyle-producten aan te bieden voor de articulatie van ‘originele’ groepsidentiteiten, van rebelse skaters en succesvolle zakenmannen tot new agers en avontuurlijke globetrotters. Aldus betekende het multiculturalisme voor het kapitalisme een schier onuitputtelijke bron van nieuwe afzetmarkten voor talloze nieuwe merken oftewel brands. In No Logo beschrijft Naomi Klein uit eigen, pijnlijke ervaring de desillusie van de identity politics-activisten eind jaren ’90:

“Maar één ding was vele activisten […] onmiskenbaar duidelijk geworden: het identiteitsactivisme vocht niet tegen het systeem en ondermijnde het zelfs niet. Toen de onafzienbare nieuwe bedrijfstak van de [branding] was begonnen, ondersteunden die activisten dat systeem alleen maar.” (Klein 2001: 142)

Als zodanig leverde het multiculturalisme de hoognodige boost voor de inzakkende economie van begin jaren ’90. “This revolution,” zoals de cultuurcriticus Richard Goldstein over het multiculturalisme opmerkt, “turned out to be the savior of late capitalism.” (Goldstein 1996) Bovendien, zoals vooral Zizek benadrukt, fungeert het multiculturalisme als een soort rookscherm waarachter het mondiale kapitalisme zich kan verschuilen. Door de globalisering van het kapitalisme worden overal de lokale, particuliere, min of meer authentieke culturen bedreigd door dezelfde commerciële monocultuur van McDonald’s, Nike, Microsoft, et cetera. Deze culturele ontworteling wordt echter door het multiculturalisme gemaskeerd doordat het mensen laat geloven dat zij hun eigen particuliere, authentieke identiteit kunnen behouden…uiteraard binnen de overkoepelende universaliteit van het mondiale kapitalisme.

De postmoderne kritiek op universele ideologie is dus een uitgelezen middel om de kritische, antikapitalistische impuls van het antiglobalisme onschadelijk te maken. Zoals we hebben gezien weet Naomi Klein uit persoonlijke ervaring hoe het multiculturalisme destijds binnen het kapitalisme is getrokken; dat zij niet ziet dat hetzelfde gevaar voor het antiglobalisme dreigt, is daarom des te opmerkelijker. Men zou hier iets willen zeggen over de ezel die zich tweemaal aan dezelfde steen stoot.

Conclusie: om een vuist tegen het mondiale kapitalisme te kunnen maken, heeft het antiglobalisme een universele ideologie nodig. Maar betekent dit niet dat het antiglobalisme tot mislukken is gedoemd? Immers, volgens het postmodernisme zou er geen universaliteit, geen reële basis voor universele ideologie zijn, slechts een pluralistische veelheid van particuliere identiteiten. Deze postmoderne positie is echter achterhaald door de feitelijke ontwikkeling, beter gezegd: door de neoliberale globalisering van het kapitalisme zelf. Een gevolg van de globalisering is dat alle mensen in toenemende mate een gemeenschappelijke ‘essentie’ delen: we zijn allemaal verworden tot producerende en/of consumerende radertjes in de wereldwijde winstmachine. En daarmee ontstaat ook de universele basis voor de ideologie die het antiglobalisme zo hard nodig heeft. Toegegeven, op het eerste gezicht lijkt dat onwaarschijnlijk. Wat met de globalisering immers universeel wordt is het egoïstisch individualisme dat inherent is aan de kapitalistische concurrentie van allen met allen. De universaliteit van het mondiale kapitalisme is dus een negatieve, het universele ontbreken van solidariteit – niet echt een goede basis voor mondiale democratie. Om voor het antiglobalisme vruchtbaar te kunnen zijn, moet deze negatieve universaliteit omgezet worden in iets positiefs, iets op grond waarvan alle mensen zich zouden kunnen verenigen. En hier blijkt het belang voor het antiglobalisme van één specifieke ideologie in het bijzonder, het socialisme, dat bij uitstek de ideologie is die mensen bij elkaar brengt op grond van het feit dat zij allen onder het kapitalisme te lijden hebben. Denk aan de oproep van Marx: “Proletariërs aller landen, verenigt u!” Laat je niet van de wijs brengen door de ouderwetse term “proletariërs” – dat zijn alle mensen die van loonarbeid afhankelijk zijn. Van ouderwetse fabrieksarbeiders tot universitair docenten, en van Turkse schoonmaaksters tot het witteboordenproleratiaat in de IT-business – we zijn allemaal loonslaven. Daarmee lijkt het socialisme bij uitstek de ideologie te zijn die het antiglobalisme nodig heeft om een vuist te kunnen maken tegen het globaliserende kapitalisme. Antiglobalisten als Naomi Klein zullen daar tegen in brengen dat het socialisme net als elke universele ideologie inherent totalitair en onderdrukkend is. Maar daarmee zien zij over het hoofd dat het socialisme voortkomt uit de gezamenlijke strijd tegen kapitalisme: de universaliteit van het socialisme wordt niet van bovenaf opgelegd, maar ontstaat van onderaf, doordat mensen elkaar in deze gezamenlijke strijd herkennen. Kenmerkend voor het socialisme is het idee dat de mens een sociaal wezen is, dat zijn individuele vrijheid slechts in gemeenschap met anderen kan ontwikkelen. Zoals Marx het formuleert:

