Showing posts with label bubbelficatie. Show all posts
Showing posts with label bubbelficatie. Show all posts

Hartmut Rosa over democratie en religie: Enkele kritische vragen


In 2023 publiceerde de Duitse socioloog en ‘onthaastingsgoeroe’ Hartmut Rosa het pamflet Democratie vraagt om religie. In deze korte tekst, gebaseerd op een lezing voor een bisschoppelijke bijeenkomst in Würzburg, houdt de bekende resonantie-denker een opmerkelijk pleidooi voor het belang van religie in onze laatmoderne en grotendeels geseculariseerde maatschappij. Religie, aldus Rosa, is hét tegengif voor de huidige crisis van de westerse democratie, die volgens hem in een “crisis van de aanspreekbaarheid” verkeert. Door de voortwoekerende individualisering en polarisatie laten we ons niets meer zeggen door de ander, wiens andersheid we alleen nog kunnen ervaren als een existentiële bedreiging voor onze eigen identiteit: “De politiek andersdenkende wordt niet langer gezien als een gesprekspartner met wie men in discussie gaat, maar als een misselijkmakende vijand die het zwijgen moet worden opgelegd.” (Rosa 2023: 44)


Willen we de democratie redden, aldus Rosa, dan moeten we deze crisis van de aanspreekbaarheid overwinnen en wel door, net als de wijze koning Salomo uit het Oude Testament, een “luisterende hart” te ontwikkelen: “Het parool van koning Salomo, ‘Geef mij een luisterend hart’, krijgt zo ook een politieke dimensie. Ik heb altijd volgehouden dat democratie alleen werkt als ieders stem gehoord kan worden. De laatste tijd ben ik er echter steeds meer van overtuigd geraakt dat we daar ook oren bij nodig hebben. Het is niet genoeg dat ik een stem heb die gehoord wordt, ik heb ook oren nodig die de andere stemmen horen. En ik zou nog verder willen gaan en zeggen dat er naast de oren ook een luisterend hart moet zijn, dat anderen hoort en hun wil antwoorden.” (Rosa 2023: 54-55)


Dat Rosa een Bijbels voorbeeld aanhaalt, ter illustratie van het medicijn dat de democratie moet genezen, is geen toeval. Het “luisterend hart” waarmee de “crisis van de aanspreekbaarheid” overwonnen moet worden, is volgens Rosa bij uitstek een religieus vermogen. En in die zin kunnen we de huidige crisis begrijpen als ten diepste een spiritueel probleem (al drukt Rosa zelf zich niet zo uit). Juist het aangesproken worden door het “ganz Andere”, en het zich openstellen daarvoor, zijn wezenlijk voor religie. Daarom, zo betoogt Rosa, kan religie als geen ander bijdragen aan de cultivatie van een “luisterend hart”, zodat we ook in het maatschappelijke leven weer open kunnen staan voor de ander, in al diens prikkelende andersheid. En juist daarom is religie, met name ook in het institutionele verband van kerken, noodzakelijk voor de huidige democratie, waar het brede gemis van een “luisterend hart” zo pijnlijk gevoeld wordt. Rosa is daar opvallend stellig in. Zo claimt hij “dat we ons als samenleving in een ernstige crisis bevinden en dat we zonder twijfel religieuze instellingen, tradities, praktijken, denkstructuren, overtuigingen en riten nodig hebben om er misschien nog uit te komen.” (Rosa 2023: 28, mijn cursivering)


Preken voor eigen parochie? Hoe interessant ik Rosa’s pleidooi voor een democratische herwaardering van religie ook vind, toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat Rosa zich enigszins schuldig maakt aan ‘preken voor eigen parochie’. Niet voor niets is de tekst van Democratie vraagt om religie gebaseerd op een lezing voor een bisschoppelijke bijeenkomst. Maar het is één ding om als Christen (zoals Rosa zichzelf identificeert) een pleidooi te houden voor het belang van religie voor een publiek van Christenen. Het is iets totaal anders om datzelfde pleidooi te houden voor de maatschappij als geheel, waar de ontkerkelijking al decennialang in volle gang is en waar een substantieel deel van de bevolking niet bewust religieus is, of zelfs uitgesproken atheïstisch. Wat heeft het dan voor zin, simpel gezegd, om te wijzen op het democratisch belang van religie? Als zoveel mensen niet in (een) God geloven, kan religie dan überhaupt nog de maatschappelijke rol spelen die Rosa haar toevertrouwt? 


Aan het eind van Democratie vraagt om religie geeft Rosa aan niet geïnteresseerd te zijn in het wel of niet bestaan van (een) God: “Ik houd me niet bezig met de vraag of het redelijk is om te geloven, of er bewijs is voor het bestaan van God, of de Bijbel de wereld verklaart of zelfs Gods woord is, of iets dergelijks.” (Rosa 2023: 75) Voor Rosa gaat het uitsluitend om de “verhouding tot de wereld” die besloten ligt in “religieuze praktijken” zoals bidden, liturgie, religieuze architectuur en muziek etc. – dwz. de houding van het “luisterend hart” dat radicaal openstaat om aangesproken te worden door het “ganz Andere”. Maar, zo kunnen we ons afvragen, veronderstellen deze praktijken niet een levend geloof in God of het goddelijke om ‘effectief’ te zijn? Blijven deze praktijken uiteindelijk niet zinloos en doods zonder werkelijk geloof? We kunnen wel met Pascal zeggen: “Kniel en bid met de lippen, dan komt het geloof vanzelf wel”, zelfs voor de atheïst. Anders gezegd, alleen al door aan religieuze praktijken deel te nemen, of door aanwezig te zijn in een machtige kathedraal, kom je in de juiste stemming. Maar de vraag is: waarom zou de atheïst überhaupt willen knielen en bidden? Waarom zou iemand die niet religieus is, zich overgeven aan religieuze praktijken? Deze vraag laat Rosa onbeantwoord.


Kritische autonomie & religieuze heteronomie

Bovendien kunnen we ons afvragen: heeft Rosa niet een al te geïdealiseerd beeld van religie, met name de geïnstitutionaliseerde religie van kerken en officiële geloofsleren? Het zich laten aanspreken door “der ganz Andere” (zoals de theoloog Karl Barth over God sprak) mag dan wezenlijk zijn voor religie, de radicaal open houding van aanspreekbaarheid door andersheid heeft evengoed vaak ontbroken in de – soms gewelddadige – geschiedenis van geïnstitutionaliseerde religies over heel de wereld. Salomo’s “luisterend hart” dat Rosa in de kerken hoopt terug te vinden, is juist in de kerken al te vaak afwezig geweest – ik denk dat we daarover niet hoeven uit te weiden; de voorbeelden daarvan zijn algemeen bekend. Rosa erkent dit probleem wel, maar gaat er – wat mij betreft – al te gemakkelijk aan voorbij. Zo zegt hij in een recent interview: “Dogma’s, fundamentalismen, en geïnstitutionaliseerde autoriteit kunnen precies het tegengestelde teweegbrengen, en mensen in een modus van kennen en bevelen plaatsen. [...] Daarom denken veel mensen dat religie per se ondemocratisch is. Dat is niet zo.” (Rosa 2024) Maar waarom dat niet zo is, legt hij niet verder uit. 


