Showing posts with label anarchisme. Show all posts
Showing posts with label anarchisme. Show all posts

Anarchy in the NL... Right now!

In het licht van het zoveelste schandaal rond machtsmisbruik – deze keer de tirannie van Matthijs van Nieuwkerk bij De Wereld Draait Door – kunnen we het anarchistische wantrouwen tegenover hiërarchische macht alleen maar hartgrondig beamen. Hierin ligt de blijvende waarde van het anarchisme, voor onze tijd en voor de toekomst! 


De schandalen rond machtsmisbruik stapelen zich inmiddels op: zie de vele schandalen in de nasleep van de MeToo-beweging, in de Katholieke Kerk, de superrijke elite (Jeffrey Epstein, prince Andrew), Hollywood (Harvey Weinstein), televisie (DWDD, The Voice of Holland), de sportwereld, de werkvloer, de jeugdzorg, de danswereld, de Tweede Kamer (Khadija Arib), het Europarlement… Deze schandalen maken keer op keer duidelijk dat het fout gaat als mensen afhankelijk zijn van anderen die machtiger zijn dan zij. Hiërarchische machtsrelaties corrumperen, dat weten we allemaal. 


En daarom, zegt het anarchisme, moet hiërarchische macht altijd worden afgebroken, afgekraakt, bekritiseerd, ondermijnd en uiteindelijk vervangen door 100% horizontale relaties van wederzijdse instemming. Macht, zoals Noam Chomsky uitlegt, moet constant democratisch gecontroleerd en gelegitimeerd worden: “The burden of proof for any exercise of authority is always on the person exercising it – invariably… And if they can’t justify it, it’s illegitimate and should be dismantled. To tell you the truth, I don’t understand anarchism as being much more than that.”


De maatschappij als hiërarchische machtspiramide moet daarom afgeplat worden tot een egalitaire pannenkoekmaatschappij, waar iedereen zoveel als mogelijk op hetzelfde machtsniveau staat, waar elke stem even zwaar telt. En waar dat niet kan, waar afhankelijkheidsrelaties onvermijdelijk zijn (bijvoorbeeld in ouder-kind-relaties en de zorg), daar moeten ingebouwde controles en institutionele mechanismen garanderen dat machtsmisbruik onmogelijk is. Anarchisme gaat dus níet over stenen gooien naar de politie en ‘dat iedereen lekker kan doen waar hij of zij zin in heeft’. Dat is een storende, gemakzuchtige simplificatie. Aldus Noam Chomsky: “Anarchy as a social philosophy has never meant “chaos” – in fact, anarchists have typically believed in a highly organized society, just one that’s organized democratically from below.”


Anarchisme, kortom, gaat in de kern over het zo ver als mogelijk democratiseren van de samenleving. Aldus de onvolprezen Edward Abbey: “Anarchism is democracy taken seriously.”




Vechten voor vrijheid: Het eclectische zootje van de antiglobalisten

Verschenen in: Groene Amsterdammer, nr. 32, 2001.

Volgens de NRC zijn de anti-globalisten van Genua slechts «een eclectisch zootje zonder samenhangend programma». Ze zouden geen positieve boodschap hebben. Niets is minder waar.

De zogenoemde anti-globalisten halen vooral het nieuws vanwege het geweld dat steevast hun protesten tegen de neoliberale wereldorde begeleidt, van de WTO-top in Seattle 1999 tot en met de recente G8-top in Genua. Dat is jammer omdat het de aandacht afleidt van waar het eigenlijk om zou moeten gaan: de boodschap van het protest. Nu de traangasdampen zijn opgetrokken, is het meer dan nodig om inhoudelijk op het anti-globalisme in te gaan, zonder de helaas gangbare fixatie van de sensatiebeluste media op de zeer kleine groep van gewelddadige anarchisten. Laten we ons vooral richten op vragen als: waar is het protest van de anti-globalisten tegen gericht? Wat zijn hun argumenten? Zijn deze correct? Wat zijn hun idealen?

Het is met name in dit verband dat kritiek op het anti-globalisme valt te beluisteren, afgezien van de obligate veroordeling van geweld. Het is duidelijk waar de anti-globalisten tegen zijn, zeggen de meeste critici, namelijk tegen het mondiale kapitalisme dat het streven naar winst laat prevaleren boven respect voor mens en natuur. Wellicht zal men de anti-globalisten nageven dat ze daarin een punt hebben: vooral in Europa groeit de overtuiging dat het neoliberale geloof in de vrije markt te ver is doorgeschoten. Maar waar de anti-globalisten voor zijn, blijft onduidelijk: hun wordt verweten geen positieve boodschap te hebben. Zij zouden slechts «een eclectisch zootje zonder samenhangend programma» zijn (NRC, 21 juli). De beweging blijft een losse verzameling van NGO’s, belangengroepen en radicale politieke stromingen die slechts ver enigd zijn in hun verzet tegen het mondiale kapitalisme. De anti-globalisten bieden geen alternatief voor wat Bush Sr. de Nieuwe Wereldorde van het neoliberalisme noemde; zij bieden geen visie, geen uitzicht op een Nog Nieuwere Wereldorde. Daarom zou hun protest een gratuite geste blijven, ijdele woorden zonder praktische gevolgen.