“Pas in de gemeenschap zijn voor ieder individu de middelen voorhanden om zijn aanleg alzijdig te ontwikkelen; pas in de gemeenschap is daarom persoonlijke vrijheid mogelijk…In de werkelijke gemeenschap bereiken de individuen hun vrijheid in en door hun associatie.” (Marx 1974 [1845-‘6]: 74)

De universaliteit van het socialisme is dus een universaliteit in naam van individuele vrijheid, de echte vrijheid die binnen het individualiserende kapitalisme niet kan ontstaan. “En de Sovjet Unie dan?,” zo roepen de critici in koor, “uit de Sovjet Unie blijkt toch duidelijk dat het socialisme een inherent totalitaire en onderdrukkende ideologie is!” Maar dat de Sovjet Unie iets met socialisme te maken had is al lang een achterhaald idee – in feite was het een extreme vorm van staatskapitalisme, waarin de arbeiders onderdrukt en uitgebuit werden ter verrijking van een bureaucratische elite, die de concurrentie met het Westen aanging. In die zin was de ondergang van de Sovjet Unie juist een overwinning vóór het socialisme! Het was in ieder geval allesbehalve het Einde van de Geschiedenis. Zolang het kapitalisme regeert, zitten we nog in wat Marx “de voorgeschiedenis van de menselijke samenleving” noemt. (Marx 1979 [1959]: 8) De echte Geschiedenis met een hoofdletter “G”, d.w.z. de historische ontwikkeling van de vrije mens, moet nog altijd beginnen. De antiglobaliseringsbeweging is een stap op weg naar dat begin. En aan socialisten is de taak om het antiglobalisme op die weg te houden.

Gebruikte literatuur
* Barrez, Dirk (2001), De antwoorden van het antiglobalisme: Van Seattle tot Porto Alegre. Amsterdam: Mets & Schilt uitgevers.
* Forrester, Viviane (2001), De terreur van de nieuwe economie. Amsterdam: Uitgeverij Byblos.
* Goldstein, Richard (1996), “The culture war is over! We won! (For now),” in: Village Voice, 19 November 1996.
* Harman, Chris (2002), Antikapitalisme: Theorie en praktijk. Amsterdam: Internationale Socialisten.
* Klein, Naomi (2001), No Logo: De strijd tegen de dwang van de wereldmarkten. Rotterdam: Lemniscaat.
* Marx, Karl (1973 [1857-‘8]), Grundrisse: Foundations of the critique of political economy. New York: Random House.
* Marx, Karl & Engels, Friedrich (1974 [1845-’61]), De duitse ideologie, deel I: Feuerbach. Nijmegen: SUN.
* Marx, Karl (1979 [1859]), Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie. Amsterdam: Uitgeverij Pegasus.
* Zizek, Slavoj (1998), Pleidooi voor intolerantie. Amsterdam: Boom.



Individu, dividu, intervidu

 

“Je bent wie je bent door je relaties tot anderen, door je positie tussen hen in...” In die zin zou ik het individu willen (her)definiëren als intervidu. Dit onder andere als kritiek op Nietzsche en zijn volgelingen, met name Deleuze en Guattari, die het individu vervangen door het dividu. Terecht wijzen zij erop dat “individu” letterlijk “ondeelbaar” betekent, net als het Griekse “atomos” (Latijn: “dividere” = in tweeën delen, het prefix “in-” drukt een negatie uit, zoals “on-” in “ondeelbaar”). Deze opvatting van de mens als een ondeelbare eenheid spiegelt de vermeende autonomie van het moderne subject, dat zichzelf als z'n eigen wetgever begrijpt (Grieks: “auto” = zelf, “nomos” = wet), onafhankelijk van de vreemde krachten die hem van buiten en van binnen 'bedreigen'. Natuurlijk is deze autonomie volgens de Nietzscheanen een illusie: het zogenaamde individu is feitelijk een samenspel, of beter gezegd: strijdtoneel van verschillende krachten die om beurten de mens beheersen en in verschillende richtingen doen bewegen (dwz. handelen en denken). De mens zou daarom niet het individu zijn maar het dividu, de deelbare – of letterlijk vertaald: de in tweeën deelbare (Latijn: “di-” = twee). 