In Democratie vraagt om religie gaat hij sowieso niet op dit probleem in. Dat is, op z’n zachtst gezegd, een opmerkelijke omissie. Van een socioloog die zich expliciet oriënteert aan de “Kritische Theorie” van de neomarxistische Frankfurter Schule, mag je toch een kritischere houding tegenover religie en kerk verwachten. Het tere punt hierbij is dat juist de kritische houding van de moderne mens – beginnend in de 18de eeuwse Verlichting – op gespannen voet staat met het van bovenaf opgelegde karakter van traditionele religies. De moderne kritische houding is gebaseerd op autonomie: de moderne mens moet zélf nadenken en zélf beslissen wat voor hem waar, juist en waardevol is. Religie daarentegen veronderstelt een fundamentele vorm van heteronomie: de ultieme Waarheid en Waarde worden ons van buitenaf – ja, van Bovenaf – gegeven en “geopenbaard”. De geschiedenis van de moderne maatschappij is voor een groot gedeelte voortgedreven door dit conflict tussen kritische autonomie en religieuze heteronomie, met name wanneer het religieuze ‘van Bovenaf’ verstrengeld raakte met een menselijk ‘van bovenaf’. 


Religie vraagt om democratie

Wat onduidelijk blijft, in ieder geval in Democratie vraagt om religie, is hoe Rosa deze moderne kritische houding en de intrinsieke heteronomie van religie met elkaar wil verzoenen. Dit is een prangende vraag, zeker als het gaat om het door Rosa betoogde belang van religie voor democratie. Immers, naast een “luisterend hart” vereist democratie evenzeer de kritische autonomie van het zelf kunnen nadenken en beslissen. Hoe verhoudt deze kritische houding zich tot de heteronomie van religie? Kunnen die twee wel samengaan? En als je zegt “Democratie vraagt om religie”, moet je dan niet ook het omgekeerde zeggen: “Religie vraagt om democratie”? Moet religie zelf niet eerst verregaand gedemocratiseerd worden, voordat zij de democratie kan helpen om de houding van het luisterend hart terug te winnen? Hoe ziet zo’n gedemocratiseerde religie er dan uit? Is het überhaupt mogelijk om religie te democratiseren? Ook dat zijn vragen waarop we bij Rosa geen antwoord krijgen.


Gebruikte literatuur
– Rosa, Hartmut (2023), Democratie vraagt om religie: Over een bijzondere resonantierelatie. Boom, Amsterdam.

– Rosa, Hartmut (2024), “Interview: Hartmut Rosa, sociology professor”, in Church Times, 21 june 2024.



Over de mogelijkheid van verzoening in het tijdperk van de Hobbesiaanse bubbel-oorlog


Dé filosofische uitdaging voor onze tijd is het vinden van een verzoenend midden tussen autonomie en heteronomie – tussen de aanspraken van het Ik en die van de Ander – maar na de “Dood van God”, in de post-moderne conditie van “metafysische dakloosheid”, zonder de luxe van een voorafgegeven universaliteit waar Ik en Ander elkaar zouden kunnen vinden.

De existentiële urgentie achter deze filosofische urgentie is pijnlijk duidelijk: na eeuwen van modern subject-centrisme – overgecodeerd door de heerschappij van de witte westerse burgerman – is nu de “Opstand van de/het Ander(e)” in volle gang. Van de protesterende natuur in de ecologische crisis tot en met de woke-beweging van ‘afwijkende’ seksuele en etnische identiteiten, van de ideologische, economische en militaire opkomst van niet-westerse machten tot en met de (pseudo-)wetenschappelijk reductie van de mens tot “niets meer dan….” (niets meer dan zijn brein, een doorgeefluik voor zelfzuchtige genen, een product van ideologie, taal, cultuur en geschiedenis, een speelbal van primitieve instincten en/of de maatschappelijke dynamiek, etc.) – overal laten de aanspraken van de/het Ander(e) zich gelden tegenover de tanende macht van het moderne, westerse, autonome Ik. Een Ik dat van de weeromstuit in de kramp schiet en de neoconservatieve of zelfs fascistische neiging vertoont om zichzelf en zijn Grieks-Christelijke traditie dogmatisch te poneren als superieur aan al het andere, stoer maar wanhopig uitroepend: “The West is the best!” Alsof de kritische kern van de Verlichting alleen gered kan worden door deze te immuniseren voor alle kritiek – een evidente paradox.

Met andere woorden: willen we de mogelijkheid van kritisch denken en handelen écht openhouden, dan moeten we een midden vinden tussen autonomie en heteronomie, tussen de aanspraken van het Ik en die van de Ander. De crux is: zonder “respect voor andersheid” verwordt autonomie tot een totalitair modern egocentrisme, maar zonder autonomie verwordt “respect voor andersheid” tot een dogmatisch, pre-modern fundamentalisme, waar de autoriteit van de Ander onaantastbaar wordt (en het moet gezegd worden dat sommige postmoderne denkers, zoals Levinas met zijn “ethiek van de Ander”, verraderlijk dicht tegen een dergelijk fundamentalisme aanschurken). We moeten de kritische baby niet met het moderne badwater weggooien. Zoals Adorno zegt: “de kritische gedachte wil niet aan het object de verweesde koningstroon van het subject geven, waarop het object niet meer zou zijn dan een afgod – zij wil de hiërarchie afschaffen”. D.w.z. het gaat er in de kritiek op het moderne subject niet om diens autonomie te verruilen voor heteronomie (door ‘het object op de troon van het subject te zetten’) maar om hun hiërarchische verhouding af te schaffen, een verhouding waarbij altijd één van de twee domineert. De moderne verafgoding van het Ik moet niet vervangen worden door verafgoding van de Ander. Het gaat erom een evenwicht tussen beiden te vinden, een derde positie tussen autonomie en heteronomie in.


Verzoening na de Dood van God

Maar, zoals gezegd, we moeten deze balanceeract tussen Ik en Ander voor elkaar zien te krijgen na de “Dood van God”, zonder de luxe van een voorafgegeven universaliteit waar Ik en Ander elkaar kunnen vinden. Dat is nu juist het probleem, het aporetische van de huidige situatie: het gaat om een balanceeract zonder koord, en al helemaal zonder brug. Alle overkoepelende eenheden – een gedeelde God, gedeelde wetenschap, gedeelde cultuur, gedeeld volk, gedeelde taal, gedeeld mensbeeld, gedeelde belangen, gedeelde idealen – zijn problematisch geworden. De ‘werkelijkheid’ is geëxplodeerd in een onafzienbare veelheid van perspectieven: er zijn geen feiten meer, alleen nog maar “interpretaties” (Nietzsche) en “alternatieve feiten” (Trump). We leven in een “post-truth world”. Iedereen heeft z'n eigen ‘waarheid’, z'n eigen wereldbeeld, zn eigen “informatiebubbel”. Met het neoliberale individualisme – verwoord door Thatcher: “Er is niet zoiets als een samenleving, er zijn alleen individuen” – en de voortschrijdende digitalisering heeft deze bubbelficatie van de samenleving extreme vormen aangenomen. Maximaal losgeweekt van zijn of haar sociale omgeving, raakt elk individu opgesloten in de eigen bubbel, afgesloten van de buitenwereld door koptelefoons, schermpjes en gepersonaliseerde newsfeeds. Zo is de moderne, geïndividualiseerde samenleving opgelost in “schuim” (aldus Peter Sloterdijk), een amorfe en losse samenhang van privé-bubbels.

