De actualiteit van het freudo-marxisme – Deel 1 De contradictie van het hedofascisme

Verschenen bij Civis Mundi, januari 2026.


Intro: ‘Enjoy/Repress!’
Er is iets geks aan de hand met rechtspopulistische ‘geweten’ van Trump en consorten. Of, als deze ethische term hier slecht op z’n plaats lijkt, met het rechtspopulistische superego (Über-Ich), zoals Freud die psychische instantie noemde die ons schuldig laat voelen en beveelt wat we moeten of juist verbiedt wat we niet mogen. In het rechtspopulisme heeft dit superego namelijk een contradictoire vorm aangenomen, waarbij dat wat ons consumentistisch bevolen wordt, namelijk onbeperkt genieten, ons tegelijk in zijn seksuele gedaante conservatief verboden wordt: Enjoy/Repress!

        Deze paradox laat zich goed illustreren aan de hand van een recent artikel van Thijs Lijster in De Groene Amsterdammer (2025), waar hij de meest extreme tendens in het huidige rechtspopulisme treffend kenschetst als hedofascisme, een samentrekking van “hedonisme” en “fascisme”. Hij wijst daarmee op het aanzienlijke verschil met het klassieke fascisme van de jaren ‘20 en ‘30: “Waar de Duce zich liet fotograferen met ontbloot en gespierd bovenlijf [...], daar gaat the Donald op de foto met driehonderd hamburgers.” (Lijster 2025, 46). De hamburgers symboliseren volgens Lijster wat het huidige fascisme uniek maakt als hedo-fascisme, namelijk “de belofte van een terugkeer naar excessieve consumptie” (Lijster 2025, 46). 

Het klassieke fascisme draaide om afzien, om militaire discipline en zelfopoffering voor Volk en Natie. Hedonisme werd veroordeeld als linkse, ontaarde decadentie, waar het fascisme zich als het bittere medicijn voor zag. Het hedofascisme is weliswaar ook sterk nationalistisch (Make America Great Again, Wij zijn Nederland), maar – zoals Lijster terecht opmerkt – dit nationalisme draait om “een gemeenschap die niks kost” (Lijster 2025, 47), dwz. geen zelfopoffering vereist maar juist recht geeft op white male privilege en het onbeperkte consumentisme waar links tegen te hoop loopt. Als het gaat om de relatie tot genot, zijn de rollen van links en rechts in de loop van enkele decennia omgedraaid, aldus Lijster: 


“Wat dit betreft ligt het hedofascisme niet enkel in het verlengde van de jaren dertig, maar evenzeer in dat van de jaren zestig [...]. Waren het toen de linkse bewegingen die succesvol een monopolie claimden op genot (vrije liefde, drugs, het breken van sociale normen), daar klinkt die claim nu het duidelijkst door bij extreem-rechts. Andersom wordt links tegenwoordig juist geassocieerd met het afzien van genot. Als links aan de macht is, zo heet het, mag je straks niets meer: niet meer op vakantie, niet meer barbecueën, niet meer flirten, geen foute grappen meer maken.” (Lijster 2025, 46).

 

Vandaar de aantrekkingskracht van de rechtspopulistische middelvinger tegenover het belerende ‘linkse vingertje’ van de politiek-correcte ‘deugneuzen’. Trump is dé belichaming van die middelvinger. Hij is daarmee volgens Lijster de ideale belichaming van het rechtspopulistische superego: 


“Trump belichaamt de imperatief om te genieten – niet toevallig ook de reclameslogan van zijn favoriete drankje: Enjoy! Zijn volgers worden daarmee opgezadeld met een gevoel dat niet genoeg te doen. Het superego, zo leert de psychoanalyse, zadelt ons op met een niet inlosbare schuld: we kunnen er nooit gerust op zijn dat we aan de verwachtingen van de vader hebben voldaan. Ook het verlangen van Trump is een schuld die we nooit volledig kunnen inlossen. Je kunt immers nooit genoeg genieten, je kunt altijd meer vreten en vervuilen, hardere grappen maken, meer pussies grabben. Er ligt altijd meer genot aan de horizon.” (Lijster 2025, 48) 


Niet voor niets werd Trump door NAVO-chef Rutte onlangs nog liefkozend als “pappie” aangeduid: “Daddy sometimes has to use strong language”, zei Rutte na een van Trumps woede-uitbarstingen. Trump met zijn driehonderd hamburgers is dé strenge vaderlijke autoriteit die als superego door de hedofascist is geïnternaliseerd (geïntrojecteerd zou Freud zeggen).