Maar het zal duidelijk zijn dat deze tweeheid voor de Nietzscheanen eerder een ongewenste connotatie is van de term dividu. Voor hen gaat het om een grotere menigvuldigheid van krachten waaruit de mens zou bestaan. Zo bezien is de term “dividu” slecht gekozen. Maar ook om andere redenen moet deze term verworpen worden. Ten eerste kunnen we ons de vraag stellen of de complexiteit van de mens als samenspel of strijdtoneel van verschillende krachten inderdaad op zo’n gespannen voet staat met zijn vermeende eenheid als de Nietzscheanen beweren. Geeft deze complexiteit de mens niet juist een bepaalde uniciteit, een unieke kern die hem van alle andere mensen doet verschillen? Dat is in ieder geval de suggestie die volgt uit de opvatting van het menselijke zijn als tussen-zijn, inter-esse. Zoals gezegd, je bent wie je bent door je relaties tot anderen, door je positie tussen hen in. De essentie van de mens is een inter-essentie (en ieder mens is in die zin een interessent, “iemand die belangstelling voor iets heeft”, aldus Van Dale). Ieder mens is een kruispunt van sociale relaties en is als zodanig uniek, simpelweg omdat de sociale relaties verschillen van mens tot mens (mijn sociale relaties zijn niet de jouwe en dus ben ik niet jou). 


Om dit unieke tussen-zijn (corresponderend met een unieke interesse) van ieder mens aan te geven, lijkt mij de term “intervidu” geschikter dan “dividu”. De deelbaarheid van het dividu doet geen recht aan de (weliswaar complexe) uniciteit van ieders tussen-zijn (om van de ongewenste connotatie van tweeheid bij “dividu” nog maar te zwijgen). Naast deze uniciteit geeft het tussen-zijn van de mens aan zijn bestaan ook een punt-achtig karakter, als kruispunt of knooppunt van de relaties die hem vormen. “Relationalisme” noemt de postmoderne theoloog Mark C. Taylor deze opvatting van identiteiten als knooppunten: “In this schema, to be is to be related, or in current terms, to be is to be connected. Neither self-identical nor oppositional subjectivity is nodular.” (Mark C. Taylor, After God. 2007, p.40) “That is to say, every subject is a node in a complex web of relations, which constitute its identity as differential.” (Idem, p.382, n.31) 


Deze puntigheid van het menselijke tussen-zijn ontbreekt volledig in de Nietzscheaanse opvatting van de mens als dividu. Dankzij de consonantie met “individu” drukt de term “intervidu” dit punt-karakter wel uit, maar zonder de connotatie van ondeelbare eenheid: anders dan de term “individu” benadrukt “intervidu” de relationele vorming, het tussen-zijn van het unieke punt dat ieder mens is. Mijns inziens doet deze erkenning van de puntige uniciteit van het mens-zijn ook veel meer recht aan de fenomenologie van dit mens-zijn dan de Nietzscheaanse opvatting: de mens mag dan een veranderlijk complex zijn verschillende en variërende krachten, het feit blijft dat hij zichzelf ervaart als een Ik, als een uniek en zelfreflexief punt waaromheen zijn bewustzijn van de wereld gecentreerd is – ongeveer zoals een perspectieftekening verwijst naar een verdwijnpunt waar alle evenwijdige lijnen samenkomen. 


Men kan volhouden dat deze ervaring van het Ik een illusie is, net als de moderne illusie van het autonome subject, maar dat doet geen afbreuk aan het feit van de ervaring: het zelfbewustzijn mag eventueel illusoir zijn (wat het m.i. niet is, maar dat terzijde), de ervaring ervan is er en vraagt om een verklaring. Dat is mijns inziens de echte uitdaging, die door de Nietzscheanen volledig over het hoofd is gezien: de verklaring hoe de mens zich als een Ik kan ervaren gegeven het feit dat zijn bestaan een variërend complex is van verschillende krachten. Een begin van deze verklaring hebben we reeds in de erkenning van het punt-achtige karakter van het menselijke tussen-zijn, het feit dat ieder mens een uniek knooppunt of kruispunt van relaties is. 


Maar veel blijft hierbij natuurlijk nog onduidelijk. Hoe moeten we het punt dat ieder mens is precies begrijpen? Als een substantieel punt met een materiële en/of geestelijke inhoud? Of eerder als een geometrisch, uitbreidingsloos punt, zonder substantie? Dus als een ideële entiteit die nooit in de materiële wereld kan bestaan maar wel verondersteld moet worden om deze wereld rationeel begrijpelijk te maken (denk aan Plato en natuurlijk aan Kants transcendentale subject dat nooit empirisch gegeven kan zijn)? Deze laatste opvatting van de mens als uitbreidingsloos, ideëel punt lijkt in ieder geval meer in overeenstemming te zijn met de fenomenologie van het mens-zijn. Ieder mens verandert door de tijd heen, maar tegelijk ervaart hij zich als gelijkblijvend: hij blijft dat unieke Ik ondanks alle veranderingen. 


Maar wat is dan dat Ik dat bijna als een gelijkblijvende substantie ten grondslag ligt aan zelfs de meest wisselende eigenschappen? Dat is moeilijk onder woorden te brengen. Het punt is natuurlijk dat er geen substantie is. Zelfs iemands meest eigen karaktereigenschappen kunnen veranderen door gebeurtenissen, toch blijft hij dezelfde persoon, hetzelfde Ik dat al die gebeurtenissen heeft meegemaakt. Hoe kan deze innerlijke leegheid de temporele continuïteit van het Ik waarborgen? En vooral: hoe kan dit lege punt, dat het Ik is, van zichzelf bewust zijn? Wat verklaart de zelfreflexiviteit van het Ik als knoop- of kruispunt van relaties?