Maar we kunnen deze bubbelficatie niet slechts op het conto van de kapitalistische individualisering en digitalisering schrijven, hoezeer zij in deze ontwikkeling ook een aanjagende werking hebben gehad. In de kern is de “Dood van God” een epochaal proces geweest, dat onlosmakelijk samenhing met de boven beschreven wederzijdse kritiek van Ik en Ander, de wederzijdse deconstructie van autonomie en heteronomie. 

Enerzijds heeft, aldus Max Weber, de komst van het moderne autonome subject geleid tot een "onttovering van de wereld", omdat het autonome subject geen enkele autoriteit buiten zich duldt en daarmee alle waarde en betekenis van zichzelf afhankelijk maakt (‘de wereld heeft alleen de waarde en betekenis die ik eraan toe ken’). Het autonome subject poneerde zichzelf als de enige bron van normativiteit en zoog zo alle waarde en betekenis uit de wereld, slechts het pure neutrum van de zuiver objectieve “res extensa” achterlatend. De natuur – in de premoderne tijd nog het tweede “Boek van God” (naast de Bijbel) – kan in de moderne tijd alleen nog verschijnen als het ontzielde object van de mathematisch-technologische wetenschap en als nuttige grondstof of te overwinnen obstakel voor de menselijke “Vooruitgang”. Aldus Heidegger: “In het planetaire imperialisme van de technisch georganiseerd mens bereikt het subjectivisme van de mens zijn hoogtepunt…” De “Vooruitgang”, waarin de mens zijn “Vrijheid” verwerkelijkt, is het enig overgebleven doel-op-zich, waarvoor al het andere slechts middel of obstakel is. De/het Ander(e) heeft geen intrinsieke eigenwaarde meer, alleen nog “waarde voor mij”.

Dat was de eerste – de moderne – fase in het historische drama van de “Dood van God”, waarin de autonome mens met zijn rationaliteit het geloof in God als illusie ontmaskert en zichzelf op Zijn plaats stelt als heerser over de schepping (en zelfs als de Schepper zelf, namelijk in de idealistische filosofieën van het wereld-scheppende Subject). De tweede, post-moderne fase in deze ontmaskering van alle universele waarde is precies de bovengenoemde tegenaanval van de/het Andere tegen de alleenheerschappij van het Ik, wiens autonomie enerzijds ontmaskerd wordt als egocentrisch geweld tegen andersheid – waarbij, zoals gezegd, het Ik is overgecodeerd als witte westerse burgerman – en anderzijds ondermijnd wordt door diezelfde andersheid voor zover deze als heteronomie doordringt in het hart van het Ik (de mens is “niets dan” materie, brein, instinct, machtswerking, taal, cultuur, geschiedenis, etc.). Zo ondermijnen het Ik en de/het Ander(e) elkaars universele aanspraken, totdat er geen enkele universaliteit overblijft – en precies dat is de huidige metafysische dakloosheid. Er is geen gedeelde waarheid meer, alleen nog het slachtveld van botsende bubbels, de onbemiddelde ontmoeting c.q. oorlog van Ik en Ander – de Hobbesiaanse bubbel-oorlog “van allen tegen allen”.


Cartesiaanse bewustzijnsbubbels

In feite wijst deze algehele bubbelficatie van de samenleving op een bekend filosofisch probleem – een mysterie eigenlijk – dat nu als het ware ook in het maatschappelijke leven doorbreekt. Het gaat om het vroegmoderne inzicht (feitelijk het begin van het moderne subjectcentrisme) dat ieder bewust wezen opgesloten zit in de “cirkel” van het eigen bewustzijn – een besef dat doorbrak na Descartes’ ontdekking van het cogito en zijn conclusie daaruit dat we alleen onze eigen bewustzijnsinhouden direct kennen, niet wat zich buiten het bewustzijn bevindt. Zoals de Cartesiaanse filosoof Arnauld het formuleerde: “We hebben geen kennis van wat zich buiten ons bevindt behalve via bemiddeling door de ideeën in ons.” 

Ook het gelijktijdig opkomende atomisme (“corpuscularianisme”) in de natuurwetenschap speelde dit besef in de kaart, omdat de elementaire deeltjes geacht werden alleen meetbare eigenschappen te hebben – “primaire kwaliteiten” als getal, soliditeit, ruimtelijke vorm en beweging – maar niet de “secundaire kwaliteiten” van kleur, geur, geluid en smaak, die louter de causale effecten zouden zijn van de deeltjes op onze zintuigen. Daarom zijn de secundaire kwaliteiten louter subjectief en verschillend van subject tot subject, afhankelijk van de variabele staat van het waarnemend vermogen (zoals voor iemand met geelzucht een gele waas hangt over alles wat hij ziet). Het probleem is echter, zoals met name Berkeley opmerkte, dat we alleen via de secundaire kwaliteiten ook de primaire kwaliteiten kunnen ontdekken en dat de subjectiviteit van de eerste zich daarmee ook tot de tweede uitstrekt. Daarmee herhaalde Berkeley een inzicht dat al werd verwoord door de presocratische atomist Democritus, van wie het volgende fragment is overgeleverd uit een langere “dialoog van het verstand en de zintuigen”:


“Verstand: Volgens conventie is er zoet, volgens conventie bitter, volgens conventie kleur, maar in werkelijkheid zijn er alleen atomen en ruimte.
Zintuigen: Dwaas verstand! Wil je ons omverwerpen, terwijl jij je bewijs alleen uit ons kan halen?”


Het gevolg van de Cartesiaanse opsluiting in de “cirkel van het bewustzijn” was dan ook een algeheel skepticisme bij filosofen als Locke en Hume aangaande de buitenwereld, een wereld die achter de “sluier van de perceptie” verborgen gaat. Aldus Locke: “Woorden zijn tekens van de ideeën van de spreker, en niemand kan die tekens onmiddellijk toepassen op iets anders dan op de ideeën die hij zelf in zijn hoofd heeft.” De taal verloor z'n onproblematische referentiële binding met de veronderstelde “externe realiteit” en explodeerde bovendien in een onafzienbare pluraliteit van privé-talen (pace Wittgenstein), omdat míjn woorden alleen nog konden duiden op míjn ideeën in míjn hoofd – wat er in andere hoofden omgaat ligt dan principieel buiten het bereik van mijn taal. 

