Showing posts with label communisme. Show all posts
Showing posts with label communisme. Show all posts

Breek uit je bubbel met Martin Buber

Verschenen in: Joop BNNVARA, 15-4-2022

 

In het licht van de huidige 'bubbelficatie' van de samenleving – waar iedereen zich terugtrekt in de bubbel van het eigen gelijk – biedt de dialogische filosofie van Martin Buber de mogelijkheid om radicaal anders met elkaar om te gaan.


Volgens de Joods-Oostenrijkse filosoof en anarchist Buber (1878-1965) betekent menselijkheid wezenlijk mede-menselijkheid. Alleen door de dialoog aan te gaan, door volledig open te staan voor anderen in al hun andersheid, door ons aan te laten spreken en vanuit ons hart te antwoorden, worden we échte mensen. De “gehele mens”, aldus Buber, is “de mens mét de mens”, de dialogische mens. “Ik word mijzelf via jou”, zegt Buber, en: “Alle echte leven is ontmoeting.”


Kijken we vanuit Bubers dialogische filosofie naar onze tijd – het bubbel-tijdperk – dan moeten we concluderen dat onze (mede-)menselijkheid flink onder druk staat. De Russen en het Westen, de ‘complotwappies’ en de ‘sheeple’, links en rechts, de Israëli’s en de Palestijnen, de ‘klimaatwappies’ en de ‘klimaatontkenners’, de haves en de have-nots – iedereen zit in z’n eigen informatiebubbel, wereldbeeld, comfortzone, getto of gated community. Echte dialoog, dwars door bubbelwanden heen, vindt nog maar zelden plaats. Onze bubbels zijn echokamers waarin alleen het eigen gelijk weerklinkt. 


En daarmee boeten we aan medemenselijkheid in: de onmenselijkheid van Poetins oorlog getuigt daarvan. Ook los van deze oorlog zien we de ontmenselijking om ons heen: online scheldpartijen, psychotische complottheorieën, de hardvochtige behandeling van migranten en vluchtelingen, doodsbedreigingen, de verharding van het publieke debat op sociale media en in de Tweede Kamer – het zijn allemaal symptomen van een medemenselijke tekort.


De neoliberale schuim-samenleving

Vragen we naar de onderliggende oorzaak van dit tekort, dan komen we volgens de anarchist Buber uit bij het kapitalisme. Bubers anarchisme en kapitalismekritiek volgen naadloos uit zijn dialogische filosofie. Omdat we alleen dankzij elkaar echt mens worden, en omdat in de dialoog elke stem even zwaar moet tellen, is alleen een solidaire, absoluut democratische en anti-autoritaire samenleving volgens Buber een echt menselijke samenleving. 


In het kapitalisme heerst niet de dialogische “Ik-Jij-relatie”, aldus Buber, maar de instrumentele “Ik-Het-relatie”, waarin we de ander reduceren tot exploiteerbaar ‘ding’. De ander verschijnt niet als medemens maar als concurrent, als klant, als baas of als bron van arbeid. “Heeft niet de ontwikkeling van de moderne wijze van arbeid en privé-bezit bijna elk spoor [...] van de betekenisvolle Ontmoeting vernietigt?”, zo vroeg Buber zich al in 1923 vertwijfeld af, doelend op de kapitalistische wereldorde die toen nog maar in de kinderschoenen stond. 


Hoewel geen fan van het staatscommunisme van Marx – als anarchist had Buber geen fiducie in een van bovenaf opgelegde “dictatuur van het proletariaat” – deelde hij wél Marx’ analyse dat het kapitalisme de onstuitbare neiging heeft om traditionele gemeenschapsbanden af te breken en te vervangen door louter financiële relaties tussen ‘marktspelers’, die ook nog eens radicaal ongelijk in economische macht zijn. Het kapitalisme heeft “geen andere band tussen de mensen overgelaten dan die van het naakte profijt, van de hardvochtige ‘contante betaling’”, zo schreven Marx en Engels in hun Communistisch Manifest (1848).