Hoe treffend Lijster de huidige politieke situatie echter ook verheldert, toch wringt er iets in zijn analyse van het hedofascisme. Eén aspect van de huidige opkomst van extreem-rechts laat hij namelijk buiten beschouwing: de strengere conservatieve seksuele moraal die steevast met deze opkomst gepaard gaat. Wat dat betreft heeft Lijster géén gelijk als hij stelt dat “het hedofascisme niet enkel in het verlengde van de jaren dertig [ligt], maar evenzeer in dat van de jaren zestig”. De seksuele revolutie van de jaren ‘60, met verworvenheden als anticonceptie, vrije liefde, recht op abortus, ruimte voor homo’s en lesbo’s, seksuele voorlichting, wordt juist in rap tempo afgebroken door figuren als Trump en Poetin.

Van Amerika tot Rusland, overal staan rechtspopulistische politici op die de seksuele vrijheden van vrouwen, queer- en trans-mensen willen terugdringen of zelfs helemaal afschaffen, ten faveure van een conservatieve patriarchale hetero-normativiteit. Ook in Nederland zien we deze ontwikkeling, getuige o.a. het jaarlijkse gekrakeel rond de “Week van de lentekriebels”, de seksuele voorlichting op scholen waar kinderen ‘geseksualiseerd’ zouden worden en blootgesteld aan ‘transgenderindoctrinatie’. Dat een aartsconservatieve club als Civitas Christiana met dergelijke absurde aantijgingen komt, is niet verwonderlijk; maar dat hun propaganda zoveel weerklank vindt in de bredere bevolking is des te opmerkelijker.

Als echter Enjoy! het superego-bevel van het hedofascisme is, hoe verhoudt zich dat dan tot het superego-verbod op seksueel genot – Repress! – dat uit het parallel oprukkende conservatisme spreekt? Zien we hier niet een rare tegenspraak in het rechtspopulistische superego, dat enerzijds in de vorm van het hedofascisme het hedonisme van de jaren ‘60 wil voortzetten of zelfs intensiveren, maar tegelijk in zijn conservatieve gedaante de seksuele revolutie van de jaren ‘60 wil terugdraaien? Vanwaar deze paradoxale, uiterst ambivalente verhouding tot genot die hedendaags rechts kenmerkt? Hoe kunnen we dit vanuit een links perspectief begrijpen?

Aangezien we hier te maken hebben met de psychoanalytische problematiek van het superego, ligt het voor de hand dat we gebruikmaken van de inzichten van het freudo-marxisme, de combinatie van marxistische kapitalismekritiek en Freudiaanse psychoanalyse, die in het westers marxisme zo’n belangrijke rol heeft gespeeld, van o.a. Reich, Fromm en Marcuse naar Zizek en McGowan. Vooral het freudo-marxisme van Marcuse zal hierbij relevant blijken: zijn centrale begrippenpaar van surplus-repressie en repressieve de-sublimatie drukt precies deze paradoxale ambivalentie ten opzichte van genot uit. Via Marcuse kunnen we het ‘gespleten geweten’ van het hedofascisme begrijpen als de psychische uitdrukking van de interne contradictie van het neoliberalisme, dwz. de contradictie tussen ongebreideld consumentisme en neoliberale precariteit. Tot slot kijken we naar wat dit betekent voor de vooruitzichten voor linkse politiek.