Met de huidige bubbelficatie van de samenleving dringt dit probleem vanuit de filosofie in alle hevigheid door in het maatschappelijke leven. Iedereen zit opgesloten in de ‘bubbel’ van het eigen bewustzijn, iedereen beleeft de wereld op z'n eigen unieke manier, niemand kan “in het hoofd van een ander kijken” om te ervaren wat de ander ervaart. Als er duizend mensen luisteren naar een uitvoering van een symfonie, dan horen geen twee mensen precies hetzelfde – in zekere zin worden er duizend verschillende versies van dezelfde symfonie uitgevoerd. Zo is het ook met ‘de wereld’ – iedereen ervaart de wereld op een unieke manier en in die zin zijn er evenveel werelden als dat er ervarende subjecten zijn. 

Wat dit probleem nu nog pregnanter maakt dan in de vroegmoderne tijd is dat wij in onze toestand van metafysische dakloosheid geen beroep meer kunnen doen op algemeen geaccepteerde, universele instanties – zoals God, de Rede of de Wetenschap – om de talloze bewustzijnsbubbels en hun privé-talen op elkaar en op de externe realiteit af te stemmen. Zo konden Descartes en Leibniz nog een beroep doen op God om deze afstemming te bewerkstelligen – Descartes met zijn rare cirkelredenering dat ons “heldere en welonderscheiden” idee van God aantoont dat God de objectieve waarheid van onze “heldere en welonderscheiden ideeën” garandeert, en Leibniz met zijn geloof in een door God “vooraf gevestigde harmonie” tussen onze prive-ideeën en de wereld. Bij Kant is de relatie met de buiten het bewustzijn gelegen werkelijkheid al niet meer te redden – het Ding-an-sich is onkenbaar geworden – maar tenminste zorgt de universeel-menselijke Rede er nog voor dat alle mensen in hun transcendentale constructie van de ervaringswereld overeenstemmen. Maar voor óns, na de “Dood van God”, is er geen universaliteit – geen God, geen Rede, geen gedeelde Mensheid – meer die kan bemiddelen in de botsing van de bewustzijnsbubbels en de verschillende privé-talen op elkaar kan laten aansluiten. De botsing is onbemiddeld geworden, een Hobbesiaanse bubbel-oorlog van allen tegen allen.

Iedereen zit opgesloten in het eigen bewustzijn, er zijn evenveel ‘werelden’ als dat er ervarende subjecten zijn. En toch – en dat is het mysterie – ontmoeten we elkaar in wat een gedeelde wereld lijkt te zijn, een wereld die op mysterieuze wijze 'vibreert' tussen tussen objectiviteit en subjectiviteit, tussen de eenheid van het gemeenschappelijke en de onafzienbare veelheid van de talloze privé-werelden. De ervaren wereld is enerzijds transsubjectief genoeg om communicatie tussen subjecten mogelijk te maken, maar tegelijk ook zo ongrijpbaar dat die communicatie niet tot consensus kan leiden en uitmondt in onafsluitbare discussies. In die zin kunnen we de stelling van Hannah Arendt begrijpen dat de publieke wereld als het “tussen” – als het gedeelde toneel waarop de intermenselijke ontmoeting kan plaatsvinden – problematisch is geworden, omdat mensen zich na de “Dood van God” in toenemende mate uit de gedeelde wereld en in hun privé-bewustzijn terugtrekken. De publieke ruimte, die volgens Arendt noodzakelijk is voor gezonde politiek, wordt zo onmogelijk:

“De wereld ligt tussen de mensen, en dit tussen [...] is tegenwoordig het onderwerp van de grootste bezorgdheid en de meest evidente consternatie in bijna alle landen op aarde. [D]e publieke ruimte heeft de verlichtende kracht, die oorspronkelijk tot haar essentie behoorde, verloren… Met elke terugtrekking uit de wereld vindt er een aantoonbaar verlies voor de wereld plaats; wat verloren gaat is het specifieke en meestal onvervangbare tussen dat zich zou moeten vormen tussen het individu en zijn medemensen.”

De armoede van het wetenschappelijk materialisme
Willen we in onze toestand van metafysische dakloosheid een verzoenend midden tussen Ik en Ander kunnen vinden, dan moeten we deze mysterieuze toestand van de wereld als het tussen – dat zich tússen de mensen bevindt, maar dat als zodanig ook vibreert tússen publieke objectiviteit en privé-subjectiviteit – ophelderen. Maar voordat we ons daaraan wagen moeten we heel duidelijk één mogelijke opheldering uitsluiten, namelijk de materialistische verklaring vanuit de natuurwetenschap. Vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief lijkt het volstrekt logisch dat we enerzijds ieder voor zich opgesloten zitten in onze bewustzijnsbubbels en anderzijds toch in een gedeelde werkelijkheid leven die onze bewustzijsbubbels op elkaar afstemt. Die gedeelde werkelijkheid is, vanuit natuurwetenschappelijk perspectief, de materiële – dwz. uit elementaire deeltjes en natuurwetten opgebouwde – werkelijkheid van het heelal, zoals de natuurkunde die beschrijft. In deze visie zijn mensen slechts materiële objecten in een overkoepelende materiële wereld: die gedeelde wereld prikkelt onze zintuigen en daarmee onze hersenen die deze prikkels verwerken tot bewuste ervaringen – ervaringen die dan van individu tot individu genoeg op elkaar lijken om onderlinge communicatie en samenwerking mogelijk te maken. 

Maar hoe eenvoudig en evident juist deze verklaring ook mag lijken, we mogen haar niet zomaar klakkeloos accepteren. Simpel gezegd heeft na de “Dood van God” ook “de Wetenschap” haar universele autoriteit verloren. Ook de wetenschap blijkt “maar een perspectief” te zijn, zij het een bijzonder nuttig en experimenteel bevestigd perspectief, maar dat geeft meteen ook het problematische ervan aan. De mathematisch-technologische wetenschap is onlosmakelijk verbonden met het moderne subjectcentrisme, waarvoor al het andere tot technologisch beheersbaar middel werd gereduceerd. Als zodanig heeft de wetenschap bijgedragen aan de onttovering van de wereld, waarbij alle waarde, betekenis en zintuiglijke kwaliteit door het subject uit de wereld werden ‘gezogen’. De wetenschap drukt zo een duidelijk subjectief belang uit – de beheersingsdrang van het moderne subject – en in die zin is de wetenschap allerminst neutraal en objectief. Juist als we een midden tussen autonomie en heteronomie willen vinden, kunnen we niet naïef op de mathematisch-technologische wetenschap vertrouwen, omdat juist daarin zich de – zowel cognitieve als technisch-praktische – autonomie van het subject articuleert.

Uit het experimentele succes van de wetenschap kunnen we dan ook niet tot de objectieve waarheid ervan concluderen. Experimenteel succes duidt slechts op het vermogen van de wetenschap om mathematische modellen te ontwikkelen die testbare voorspellingen doen (bijvoorbeeld dat in een bepaalde experimentele set-up een metertje uitslaat). Dat de experimenteel succesvolle modellen objectieve waarheid bezitten en de werkelijkheid an sich beschrijven, is dan een filosofische en dus bestrijdbare aanname (waar bijvoorbeeld het instrumentalisme in de wetenschapsfilosofie zich tegen verzet). De nog steeds onbesliste strijd om de juiste “interpretatie” van de kwantummechanica spreekt wat dit betreft boekdelen; het laat duidelijk zien dat experimenteel succes van een mathematics model niet zo heel veel zegt over de werkelijkheid an sich. Dit blijkt verder ook uit de nog altijd problematische relatie tussen kwantummechanica en relativiteitstheorie. 