Daarin ligt de individualiserende tendens van het kapitalisme, dat ons van sociale wezens transformeert in losstaande individuen, die alleen nog vanuit financiële belangen met elkaar in contact treden. In de neoliberale globalisering van de jaren ‘90 kwam deze tendens tot een hoogtepunt, ingeluid door de beruchte uitspraak van Margaret Thatcher, de ‘Iron Lady’ van het neoliberalisme: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen.” 


Met het neoliberale individualisme nam de bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aan. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. Zo verwordt de geïndividualiseerde samenleving tot “schuim” (zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk treffend zegt), een amorfe en losse samenhang van privé-bubbels. 


Voorbij individualisme én conservatisme

Voor Buber betekent deze doorgeslagen individualisering dat onze menselijkheid in het gedrang komt. Daarmee komt Buber in de buurt van het conservatisme dat in Nederland wordt uitgedragen door politici en filosofen als Baudet en diens leermeester Cliteur, al zijn de verschillen tussen Buber en het conservatisme uiteindelijk groter dan de overeenkomsten. Bubers anarchistische filosofie van de dialoog vormt een derde weg voorbij de tegenstelling van individualisme en conservatisme.

 

Het conservatisme – en het Russisch nationalisme van Poetin is daar een extreem voorbeeld van – stelt dat mensen zich alleen in vooraf gegeven gemeenschappen tot personen kunnen ontwikkelen en dus altijd relatief zijn aan een volk, cultuur of traditie. Het conservatisme draait als het ware de beruchte uitspraak van Thatcher om: “Er is niet zoiets als individualiteit, er zijn alleen samenlevingen.” Er zijn, kortom, geen individuen maar alleen Russen, Duitsers, Fransen, Chinezen, Engelsen, etc. 


Wat het conservatisme echter buiten beschouwing laat – en waar de anarchist Buber zich scherp van bewust was – is het feit dat etnisch-culturele eenheden geen natuurlijke of ‘door God gegeven’ collectieven zijn maar altijd veranderende sociale constructies die historisch ontstaan uit de dynamische machtsverhoudingen tussen mensen. De heersende normen binnen een bepaalde cultuur zijn niet zelden ook de normen van de heersende groep (zoals Marx zei: “de heersende ideeën zijn de ideeën van de heersende klasse”). Patriarchale culturen codificeren de macht van mannen over vrouwen. Etnocentrische culturen codificeren racistische machtsverhoudingen. 


Cultuur is in die zin nooit neutraal maar altijd een uiting van macht van de één over de ander. Dit geldt uiteraard ook – of zelfs bij uitstek – voor de door Poetin verheerlijkte “Russische ziel” waarachter het platte machtsstreven van Poetin zelf en zijn kleptocratische kliek schuilgaat. Het conservatisme sluit mensen op in de verstikkende eenheid van de etnisch-culturele gemeenschap waarin zij toevallig geboren zijn. En daarbinnen is geen plek voor radicaal afwijkende meningen of identiteiten. 

 

Vanuit Bubers dialogische perspectief kunnen we tegen het conservatisme inbrengen dat mensen zich weliswaar via sociale relaties tot personen ontwikkelen, maar dat het daarbij gaat om relaties die ‘grensoverschrijdend’ zijn. Voor Buber is persoonswording een dialogisch proces dat dwars door bubbelwanden heen breekt. Échte dialoog gaat over grenzen heen – landsgrenzen, bubbelgrenzen, etnisch-culturele grenzen, taalgrenzen, politieke grenzen, gender-grenzen en zelfs de grenzen tussen mens en natuur. 

 

Dialogische persoonswording vereist dat we ons volledig openstellen voor de ander in al diens andersheid. En dat lukt niet als we onszelf opsluiten – of laten opsluiten – in de overkoepelende eenheid van een collectief. Communicatie is dan geen dialoog meer maar een soort ‘collectieve monoloog’ waarbij weliswaar meerdere mensen betrokken zijn maar waar het eigenlijk de collectieve identiteit is die met zichzelf spreekt.


