Het imperialisme is de politieke uitdrukking van het accumulatieproces van het kapitaal in zijn concurrentiestrijd om de restanten van het nog niet in beslag genomen niet-kapitalistische wereldmilieu. (Rosa Luxemburg)
Met de recente geopolitieke ontwikkelingen – Ruslands invasie van Oekraïne, China’s steeds agressievere claim op Taiwan en Amerika’s militaire interventie in Venezuela en dreigende taal richting Groenland – heeft het oude begrip “imperialisme” een nieuwe relevantie gekregen. Het is inmiddels overduidelijk dat autoritaire grootmachten bezig zijn onderling de wereld te verdelen in ‘invloedssferen’. Wat de democratische wil is van de bewoners van deze ‘achtertuinen’ doet niet ter zake; alles draait om de Realpolitik van de machtscentra.
Met name in het marxistische denken ten tijde van de Eerste Wereldoorlog heeft het begrip “imperialisme” een belangrijke rol gespeeld, met Rosa Luxemburg en Lenin als belangrijkste theoretici. Dat juist in die tijd het marxistische denken over imperialisme een hoge vlucht nam, is begrijpelijk: de Eerste Wereldoorlog was grotendeels het resultaat van de botsende belangen van de westerse koloniale grootmachten, die onderling de wereld hadden verdeeld. Toen er niets meer te verdelen viel, moesten ze onderling wel in conflict komen.
Wat marxistische theoretici als Luxemburg en Lenin daarbij lieten zien was dat dergelijke imperialistische conflicten noodzakelijk volgden uit de aard van het kapitalisme zelf: het kapitalisme is wezenlijk gericht op kapitaal-accumulatie en dus economische groei, en heeft daarom altijd nieuwe afzetmarkten, nieuwe reservelegers van goedkope arbeid en nieuwe grondstoffenbronnen nodig. Deze inherente “expansionistische logica” van het kapitalisme leidt vanzelf tot imperialisme: de kapitalistische elites van de verschillende landen hebben er alle belang bij dat hún regeringen alles in het werk stellen om die kapitalistische expansie mogelijk te maken – door het openen van nieuwe overzeese afzetmarkten (desnoods met geweld, zoals de Britten destijds met kanonnen de Chinese markt hebben geopend voor Indiase opium) en door de verovering van nieuwe kolonies met goedkope arbeidskrachten en rijke grondstoffen-bronnen.
Dat het juist nu van belang is om deze marxistische analyses van het kapitalistisch imperialisme af te stoffen en opnieuw tot ons te nemen, volgt uit het onloochenbare feit dat ook het huidige imperialisme van de grootmachten Amerika, China en Rusland een typisch kapitalistisch imperialisme is. Al deze landen zijn immers kapitalistisch of staatskapitalistisch: in Rusland is het Sovjet-communisme immers allang ingestort en ook “Volksrepubliek” China is alleen nog in naam “communistisch”. Vanaf 1979, onder leiding van Deng Xiaoping, heeft communistisch China zich gradueel opengesteld voor kapitalistische marktwerking en investeringen, met als gevolg dat China nu dé goedkope werkplaats is voor het geglobaliseerde kapitalisme.
Met andere woorden: de geopolitieke rivaliteit tussen de VS, China en Rusland is geen ideologisch conflict meer, zoals tijdens de Koude Oorlog (kapitalisme vs. communisme). Het is een puur intra-kapitalistische rivaliteit, dwz. tussen verschillende, natie-gebonden kapitalistische elites: Russische oligarchen, de machthebbers van het Chinese staatskapitalisme en de Amerikaanse grootkapitalisten – zíj zijn de werkelijke krachten achter de huidige imperialistische wedloop om geopolitieke macht. Het huidige imperialisme is slechts kapitalistische concurrentie op mondiaal niveau.
Uiteraard proberen de desbetreffende kapitalistische elites ons anders te doen geloven: zij proberen uit alle macht hun respectievelijke bevolkingen ervan te overtuigen dat het wel degelijk gaat om een ideologisch (en dus gerechtvaardigd) conflict tussen het Westen en de BRICS-landen, namelijk tussen democratie en dictatuur (vanuit het ‘vrije Westen’ gezien) of tussen westerse ontaarde decadentie en oosters traditionalisme (zie bijvoorbeeld Ruslands retoriek over “Gayropa”). Ook het rechtspopulisme en neofascisme proberen hier een legitiem conflict te zien, een raciaal-cultureel conflict tussen verschillende etnische identiteiten, zoals de superieure beschaving van het ‘blanke Westen’ dat bedreigd wordt door inferieure, gekleurde, niet-westerse immigranten, etc.
Voor socialisten is het hierbij van het allergrootste belang om deze nationalistische en cultureel-racistische praatjes te ontmaskeren voor wat zij zijn, namelijk cynische verdeel-en-heersstrategieën, waarmee de verschillende nationale kapitalistische machtsblokken proberen om hun bevolkingen aan zich te binden en te mobiliseren in de imperialistische strijd tegen andere landen en andere volkeren.