Enjoy! Het consumentistisch superego
Om de contradictie in het rechtspopulistische superego te begrijpen, is Freud op zich ongeschikt; zijn psychoanalyse kent immers uitsluitend het repressieve superego. Volgens Freud ontstaat het superego als de geïnternaliseerde (geïntrojecteerde) autoriteit van de strenge vader en in het verlengde daarvan de autoriteit van de maatschappij die van haar leden eist dat ze (samen-)werken in plaats van zelfzuchtig hun genot na te jagen. Wat Freud afwisselend “het lustprincipe, libido, Eros en levensdrift” noemde – het verlangen naar zintuiglijke levenslust, die in de seksuele lust letterlijk en figuurlijk tot een ‘hoogtepunt’ komt – moet ten faveure van de beschavingsarbeid onderdrukt worden en woekert als gevolg daarvan ‘ondergronds’ verder in het door Freud als een der eersten systematisch onderzochte onbewuste. 


Een superego dat Enjoy! beveelt zou voor Freud even absurd zijn als een vader die zijn zoon beveelt om met zijn moeder te trouwen. Toch is het hedonistische superego niet onbekend in de latere psychoanalyse. Begin jaren ‘70, in reactie op de seksuele revolutie en de anti-autoritaire ideeën van mei ‘68, signaleerde de Franse psychoanalyticus Lacan dat de imperatief Jouir! (Geniet!) was uitgegroeid tot nieuw superego, concurrerend met het oude door Freud geanalyseerde repressieve superego. Lacan was uiterst kritisch op de linkse studentenbeweging en betoogde dat achter hun soms gewelddadige rebellie tegen alle autoriteiten en vader-figuren zoals een van hun slogans luidde: “Het is verboden om te verbieden” een heimelijk verlangen schuilging naar een nieuwe vader-autoriteit, een nieuw superego dat zijn uitdrukking vond in het gebod om te genieten: “Niets dwingt ons te genieten behalve het superego. Het superego is de imperatief van genot (jouissance) – Geniet!” (Lacan 1999, 3)

Begin jaren ‘90 werd Lacans analyse van dit nieuwe superego door Zizek verder uitgewerkt. Met zijn eigenzinnige mix van marxisme, Lacaniaanse psychoanalyse en populaire cultuurkritiek kon Zizek een maatschappijkritische dimensie toevoegen, die bij Lacan ontbrak. Zoals de door Zizek beïnvloedde McGowan uitlegt: “Wat Lacan bij zijn theoretisering van het superego vergat is dat alleen in de kapitalistische moderniteit het superego de vorm aanneemt van een gebod om te genieten.” (McGowan 2025, 133) 

Volgens Zizek duidde de overgang van Freuds analyse van het superego naar Lacans analyse op een bredere, historische transformatie binnen het kapitalisme gedurende de 20e  eeuw: “Als de Freudiaanse theorie in haar traditionele configuratie toegesneden was op de verklaring van het standaard kapitalisme, dat steunde op een traditionele ethiek van beheersing en repressie, dan is Lacan perfect om de paradoxen van het permissieve laat-kapitalisme te verklaren.” (Zizek in Taylor 2005)

Zizek duidt hier op de overgang van klassiek kapitalisme, gebaseerd op uitbuiting van arbeid, naar postmodern laat-kapitalisme waar, zeker in het welvarende Westen, de uitbuiting verschoof naar de sfeer van consumptie. Freuds analyse van het repressieve superego moet volgens Zizek begrepen worden in het kader van de eerste fase, de klassieke uitbuiting: om de arbeider dienstbaar te maken aan het kapitaal, moest werken in de plaats komen van de drang om te genieten, die dus onderdrukt moest worden. In de diverse crises van de eerste decennia van de 20ste eeuw werd echter steeds duidelijker dat dit klassiek-kapitalistische ‘accumulatieregime’ niet volgehouden kon worden (zie Aglietta 1979). Om het door Keynes gevreesde spook van onderconsumptie uit te bannen, maar ook om arbeidersonrust en uiteindelijk revolutie te vermijden, werd na de Tweede Wereldoorlog de nivellerende verzorgingsstaat ingevoerd en werden de lonen verhoogd, zodat luxe-consumptie ook voor steeds meer arbeiders mogelijk werd. 