In de dialoog laten we ons aanspreken door de ander in al diens andersheid: zo blaast de dialoog elke collectieve identiteit op. Wat overigens niet wil zeggen dat de dialoog elke vorm van gemeenschap opblaast. Integendeel, de dialoog vestigt juist échte gemeenschap, aldus Buber. Geen gemeenschap die van bovenaf, door de heersende machten, wordt opgelegd, maar een medemenselijke gemeenschap die vanzelf en van onderaf, uit de oprechte dialoog tussen mensen, ontstaat. Een gemeenschap die gebaseerd is op wederzijdse afhankelijkheid én respect voor elkaars andersheid.

 

Naar een kritiek van de opdringerige media

Maar hoe herstellen we deze medemenselijkheid in het huidige bubbel-tijdperk? Vanuit een Buberiaanse blik vereist dit een scherpe kritiek op de rol die media in het hedendaagse kapitalisme spelen. Dialogisch gezien zouden media niets meer moeten zijn dan communicatie-media, d.w.z. bruikbare middelen die ons optimaal in staat stellen om elkaar te vinden, om elkaar in openheid te ontmoeten. Het grote probleem van onze tijd is dat de media níet op deze manier functioneren: ze scheiden ons juist en spelen ons tegen elkaar uit. Zoals de Russische staatsmedia de Russische propaganda-bubbel in stand houden en zoals volgens complotdenkers de zogenoemde “MSM” (mainstream media) de “sheeple” gevangen houden in hun schijnwereld, zo creëren sociale media als Facebook, YouTube en Twitter de informatiebubbels die groepen tegen elkaar uitspelen en opzetten.


In het kapitalisme zijn ‘de media’ allesbehalve neutrale doorgeefluiken van informatie maar op winst gerichte mediabedrijven die er financieel belang bij hebben om hun “gebruikers” een bepaalde kant op te sturen. Dat geldt niet minder voor de Russische staatsmedia, waarvan een substantieel deel in handen is van olie- en gasgigant Gazprom, als voor de westerse nieuwsmedia waar een handjevol conglomeraten bovenmatig veel invloed uitoefenen. Het duidelijkst echter verschijnt de kapitalistische verstrengeling van de media en de sturende werking van het Grote Geld in de sociale media. Door de digitalisering van de maatschappij zijn zij tot in de haarvaten van ons dagelijks leven doorgedrongen, waar zij echter door hun verdienmodel een ware verwoesting aanrichten. 


De sociale media halen hun historisch megawinsten uit advertentie-inkomsten, waardoor zij er alle belang bij hebben om hun gebruikers zo lang mogelijk aan hun schermpjes gekluisterd te houden, om hen – als vetgemeste paté-ganzen – zoveel mogelijk advertenties door de strot te duwen. Daarom zijn de sociale media zo verslavend, dat is precies de bedoeling. De media houden onze aandacht vast via gepersonaliseerde “feeds” die precies dat laten zien wat ons triggert, wat onze ego’s streelt, wat onze onderbuikgevoelens aanspreekt en wat onze vooroordelen bevestigt. En als onze aandacht eventjes verslapt, dan zijn de sociale media er als de kippen bij om ons via pushberichten tot de orde te roepen.


Sociale media die zichzelf opdringen en ons een bepaalde kant op sturen zijn geen communicatiemedia meer maar kapitalistische sturingsmechanismen. Een écht communicatiemedium fungeert als een “verdwijnende bemiddelaar” (zoals de marxistische filosoof Fredric Jameson dat noemt), dwz. een medium dat ‘oplost’ nadat het de gesprekspartners bij elkaar heeft gebracht. Daarom is gesproken taal zo’n goed communicatiemiddel, omdat de klanken na uitgesproken te zijn in stilte wegsterven – zouden ze dat niet doen, dan zouden ze als een ‘muur van geluid’ tussen ons in komen te staan, daarmee elke dialoog onmogelijk makend. Daarom zegt Buber: “Alleen wanneer elk middel is weggevallen komt de Ontmoeting tot stand.”




Wil je vrije marktwerking? Pak dan het kapitalisme aan!