Dat het natuurwetenschappelijke wereldbeeld onvolledig is, blijkt ten slotte ook hieruit dat het bewustzijn als zodanig daar niet in lijkt te passen (zie het zogenoemde “hard problem of consciousness”). De boven beschreven materialistische verklaring van onze ervaring van een gedeelde wereld, is dan ook eigenlijk gebaseerd op smokkelwaar, want het smokkelt het bewustzijn zelf mee naar binnen, aangezien het bewustzijn niet vanuit de materie verklaard kan worden. 


“Oorlog is de vader van alle dingen”

Toch is de conclusie dat in deze strijd elke universaliteit ten onder gaat niet 100 procent correct, omdat in zekere zin de strijd zelf – de botsing van de bubbels – als enige universaliteit overblijft. Anders gezegd: als alle perspectieven relatief zijn geworden, is het enige overgebleven absolute de strijd tussen de perspectieven. Dat is het enige wat alle perspectieven nog delen én wat hen tot louter perspectieven maakt, namelijk hun on-enigheid, hun onbemiddelde botsing. Omdat alle perspectieven elkaar constant onderuithalen, kan geen enkel perspectief zichzelf als dé Waarheid opwerpen en blijkt elk perspectief “slechts een perspectief” te zijn. Maar dé Waarheid is daarmee niet geheel uit zicht verdwenen, zij heeft zich slechts teruggetrokken in die on-enigheid zelf die als enige universele constante is overgebleven, de enige waarheid waarin alle perspectieven elkaar nog ‘vinden’. Kortom, willen we een verzoenend midden vinden tussen autonomie en heteronomie – om zo de mogelijkheid van kritisch denken en handelen open te houden en verzoening te brengen in de stellingenoorlog van Ik en Ander – dan moeten we dit midden zoeken in de oorlog zelf, in de onbemiddelde botsing van de bubbels, in wat zich tússen de bubbels voltrekt. 

Maar hoe kan in de oorlog zelf het verzoenende midden gevonden worden? Is dat niet een hopeloze paradox? Een sterk staaltje utopisch wensdenken? Net zo hopeloos en utopisch als de kortstondige “Kerstmisvrede” (Weihnachtsfrieden, Trêve de Noël) van 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen zowel Duitse als geallieerde soldaten spontaan hun loopgraven uitkwamen en het prikkeldraad overstaken om elkaar in het niemandsland van het slachtveld de hand te schudden en samen Kerst te vieren, waarbij er voedsel en drank werd gedeeld, kerstliederen werden gezongen en er zelfs een voetbalwedstrijd plaatsvond – om elkaar op 27 december gewoon weer kapot te schieten… 

Toch hebben we de sleutel tot dat verzoenende inzicht in het midden van de oorlog – het niemandsland tussen de loopgraven – boven al geformuleerd, namelijk dat het juist de onbeslisbare strijd tussen de perspectieven is die hen tot (louter) perspectieven maakt. Anders gezegd: de perspectieven hebben elkaar nodig om verschillende perspectieven te kunnen zijn. Het belang daarvan blijkt als we overschakelen van een epistemologisch naar een ontologisch register en bedenken dat elk perspectief ook een ontische identiteit is, een zelfopvatting van een wezen, een zelf-stelling (“Selbst-Setzung” aldus Fichte). In elk perspectief articuleert zich de “conatus” (Spinoza), de “wil tot macht” (Nietzsche), de “interesse” (Marx) van een zijnde dat in zijn zijn wil volharden. Dat perspectieven elkaar nodig hebben om verschillende perspectieven te kunnen zijn, betekent dus in feite dat zijnden elkaar nodig hebben om verschillende zijnden te kunnen zijn. Daarin manifesteert zich een universele dialectische wet, zoals paradigmatisch geformuleerd door Spinoza: Omnis determinatio est negatio, oftewel: elke bepaling is een negatie, oftewel: je kunt alleen aangeven wat iets is door aan te geven wat het niet is. 

Dat is de universele wet van de dialectiek die zich nu aandient in de onbemiddelde botsing der bubbels als enig overgebleven universaliteit: de zijnden zijn wat ze zijn door van elkaar te verschillen – en dat verschil manifesteert zich nu als on-enigheid, als de Hobbesiaanse bubbel-oorlog van allen tegen allen. De zijnden zijn wat zij zijn door hun onderlinge strijdigheid. En ook al dringt dat inzicht zich nu, in de huidige “post-truth world” met z'n onbemiddelde botsing der bubbels, in alle hevigheid aan ons op, het gaat in feite om een eeuwenoud inzicht dat we bijvoorbeeld ook al bij de presocraat Heraclitus aantreffen: “Oorlog is de vader van alle dingen.”


Tot slot: het verzoenende midden van de bokswedstrijd

Hoe moeten we nu, uitgaande van dit constitutieve belang van strijd tussen Ik en Ander, vorm geven aan het gezochte verzoenende midden tussen autonomie en heteronomie? Hier dringt zich het beeld op van de bokser die zijn tegenstander nodig heeft om zichzelf als bokser te kunnen realiseren. Het geweld dat tussen beiden plaatsvindt, is hun oerdistantiatie als verschillende wezens. Het Tussen is hier, zogezegd, ‘slagveld’ en ‘geboorteplek’ van Ik en Ander ineen. Tegelijk hebben beiden er alle belang bij om het transcendentale geweld niet zodanig te laten escaleren dat de één de ander doodslaat, want zonder elkaar zijn zij niets. 

Het beste wat een bokser kan doen is juist zijn tegenstander zo sterk mogelijk maken, want alleen zo kan hij ook het beste uit zichzelf halen. De vrije zelfrealisatie van de één en de intrinsieke waarde van de ander zijn hier precies in evenwicht. Is dit niet hoe we het verzoenende midden tussen autonomie en heteronomie moeten realiseren? Als sportieve ‘boksers’ in relatie tot elkaar en tot de ons omringende wereld?







Buber en de bubbelficatie: Reflecties bij 100 jaar "Ich und Du"

Verschenen bij: NieuwWij, 5 jan. 2023.

In 1923 verscheen Ich und Du van de Oostenrijks-Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965). Een relatief kort boekje dat desondanks enorm invloedrijk is geweest. In het schrille licht van de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de Holocaust was Bubers pleidooi voor een dialogische zijnswijze – waarin we radicaal openstaan voor elkaars andersheid – voor velen een existentiële houvast van enorme waarde. Zo schreef de Duitse schrijver en protestantse theoloog Albrecht Goes in 1934, een jaar na Hitlers machtsovername, dat Ich und Du voor veel tegenstanders van het nazisme “net zo belangrijk was als het dagelijks brood”. De nazi’s hadden Hitlers Mein Kampf, de vredelievenden hadden Bubers Ich und Du.