Daarmee onderging het accumulatieregime van het kapitalisme een drastische verandering. Om toch winst te garanderen, moest het kapitaal haar uitbuiting verschuiven van westerse arbeid naar nieuwe uit te buiten gebieden, met name westerse consumptie en niet-westerse arbeid, waar de klassieke uitbuiting naartoe verschoof. Naarmate westerse arbeiders meer gingen verdienen, werd het voor kapitalisten belangrijker hun consumptieve verlangens te beheersen, om zo de hogere loonkosten terug te verdienen en daarbovenop nog winst te maken ook. Constant toenemende consumptie werd een noodzaak om de kapitalistische winstmachine draaiende te houden. 


Het was deze maatschappelijke noodzaak tot consumptie die volgens Zizek tot uitdrukking kwam in het nieuwe hedonistische superego, dat Lacan als eerste aantrof in de linkse beweging van de jaren ‘60. Het kapitalisme dat de rebellerende studenten van mei ‘68 zo verfoeiden, floreerde in zijn nieuwe consumentistische vorm juist in de permissive society die door hun anti-autoritaire en seksuele revolutie was voorbereid. Daarmee bleef de door Freud geconstateerde link tussen superego en beschaving behouden, zij het dat de eisen van die beschaving – door de ontwikkeling van het consumptiekapitalisme – in hedonistische richting waren verschoven. Aldus McGowan: “De maatschappelijke eis van het kapitalisme is om complete bevrediging te bereiken [door consumptie], het superego is de psychische instantie die verantwoordelijk is voor het handhaven van deze eis.” (McGowan 2025, 133)


Marcuse’s positie tussen Freud en Lacan/Zizek

Aan de hand van Lacan, Zizek en McGowan begrijpen we nu hoe het hedofascistische verlangen naar excessieve consumptie wortelt in de consumentistische wending van het laat-kapitalisme. Het hedofascistische superego-gebod Enjoy! is het consumentistische superego on steroids zogezegd. Maar dat zegt nog niets over de conservatieve seksuele moraal die evenzeer deel uitmaakt van het huidige rechtspopulistische superego – iets waar zowel McGowan als Lijster aan voorbij gaan. We begrijpen, kortom, nog steeds niet waarom dit superego een in zichzelf tegenstrijdige vorm heeft aangenomen – Enjoy/Repress! Een ‘gespleten geweten’ waarin het genieten dat bevolen wordt tegelijk in zijn seksuele gedaante verboden wordt. 

Signaleerde Lacan begin jaren ‘70 dat het traditionele, genot-verbiedende en door Freud geanalyseerd superego was afgelost door het hedonistische superego van mei ‘68, nu lijkt het wel alsof het Freudiaanse superego een comeback heeft gemaakt en gebroederlijk naast het Lacaniaanse superego bestaat of zelfs daarmee versmolten is. Om dit te begrijpen, hebben we  zoals gezegd  Marcuse nodig. Zijn freudo-marxistische begrippenpaar van surplus-repressie en repressieve de-sublimatie drukt precies die ambivalente houding tegenover genot uit die zo kenmerkend is voor het hedofascisme. 

Wat dit betreft neemt Marcuse een verhelderende tussenpositie in tussen enerzijds de eerste freudo-marxisten, die nog dicht bij Freud stonden, en anderzijds de latere Lacaniaanse marxisten Zizek en McGowan. Dat is niet verwonderlijk, aangezien Marcuse ook in historisch opzicht een tussenpositie innam: nadat de eerste freudo-marxistische werken van Reich en Fromm in de jaren ‘30 en ‘40 waren verschenen, ontwikkelde Marcuse zijn eigen freudo-marxistische inzichten in de jaren ‘50 en ‘60, terwijl Lacans ideeën over het hedonistische superego pas begin jaren ‘70 ontwikkeld werden, waar Zizek vervolgens in de jaren ‘90 mee verder ging. Marcuse staat met zijn begrip “surplus-repressie” dichter bij zijn voorgangers Freud, Reich en Fromm, met zijn begrip repressieve de-sublimatie anticipeert hij op Lacan en Zizek. Deze tussenpositie maakt Marcuse bij uitstek geschikt om het ‘gespleten geweten’ van het hedofascisme vanuit freudo-marxistisch oogpunt begrijpelijk te maken.