Over de mogelijkheid van verzoening in het tijdperk van de Hobbesiaanse bubbel-oorlog


Dé filosofische uitdaging voor onze tijd is het vinden van een verzoenend midden tussen autonomie en heteronomie – tussen de aanspraken van het Ik en die van de Ander – maar na de “Dood van God”, in de post-moderne conditie van “metafysische dakloosheid”, zonder de luxe van een voorafgegeven universaliteit waar Ik en Ander elkaar zouden kunnen vinden.

De existentiële urgentie achter deze filosofische urgentie is pijnlijk duidelijk: na eeuwen van modern subject-centrisme – overgecodeerd door de heerschappij van de witte westerse burgerman – is nu de “Opstand van de/het Ander(e)” in volle gang. Van de protesterende natuur in de ecologische crisis tot en met de woke-beweging van ‘afwijkende’ seksuele en etnische identiteiten, van de ideologische, economische en militaire opkomst van niet-westerse machten tot en met de (pseudo-)wetenschappelijk reductie van de mens tot “niets meer dan….” (niets meer dan zijn brein, een doorgeefluik voor zelfzuchtige genen, een product van ideologie, taal, cultuur en geschiedenis, een speelbal van primitieve instincten en/of de maatschappelijke dynamiek, etc.) – overal laten de aanspraken van de/het Ander(e) zich gelden tegenover de tanende macht van het moderne, westerse, autonome Ik. Een Ik dat van de weeromstuit in de kramp schiet en de neoconservatieve of zelfs fascistische neiging vertoont om zichzelf en zijn Grieks-Christelijke traditie dogmatisch te poneren als superieur aan al het andere, stoer maar wanhopig uitroepend: “The West is the best!” Alsof de kritische kern van de Verlichting alleen gered kan worden door deze te immuniseren voor alle kritiek – een evidente paradox.

Met andere woorden: willen we de mogelijkheid van kritisch denken en handelen écht openhouden, dan moeten we een midden vinden tussen autonomie en heteronomie, tussen de aanspraken van het Ik en die van de Ander. De crux is: zonder “respect voor andersheid” verwordt autonomie tot een totalitair modern egocentrisme, maar zonder autonomie verwordt “respect voor andersheid” tot een dogmatisch, pre-modern fundamentalisme, waar de autoriteit van de Ander onaantastbaar wordt (en het moet gezegd worden dat sommige postmoderne denkers, zoals Levinas met zijn “ethiek van de Ander”, verraderlijk dicht tegen een dergelijk fundamentalisme aanschurken). We moeten de kritische baby niet met het moderne badwater weggooien. Zoals Adorno zegt: “de kritische gedachte wil niet aan het object de verweesde koningstroon van het subject geven, waarop het object niet meer zou zijn dan een afgod – zij wil de hiërarchie afschaffen”. D.w.z. het gaat er in de kritiek op het moderne subject niet om diens autonomie te verruilen voor heteronomie (door ‘het object op de troon van het subject te zetten’) maar om hun hiërarchische verhouding af te schaffen, een verhouding waarbij altijd één van de twee domineert. De moderne verafgoding van het Ik moet niet vervangen worden door verafgoding van de Ander. Het gaat erom een evenwicht tussen beiden te vinden, een derde positie tussen autonomie en heteronomie in.


Verzoening na de Dood van God

Maar, zoals gezegd, we moeten deze balanceeract tussen Ik en Ander voor elkaar zien te krijgen na de “Dood van God”, zonder de luxe van een voorafgegeven universaliteit waar Ik en Ander elkaar kunnen vinden. Dat is nu juist het probleem, het aporetische van de huidige situatie: het gaat om een balanceeract zonder koord, en al helemaal zonder brug. Alle overkoepelende eenheden – een gedeelde God, gedeelde wetenschap, gedeelde cultuur, gedeeld volk, gedeelde taal, gedeeld mensbeeld, gedeelde belangen, gedeelde idealen – zijn problematisch geworden. De ‘werkelijkheid’ is geëxplodeerd in een onafzienbare veelheid van perspectieven: er zijn geen feiten meer, alleen nog maar “interpretaties” (Nietzsche) en “alternatieve feiten” (Trump). We leven in een “post-truth world”. Iedereen heeft z'n eigen ‘waarheid’, z'n eigen wereldbeeld, zn eigen “informatiebubbel”. Met het neoliberale individualisme – verwoord door Thatcher: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen” – en de voortschrijdende digitalisering heeft deze bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aangenomen. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving, raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. Zo is de moderne, geïndividualiseerde samenleving opgelost in “schuim” (aldus Peter Sloterdijk), een amorfe en losse samenhang van privé-bubbels.