Dit anti-globalistische gebrek aan visie schraagt het zogeheten Tina-argument — There Is No Alternative —, een van de argumenten waarmee de neoliberale globalisering van de vrije markt wordt verdedigd. Als je economisch wilt overleven, zo luidt de redenering, dan is er geen alternatief voor de vrije markt, voor het liberaliseren van de economie en het privatiseren van staatsbedrijven. «Globalisering is als een golf die onvermijdelijk over ons heen komt.» (Een Shell-woordvoerder in Trouw, 21 juli.)

Nadere beschouwing van het anti-globalistische protest leert echter dat deze kritiek haar doel niet raakt. Niet omdat zij onjuist is: het ontbreekt de anti-globalisten inderdaad aan een bindend, algemeen en samenhangend programma dat als alternatief voor de neoliberale wereldorde kan dienen. Waar de kritiek faalt, is dat zij dit gebrek als een zwakte ziet, terwijl het juist een van de sterke punten van de anti-globalisten is. Ook de beweging zelf ervaart het pluralistische karakter als uitermate waardevol. Immers, wat de anti-globalisten bindt, is de angst dat de vrijheid van lokale gemeenschappen steeds meer onder druk komt te staan, de economische en politieke druk die in naam van de vrije markt wordt uitgeoefend door mondiale organisaties als het WTO, het IMF en multinationals als Shell, Nike en Microsoft.

Zo omvat de anti-globaliseringsbeweging veel NGO’s, zoals het International Forum on Globalisation, de Globalisation Observatory en de Global Trade Watch, die in het mondiale kapitalisme een bedreiging zien voor democratie en arbeidersrechten. De Conféderation Paysanne van José Bové, een van de voormannen van het anti-globalisme, pleit voor een vorm van landbouw die — in tegenstelling tot de aan de vrije markt onderworpen landbouw — bescherming biedt aan lokale gemeenschappen en hun natuurlijke omgeving. De zogenoemde adbusters (die bestaande reclame-uitingen vervormen om deze een nieuwe, kritische betekenis te geven) en de Reclaim-the-Streets-groepen (die via ludieke feesten de straten tijdelijk willen heroveren op verkeer en commercie) richten zich met name tegen het verlies van de publieke ruimte door commercialisering en privatisering. Hun acties zijn mede ingegeven door de angst dat individuele burgers steeds minder te zeggen hebben over het aangezicht van hun alledaagse omgeving, terwijl multinationals deze omgeving wel ongestraft mogen volhangen met metershoge reclameborden. Ten slotte geeft het anti-globalistische protest ook uiting aan een zekere claustrofobie, de angst ingesloten te zijn door een systeem dat elk origineel en kritisch tegengeluid onmiddellijk onschadelijk kan maken door het in zich op te nemen en er geldelijk gewin uit te slaan, een lot dat nagenoeg alle van origine kritische tegen bewe gingen ten deel is gevallen — van de arbei dersbeweging tot en met de punk.

Misschien is deze culturele claustrofobie een van de belangrijkste voedingsbodems van het geweld dat steevast het anti-globalistische protest begeleidt. Alsof de gebivakmutste anarchisten willen zeggen: probeer dit maar eens te vercommercialiseren, de stenen waarmee ik de ruiten van deze McDonald’s ingooi en de loden pijp waarmee ik op deze agenten insla. Alsof geweld voor hen de enige manier is om te ontsnappen aan de assimilerende kracht van het kapitalisme. Dat is natuurlijk geen rechtvaardiging, maar maakt het geweld misschien wel iets begrijpelijker. Het is in ieder geval te simpel om, zoals premier Kok deed, het geweld af te doen als niets dan «georganiseerd rotzooi trappen».

Positief geformuleerd, kortom, is het de anti-globalisten te doen om de bescherming van lokale autonomie, de vrijheid van lokale gemeenschappen om hun eigen leven te leiden, hun eigen arbeidsomstandigheden te bepalen, hun eigen omgeving in te richten, los van de politieke en economische dwang van de vrije markt en instituties als het WTO. Het is daarom onjuist om het anti-globalistische verzet af te doen als louter een uiting van de Jihad vs. McWorld, zoals het verlangen naar zekerheid en geborgenheid tegenover de ontwortelende dynamiek van het mondiale kapitalisme in navolging van het boek van Benjamin Barber wordt genoemd.

«Het probleem van de mondialisering is in wezen het probleem van de menselijke psyche», zo stelt Arie Elshout in een pseudo-psychologische verklaring van het anti-globalisme. «Het heeft allemaal te maken met de tegenstelling in de mens tussen zijn drang naar vrijheid en zijn behoefte aan zekerheid en geborgenheid. De vrije markt wordt toegejuicht zolang we ervan profiteren. Dan betuigen we ons geloof in persoonlijke autonomie en willen we zo min mogelijk bemoeienis van de overheid. Zodra echter tegenwind opsteekt, de baan in gevaar komt, wordt de staat op slag weer omarmd als het instituut dat de kwetsbare burger moet beschermen tegen de risico’s van het vrije leven.» (de Volkskrant, 21 juli.) Alsof de anti-globalisten worden gedreven door een burgerlijke bezorgdheid om materiële zekerheid!