Surplus-repressie: Marcuse’s historisering van Freud

Zoals gezegd plaatst Zizek het door Freud geanalyseerde repressieve superego in de context van het klassieke kapitalisme, waar de uitgebuite arbeider zich aan de eisen van de kapitalist moet aanpassen en daarom zijn libidinale drang tot levenslust moet onderdrukken. Het is precies deze connectie tussen economische uitbuiting en libido-onderdrukking die Marcuse met zijn notie van surplus-repressie begrijpelijk probeerde te maken. Hij reageerde daarmee tevens op een probleem dat in het vroege freudo-marxisme was ontstaan. 

Het probleem was dat Freuds psychoanalyse wezenlijk conservatief was, in die zin dat Freud libido-repressie zag als inherent aan beschaving als zodanig. Freud was niet zozeer conservatief uit politieke of religieuze overtuigingen (als psychoanalyticus maakte hij korte metten met de religieuze illusie), maar vooral uit een pessimistisch realisme. De voor de beschaving noodzakelijke libido-repressie zou altijd en overal een onbehagen in de cultuur met zich meebrengen, zoals Freud betoogde in zijn gelijknamige essay uit 1930. Voor dat knagende onbehagen is er geen psychoanalytische oplossing. Het is de prijs die we betalen voor beschaving. Het enige dat de psychoanalyse kon bieden was individuele therapeutische aanpassing aan het realiteitsprincipe en de daaruit volgende libido-repressie. Seksuele bevrijding kon voor Freud slechts terugval in prehistorische barbarij betekenen. 

Door Marx met Freud te verenigen, kortom, leken de freudo-marxisten bij voorbaat afstand te nemen van de mogelijkheid van een niet-repressieve samenleving. De uitdaging was om Marx en Freud zodanig te combineren dat er – ondanks het diepgewortelde conservatisme van de psychoanalyse – uitzicht bleef op een emancipatoir perspectief, voorbij het heersende kapitalisme. Het was bovenal Marcuse die deze uitdaging in Eros en cultuur (1955) op zich nam (zie Jay 1973, 106). Hij beantwoordde deze uitdaging door niet alleen Marx met Freud, maar omgekeerd ook Freud met Marx aan te vullen, oftewel door Marx te psychologiseren en Freud te historiseren.


Dat de psychoanalyse marxistisch geïnterpreteerd kon worden, werd overigens al door Freud zelf gesuggereerd, toen hij de interne connectie tussen economische schaarste en de noodzaak tot libido-repressie benadrukte. Zo zegt Freud in Het onbehagen in de cultuur dat libido-repressie wortelt in “de dwang van een economische noodzakelijkheid” (Freud 1999, 343). Volgens Freud was economische schaarste (Lebensnot) het onvermijdelijk lot van de mens, die echter tevens gekenmerkt zou worden door een “natuurlijke werkschuwheid” (Freud 1999, 318, n.13). Van nature zou de mens beheerst worden door een lustprincipe dat streeft naar onmiddellijke behoeftebevrediging met minimale inspanning; maar deze aangeboren hedonistische houding botst op de harde realiteit van de schaarste. Tegenover het lustprincipe zou daarom in de psyche een realiteitsprincipe ontstaan, dat de mens dwingt zijn behoeften uit te stellen of zelfs helemaal te onderdrukken en zijn driftenergie in te zetten voor nuttig werk. “Hier ligt een centrale gedachte van Freuds theorie”, aldus Marcuse: 


“Als er geen oorspronkelijke ‘arbeidsdrift’ is, dan moet de voor het onaangename werk nodige energie worden ‘onttrokken’ aan de primaire driften, dus aan de seksuele driften [...]. In Freuds ogen krijgt de cultuur dus ‘een groot quantum psychische energie’ dat ze nodig heeft door die aan de seksualiteit te onttrekken.” (Marcuse 2022, 98) 


Volgens Freud wordt het libido in naam van de beschaving onderdrukt en gesublimeerd, dwz. gekanaliseerd in nuttige arbeid en bevredigd op een ‘hoger’ niveau zoals in sport, wetenschap en kunst. Alleen in de vrije scheppingen van de verbeelding mag het lustprincipe zich nog min of meer onbeperkt uitleven; bevrediging is daar immers ‘slechts fantasie’, geen werkelijkheid en dus maatschappelijk ongevaarlijk.