Maar we kunnen deze bubbelficatie niet slechts op het conto van de kapitalistische individualisering en digitalisering schrijven, hoezeer zij in deze ontwikkeling ook een aanjagende werking hebben gehad. In de kern is de “Dood van God” een epochaal proces geweest, dat onlosmakelijk samenhing met de boven beschreven wederzijdse kritiek van Ik en Ander, de wederzijdse deconstructie van autonomie en heteronomie. 

Enerzijds heeft, aldus Max Weber, de komst van het moderne autonome subject geleid tot een "onttovering van de wereld", omdat het autonome subject geen enkele autoriteit buiten zich duldt en daarmee alle waarde en betekenis van zichzelf afhankelijk maakt (‘de wereld heeft alleen de waarde en betekenis die ik eraan toe ken’). Het autonome subject poneerde zichzelf als de enige bron van normativiteit en zoog zo alle waarde en betekenis uit de wereld, slechts het pure neutrum van de zuiver objectieve “res extensa” achterlatend. De natuur – in de premoderne tijd nog het tweede “Boek van God” (naast de Bijbel) – kan in de moderne tijd alleen nog verschijnen als het ontzielde object van de mathematisch-technologische wetenschap en als nuttige grondstof of te overwinnen obstakel voor de menselijke “Vooruitgang”. Aldus Heidegger: “In het planetaire imperialisme van de technisch georganiseerd mens bereikt het subjectivisme van de mens zijn hoogtepunt…” De “Vooruitgang”, waarin de mens zijn “Vrijheid” verwerkelijkt, is het enig overgebleven doel-op-zich, waarvoor al het andere slechts middel of obstakel is. De/het Ander(e) heeft geen intrinsieke eigenwaarde meer, alleen nog “waarde voor mij”.

Dat was de eerste – de moderne – fase in het historische drama van de “Dood van God”, waarin de autonome mens met zijn rationaliteit het geloof in God als illusie ontmaskert en zichzelf op Zijn plaats stelt als heerser over de schepping (en zelfs als de Schepper zelf, namelijk in de idealistische filosofieën van het wereld-scheppende Subject). De tweede, post-moderne fase in deze ontmaskering van alle universele waarde is precies de bovengenoemde tegenaanval van de/het Andere tegen de alleenheerschappij van het Ik, wiens autonomie enerzijds ontmaskerd wordt als egocentrisch geweld tegen andersheid – waarbij, zoals gezegd, het Ik is overgecodeerd als witte westerse burgerman – en anderzijds ondermijnd wordt door diezelfde andersheid voor zover deze als heteronomie doordringt in het hart van het Ik (de mens is “niets dan” materie, brein, instinct, machtswerking, taal, cultuur, geschiedenis, etc.). Zo ondermijnen het Ik en de/het Ander(e) elkaars universele aanspraken, totdat er geen enkele universaliteit overblijft – en precies dat is de huidige metafysische dakloosheid. Er is geen gedeelde waarheid meer, alleen nog het slachtveld van botsende bubbels, de onbemiddelde ontmoeting c.q. oorlog van Ik en Ander – de Hobbesiaanse bubbel-oorlog “van allen tegen allen”.


Cartesiaanse bewustzijnsbubbels

In feite wijst deze algehele bubbelficatie van de samenleving op een bekend filosofisch probleem – een mysterie eigenlijk – dat nu als het ware ook in het maatschappelijke leven doorbreekt. Het gaat om het vroegmoderne inzicht (feitelijk het begin van het moderne subjectcentrisme) dat ieder bewust wezen opgesloten zit in de “cirkel” van het eigen bewustzijn – een besef dat doorbrak na Descartes’ ontdekking van het cogito en zijn conclusie daaruit dat we alleen onze eigen bewustzijnsinhouden direct kennen, niet wat zich buiten het bewustzijn bevindt. Zoals de Cartesiaanse filosoof Arnauld het formuleerde: “We hebben geen kennis van wat zich buiten ons bevindt behalve via bemiddeling door de ideeën in ons.” 

Ook het gelijktijdig opkomende atomisme (“corpuscularianisme”) in de natuurwetenschap speelde dit besef in de kaart, omdat de elementaire deeltjes geacht werden alleen meetbare eigenschappen te hebben – “primaire kwaliteiten” als getal, soliditeit, ruimtelijke vorm en beweging – maar niet de “secundaire kwaliteiten” van kleur, geur, geluid en smaak, die louter de causale effecten zouden zijn van de deeltjes op onze zintuigen. Daarom zijn de secundaire kwaliteiten louter subjectief en verschillend van subject tot subject, afhankelijk van de variabele staat van het waarnemend vermogen (zoals voor iemand met geelzucht een gele waas hangt over alles wat hij ziet). Het probleem is echter, zoals met name Berkeley opmerkte, dat we alleen via de secundaire kwaliteiten ook de primaire kwaliteiten kunnen ontdekken en dat de subjectiviteit van de eerste zich daarmee ook tot de tweede uitstrekt. Daarmee herhaalde Berkeley een inzicht dat al werd verwoord door de presocratische atomist Democritus, van wie het volgende fragment is overgeleverd uit een langere “dialoog van het verstand en de zintuigen”:


“Verstand: Volgens conventie is er zoet, volgens conventie bitter, volgens conventie kleur, maar in werkelijkheid zijn er alleen atomen en ruimte.
Zintuigen: Dwaas verstand! Wil je ons omverwerpen, terwijl jij je bewijs alleen uit ons kan halen?”