Ook binnen de Zionistische beweging speelde Buber een belangrijke rol, waarbij hij vanuit zijn dialogische filosofie pleitte voor een binationale Israëlische staat waar Joden en Palestijnen elkaars gelijken zouden zijn. Dat Israël zich uiteindelijk niet in die richting heeft ontwikkeld, was voor Buber – naast de Holocaust – een van de grote catastrofes van zijn tijd. Na de Eerste en Tweede Wereldoorlog was de Joods-Arabische oorlog van 1948 voor hem, naar eigen zeggen, “de meest pijnlijke van de drie”. In 1963 ontving hij uit handen van prins Bernhard de Erasmusprijs voor zijn gehele oeuvre en het belang daarvan voor de filosofie, theologie, pedagogiek, psychotherapie en de interreligieuze dialoog. Hij stierf twee jaar later op 87-jarige leeftijd in Jeruzalem. 


Tanende roem
Na zijn dood nam Bubers invloed geleidelijk af. Zijn dialogische filosofie werd overschaduwd door het werk van jongere generaties en nieuwe spraakmakende filosofische stromingen zoals fenomenologie, analytische filosofie, kritische theorie, hermeneutiek, structuralisme en postmodernisme. Een nieuwe tijd met nieuwe, meer zakelijke geluiden brak aan. Vergeleken daarmee moesten Bubers poëtisch-spirituele bespiegelingen over het existentiële belang van “Ontmoeting” wel als gedateerd en oubollig overkomen. Zo sprak Adorno, een van de voormannen van de neo-marxistische kritische theorie, denigrerend over de “zalvende toon van niet-geloofwaardige theologie”, doelend op Bubers ‘gedweep’ met de “Ik-Jij-relatie” en het “Eeuwige Jij”.

Persoonlijk kan ik mij nog een gesprek herinneren dat ik als filosofiestudent in de jaren ‘90 had met een van mijn docenten, een flamboyante aanhanger van het postmodernisme. We hadden het over het non-binaire “tussen”, een van de kernbegrippen van het postmoderne denken. Toen ik opmerkte dat Buber in Ich und Du al over “das Zwischen” had geschreven, namelijk de dialogische relatie tussen Ik en Jij, maakte mijn docent een wegwerpend gebaar en zei met grote minachting: “Ach Buber, die heeft het in Ich und Du over de ontmoeting van een kind met een teddybeer… Daar kun je toch niet meer mee aankomen?!” 

Een achterliggend probleem was dat Buber, vanuit zijn dialogische filosofie, een rotsvast vertrouwen had in personen, in het vermogen van mensen om zich – via open dialoog – te ontwikkelen tot zelfstandige en verantwoordelijke wezens. Volgens Buber kunnen alleen vrije personen elkaar werkelijk ontmoeten, dwz. authentiek op elkaar reageren. De dominante tendens van de naoorlogse filosofie was echter juist gericht tégen de categorie van de persoon, tegen het humanistische geloof in menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. De filosofie werd “anti-humanistisch”: het ging erom de mens te begrijpen vanuit – of zelfs te reduceren tot – onpersoonlijke krachten en structuren, zoals de economie, de geschiedenis, de evolutie, de taal, de cultuur, het onbewuste, de dynamiek van machtswerking. In 1966, een jaar na Bubers dood, verwoordde Foucault deze tijdsgeest treffend toen hij schreef dat “de mens zal verdwijnen, als een gezicht in het zand op de vloedlijn van de zee”, uitgewist door de aanrollende golven van het structuralisme en postmodernisme.


Een vergeten erfenis

In die nieuwe tijdsgeest kon Bubers nadruk op het existentiële belang van de persoonlijke ontmoeting alleen maar ouderwets klinken. En toch was dat vaak volkomen onterecht. De filosofen die na Buber kwamen, waren geregeld meer aan hem verschuldigd dan zij bereid waren toe te geven. Als bijvoorbeeld Heidegger zegt dat de fenomenologie beschrijft hoe iets “ontmoet” wordt, dan klinkt daar Buber in door. Als Habermas (de opvolger van Adorno in de kritische theorie) onderscheid maakt tussen communicatieve en instrumentele rationaliteit, dan klinkt daar Bubers onderscheid van de Ik-Jij-relatie en Ik-Het-relatie in door. Als de hermeneutische filosoof Gadamer nadenkt over “het gesprek dat wij zijn”, dan klinkt daar Buber in door. Als Levinas zegt dat ethiek bestaat in het “blootgesteld zijn aan de Ander”, dan klinkt daar Buber in door. Als Arendt zegt dat mensen in al hun verscheidenheid aan elkaar moeten verschijnen in de publieke openbaarheid, dan klinkt daar Buber in door. Als Sloterdijk zegt dat individuen alleen maar polen van een dynamisch tussen” zijn, dan klinkt daar Buber in door. Buber is eigentijdser dan we vermoeden. 

Zijn humanisme was dan ook niet het naïeve humanisme van bijvoorbeeld Descartes of Kant, voor wie het bestaan van autonome personen vanzelfsprekend was, alsof mensen zo geboren worden. Volgens Buber kunnen we alleen tot verantwoordelijke personen uitgroeien vía anderen, door ons aan te laten spreken en vanuit ons hart te antwoorden. Als Levinas verantwoordelijkheid definieert als het “vermogen om te antwoorden” (réponse-abilité), dan herhaalt hij een Buberiaans inzicht. Mensen, als autonome personen, bestaan alleen in relatie tot elkaar. “Er is geen Ik op zich”, zegt Buber: “Ik word via Jou.” In die zin kan zijn humanisme beter “inter-humanisme” genoemd worden: het ideaal van de autonome mens wordt alleen in dialogische interactie met anderen verwezenlijkt.


Buber en de bubbelficatie

Ik kan mij dan ook niet aan de indruk onttrekken dat we met Buber iets wezenlijks verloren hebben. Als we zoiets alledaags, intiems en menselijks als de relatie tussen een kind en een teddybeer beneden onze filosofische stand achten, als we daar geen recht meer aan kunnen doen, als we daar zelfs cynisch en lacherig over gaan doen, zien we dan niet iets essentieels over het hoofd: de onschatbare waarde van medemenselijkheid? Wordt het na 100 jaar Ich und Du niet eens tijd dat we Buber gaan herwaarderen? Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat onze tijd daar om vraagt, om schreeuwt zelfs. Is Buber in het licht van de veelbesproken bubbelficatie van de samenleving niet precies de filosoof die we nu nodig hebben?

Steeds meer mensen trekken zich terug in de bubbel van de eigen groep en het eigen gelijk. Mensen ontmoeten elkaar steeds minder. In Nederland constateert het SCP al tientallen jaren dat verschillende groepen en lagen van de bevolking steeds minder contact met elkaar hebben, laat staan dat zij mengen. De sociale verhoudingen gaan op slot. De Russen en het Westen, de ‘complotwappies’ en de ‘sheeple’, links en rechts, rijk en arm, witte mensen en gekleurde mensen, de Israëli’s en de Palestijnen, de ‘klimaatgekkies’ en de ‘klimaatontkenners’, de haves en de have-nots – iedereen zit in z’n eigen informatiebubbel, wereldbeeld, comfortzone, getto of gated community. Échte dialoog, dwars door bubbelwanden heen, vindt nog maar zelden plaats. Mensen lijken soms in verschillende werelden te leven, compleet met “alternatieve feiten” (Trump).