De meeste anti-globalisten, die grotendeels afkomstig zijn uit de welvarende middenklasse, begonnen hun protest eind jaren negentig, toen de groei van de vrijemarkteconomie op zijn hoogtepunt was. In materieel opzicht hadden de anti-globalisten weinig tot niets te winnen, veeleer een hoop te verliezen. Het is dus geenszins zo dat zij materiële zekerheid verkiezen boven vrijheid, zoals Elshout beweert, integendeel: ze offeren een deel van hun materiële zekerheid op om te kunnen vechten voor vrijheid — vrijheid van de dwang van de vrije markt. Analyses als die van Elshout trivialiseren het anti-globalisme. Het is bovendien niet het verlangen naar vrijheid, maar juist het burgerlijke verlangen naar materiële zekerheid, de idee-fixe dat je geen menswaardig leven kunt leiden als je niet kunt meekomen op de vrije markt, waar het kapitalisme van leeft. Want o jee, wat moet er van ons terechtkomen zonder nette kleding, eigen huis, tweede auto en drie busvakanties per jaar. Het is deze bekrompenheid van de electoraal zo belangrijke middenklasse, haar «vlucht voor vrijheid» (Erich Fromm), die ingrijpende politieke veranderingen tegenhoudt.

Omdat vrijheid de inzet van de anti-globalisten is, mag het niet verwonderen dat zij geen algemeen en samenhangend politiek programma hebben, een wereldomvattend politiek systeem dat kan dienen als alternatief voor de neoliberale wereldorde. Met zo'n algemeen geldend programma zouden zij immers hun diepste drijfveer verloochenen: het respecteren van lokale autonomie, het vrij laten van lokale gemeenschappen om zelf hun leven te leiden, zonder enige top-down-dwang van welke mondiale institutie dan ook. Het gebrek aan een omvattende politieke visie is dus geen zwakheid van het anti- globalisme, een zwakheid die door wat extra denkwerk en discussie binnen de anti-globaliseringsbeweging verholpen kan worden. Dit pluralisme is een logisch gevolg van het anti-globalisme als zodanig.

Met hun pluralisme geven de anti-globalisten aan geleerd te hebben van de politieke dwalingen uit de voorafgaande eeuw. Van het feit dat Grote Verhalen als het communisme, nationalisme en liberalisme zonder uitzondering tot totalitaire verschrikkingen hebben geleid, van Auschwitz en stalinisme tot en met de miljoenen aidsdoden die geofferd zijn aan het winststreven van de farmaceutische industrie. Het zijn vooral postmoderne filosofen geweest, zoals Michel Foucault en Jean-François Lyotard, die de logica van het totalitarisme hebben blootgelegd: door uit te gaan van de universele geldigheid van één politieke orde moesten de Grote Verhalen wel leiden tot onderdrukking van de reële diversiteit aan gemeenschapsvormen. De postmodernen pleitten dan ook voor ideologische openheid in plaats van een dichtgetimmerde ideologie. De anti-globalisten hebben deze les van het postmodernisme goed in zich opgenomen.

Het Tina-argument van de neoliberalen is in bepaald opzicht correct: er is niet één alternatief voor de neoliberale wereldorde. Maar niet in de zin die de neoliberalen er zelf aan toekennen, namelijk dat hun Nieuwe Wereldorde onvermijdelijk is. Het is correct in die zin dat er niet één, maar diverse alternatieven zijn, in de vorm van de vele alternatieve gemeenschapsvormen die de wereld rijk is en die door de neoliberale globalisering in hun voortbestaan worden bedreigd.

Bovendien gaat het Tina-argument mank aan een zekere circulariteit: economische overleving vereist inderdaad overgave aan de vrije markt, maar alleen wanneer de vrije markt the only game in town is. In een economie die anders functioneert, een waarin de vrije markt niet het alles bepalende principe is, is liberalisering geenszins een vereiste voor economische welvaart. Hoe zo'n alternatieve economie eruit moet zien, hoe een niet-kapitalistische wereld geordend moet worden, is niet aan de anti-globalisten om te bepalen, maar aan iedereen die op deze wereld leeft, elke gemeenschap op haar eigen manier. Dat is de vrijheid waar de anti-globalisten naar streven. Hun rol kan slechts zijn om voor deze vrijheid ruimte te maken door zich tegen de neoliberale wereldorde te verzetten.

Dit alles neemt niet weg dat het anti-globalistisch «gebrek» aan visie op een ander vlak wel een zwakheid betekent, namelijk op het vlak van de Realpolitik. Om een politieke vuist te kunnen maken moet de beweging als eenheid optreden, hetgeen een breed gedeelde visie op een betere wereldorde lijkt te vereisen. De anti-globalisten lijden daarmee aan het klassieke probleem van alle anarchisten: ze zijn tegen hiërarchie en centralisme, maar hebben wel een centrale leiding nodig om als politieke macht te kunnen overleven. Dat is de les van de Spaanse burgeroorlog, waar de anarchisten wegens een welbewust gebrek aan centrale organisatie geen weerstand konden bieden tegen de strak hiërarchisch georganiseerde fascisten. Het is te hopen dat het negatieve moment, het gedeelde verzet tegen de neoliberale wereldorde, voldoende is om de anti-globalisten samen te binden tot een politieke factor van betekenis.