 Verschenen in: Joop BNNVARA, 3-3-2022.

30 jaar geleden werd het neoliberalisme verkocht als het summum van vrije marktwerking. Maar daarop valt heel wat af te dingen. Het neoliberale kapitalisme heeft een ingebakken tendens tot ongelijkheden en monopolievorming en staat daardoor juist marktwerking in de weg. Willen we écht vrije marktwerking, dan moeten we het kapitalisme drastisch inperken of zelfs afschaffen. Liberalisme en socialisme komen daardoor een stuk dichter bij elkaar te staan.

Gewoonlijk worden kapitalisme en marktwerking als synoniem genomen. Maar dat is niet alleen historisch onjuist – ruilhandel en markten zijn vele eeuwen ouder dan het kapitalisme – het klopt ook niet als we kijken naar de praktijk van het neoliberale kapitalisme. Marktwerking vereist, zoals liberale economen zeggen, een level playing field: om met elkaar te kunnen concurreren moeten marktspelers ongeveer even sterk zijn. Alleen dan kan wat Adam Smith de onzichtbare hand van de markt noemde vraag en aanbod op de meest efficiënte wijze op elkaar afstemmen (allocatie). Maar als er íets op gespannen voet staat met gelijke speelvelden, dan is dat wel het kapitalisme met z'n inherente tendens tot eindeloze accumulatie en concentratie van kapitaal in de handen van enkelen.

Kapitaal en markt: een gespannen verhouding
In het kapitalisme geldt: ‘the big fish eat the little fish’. Hierdoor leidt het kapitalisme tot steeds grotere ongelijkheden tussen rijk en niet-rijk, tot steeds grotere multinationals en daarmee ook tot kartel- en monopolievorming – allemaal ontwikkelingen die stelselmatig de vrije markt ondergraven. Deze monopolisering is nu zo ver voortgeschreden dat slechts drie investeringsmaatschappijen – BlackRock, Vanguard en State Street – de grootste aandeelhouders zijn bij 90 procent (!) van de beursgenoteerde bedrijven.

De econoom Paul de Beer wijst ook op deze inherente spanning tussen kapitaal en marktwerking. Ogenschijnlijk sluiten beide elementen van het kapitalisme naadloos op elkaar aan: het winstmotief van de kapitaalbezitter vormt de prikkel voor investeringen en daarmee voor economische groei en technologische innovatie, terwijl het marktmechanisme zorgt voor de meest efficiënte afstemming van vraag en aanbod. Zo althans werkt de economische theorie. Maar de praktijk is anders volgens De Beer:

‘Bij zorgvuldige beschouwing blijken beide aspecten van het kapitalisme echter vaak haaks op elkaar te staan. Het rendement op kapitaal is hoger naarmate de kapitaalbezitter er beter in slaagt een monopoliepositie te verwerven en het marktmechanisme buiten werking te stellen... Het ideaal van iedere ondernemer is dan ook om zich aan de tucht van de markt te onttrekken.’


De onzichtbare voet
De allocerende werking van de markt wordt dus gefrustreerd door de inherente tendens van het kapitaal ‘om zich aan de tucht van de markt te onttrekken’. De onzichtbare hand van de markt wordt zo tegengewerkt door wat wel de onzichtbare voet van het kapitaal wordt genoemd. Aldus Herman Daly, een van de grondleggers van de ecologische economie: ‘De ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith leidt ertoe dat het private eigenbelang onbewust het algemeen belang dient. De ‘onzichtbare voet’ leidt ertoe dat het private eigenbelang dit algemeen belang weer kapot schopt.’