Vanuit Buber gezien is deze ontwikkeling funest voor onze (mede-)menselijkheid. De “gehele mens”, aldus Buber, is “de mens mét de mens”, de dialogische mens. Er gaat dan ook iets fundamenteel mis als de maatschappij zo wordt ingericht dat mensen steeds meer ‘een nummer’ worden, als mensen primair op hun financiële eigenbelang worden aangesproken en niet op hun medemenselijkheid, als mensen niet meer openstaan voor elkaar en hun onderlinge communicatie stokt. In plaats van door de dialogische Ik-Jij-relatie wordt de samenleving dan in toenemende mate beheerst door de instrumentele Ik-Het-relatie, waarin mensen elkaar – maar bijvoorbeeld ook dieren en de natuur – als dingen gebruiken.


Buber en de ecologie

Buber breidde de dialogische zijnswijze ook uit tot de niet-menselijke natuur. Niet alleen mensen, ook dieren, bomen en planten, ja zelfs de niet-levende natuur – van stenen tot sterren – verdienen volgens Buber onze dialogische achting. In het nawoord bij Ich und Du stelt hij dat wij “niet slechts met andere mensen, maar ook met wezens en dingen die ons in de natuur tegemoet treden, in de Ik-Jij-verhouding kunnen staan”. Dan pas verschijnen deze “wezens en dingen” écht aan ons – het hele heelal komt pas tevoorschijn als we voor de ontmoeting ermee openstaan. In die zin spreekt Buber van “de stromende al-wederkerigheid”, in de Engelse vertaling van Ich und Du vertaald als “the streaming mutual life of the universe”.

Dit is een van de meest bekritiseerde aspecten van Bubers filosofie. Men vond dat hij terugviel in een primitief, animistisch wereldbeeld, waarin alles bezield is en alle dingen ons als personen tegemoet treden. Het unieke van de dialogische relatie zou daardoor uit het zicht verdwijnen. Zo werd Buber met name door Levinas verweten dat hij de ethische betekenis van de Ik-Jij-relatie teniet zou doen door deze tot niet-menselijke zijnden uit te breiden; tegenover stenen, planten of dieren kunnen we toch niet dezelfde ethische relatie hebben als tot mensen?! Wat destijds echter wrevel en onbegrip opriep, blijkt nu – in het tijdperk van klimaatverandering en ecologische crisis – voor velen juist aantrekkelijk te zijn. We kunnen zelfs stellen dat Buber binnen de ecologische beweging een comeback beleeft. Zo stelt de bekende degrowth-denker Jason Hickel met een verwijzing naar Buber dat de ecologie schreeuwt om een nieuw wereldbeeld waarin “tussen-zijn (inter-being)” centraal staat, om zo de onderlinge verbondenheid van organismen in ecosystemen – inclusief de mens – recht te kunnen doen. “In zo’n wereldbeeld bestaat het voornaamwoord ‘Het’ niet. Alles is ‘Jij’,” aldus Hickel.


Complottheorieën en het “demonische Jij”

Deze dialogische openheid naar elkaar en naar de natuur zijn we steeds verder kwijtgeraakt. En daardoor, zo leert Buber ons, boeten we aan menselijkheid in. We zien de ontmenselijking om ons heen oprukken. Online scheldpartijen, verhuftering in het verkeer, doodsbedreigingen, de onmenselijke behandeling van asielzoekers, de toename van extreme shock-horror in films en series, het wijdverbreide cynisme en nihilisme (“het klimaat is toch al naar de klote”, “ongelijkheid zal er toch altijd zijn”), de ‘beestachtige’ behandeling van dieren in de bio-industrie, de verharding van het publieke debat op sociale media en in de Tweede Kamer – allemaal symptomen van een tekort aan medemenselijkheid. 

Een bijzonder verontrustend voorbeeld vind ik het brede geloof in complottheorieën – zoals de bizarre reptielen-theorie van de Britse complotdenker en antisemiet David Icke. Volgens Icke proberen buitenaardse “reptilians” de macht op aarde over te nemen – reptielachtige wezens die op mysterieuze wijze een mensachtige gedaante aan kunnen nemen en daarbij heel toevallig vaak als Joden verschijnen. De Joodse bankiersfamilie Rothschild zou volgens Icke hun aanvoerder zijn. Kortom, antisemitisme in een shock-horror-science-fiction-jasje. Je zou denken dat niemand met ook maar een greintje verstand hier geloof aan zou hechten. Toch lopen talloze mensen hier achteraan – normale mensen, van wie je zoiets nooit zou verwachten. Hoe kan dat? 

In Ich und Du spreekt Buber treffend van het “demonische Jij”, de verwrongen ervaring van de medemens die optreedt zodra de dialoog tussen mensen fundamenteel verstoord wordt. In dergelijke tijden van vervreemding en ontmenselijking, zegt Buber, gaat het “demonische Jij” overheersen: “het demonische Jij voor wie niemand anders een Jij kan worden”. Mensen ervaren elkaar niet meer als medemensen, maar in het beste geval als neutrale dingen, in het ergste geval als angstaanjagende vreemdelingen, ja – om in de sfeer van David Icke te blijven – als ‘reptielen’ die haaks staan op onze aangeboren behoefte aan medemenselijkheid. De één wordt een “demonisch Jij” voor de ander. Vervolgens wordt dit sociaal-psychische trauma in de politiek uitgeleefd door de fascistische leider, die de algehele ontmenselijking openlijk uitspreekt en belichaamt. Zo is voor Buber de fascistische leider zelf het ultieme “demonische Jij”, de leider die zijn eigen (mede-)menselijkheid uitschakelt door een bepaalde groep in de samenleving te dehumaniseren en als dé schuldigen van alle misère aan te wijzen (de ‘reptielen’) – een politieke strategie die Buber als Jood in nazi-Duitsland aan den lijve heeft meegemaakt. 


Onvermijdelijke ‘bewustzijnsbubbels’

Zo laat de bubbelficatie het gelijk van Buber zien: als we onze medemenselijkheid uit het oog verliezen, als we niet meer met elkaar het gesprek aan kunnen gaan, dan tast dat onze menselijkheid aan. Maar de bubbelficatie laat ook nog op een andere manier het gelijk van Buber zien. Zij maakt namelijk duidelijk dat bubbels in zekere zin onvermijdelijk zijn en dat daarom de dialogische zijnswijze óók onvermijdelijk is. Tenminste, dat is de les die ik persoonlijk uit de opkomst van complottheorieën heb geleerd. Toen in 2020 het fenomeen van het complotdenken voor het eerst breed doorbrak (aangejaagd door de coronacrisis, de “Great Reset” van het WEF en Trumps beschuldiging dat Biden de verkiezingen had gestolen), was dat voor mij – net als voor vele anderen – een grote schok. Hoe konden zoveel mensen geloof hechten aan theorieën die in mijn ogen evident absurd waren? Het drukte mij met de neus op het feit dat we allemaal – onherroepelijk – ons eigen, unieke perspectief op de werkelijkheid hebben. Wat voor mij vanzelfsprekend ‘de waarheid’ is, hoeft dat voor een ander blijkbaar niet te zijn: voor hem of haar is ‘mijn waarheid’ misschien wel een evidente leugen of illusie.