Dat het geopolitieke conflict tussen de grootmachten geen politiek-ideologisch conflict is, wordt met name duidelijk ten aanzien van het thema “democratie”. Met name liberale politici mogen de geopolitieke machtsstrijd tussen het Westen en de BRICS-landen graag framen als een strijd tussen democratie en autocratie. Maar het is duidelijk dat die vlieger steeds minder opgaat, nu ook in het Westen door de opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme – zie Trump in de VS – de democratie steeds verder onder druk staat. Waar de Amerikaanse pogingen tot regime change in Afghanistan en Irak destijds nog met een universalistisch beroep op democratie en mensenrechten werden gerechtvaardigd, daar neemt Trump nu niet eens meer de moeite om zijn militaire interventie in Venezuela te framen als een nobele poging om de Venezolaanse democratie en rechtsstaat te herstellen; hij is bereid samen te werken met het repressieve Venezolaanse staatsapparaat, vertegenwoordigd door vicepresident Delcy Rodríguez, zolang Amerika maar controle krijgt over de Venezolaanse olievoorraden. De Venezolaanse oppositie, die zoveel had verwacht van Trumps interventie – herstel van de democratie, vrijlating van de politieke gevangenen –, blijft gedesillusioneerd achter. Het particuliere eigenbelang van Trumps machtsstreven prevaleert open en bloot, zonder schaamte.
Kortom, de huidige geopolitieke rivaliteit tussen de grootmachten is geen conflict meer tussen liberale democratie en illiberale autocratie. Het is, zoals gezegd, slechts een uit de hand gelopen economisch conflict tussen verschillende machtsblokken binnen één-en-hetzelfde wereldwijde kapitalisme. Een kapitalisme dat in toenemende mate ondemocratisch is.
Dat heeft overigens niet alleen te maken met de – zorgwekkende – opkomst van het rechtspopulisme en neofascisme in heel de westerse wereld (en in Rusland met Poetin, die ideologisch nauw aan Trump verwant is). Deze ondemocratische tendens in het kapitalisme gaat veel verder terug in de tijd. Zo is de politiek al sinds de neoliberale globalisering rond 1990 steeds technocratischer geworden, in die zin dat landen zich in toenemende mate moesten voegen naar de dictatoriale ‘eisen van de wereldmarkt’. Politieke keuzes, zoals het wegbezuinigen van de verzorgingsstaat of het verwateren van milieuregels, waren puur door economische redenen ingegeven; te hoge belastingen voor het kapitaal en te strenge milieuregels zouden immers de internationale concurrentiepositie van ‘BV Nederland’ aantasten. Democratische besluitvorming werd ondergeschikt gemaakt aan economische ratio; in die zin was het neoliberalisme al een belangrijke stap richting de kapitalistische dictatuur, die we nu met Trump tot vol wasdom zien komen.
Een tweede en nauw samenhangende reden waarom de democratie ook in de zelfverklaarde liberale democratieën steeds minder voorstelt, is de graduele verlamming van de vrije, kritische meningsvorming. Democratie veronderstelt immers autonome burgers, die kritisch kunnen nadenken en op basis van objectieve informatie en open onderlinge discussie tot democratische besluiten kunnen komen. Maar aan die basisvoorwaarde van individuele autonomie wordt steeds minder voldaan.
In de jaren ‘60, met de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij, waarschuwde de kritische denker Herbert Marcuse al dat ons bewustzijn steeds meer in de greep zou komen van consumentistische massamedia-propaganda (zoals reclame), met als gevolg dat onze ‘diepste verlangens’ steeds meer “valse verlangens” zouden zijn, geprogrammeerd door het kapitalistisch systeem, om de consumptie op peil te houden. Marcuse was wat dat betreft bijzonder vooruitziend, omdat deze consumentistische indoctrinatie sindsdien alleen maar erger is geworden en nu in de wijdverspreide smartphone-verslaving tot een hoogtepunt komt. Ons leven, zeker bij jongere generaties, speelt zich in toenemende mate af in de digitale wereld van internet, sociale media, memes, games, apps, etc. Een wereld die volledig wordt beheerst door Big Tech, waarvan de superrijke ‘eindbazen’ de nieuwe masters of the universe zijn. Met één druk op de knop kunnen zij de publieke opinie sturen.
Daarbij gaat het nu niet meer alleen om het creëren van “valse behoeften” ten bate van het consumentisme, maar om keiharde politieke propaganda door middel van trolls, desinformatie, nepnieuws en de politiek-gekleurde algoritmes die onze informatievoorziening beheersen. Zo kan Big Tech in opdracht van de hoogste bieder (lees: de superrijken) verkiezingen sturen – en er zijn genoeg aanwijzingen dat dit nu al op grote schaal gebeurt. De ontaarding van de liberale democratie in een totalitaire kapitalistische dictatuur is daarmee een feit.

No comments:
Post a Comment