Poetin, Buber en de noodzaak van dialoog

Een derde weg tussen individualisme en collectivisme Verschenen in: De Helling, zomer 2022. In 1923 verscheen Ich und Du van Martin Buber. We moeten dus nog even wachten op het honderdjarig jubileum van dit korte filosofische meesterwerk. Toch is het van belang nu al deze tekst ter harte te nemen. In het licht van de ‘bubbelficatie’ van de samenleving – waarbij iedereen zich terugtrekt in de bubbel van het eigen gelijk – biedt het dialogische denken van Buber de kans om radicaal anders met elkaar om te gaan én om kritisch te kijken naar de door kapitalisme en digitalisering voortgedreven wereld. 


Volgens de Joods-Oostenrijkse filosoof en anarchist Buber (1878-1965) betekent menselijkheid wezenlijk mede-menselijkheid. Alleen door de dialoog, door volledig open te staan voor anderen in al hun andersheid, door ons aan te laten spreken en vanuit ons hart te antwoorden, worden we échte mensen. De “gehele mens”, aldus Buber, is “de mens mét de mens”, de dialogische mens. “Ik word mijzelf via jou”, zegt Buber, en: “Alle echte leven is ontmoeting.”

Kijken we vanuit Bubers dialogische filosofie naar onze tijd – het tijdperk van de bubbels – dan moeten we concluderen dat onze (mede-)menselijkheid onder druk staat. Iedereen zit in de eigen bubbel: de Russen en het Westen, de ‘complotwappies’ en de ‘sheeple’, links en rechts, de Israëli’s en de Palestijnen, de ‘klimaatwappies’ en de ‘klimaatontkenners’, de haves en de have-nots – iedereen zit in z’n eigen informatiebubbel, wereldbeeld, comfortzone, getto of gated community. Echte dialoog, dwars door bubbelwanden heen, vindt zelden plaats. Onze bubbels zijn echokamers waarin alleen het eigen gelijk weerklinkt. 

En daarmee boeten we aan medemenselijkheid in: de onmenselijkheid van Poetins oorlog getuigt daarvan. Maar ook los van deze oorlog zien we de ontmenselijking om ons heen: online scheldpartijen, psychotische complottheorieën, doodsbedreigingen, de behandeling van migranten, de verharding van het publieke debat op sociale media en in de Tweede Kamer – het zijn symptomen van een tekort aan medemenselijkheid.


De neoliberale schuim-samenleving
Vragen we naar de onderliggende oorzaak van dit tekort, dan komen we volgens Buber uit bij het kapitalisme. Bubers anarchisme en kapitalismekritiek volgen naadloos uit zijn dialogische filosofie. Omdat we alleen dankzij elkaar echt mens worden, en omdat in de dialoog elke stem even zwaar moet tellen, is alleen een solidaire, absoluut democratische en anti-autoritaire samenleving volgens Buber een echt menselijke samenleving. 

Als aanhanger van het utopisch Zionisme hoopte hij dit ideaal te kunnen verwerkelijken in het commune-leven van de kibboets in een seculiere en gedeelde Joods-Palestijnse staat – een ideaal waarvan hij later moest toegeven dat het hopeloos was mislukt. Ook in het door Amerika gesponsorde Israël bleek de kapitalistische werkelijkheid een stuk weerbarstiger dan hij had gehoopt, naast het feit dat het Zionisme zich in een meer exclusivistische richting had ontwikkeld.

In het kapitalisme heerst niet de dialogische “Ik-Jij-relatie”, aldus Buber, maar de instrumentele “Ik-Het-relatie”, waarin we de ander reduceren tot exploiteerbaar ‘ding’. De ander verschijnt niet primair als medemens maar als concurrent, als klant, als baas of als bron van arbeid. “Heeft niet de ontwikkeling van de moderne wijze van arbeid en privaat-bezit bijna elk spoor [...] van de betekenisvolle Relatie vernietigt?”, zo vroeg Buber zich in 1923 al vertwijfeld af, doelend op de kapitalistische wereldorde die toen nog in de kinderschoenen stond. 

Hoewel geen fan van het staatscommunisme van Marx – als anarchist had Buber geen vertrouwen in een van bovenaf opgelegde “dictatuur van het proletariaat” – deelde hij wél Marx’ analyse dat het kapitalisme de onstuitbare neiging heeft om traditionele gemeenschapsbanden af te breken en te vervangen door louter financiële relaties tussen ‘marktspelers’, die ook nog eens radicaal ongelijk in economische macht zijn. Het kapitalisme heeft “geen andere band tussen de mensen overgelaten dan die van het naakte profijt, van de hardvochtige ‘contante betaling’”, zo schreven Marx en Engels al in hun Communistisch Manifest (1848).

Daarin ligt de individualiserende tendens van het kapitalisme, dat ons van sociale wezens transformeert in losstaande individuen, die alleen nog vanuit financieel eigenbelang met elkaar in contact treden. In de neoliberale globalisering van de jaren negentig kwam deze tendens tot een hoogtepunt, ingeluid door de uitspraak van Margaret Thatcher, de ‘Iron Lady’ van het neoliberalisme: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen.”

Met het neoliberale individualisme en de voortschrijdende digitalisering nam de bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aan. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving, raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. Zo verwordt de moderne, geïndividualiseerde samenleving tot “schuim” (zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zegt), een amorfe en losse samenhang van privé-bubbels.


Poetins brein: Aleksandr Doegin

Tot op zekere hoogte kan Poetins aanval op Oekraïne begrepen worden als een tegenaanval op deze individualiserende tendens van het kapitalisme. Het liberale individualisme van het Westen is failliet, zegt Poetin, terwijl hij zijn reactionaire nationalisme daartegenover plaatst. Zo stelt Poetins oorlog ons niet alleen voor een militaire uitdaging, maar ook voor een ideologische en zelfs filosofische.