In de praktijk van het huidige hyperkapitalisme zien we duidelijk hoe het ideaal van gelijke speelvelden verstoord wordt door de groeiende ongelijkheid tussen rijk en niet-rijk. Hoe kunnen kleine ondernemers concurreren met supermachtige multinationals, die vaak groter zijn dan een gemiddeld land? Hoe kunnen arme landen concurreren met rijke landen als zij moeten voldoen aan handelsregels die systematisch in het voordeel van de rijke landen zijn, simpelweg omdat deze regels door de rijke landen en hun multinationals gedicteerd worden? Hoe kunnen kleine boeren, die lokaal en ecologisch verantwoord willen werken, concurreren met de door het grootkapitaal gefinancierde agribusiness? Op de arbeidsmarkt speelt hetzelfde probleem: hoe kunnen jongeren die opgroeien in achterstandswijken later ooit op een eerlijke manier concurreren met jongeren uit welvarende wijken, die opgroeien met meer geld, beter onderwijs, een gezondere leefomgeving en een beter sociaal netwerk?

Platform-economie: de privatisering van de markt

Door de digitalisering neemt de ondermijning van de marktwerking door het kapitalisme bovendien steeds extremere vormen aan. Zie de digitale platform-economie, die er feitelijk op neerkomt dat multinationals als Google, Amazon en Uber hele markten overnemen en als privébezit toe-eigenen. Door het bezit van cruciale digitale technologieën (‘apps’) hebben deze multinationals feitelijk de infrastructuur van de marktwerking in handen.


Anders dan vroeger draait de macht van het kapitaal in de platform-economie niet om het privébezit van de productiemiddelen – dat is voor de platform-bedrijven minder belangrijk. Een taxichauffeur die zijn diensten via Uber aanbiedt kan zelf de eigenaar zijn van zijn auto, een pizzabakker die zijn pizza’s via Deliveroo aanbiedt, kan zelf de eigenaar zijn van zijn keuken, etc. Waar het om gaat in de platformeconomie is privébezit van de markt-middelen, dat wil zeggen de digitale middelen die vragers en aanbieders in staat stellen om elkaar te vinden.

Op deze wijze kunnen de platform-bedrijven de ‘vrije markt’ zélf bezitten en controleren. Zoals de econoom en Griekse ex-minister van Financiën Yanis Varoufakis stelt: ‘Zodra je Amazon binnengaat, verlaat je de markt. Je betreedt een domein waar alles wat gekocht en verkocht wordt, bestuurd wordt door één algoritme, één persoon, één eigenaar.’


Kortom, het neoliberale verkooppraatje voor het gedereguleerde kapitalisme, dat vrije marktwerking voor iedereen het beste zou zijn, is een wassen neus. Als er iets op gespannen voet staat met vrije marktwerking – met het gelijke speelveld dat nodig is voor eerlijke concurrentie – dan is dat het kapitalisme met zijn ingebakken tendens tot kapitaal-accumulatie en -concentratie. Vandaar de radicale conclusie van Varoufakis: ‘Een ware herleving van de mark vereist het einde van het kapitalisme.’


Liberalisme en socialisme: een verouderde tegenstelling?

Willen we écht vrije marktwerking, dan moet we het kapitalisme drastisch aanpakken. Liberalisme en socialisme, de oude politieke vijanden, blijken dan ineens een stuk dichter bij elkaar te liggen. Voor het liberalisme betekent dit dat het zich niet langer als de ideologische schaamlap van het kapitalisme moet laten misbruiken. Te lang hebben liberalen het principe van vrije marktwerking gebruikt om een economisch systeem te rechtvaardigen dat dit principe juist ondermijnt.

Wat liberalen moeten erkennen is dat een socialistische herverdelingspolitiek broodnodig is om eerlijke marktwerking mogelijk te maken. Door welvaart te herverdelen van rijk naar arm – en naar de sociale voorzieningen waar vooral armen van profiteren, zoals onderwijs en gezondheidszorg – geef je de armen extra ondersteuning zodat hun concurrerend vermogen op de arbeidsmarkt toeneemt én je voorkomt dat de rijken te rijk worden en zo de markt en de politiek gaan domineren.


Voor socialisten betekent deze ontkoppeling van marktwerking en kapitalisme dat ze eindelijk los kunnen komen van hun contraproductieve anti-markt-retoriek. Socialisten die het neoliberale kapitalisme verwerpen als ‘marktfundamentalisme’ trappen daarmee precies in de val die het neoliberalisme heeft uitgezet – namelijk: het gedereguleerde hyperkapitalisme verkopen als het summum van vrije marktwerking. Inmiddels zouden ook socialisten beter moeten weten.