Gedwongen door economische schaarste als het onvermijdelijke lot van de mensheid zou volgens Freud élke maatschappij aan de repressieve eisen van het realiteitsprincipe moeten voldoen. Marcuse meende echter dat Freud daarmee de historische relativiteit van het begrip ‘schaarste’ over het hoofd zag. Vanuit marxistisch oogpunt hangt de mate waarin een maatschappij geteisterd wordt door schaarste immers niet alleen af van de stand van de technologische ontwikkeling van de productiemiddelen, maar ook van de politiek-economische ordening van die maatschappij. Zo creëert een klassenmaatschappij kunstmatige schaarste, doordat de heersende klasse zich het gros van de welvaart toe-eigent, terwijl een egalitaire samenleving juist de schaarste voor iedereen kan minimaliseren door welvaart gelijk te verdelen. Freuds argument dat schaarste en dus libido-repressie inherent zijn aan elke beschaving ging er bij Marcuse dan ook niet in: 


“Dit argument, dat steeds weer in Freuds metapsychologie opdoemt, is echter onjuist in zoverre het deze situatie aan het brute feit van de schaarste toeschrijft. In werkelijkheid is de situatie echter het gevolg van een bepaalde maatschappelijke ordening van de schaarste [...].” (Marcuse 2022, 60) 


Door Marcuses marxistische historisering van de psychoanalyse wordt Freuds begrip van libido-repressie een stuk vloeibaarder. Om te beginnen moet er volgens Marcuse onderscheid worden gemaakt tussen ‘gewone’ basis-repressie (noodzakelijk voor beschaving als zodanig) en surplus-repressie. Deze laatste is de extra libido-repressie die nodig is om de onderdrukking in een klassenmaatschappij in stand te houden: 


“Surplusrepressie (overbodige, overmatige onderdrukking) gebruik ik als term voor de beperkingen die nodig worden door de sociale overheersing. [...] Deze additionele controles, die verder gaan dan de voor een menselijke samenleving noodzakelijke, komen voort uit de specifieke instellingen van maatschappelijke en culturele overheersing [...].” (Marcuse 2022, 59-61) 


Dat Marcuse hier het voorvoegsel ‘surplus-’ gebruikt, duidt niet alleen op wat hij het “overbodige, overmatige” karakter van deze repressie noemt, die louter het gevolg is van klasse-overheersing (en dus niet van de eisen van beschaving als zodanig). Voor de goede (dwz. marxistische) verstaander is het tevens een impliciete verwijzing naar Marx’ begrip van “surplus-waarde”, waarop elke klassenmaatschappij is gebaseerd. Surplus-waarde is bij Marx wat de arbeidende klasse extra produceert (door surplus-arbeid), bovenop de minimale welvaart die de arbeidersklasse voor haar voortbestaan nodig heeft (waarbij de feitelijke vaststelling van dit minimum altijd het resultaat is van klassenstrijd). Het is dit economisch surplus dat door de heersende klasse wordt afgeroomd en dat haar klassenheerschappij in stand houdt (bijv. doordat het in staat stelt om een militair apparaat te bekostigen, om de arbeidersklasse in het gareel te houden). Surplus-repressie is bij Marcuse de extra libido-repressie die nodig is voor psychische aanpassing aan klasse-overheersing en de bijbehorende kunstmatige schaarste, die door afroming van de surplus-waarde ontstaat.