We kunnen Poetins totalitaire collectivisme, waar het individu volledig ondergeschikt wordt gemaakt aan een gemilitariseerde nationalisme, niet sterk genoeg verwerpen – dat is duidelijk. Maar tegelijk moeten we ook toegeven dat het westerse liberale individualisme failliet is. Het heeft ons egoïstisch gemaakt, ons vervreemd van elkaar en van onszelf, ons opgesloten in privé-bubbels en gereduceerd tot producerende en consumerende schakeltjes in de geldmachine van de geglobaliseerde economie – een machine waarin financiële belangen centraal staan, niet de werkelijke belangen van mensen en de natuur.

Om Poetins aanval op het westers individualisme én de verwerpelijkheid van zijn Russisch hypernationalisme beter te kunnen begrijpen, loont het om in te gaan op de controversiële ideeën van de Russische filosoof Aleksandr Doegin, die veel invloed heeft op de kring rond Poetin. Volgens Doegin, ook wel “Poetins brein” genoemd, is het westerse liberalisme een tegennatuurlijke ideologie die met een vals universalisme aan de rest van de wereld wordt opgedrongen.

Het liberalisme is tegennatuurlijk, aldus Doegin, omdat het uitgaat van de fictie van het autonome individu dat in principe losstaat van alle sociale en natuurlijke verbanden. Thatchers beruchte uitspraak wordt door Doegin omgedraaid: “Er is niet zoiets als individualiteit, er zijn alleen samenlevingen.” Daarmee huldigt hij de collectivistische opvatting dat mensen zich alleen in voorafgegeven sociale verbanden kunnen ontwikkelen en dus altijd relatief zijn aan een volk, cultuur en traditie. Er zijn geen losstaande individuen voor Doegin, er zijn alleen Chinezen, Russen, Amerikanen, Joden, Fransen, Arabieren, etc. 

Doegin aarzelt niet om het liberalisme “kwaadaardig” te noemen: het verminkt mensen door ze af te snijden van de etnisch-culturele grond waarin zij geworteld zijn. In die zin is het liberalisme volgens hem depersonaliserend en vervreemdend. Deze liberale verminking is des te kwaadaardiger, aldus Doegin, omdat achter de liberale ideologie uiteindelijk een plat kapitalistisch eigenbelang schuilgaat. Al het westerse gemoraliseer over democratie, individuele vrijheid en mensenrechten kan niet verhullen dat de neoliberale globalisering vooral de economische belangen van westerse landen en aandeelhouders dient. Het westerse vertoog over de gelijkheid van alle individuen blijft louter politiek en dus hypocriet: het strekt zich niet uit tot de economie, waar juist de ongelijkheid steeds grotere vormen aanneemt. 


Collectivisme en macht
Doegins kritiek op het liberalisme bevat een kern van waarheid. Maar wat Doegin ervoor in de plaats zet, een fascistische ideologie van etnisch-culturele gebondenheid, is vele malen erger: het sluit mensen op in de eenheid van de etnisch-culturele gemeenschap waarin zij toevallig geboren zijn. En daarbinnen is geen plek voor radicaal afwijkende meningen of identiteiten. Ben je homo of zwart of vrouw maar wordt homoseksualiteit, zwartheid of vrouwelijkheid in jouw gemeenschap als iets minderwaardigs gezien? Pech gehad, leg je er maar bij neer, want buiten je gemeenschap ben je niets. 

Wat Doegin voor het gemak buiten beschouwing laat – en waar de anarchist Buber zich scherp bewust van was – is het feit dat etnisch-culturele eenheden geen natuurlijke of ‘door God gegeven’ collectieven zijn maar altijd veranderende sociale constructies die historisch ontstaan uit de dynamische machtsverhoudingen tussen mensen. De heersende normen binnen een bepaalde cultuur zijn niet zelden ook de normen van de heersende groep (zoals Marx zei: “de heersende ideeën zijn de ideeën van de heersende klasse”). Patriarchale culturen, bijvoorbeeld, codificeren de macht van mannen over vrouwen. Etnocentrische culturen codificeren racistische machtsverhoudingen. Antropocentrische culturen codificeren de macht van de mens over de natuur.

Cultuur is in die zin nooit neutraal maar altijd een uiting van macht van de één over de ander. Dit geldt uiteraard ook – en ik zou zelfs willen zeggen: bij uitstek – voor de door Doegin verheerlijkte “Russische ziel” waarachter het platte machtsstreven van Poetin en zijn kleptocratische kliek schuilgaat. Doegins kritiek op het westers imperialisme druipt van de hypocrisie, want in één adem door rechtvaardigt hij het Russisch imperialisme. Doegin pleit al jaren voor de Russische annexatie van Oekraïne, die volgens hem historisch gezien bij Rusland hoort en door het Westen is ‘gekaapt’. 

Dat de Oekraïners inmiddels een eigen nationale cultuur hebben en met de Maidan-revolutie van 2014 duidelijk hebben laten zien dat zij niet bij Rusland maar bij Europa willen horen, daar heeft Doegin geen boodschap aan. Daar houdt zijn respect voor de culturele eigenheid van gemeenschappen blijkbaar op. Het geweld van de Russische aanval op Oekraïne laat het ware gezicht zien van Doegins sociaal holisme: het is autoritair imperialisme, overgoten met een sociaal-filosofisch sausje. 