Natuurlijk zijn veel van de informatiebubbels waar we inzitten te vermijden. Déze bubbels hebben te maken met traditionele vooroordelen, gebrekkig onderwijs, maatschappelijke klassenverschillen, politieke propaganda of algoritmes van sociale media die mensen uitsluitend “gepersonaliseerde feeds” voorschotelen. Dit soort bubbels zijn, door middel van kritisch onderzoek, open te breken. Maar er is ook een bubbel waar we onmogelijk uit kunnen stappen, de bubbel van ons eigen bewustzijn. Geen twee mensen zijn precies hetzelfde en daarom ervaart ieder mens de wereld op z’n eigen unieke manier. “De wereld is mijn waarneming”, zo kan ieder van ons stellen. Wordt er ergens een symfonie uitgevoerd, dan horen alle aanwezigen hun eigen versie. In feite klinken er dan net zoveel verschillende uitvoeringen als dat er mensen in het publiek en in het orkest zitten. Dé werkelijkheid kennen we niet; we kennen alleen onze waarneming ervan.

Niemand kan jouw positie, het standpunt van waaruit jij de wereld ervaart, innemen. Dat is alleen al fysiek onmogelijk, omdat niemand anders kan staan waar jij staat: jouw positie in ruimte en tijd is per definitie uniek. Ook in alle andere opzichten is jouw perspectief uniek: niemand anders heeft jouw lichamelijke constitutie, heeft jouw karakter, heeft jouw voorkeuren en antipathieën, heeft jouw opvoeding gehad, heeft jouw sociale positie, heeft jouw toekomstverwachtingen, heeft meegemaakt wat jij in de loop der jaren hebt meegemaakt. Daarom smaakt koffie voor jou zoals het voor niemand anders smaakt, zie jij een film zoals niemand anders die ziet, ervaar jij liefde en haat zoals niemand anders die emoties ervaart, heb jij bepaalde gevoelens en associaties bij zaken als familie, school, werk, relaties die niemand anders heeft. Daarom ervaart niemand de wereld zoals jij en bestaat die ervaringswereld alleen voor jou. 


Bubers pleidooi voor kwetsbare openheid

En toch – en dat is een groot filosofisch raadsel – leven we allemaal samen in dezelfde wereld: we komen elkaar tegen op straat, in de winkel, op het werk, de sportclub, in de Tweede Kamer. We leven op dezelfde planeet en worden geconfronteerd met dezelfde maatschappelijke problemen, zoals oorlog, inflatie, ongelijkheid, klimaatverandering – problemen die we alleen samen kunnen oplossen. Maar dat kunnen we alleen als we het ook eens zijn óver die gedeelde wereld. Als iedereen gevangen blijft in z’n privé-bewustzijn, levend in z’n privé-wereld, dan kunnen we het democratische proces van collectieve probleemoplossing wel op onze buik schrijven. Enerzijds kan ik niet buiten mijn bewustzijnsbubbel stappen: de wereld blijft altijd míjn waarneming ervan. Anderzijds moet ik die schijnbaar onmogelijk sprong toch wagen als ik met anderen wil samenleven – ja, in zekere zin heb ik die sprong altijd al gewaagd, aangezien ik mijzelf ín de wereld aantref, een wereld die ik met anderen deel. “De wereld zit in mijn hoofd, maar mijn lichaam zit in de wereld”, zo formuleerde de Amerikaanse schrijver Paul Auster deze paradox.

Uiteindelijk is het deze paradoxale situatie, deze condition humaine, die het gelijk van Buber laat zien, dwz. de onvermijdelijkheid van de dialogische zijnswijze. Omdat we onmogelijk buiten onze individuele bewustzijnsbubbels kunnen stappen, kunnen we niet anders dan onze principiële feilbaarheid toegeven. Op deze fundamentele onzekerheid is de even fundamentele noodzaak van dialoog gefundeerd. We kunnen niet anders dan erkennen dat de ander evenveel – of even weinig – recht heeft om de waarheid te claimen als wij. Toegegeven, de verleiding is soms groot om onszelf dogmatisch af te sluiten en ons wereldbeeld superieur te wanen, alsof wij ‘de Waarheid’ in pacht zouden hebben. Zeker als de tegenpartij evidente onzin uitkraamt. Maar vroeg of laat lopen we tegen de lamp: de werkelijkheid zal altijd nét een beetje (of een beetje veel) anders zijn dan we dachten. 

We blijven altijd beperkte, unieke individuen, met beperkte, unieke bewustzijnsbubbels. Dé Waarheid ontglipt ons principieel. De enige manier om de beperktheid van ons eigen perspectief te overwinnen, is door de confrontatie met andere perspectieven aan te gaan, door ons kwetsbaar op te stellen en dialogisch open te staan voor anderen. Als álle perspectieven relatief zijn geworden, is het enig overgebleven absolute de dialoog tússen de perspectieven, wat Buber “das Zwischen” noemde: “Op de smalle richel tussen subjectiviteit en objectiviteit, waar Ik en Jij elkaar ontmoeten, is het Rijk van het Tussen.” Is dat uiteindelijk niet wat een samenleving is? Een bonte verzameling van talloze bewustzijnsbubbels die alleen door onderlinge dialoog tot waarheid kunnen komen? 

Zonder deze dialoog zijn we niets meer dan “idioten” – in de oorspronkelijke betekenis van het oud-Griekse woord “idiōtēs”, dat zoiets als “privé-persoon” betekent, dwz. iemand die buiten de samenleving staat, iemand die niet deelneemt aan “het gesprek dat wij zijn” en zo opgesloten blijft in zijn privé-bewustzijnsbubbel. De Griekse filosoof Socrates, de leraar van Plato, was volgens het orakel van Delphi “de meest wijze van alle Grieken” juist omdat zijn persoonlijke motto luidde: “Het enige dat ik weet is dat ik niets zeker weet.” Daarom bestond Socrates’ filosofische methode volledig uit het voeren van gesprekken met anderen. Deze dialogische oorsprong van de Griekse filosofie klinkt – bemiddeld door de Joodse dialoog met God – duidelijk door in Bubers dialogische filosofie.

Niemand kan in het hoofd van een ander kijken, niemand kan voelen wat een ander voelt. Wat er precies in een ander omgaat – een mens, een dier, een boom, een ster of een steen – we weten het niet. Dat is precies het Mysterie van de Ander. In die zin zegt Levinas treffend, wederom een Buberiaans inzicht verwoordend: “Een mens ontmoeten betekent door een mysterie wakker gehouden worden.” Dit ondoorgrondelijke Mysterie van de Ander is voor Buber een van de betekenissen van “God”, dwz. het Eeuwige Jij: datgene wat ons steeds weer uitdaagt, uit onze tent lokt en verleidt tot de kwetsbare openheid van de dialogische zijnswijze.