Het gevolg van de Cartesiaanse opsluiting in de “cirkel van het bewustzijn” was dan ook een algeheel skepticisme bij filosofen als Locke en Hume aangaande de buitenwereld, een wereld die achter de “sluier van de perceptie” verborgen gaat. Aldus Locke: “Woorden zijn tekens van de ideeën van de spreker, en niemand kan die tekens onmiddellijk toepassen op iets anders dan op de ideeën die hij zelf in zijn hoofd heeft.” De taal verloor z'n onproblematische referentiële binding met de veronderstelde “externe realiteit” en explodeerde bovendien in een onafzienbare pluraliteit van privé-talen (pace Wittgenstein), omdat míjn woorden alleen nog konden duiden op míjn ideeën in míjn hoofd – wat er in andere hoofden omgaat ligt dan principieel buiten het bereik van mijn taal. 

Met de huidige bubbelficatie van de samenleving dringt dit probleem vanuit de filosofie in alle hevigheid door in het maatschappelijke leven. Iedereen zit opgesloten in de ‘bubbel’ van het eigen bewustzijn, iedereen beleeft de wereld op z'n eigen unieke manier, niemand kan “in het hoofd van een ander kijken” om te ervaren wat de ander ervaart. Als er duizend mensen luisteren naar een uitvoering van een symfonie, dan horen geen twee mensen precies hetzelfde – in zekere zin worden er duizend verschillende versies van dezelfde symfonie uitgevoerd. Zo is het ook met ‘de wereld’ – iedereen ervaart de wereld op een unieke manier en in die zin zijn er evenveel werelden als dat er ervarende subjecten zijn. 

Wat dit probleem nu nog pregnanter maakt dan in de vroegmoderne tijd is dat wij in onze toestand van metafysische dakloosheid geen beroep meer kunnen doen op algemeen geaccepteerde, universele instanties – zoals God, de Rede of de Wetenschap – om de talloze bewustzijnsbubbels en hun privé-talen op elkaar en op de externe realiteit af te stemmen. Zo konden Descartes en Leibniz nog een beroep doen op God om deze afstemming te bewerkstelligen – Descartes met zijn rare cirkelredenering dat ons “heldere en welonderscheiden” idee van God aantoont dat God de objectieve waarheid van onze “heldere en welonderscheiden ideeën” garandeert, en Leibniz met zijn geloof in een door God “vooraf gevestigde harmonie” tussen onze prive-ideeën en de wereld. Bij Kant is de relatie met de buiten het bewustzijn gelegen werkelijkheid al niet meer te redden – het Ding-an-sich is onkenbaar geworden – maar tenminste zorgt de universeel-menselijke Rede er nog voor dat alle mensen in hun transcendentale constructie van de ervaringswereld overeenstemmen. Maar voor óns, na de “Dood van God”, is er geen universaliteit – geen God, geen Rede, geen gedeelde Mensheid – meer die kan bemiddelen in de botsing van de bewustzijnsbubbels en de verschillende privé-talen op elkaar kan laten aansluiten. De botsing is onbemiddeld geworden, een Hobbesiaanse bubbel-oorlog van allen tegen allen.

Iedereen zit opgesloten in het eigen bewustzijn, er zijn evenveel ‘werelden’ als dat er ervarende subjecten zijn. En toch – en dat is het mysterie – ontmoeten we elkaar in wat een gedeelde wereld lijkt te zijn, een wereld die op mysterieuze wijze 'vibreert' tussen tussen objectiviteit en subjectiviteit, tussen de eenheid van het gemeenschappelijke en de onafzienbare veelheid van de talloze privé-werelden. De ervaren wereld is enerzijds transsubjectief genoeg om communicatie tussen subjecten mogelijk te maken, maar tegelijk ook zo ongrijpbaar dat die communicatie niet tot consensus kan leiden en uitmondt in onafsluitbare discussies. In die zin kunnen we de stelling van Hannah Arendt begrijpen dat de publieke wereld als het “tussen” – als het gedeelde toneel waarop de intermenselijke ontmoeting kan plaatsvinden – problematisch is geworden, omdat mensen zich na de “Dood van God” in toenemende mate uit de gedeelde wereld en in hun privé-bewustzijn terugtrekken. De publieke ruimte, die volgens Arendt noodzakelijk is voor gezonde politiek, wordt zo onmogelijk:

“De wereld ligt tussen de mensen, en dit tussen [...] is tegenwoordig het onderwerp van de grootste bezorgdheid en de meest evidente consternatie in bijna alle landen op aarde. [D]e publieke ruimte heeft de verlichtende kracht, die oorspronkelijk tot haar essentie behoorde, verloren… Met elke terugtrekking uit de wereld vindt er een aantoonbaar verlies voor de wereld plaats; wat verloren gaat is het specifieke en meestal onvervangbare tussen dat zich zou moeten vormen tussen het individu en zijn medemensen.”