Daarbij is zijn kapitalismekritiek ook nog eens eenzijdig gericht op het Westen. Russische oligarchen en de groeiende private rijkdom en publieke armoede in Rusland en andere niet-liberale staten blijven opvallend genoeg buiten schot.


Bubers derde weg
Dit is de ideologische uitdaging waar Poetins oorlog ons voor stelt: enerzijds moeten we een antwoord vinden op de terechte kritiek op het liberale individualisme, anderzijds moeten we een overtuigend antwoord zien te vinden op de verleiding van het collectivisme - nationalistisch of anderszins. Ook hierbij kan Bubers dialogische filosofie ons van dienst zijn. 

Als Oostenrijkse Jood en voorvechter van een gedeelde Joods-Palestijnse staat was Buber zich pijnlijk bewust van de spanning tussen individu en groep en van de vitale noodzaak om hierin een derde positie te vinden, voorbij de tegenstelling van individualisme en collectivisme.

Buber: “Waar het individualisme slechts een deel van de mens begrijpt, daar begrijpt het collectivisme de mens slechts als onderdeel van het maatschappelijke geheel: tot de heelheid van de mens, tot de mens als geheel dringen beiden niet door. Het individualisme ziet de mens slechts in relatie tot zichzelf, maar het collectivisme ziet de mens überhaupt niet, het ziet slechts de ‘maatschappij’. Hier is het gelaat van de mens vervormd, daar is het verborgen.”

Vanuit het dialogische perspectief van Buber kunnen we tegen Doegin inbrengen dat mensen zich weliswaar via sociale relaties tot personen ontwikkelen, maar dat het daarbij juist gaat om sociale relaties die ‘grensoverschrijdend’ zijn. Dat wil zeggen: échte dialoog gaat over grenzen heen – landsgrenzen, bubbelgrenzen, etnisch-culturele grenzen, taalgrenzen, politieke grenzen, gender-grenzen en zelfs de grenzen tussen mens en natuur. Dialoog vereist dat we ons volledig openstellen voor de ander in al diens andersheid. En dat lukt niet als we onszelf opsluiten – of laten opsluiten – in de dwingende eenheid van een collectief. 

Dialoog is alleen mogelijk voor zover de gesprekspartners van elkaar verschillen en dus van elkaar kunnen leren; anders zou er geen reden tot informatieoverdracht zijn. Meer menselijk gezegd: elke echte dialoog is wezenlijk onvoorspelbaar, onbepaald, open, creatief, verrassend – zodra de één van te voren weet wat de ander gaat zeggen, is er geen dialoog meer. Daarom is dialoog onmogelijk binnen een groep waar onderling verschil onderdrukt wordt. Communicatie is dan eerder een soort ‘collectieve monoloog’ waar weliswaar meerdere mensen bij betrokken zijn maar waar het eigenlijk de collectieve identiteit is die met zichzelf spreekt.

Kortom, het gedachtegoed van Buber stelt dat mensen alleen door hun sociale relaties tot volwaardige personen worden maar staat haaks op Doegins stelling dat dit proces alleen binnen een collectieve identiteit mogelijk is. Sterker nog: persoonswording is een dialogisch proces dat dwars door alle bubbelwanden heen breekt. In de dialoog laten we ons aanspreken door de ander in al diens radicale andersheid: zo blaast de dialoog elke collectieve identiteit op. 

Wat overigens niet wil zeggen dat ze elke vorm van gemeenschap opblaast. De dialogische zijnswijze vestigt juist échte gemeenschap, aldus Buber. Geen gemeenschap die van bovenaf, door de heersende machten, wordt opgelegd, maar een medemenselijke gemeenschap die vanzelf en van onderaf, uit de oprechte dialoog tussen mensen, ontstaat. Een dialogische gemeenschap die gebaseerd is op de erkenning van wederzijdse afhankelijkheid én respect voor elkaars andersheid. 

Persoonlijk hoop ik van harte dat 2023 in filosofisch, politiek en maatschappelijk opzicht een echt Buber-jaar wordt.









Breek uit je bubbel met Martin Buber

Verschenen in: Joop BNNVARA, 15-4-2022

 

In het licht van de huidige 'bubbelficatie' van de samenleving – waar iedereen zich terugtrekt in de bubbel van het eigen gelijk – biedt de dialogische filosofie van Martin Buber de mogelijkheid om radicaal anders met elkaar om te gaan.


Volgens de Joods-Oostenrijkse filosoof en anarchist Buber (1878-1965) betekent menselijkheid wezenlijk mede-menselijkheid. Alleen door de dialoog aan te gaan, door volledig open te staan voor anderen in al hun andersheid, door ons aan te laten spreken en vanuit ons hart te antwoorden, worden we échte mensen. De “gehele mens”, aldus Buber, is “de mens mét de mens”, de dialogische mens. “Ik word mijzelf via jou”, zegt Buber, en: “Alle echte leven is ontmoeting.”