Het contraproductieve van deze anti-markt-retoriek is dat het socialisme zichzelf daarmee isoleert en kwetsbaar maakt voor het verwijt van economische achterlijkheid. Want als je tegen marktwerking bent, wat wil je dan? Een centraal geleide economie, zoals in het Sovjet-communisme? Daarvan is duidelijk dat het niet heeft gewerkt en niet kan werken. De bureaucraten die een planeconomie ten uitvoer moeten brengen krijgen daarmee een enorme macht die onherroepelijk tot misbruik en corruptie leidt, wat in de Sovjet-Unie op grote schaal gebeurde.


Daarbij komt dat liberale economen overtuigend hebben laten zien dat zonder een vorm van marktwerking het nagenoeg onmogelijk is om precies te weten welke producten en diensten mensen willen en welke hulpbronnen daarvoor op de meest efficiënte wijze gebruikt kunnen worden. Er is geen efficiënter middel dan het marktmechanisme om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Maar, nogmaals, daarvoor moet er wel een gelijk speelveld zijn en dat is er niet in het huidige kapitalisme.


Ook socialisten ontkomen niet aan marktwerking als ze een serieus model voor een alternatieve economie willen. Dit betekent geenszins een knieval voor het kapitalisme: voor écht vrije marktwerking is juist een drastische inperking of zelfs afschaffing van het kapitalisme nodig. 


Tot slot: naar een klassenloze markteconomie?
Hierin kunnen liberalen en socialisten elkaar dus vinden. Al blijft er genoeg ruimte voor onenigheid over de precieze mate waarin het kapitalisme ingeperkt moet worden. Hier is het voor socialisten van belang om te weten dat ze niets aan radicaliteit hoeven in te boeten, zoals bijvoorbeeld de zelfverklaarde ‘liberale marxist' Varoufakis laat zien.

In zijn alternatief, dat hij ‘corpo-syndicalisme' noemt, blijft de economie het strijdtoneel van winstgerichte bedrijven die met elkaar concurreren op vrije markten, met dit verschil dat de bedrijven niet langer in handen zijn van rijke aandeelhouders maar in handen van de werknemers zelf. Daarmee wordt het kapitalistische klassenonderscheid tussen aandeelhouders die de winsten opstrijken en de werkers die loon ontvangen afgeschaft.

De economie blijft dan een markteconomie, maar de concurrerende bedrijven veranderen in coöperaties met arbeiderszelfbestuur. Op deze wijze combineert Varoufakis het liberale principe van marktwerking met de radicaal egalitaire principes van het ‘anarcho-syndicalisme’ dat begin 20ste eeuw een belangrijke rol speelde in de arbeidersbeweging. In zijn roman Another Now uit 2020 geeft Varoufakis een min of meer uitgewerkt model van hoe een corpo-syndicalistische economie zou kunnen werken.


Zelfs vanuit het communisme kan er een argument geformuleerd worden voor markt-socialisme, iets waar de Poolse socialist en econoom Oskar Lange al in de jaren ‘30 voor pleitte. Communisme staat oorspronkelijk voor collectief bezit en beheer van de productiemiddelen. Maar is het marktmechanisme zelf niet het belangrijkste ‘productiemiddel’ gezien het cruciale belang ervan voor de onderlinge afstemming van vraag en aanbod?


Communisme moet dan ook, in mijn ogen, niet draaien om het afschaffen van het marktmechanisme, maar om het collectief beheren van dat mechanisme, het inbedden ervan in een socialistische staat die ervoor zorgt dat de dynamiek van de marktwerking niet ten koste gaat van het algemeen belang maar er juist ten dienste van staat. Dit geldt des te meer in het licht van de huidige platform-bedrijven, die zich hele markten als privébezit toeëigenen: wat is er in deze situatie communistischer dan het ‘collectiviseren’ van deze markten, om ze aan de greep van het kapitaal te onttrekken?