De armoede van het wetenschappelijk materialisme
Willen we in onze toestand van metafysische dakloosheid een verzoenend midden tussen Ik en Ander kunnen vinden, dan moeten we deze mysterieuze toestand van de wereld als het tussen – dat zich tússen de mensen bevindt, maar dat als zodanig ook vibreert tússen publieke objectiviteit en privé-subjectiviteit – ophelderen. Maar voordat we ons daaraan wagen moeten we heel duidelijk één mogelijke opheldering uitsluiten, namelijk de materialistische verklaring vanuit de natuurwetenschap. Vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief lijkt het volstrekt logisch dat we enerzijds ieder voor zich opgesloten zitten in onze bewustzijnsbubbels en anderzijds toch in een gedeelde werkelijkheid leven die onze bewustzijsbubbels op elkaar afstemt. Die gedeelde werkelijkheid is, vanuit natuurwetenschappelijk perspectief, de materiële – dwz. uit elementaire deeltjes en natuurwetten opgebouwde – werkelijkheid van het heelal, zoals de natuurkunde die beschrijft. In deze visie zijn mensen slechts materiële objecten in een overkoepelende materiële wereld: die gedeelde wereld prikkelt onze zintuigen en daarmee onze hersenen die deze prikkels verwerken tot bewuste ervaringen – ervaringen die dan van individu tot individu genoeg op elkaar lijken om onderlinge communicatie en samenwerking mogelijk te maken. 

Maar hoe eenvoudig en evident juist deze verklaring ook mag lijken, we mogen haar niet zomaar klakkeloos accepteren. Simpel gezegd heeft na de “Dood van God” ook “de Wetenschap” haar universele autoriteit verloren. Ook de wetenschap blijkt “maar een perspectief” te zijn, zij het een bijzonder nuttig en experimenteel bevestigd perspectief, maar dat geeft meteen ook het problematische ervan aan. De mathematisch-technologische wetenschap is onlosmakelijk verbonden met het moderne subjectcentrisme, waarvoor al het andere tot technologisch beheersbaar middel werd gereduceerd. Als zodanig heeft de wetenschap bijgedragen aan de onttovering van de wereld, waarbij alle waarde, betekenis en zintuiglijke kwaliteit door het subject uit de wereld werden ‘gezogen’. De wetenschap drukt zo een duidelijk subjectief belang uit – de beheersingsdrang van het moderne subject – en in die zin is de wetenschap allerminst neutraal en objectief. Juist als we een midden tussen autonomie en heteronomie willen vinden, kunnen we niet naïef op de mathematisch-technologische wetenschap vertrouwen, omdat juist daarin zich de – zowel cognitieve als technisch-praktische – autonomie van het subject articuleert.

Uit het experimentele succes van de wetenschap kunnen we dan ook niet tot de objectieve waarheid ervan concluderen. Experimenteel succes duidt slechts op het vermogen van de wetenschap om mathematische modellen te ontwikkelen die testbare voorspellingen doen (bijvoorbeeld dat in een bepaalde experimentele set-up een metertje uitslaat). Dat de experimenteel succesvolle modellen objectieve waarheid bezitten en de werkelijkheid an sich beschrijven, is dan een filosofische en dus bestrijdbare aanname (waar bijvoorbeeld het instrumentalisme in de wetenschapsfilosofie zich tegen verzet). De nog steeds onbesliste strijd om de juiste “interpretatie” van de kwantummechanica spreekt wat dit betreft boekdelen; het laat duidelijk zien dat experimenteel succes van een mathematics model niet zo heel veel zegt over de werkelijkheid an sich. Dit blijkt verder ook uit de nog altijd problematische relatie tussen kwantummechanica en relativiteitstheorie. 

Dat het natuurwetenschappelijke wereldbeeld onvolledig is, blijkt ten slotte ook hieruit dat het bewustzijn als zodanig daar niet in lijkt te passen (zie het zogenoemde “hard problem of consciousness”). De boven beschreven materialistische verklaring van onze ervaring van een gedeelde wereld, is dan ook eigenlijk gebaseerd op smokkelwaar, want het smokkelt het bewustzijn zelf mee naar binnen, aangezien het bewustzijn niet vanuit de materie verklaard kan worden. 