Kijken we vanuit Bubers dialogische filosofie naar onze tijd – het bubbel-tijdperk – dan moeten we concluderen dat onze (mede-)menselijkheid flink onder druk staat. De Russen en het Westen, de ‘complotwappies’ en de ‘sheeple’, links en rechts, de Israëli’s en de Palestijnen, de ‘klimaatwappies’ en de ‘klimaatontkenners’, de haves en de have-nots – iedereen zit in z’n eigen informatiebubbel, wereldbeeld, comfortzone, getto of gated community. Echte dialoog, dwars door bubbelwanden heen, vindt nog maar zelden plaats. Onze bubbels zijn echokamers waarin alleen het eigen gelijk weerklinkt. 


En daarmee boeten we aan medemenselijkheid in: de onmenselijkheid van Poetins oorlog getuigt daarvan. Ook los van deze oorlog zien we de ontmenselijking om ons heen: online scheldpartijen, psychotische complottheorieën, de hardvochtige behandeling van migranten en vluchtelingen, doodsbedreigingen, de verharding van het publieke debat op sociale media en in de Tweede Kamer – het zijn allemaal symptomen van een medemenselijke tekort.


De neoliberale schuim-samenleving

Vragen we naar de onderliggende oorzaak van dit tekort, dan komen we volgens de anarchist Buber uit bij het kapitalisme. Bubers anarchisme en kapitalismekritiek volgen naadloos uit zijn dialogische filosofie. Omdat we alleen dankzij elkaar echt mens worden, en omdat in de dialoog elke stem even zwaar moet tellen, is alleen een solidaire, absoluut democratische en anti-autoritaire samenleving volgens Buber een echt menselijke samenleving. 


In het kapitalisme heerst niet de dialogische “Ik-Jij-relatie”, aldus Buber, maar de instrumentele “Ik-Het-relatie”, waarin we de ander reduceren tot exploiteerbaar ‘ding’. De ander verschijnt niet als medemens maar als concurrent, als klant, als baas of als bron van arbeid. “Heeft niet de ontwikkeling van de moderne wijze van arbeid en privé-bezit bijna elk spoor [...] van de betekenisvolle Ontmoeting vernietigt?”, zo vroeg Buber zich al in 1923 vertwijfeld af, doelend op de kapitalistische wereldorde die toen nog maar in de kinderschoenen stond. 


Hoewel geen fan van het staatscommunisme van Marx – als anarchist had Buber geen fiducie in een van bovenaf opgelegde “dictatuur van het proletariaat” – deelde hij wél Marx’ analyse dat het kapitalisme de onstuitbare neiging heeft om traditionele gemeenschapsbanden af te breken en te vervangen door louter financiële relaties tussen ‘marktspelers’, die ook nog eens radicaal ongelijk in economische macht zijn. Het kapitalisme heeft “geen andere band tussen de mensen overgelaten dan die van het naakte profijt, van de hardvochtige ‘contante betaling’”, zo schreven Marx en Engels in hun Communistisch Manifest (1848).


Daarin ligt de individualiserende tendens van het kapitalisme, dat ons van sociale wezens transformeert in losstaande individuen, die alleen nog vanuit financiële belangen met elkaar in contact treden. In de neoliberale globalisering van de jaren ‘90 kwam deze tendens tot een hoogtepunt, ingeluid door de beruchte uitspraak van Margaret Thatcher, de ‘Iron Lady’ van het neoliberalisme: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen.” 


Met het neoliberale individualisme nam de bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aan. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. Zo verwordt de geïndividualiseerde samenleving tot “schuim” (zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk treffend zegt), een amorfe en losse samenhang van privé-bubbels. 


Voorbij individualisme én conservatisme

Voor Buber betekent deze doorgeslagen individualisering dat onze menselijkheid in het gedrang komt. Daarmee komt Buber in de buurt van het conservatisme dat in Nederland wordt uitgedragen door politici en filosofen als Baudet en diens leermeester Cliteur, al zijn de verschillen tussen Buber en het conservatisme uiteindelijk groter dan de overeenkomsten. Bubers anarchistische filosofie van de dialoog vormt een derde weg voorbij de tegenstelling van individualisme en conservatisme.

 

Het conservatisme – en het Russisch nationalisme van Poetin is daar een extreem voorbeeld van – stelt dat mensen zich alleen in vooraf gegeven gemeenschappen tot personen kunnen ontwikkelen en dus altijd relatief zijn aan een volk, cultuur of traditie. Het conservatisme draait als het ware de beruchte uitspraak van Thatcher om: “Er is niet zoiets als individualiteit, er zijn alleen samenlevingen.” Er zijn, kortom, geen individuen maar alleen Russen, Duitsers, Fransen, Chinezen, Engelsen, etc. 


Wat het conservatisme echter buiten beschouwing laat – en waar de anarchist Buber zich scherp van bewust was – is het feit dat etnisch-culturele eenheden geen natuurlijke of ‘door God gegeven’ collectieven zijn maar altijd veranderende sociale constructies die historisch ontstaan uit de dynamische machtsverhoudingen tussen mensen. De heersende normen binnen een bepaalde cultuur zijn niet zelden ook de normen van de heersende groep (zoals Marx zei: “de heersende ideeën zijn de ideeën van de heersende klasse”). Patriarchale culturen codificeren de macht van mannen over vrouwen. Etnocentrische culturen codificeren racistische machtsverhoudingen. 