Door deze marxistische herinterpretatie van de psychoanalyse kon Marcuse het conservatisme van Freud omzeilen en uit het freudo-marxisme een revolutionair perspectief afleiden (zie Robinson 1969, 218). Om te beginnen zou het door Freud onmogelijk geachte “psychoanalytisch Utopia” van een “niet-repressieve beschaving” (Marcuse 2022, 143) een stuk dichterbij komen in een klassenloze maatschappij, waar geen surplus-repressie van het libido meer nodig is om de klasse-overheersing en bijbehorende surplus-productie in stand te houden. Een dergelijke “volwassen beschaving” zou volgens Marcuse zodanig zijn “dat de moeiteloze bevrediging van behoeften mogelijk zou worden zonder dat deze bevrediging nog langer systematisch zou worden verhinderd door overheersing. [...] Eros, de levensdrift, zou in ongekende mate worden vrijgemaakt.” (Marcuse 2022, 162) Daarvoor is echter wel een revolutionaire transformatie van het kapitalisme nodig, want “de erotische energie van de levensdriften kan niet worden bevrijd onder omstandigheden van louter op winst gerichte welvaart” (Marcuse 2022, 28). De seksuele revolutie moest tevens een socialistische revolutie zijn. 


De ‘techno-erotische utopie’ van een niet-repressieve samenleving

Maar socialisme alleen is volgens Marcuse niet voldoende om het “psychoanalytisch Utopia” van een “niet-repressieve samenleving” te realiseren. Daarvoor is ook technologische ontwikkeling nodig. Want, zo betoogt Marcuse in lijn met Marx’ nadruk op het belang van technologische ontwikkeling van de productiemiddelen: hoe verder de technologie ontwikkeld wordt, hoe hoger de economische productiviteit en algehele welvaart, hoe minder de schaarste en freudiaans gezien hoe minder libido-repressie er nodig is om de beschaving draaiende te houden. Kortom, waar socialistische herverdeling slechts afrekent met surplus-repressie, daar vermindert de technologische ontwikkeling van de productiemiddelen de maatschappelijke noodzaak van basis-repressie als zodanig. “Immers,” zo legt Marcuse uit, 


“de behoefte aan [seksuele] onthouding en inspanning [door onaangename arbeid] is dan sterk verminderd door de materiële en intellectuele vooruitgang, en de beschaving zou het zich in feite kunnen veroorloven een aanzienlijke hoeveelheid voor beheersing en zware arbeid gereserveerde energie vrij te geven.” (Marcuse 2022, 103-104) 


In die zin is het “psychoanalytisch Utopia” van de niet-repressieve samenleving voor Marcuse óók een technologische utopie, een ‘techno-erotische utopie’ zogezegd. Volgens Marcuse lag de mogelijkheid daarvan besloten in de ontwikkeling van het kapitalisme zelf. Gedreven door de logica van winstmaximalisatie zal elke kapitalist er naar streven om de productiekosten naar beneden te brengen, en dus om dure menselijke arbeidskracht zoveel mogelijk overbodig te maken door technologische alternatieven. Van stoommachine tot lopende band, van automatisering tot volledige robotisering, van rekenmachine tot zelfstandig werkende AI – het kapitalisme elimineert steeds verder de menselijke factor in het productieproces. Het ideale eindresultaat, zo voorzag Marcuse in lijn met Marx, is een situatie waarin de noodzaak voor menselijke arbeid geheel is verdwenen: 


“Het lijkt erop dat automatisering tot aan de grenzen van de technische mogelijkheden onverenigbaar is met een samenleving die gebaseerd is op de private exploitatie van menselijke arbeidskracht in het productieproces.” (Marcuse 2023, 68) 


In navolging van Marx spreekt Marcuse hierbij van het “Rijk van de Vrijheid” dat mogelijk wordt door de technologische overwinning op het “Rijk van de Noodzaak”, dwz. de “natuurlijke staat” waarin de mens gedwongen door schaarste moet werken. Wat Marcuse echter aan Marx toevoegt is het psychoanalytische idee dat in deze utopische situatie, waarin menselijke arbeid door technologie overbodig is gemaakt, er dus ook geen libido-repressie meer nodig is. Het technologische “Rijk van de Vrijheid” is voor Marcuse tevens het rijk van het volledig bevrijde libido, het “psychoanalytisch Utopia” van de niet-repressieve samenleving:


“De technologische processen [...] zouden de individuele energie kunnen vrijmaken voor een nog niet te overzien bereik van de vrijheid, voorbij de pure noodzaak. [...] Het zou de mogelijkheid openen van een wezenlijk nieuwe menselijke werkelijkheid – namelijk een bestaan in vrije tijd op basis van vervulde levensbehoeften.” (Marcuse 2023, 36, 249)