“Oorlog is de vader van alle dingen”

Toch is de conclusie dat in deze strijd elke universaliteit ten onder gaat niet 100 procent correct, omdat in zekere zin de strijd zelf – de botsing van de bubbels – als enige universaliteit overblijft. Anders gezegd: als alle perspectieven relatief zijn geworden, is het enige overgebleven absolute de strijd tussen de perspectieven. Dat is het enige wat alle perspectieven nog delen én wat hen tot louter perspectieven maakt, namelijk hun on-enigheid, hun onbemiddelde botsing. Omdat alle perspectieven elkaar constant onderuithalen, kan geen enkel perspectief zichzelf als dé Waarheid opwerpen en blijkt elk perspectief “slechts een perspectief” te zijn. Maar dé Waarheid is daarmee niet geheel uit zicht verdwenen, zij heeft zich slechts teruggetrokken in die on-enigheid zelf die als enige universele constante is overgebleven, de enige waarheid waarin alle perspectieven elkaar nog ‘vinden’. Kortom, willen we een verzoenend midden vinden tussen autonomie en heteronomie – om zo de mogelijkheid van kritisch denken en handelen open te houden en verzoening te brengen in de stellingenoorlog van Ik en Ander – dan moeten we dit midden zoeken in de oorlog zelf, in de onbemiddelde botsing van de bubbels, in wat zich tússen de bubbels voltrekt. 

Maar hoe kan in de oorlog zelf het verzoenende midden gevonden worden? Is dat niet een hopeloze paradox? Een sterk staaltje utopisch wensdenken? Net zo hopeloos en utopisch als de kortstondige “Kerstmisvrede” (Weihnachtsfrieden, Trêve de Noël) van 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen zowel Duitse als geallieerde soldaten spontaan hun loopgraven uitkwamen en het prikkeldraad overstaken om elkaar in het niemandsland van het slachtveld de hand te schudden en samen Kerst te vieren, waarbij er voedsel en drank werd gedeeld, kerstliederen werden gezongen en er zelfs een voetbalwedstrijd plaatsvond – om elkaar op 27 december gewoon weer kapot te schieten… 

Toch hebben we de sleutel tot dat verzoenende inzicht in het midden van de oorlog – het niemandsland tussen de loopgraven – boven al geformuleerd, namelijk dat het juist de onbeslisbare strijd tussen de perspectieven is die hen tot (louter) perspectieven maakt. Anders gezegd: de perspectieven hebben elkaar nodig om verschillende perspectieven te kunnen zijn. Het belang daarvan blijkt als we overschakelen van een epistemologisch naar een ontologisch register en bedenken dat elk perspectief ook een ontische identiteit is, een zelfopvatting van een wezen, een zelf-stelling (“Selbst-Setzung” aldus Fichte). In elk perspectief articuleert zich de “conatus” (Spinoza), de “wil tot macht” (Nietzsche), de “interesse” (Marx) van een zijnde dat in zijn zijn wil volharden. Dat perspectieven elkaar nodig hebben om verschillende perspectieven te kunnen zijn, betekent dus in feite dat zijnden elkaar nodig hebben om verschillende zijnden te kunnen zijn. Daarin manifesteert zich een universele dialectische wet, zoals paradigmatisch geformuleerd door Spinoza: Omnis determinatio est negatio, oftewel: elke bepaling is een negatie, oftewel: je kunt alleen aangeven wat iets is door aan te geven wat het niet is. 

Dat is de universele wet van de dialectiek die zich nu aandient in de onbemiddelde botsing der bubbels als enig overgebleven universaliteit: de zijnden zijn wat ze zijn door van elkaar te verschillen – en dat verschil manifesteert zich nu als on-enigheid, als de Hobbesiaanse bubbel-oorlog van allen tegen allen. De zijnden zijn wat zij zijn door hun onderlinge strijdigheid. En ook al dringt dat inzicht zich nu, in de huidige “post-truth world” met z'n onbemiddelde botsing der bubbels, in alle hevigheid aan ons op, het gaat in feite om een eeuwenoud inzicht dat we bijvoorbeeld ook al bij de presocraat Heraclitus aantreffen: “Oorlog is de vader van alle dingen.”


Tot slot: het verzoenende midden van de bokswedstrijd

Hoe moeten we nu, uitgaande van dit constitutieve belang van strijd tussen Ik en Ander, vorm geven aan het gezochte verzoenende midden tussen autonomie en heteronomie? Hier dringt zich het beeld op van de bokser die zijn tegenstander nodig heeft om zichzelf als bokser te kunnen realiseren. Het geweld dat tussen beiden plaatsvindt, is hun oerdistantiatie als verschillende wezens. Het Tussen is hier, zogezegd, ‘slagveld’ en ‘geboorteplek’ van Ik en Ander ineen. Tegelijk hebben beiden er alle belang bij om het transcendentale geweld niet zodanig te laten escaleren dat de één de ander doodslaat, want zonder elkaar zijn zij niets. 

Het beste wat een bokser kan doen is juist zijn tegenstander zo sterk mogelijk maken, want alleen zo kan hij ook het beste uit zichzelf halen. De vrije zelfrealisatie van de één en de intrinsieke waarde van de ander zijn hier precies in evenwicht. Is dit niet hoe we het verzoenende midden tussen autonomie en heteronomie moeten realiseren? Als sportieve ‘boksers’ in relatie tot elkaar en tot de ons omringende wereld?