Cultuur is in die zin nooit neutraal maar altijd een uiting van macht van de één over de ander. Dit geldt uiteraard ook – of zelfs bij uitstek – voor de door Poetin verheerlijkte “Russische ziel” waarachter het platte machtsstreven van Poetin zelf en zijn kleptocratische kliek schuilgaat. Het conservatisme sluit mensen op in de verstikkende eenheid van de etnisch-culturele gemeenschap waarin zij toevallig geboren zijn. En daarbinnen is geen plek voor radicaal afwijkende meningen of identiteiten. 

 

Vanuit Bubers dialogische perspectief kunnen we tegen het conservatisme inbrengen dat mensen zich weliswaar via sociale relaties tot personen ontwikkelen, maar dat het daarbij gaat om relaties die ‘grensoverschrijdend’ zijn. Voor Buber is persoonswording een dialogisch proces dat dwars door bubbelwanden heen breekt. Échte dialoog gaat over grenzen heen – landsgrenzen, bubbelgrenzen, etnisch-culturele grenzen, taalgrenzen, politieke grenzen, gender-grenzen en zelfs de grenzen tussen mens en natuur. 

 

Dialogische persoonswording vereist dat we ons volledig openstellen voor de ander in al diens andersheid. En dat lukt niet als we onszelf opsluiten – of laten opsluiten – in de overkoepelende eenheid van een collectief. Communicatie is dan geen dialoog meer maar een soort ‘collectieve monoloog’ waarbij weliswaar meerdere mensen betrokken zijn maar waar het eigenlijk de collectieve identiteit is die met zichzelf spreekt.


In de dialoog laten we ons aanspreken door de ander in al diens andersheid: zo blaast de dialoog elke collectieve identiteit op. Wat overigens niet wil zeggen dat de dialoog elke vorm van gemeenschap opblaast. Integendeel, de dialoog vestigt juist échte gemeenschap, aldus Buber. Geen gemeenschap die van bovenaf, door de heersende machten, wordt opgelegd, maar een medemenselijke gemeenschap die vanzelf en van onderaf, uit de oprechte dialoog tussen mensen, ontstaat. Een gemeenschap die gebaseerd is op wederzijdse afhankelijkheid én respect voor elkaars andersheid.

 

Naar een kritiek van de opdringerige media

Maar hoe herstellen we deze medemenselijkheid in het huidige bubbel-tijdperk? Vanuit een Buberiaanse blik vereist dit een scherpe kritiek op de rol die media in het hedendaagse kapitalisme spelen. Dialogisch gezien zouden media niets meer moeten zijn dan communicatie-media, d.w.z. bruikbare middelen die ons optimaal in staat stellen om elkaar te vinden, om elkaar in openheid te ontmoeten. Het grote probleem van onze tijd is dat de media níet op deze manier functioneren: ze scheiden ons juist en spelen ons tegen elkaar uit. Zoals de Russische staatsmedia de Russische propaganda-bubbel in stand houden en zoals volgens complotdenkers de zogenoemde “MSM” (mainstream media) de “sheeple” gevangen houden in hun schijnwereld, zo creëren sociale media als Facebook, YouTube en Twitter de informatiebubbels die groepen tegen elkaar uitspelen en opzetten.


In het kapitalisme zijn ‘de media’ allesbehalve neutrale doorgeefluiken van informatie maar op winst gerichte mediabedrijven die er financieel belang bij hebben om hun “gebruikers” een bepaalde kant op te sturen. Dat geldt niet minder voor de Russische staatsmedia, waarvan een substantieel deel in handen is van olie- en gasgigant Gazprom, als voor de westerse nieuwsmedia waar een handjevol conglomeraten bovenmatig veel invloed uitoefenen. Het duidelijkst echter verschijnt de kapitalistische verstrengeling van de media en de sturende werking van het Grote Geld in de sociale media. Door de digitalisering van de maatschappij zijn zij tot in de haarvaten van ons dagelijks leven doorgedrongen, waar zij echter door hun verdienmodel een ware verwoesting aanrichten. 


De sociale media halen hun historisch megawinsten uit advertentie-inkomsten, waardoor zij er alle belang bij hebben om hun gebruikers zo lang mogelijk aan hun schermpjes gekluisterd te houden, om hen – als vetgemeste paté-ganzen – zoveel mogelijk advertenties door de strot te duwen. Daarom zijn de sociale media zo verslavend, dat is precies de bedoeling. De media houden onze aandacht vast via gepersonaliseerde “feeds” die precies dat laten zien wat ons triggert, wat onze ego’s streelt, wat onze onderbuikgevoelens aanspreekt en wat onze vooroordelen bevestigt. En als onze aandacht eventjes verslapt, dan zijn de sociale media er als de kippen bij om ons via pushberichten tot de orde te roepen.


Sociale media die zichzelf opdringen en ons een bepaalde kant op sturen zijn geen communicatiemedia meer maar kapitalistische sturingsmechanismen. Een écht communicatiemedium fungeert als een “verdwijnende bemiddelaar” (zoals de marxistische filosoof Fredric Jameson dat noemt), dwz. een medium dat ‘oplost’ nadat het de gesprekspartners bij elkaar heeft gebracht. Daarom is gesproken taal zo’n goed communicatiemiddel, omdat de klanken na uitgesproken te zijn in stilte wegsterven – zouden ze dat niet doen, dan zouden ze als een ‘muur van geluid’ tussen ons in komen te staan, daarmee elke dialoog onmogelijk makend. Daarom zegt Buber: “Alleen wanneer elk middel is weggevallen komt de Ontmoeting tot stand.”