Voor Marcuse was de snel groeiende welvaart in de “geavanceerde industriële maatschappijen” van de jaren ‘50 en ‘60 een belangrijke stap in de richting van deze ‘techno-erotische utopie’: 


“Sinds het ontstaan van de geïnstitutionaliseerde onderdrukking als beschavingsmodel geldt schaarste als haar rechtvaardiging, maar dat argument gaat steeds minder op. Naarmate de menselijke kennis toeneemt en de beheersing van de natuur de middelen verruimt om menselijke behoeften te vervullen met een minimum aan zware arbeid, is schaarste steeds minder aan de orde in de technologisch-industriële samenleving.” (Marcuse 2022, 107) 


Inderdaad lieten de westerse welvaartsmaatschappijen een steeds grotere seksuele vrijheid zien, uitmondend in de seksuele revolutie van de jaren ‘60. Volgens Marcuse was deze seksuele bevrijding dus materialistisch mogelijk gemaakt door de enorme welvaartsgroei, die zoals gezegd door de Keynesiaanse verzorgingsstaat ook aan de arbeidersklasse ten goede kwam, waardoor schaarse en de noodzaak tot basis-repressie van het libido afnamen.


Lees deel 2 hier.

Gebruikte literatuur
Aglietta, Michel. 1979. A Theory of Capitalist Regulation: The US Experience. New Left Books. 

Freud, Sigmund. 1999. “Het onbehagen in de cultuur”. In Sigmund Freud: Beschouwingen over cultuur, edited by W. Oranje. Boom.

Harvey, David. 2007. A Brief History of Neoliberalism. Oxford University Press.

Jay, Martin. 1973. The Dialectical Imagination: A History of the Frankfurt School en de Institute of Social Research 1923-1950. Little, Brown and Company. 

Lacan, Jacques. 1999. On Feminine Sexuality: The Limits of Love and Knowledge, 1972-1973. W.W. Norton & Company.

Lazzarato, Mauritio. 2011. The Making of Indebted Man. Semiotext(e).

Lijster, Thijs. 2024. Frankfurter Schule. Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Lijster, Thijs. 2025. “Hedofascisme: Ideologie van het ongebreidelde verlangen.” De Groene Amsterdammer, 149 (21): 46-49.

Marcuse, Herbert. 1965. “Perspektiven des Sozialismus in der entwickelten Industriegesellschaft.” Praxis 1 (23): 260-70.

Marcuse, Herbert. 2022. Eros en cultuur: Een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud. Erven J. Bijleveld.

Marcuse, Herbert. (2023). De eendimensionale mens: Studie over de ideologie van de geavanceerde industriële samenleving. Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Marcuse, Herbert. 2025. “Repressieve tolerantie.” In Herbert Marcuse: Zes actuele essays, edited by A. Glaudemans. Bunbury Books.

McGowan, Todd. 2025. Pure Excess: Capitalism and the Commodity. Columbia University Press.

Ortegren, Francesca. 2021. “An Unsettling Look into the History of Credit and Financial Literacy in America”, https://listwithclever.com/research/history-debt-to-income-ratio/ 

Robinson, Paul A. 1969. The Freudian Left: Wilhelm Reich, Geza Roheim, Herbert Marcuse. Harper & Row. 

Rotmans, Jan. 2021. Omarm de chaos. De Geus.

Sousa, Michael D. 2023. “Consumer Bankruptcy in the Neoliberal State”, in: Emory Bankruptcy Developments Journal, volume 39, issue 2, pp. 199-283.

Standing, Guy. 2011. The Precariat: The New Dangerous Class. Bloomsbury.
Stein, Ben. 2006. “In Class Warfare, Guess Which Class is Winning.” The New York Times, November 26. https://www.nytimes.com/2006/11/26/business/yourmoney/26every.html 

Taylor, Astra. 2005 “Žižek!” Documentaire uitgebracht door Zeitgeist Films. De geciteerde uitspraak van Zizek volgt na 42 minuten. https://www.youtube.com/watch?v=HTRYtuMxEKg



No comments:

Post a Comment